Werken. Deel III
(1934)–Jan van Ruusbroec–* Narede. ** Algenoegzaam en synthetisch karakter van het schouwende leven. *Vele meer waerde mochte ic hier-toe segghen. Maer die dit beseten hebben, si en behoevens niet, ende dientGa naar voetnoot8) ghetoent es, endeGa naar voetnoot9) met minnen ane minne cleven, minne sal hemGa naar voetnoot10) die waerheyt <wel>Ga naar voetnoot11) leeren. Maer die-ghene die uutweert gaen, ende van <vremden>Ga naar voetnoot12) dinghen troost ontfaen, wat hem ontblivet si en ghevoelensGa naar voetnoot13) niet. <Ende al seidic vele meer, si en verstondens niet>Ga naar voetnoot14). Want die hem te-male gheven tot uutwendigen werken, ochte, sonder were, in inwindigher ledicheit, si en moghensGa naar voetnoot15) niet verstaen.![]() | |
[pagina 297]
| |
ontbliven ende wiken moeten den ghevoelne ende den instaerne des gheests, ende dien dinghen die boven redene sijn, nochtan blijft redene staende sonder werc inder hebbelijcheitGa naar voetnoot1), ende oec dat sinlijcke leven, ende en moghen niet vergaen, niet meer dan die natuere des menschen vergaen en mach. ![]() ![]() ![]() ![]() | |
* Onderwerping aan het oordeel der Kerk, en laatste waarschuwing tegen de pantheistisch-quietistische strekking. *Ic en can u mijne meininghe nu te desen male niet claerreGa naar voetnoot3) bewisen.![]() | |
[pagina 298]
| |
ic wille leven ende sterven cristus knecht, in kerstenen ghelove. Ende ic begheer te sine, overmids <de gracie Gods>Ga naar voetnoot1), een levende let der heiligher kercken. ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
|