Briefwisseling van Hugo Grotius. Deel 3
(1961)–Hugo de Groot– Auteursrechtelijk beschermd1329. 1628 november 4. Aan N. van Reigersberch.Ga naar voetnoot3Mon frère, Voor dese mael heb ick van uE. niet gehadt ende heb ondertusschen dese weecke door twee wegen uE. geadviseert van het accoord van Rochelle over zeeGa naar voetnoot4 ende over BruysselGa naar voetnoot5, opdat uE. van de eerste mochte zijn, dye daervan kennisse soude hebben. Op huyden zijn de brieven publycquelijck gelesen, daerbij den coning schrijft daerin geweest te zijn met volcomen possessie, waerover men het Te DeumGa naar voetnoot6 op huyden heeft gesongen ende gevyert. Men seyt den coning uyt goedheyt het exercitie van de religie sal gunnen binnen de stadt in kercken, dye sedert de reformatie gebouwt zijn, want de ouden verstaen de catholycken, dat haer toecomen. De Franchoysen, dye met de Engelschen gevoucht zijn geweest, hebben haer daervan afgescheyden ende een accoord apart gemaeckt. De gedeputeerde van Rochelle ende de haeren waeren op eenen tijdt in 't leger, maer mochten malcander niet spreecken. Nopende RohanGa naar voetnoot7, daer is aen hem gesonden ende men meent den coning opentlijck sal bespreecken de demolitie van de fortificatiën van Nismes ende Chastres, dye gemaeckt zijn nae het tractaet van MonpelliersGa naar voetnoot8, maer dat hij hem met eenigh beginsel op obedientie sal contenteren, opdat dye van de religie eenige verseeckertheyt mogen hebben tegen haere vijanden ende soodaenige, dye 't rijck niet in gevaer en stelle. 't Is seecker, dat dit sluyten van de zeepoorte Vrancrijck sal stellen in groote luyster overal. De hertogh van MantuaGa naar voetnoot9 heeft hem wat gehaest met sijn soonGa naar voetnoot10 aen den keyserGa naar voetnoot11 te senden, sonder eerst advys aen Vrancrijck te nemen. Had hij geweten, dat Rochelle soo haest over soude zijn gegaen, soude apparentelijck sulcx niet gedaen hebben. Wij verlangen hyer te weten de receptie van BaugyGa naar voetnoot12 over hetgunt daeraen hanght. ValensGa naar voetnoot13 is met dese tijdinge van Rochelle niet weynigh gealtereert | |
geweest. Twaelff van Rochelle hebben opentlijck op haer knyen voor de gemeente vergiffenis gebeden. Wat Montauban sal doen, is noch onseecker. De mareschal d'EstréeGa naar voetnoot1 vordert zeer zijne lichtinge, om gereedt te zijn voor het vallen van de snee. Daer werdt zeer gesproocken van de verlossinge van beyde de heren van VendosmeGa naar voetnoot2. Voor den joncxste heeft de ordre van Malta, waervan hij ridder is, geschreven door beleydt van den cardinael. 't Is seecker, dat men hyer heel geresolveert is tegen Spaegnie, selffs misschyen soo men canse syet om 't landt van Milaen aen te tasten, te weten, soo de princen van Italiën resolutie toonen. Wij doen onse gebyedenisse. Den IIII Novembris XVIcXXVIII tot Parijs. UE. dyenstwillige
| |
Onse ambassadeursGa naar voetnoot3 hebben nae 't accoord met Rochelle eenige maelen audientie gesocht aen de coninginne-moederGa naar voetnoot4, maer zijn t'elckemael uytgestelt. Men houdt zij nae Engelant hebben gesondenGa naar voetnoot5 om de vrede te traverseren, die sij noch meenden dat Rochelle soude tegenhouden. UE. gelieve mijn broeder de Groot wat van de tijdinge mede te deelen. Ick sal nu aen hem niet schrijven. | |
Adres: Mijn heer, Mijnheer Reigersberg, raedt in den Hoogen Raide in Hollant. In 's Gravenhage. Port. In dorso schreef Reigersberch: broeder de Groot tot Paris den IIII Nov. 1628. Vranckerijck sal groote luyster crijgen door het sluyten van de zeepoort; 12 uyt de naem van de gemeente hebben den conynck vergiffenisse gebeden; men spreeckt van verlossynge van beyde de heeren van Vendosme, voor de jonckste heeft d'ordre van Malta geïntercedeert door beleyt van den cardinael. |
|