| |
| |
| |
| |
Het laatste nieuws
14
Wij kwamen voor Barcelona tegen het eind van een dag en een nacht met buien slecht regenachtig weer, en een harden wind, die het schuim deed wegstuiven van de hooge golfkammen. Het was nog voor dageraad, toen ik bovenkwam. De zwaaiende schijn van den vuurtoren veegde regelmatig, met onverbiddelijke tusschenpoozen over het kerkhof tegen de duisternis van den berg Montejuich, en zette de ontelbare witte kruizen een voorbijgaande se- | |
| |
conde in zijn helderheid. Als een zoeklicht, dat onderzocht of er geen doode ontsnapte in die verwarring van graven, steenen en boomschaduw...
Met een doode aan boord is een haven gesloten. En zoo kregen wij al vroeg den havendokter, een norsch en naar man, die het koud had, en met den kapitein achter een stapel papieren zat. En wij voeren maar in een kring. Het lage land aan lij lag er groenig en rijk van kleine boomen. Ik was op de brug toen de telegraaf ging. Wij hadden toen den berg Montejuich weer voor, doodsch en nevelig.
‘Hard starboard,’ zei de loods.
‘Ay, har starboard, Sir,’ zei de roerganger. Ik keek en zag de vlag halfstok aan de lijn, in het natte weer.
Er flitsten mij een paar verzen in de hersens:
What would'st thou then, divine Zenocrates?
Is it not passing brave to be a king
And ride in triumph through Persepolis?...
| |
| |
Literatuur is soms een vervloekt ding; het vergiftigt den geest. Ik herinnerde mij, en niet voor het eerst, dat korte verhaal, ik meen van een der Goncourts: Een jonge Engelsche aristocraat is verliefd geworden op een groote Fransche actrice. Zij houdt veel van hem; hij krijgt de cholera. Zij verpleegt hem; hij sterft. Zij zit naast zijn bed, en hij is in doodsstrijd. Zij zit naast zijn bed en speelt, zonder het zelf te weten, zijn doodsstrijd na, trek voor trek van het stervende gezicht. Hij wordt voor het laatst wakker en ziet wat zij doet. En hij zegt: Wees vervloekt...
Ja, zoo is het. Heb ik den heer Janssen niet waargenomen als stof voor een verhaal? - En wist hij dat? - Maar dat wist hij immers... Een schrijver is soms een aasvlieg, dacht ik walgend.
En daar was de kapitein achter mij:
‘Gossie, gossie,’ zei hij, ‘wat halen de menschen toch veel overhoop als een mensch dood is, terwijl ze zich bij zijn leven niet om hem bekommerd hebben. Nog meer
| |
| |
papieren dan om een heel schip in te klaren. En dat voor zoo een klein mannetje.’
Zoo voeren wij dan de grauwe haven van Barcelona binnen, langs een paar karkassen der Spaansche marine aan bakboord, slecht in de verf zittende oude torpedobooten, de Lauria, de Laya en de Alcazar, en een ouderwetschen onderzeeër, de C 1, als ik het wel heb.
Ze waren er aan het visch bakken; men rook de olie. En rechts lagen de mosselenvlotjes, die geen naam hadden. Ik merkte dat ik honger had; er was dien dag nog niet veel gegeten.
Toen ging er op een van die oude schepen van oorlog een snerpend schril fluitje, en een man rende naar achter. En nog een, op een ander schip. En een op een derde. En zij frommelden aan de vlaggestokken, en de vlaggen gingen halfstok. De Spaansche vloot salueerde den heer Janssen, den doode bij ons aan boord. De dood vergt internationaal eerbewijs, te water.
De tweede stuurman stond er naar te
| |
| |
kijken. ‘Ach, mijnheer, als hij dàt nou nog eens had mogen beleven,’ zei hij.
En toen kwamen wij ergens in een vreemden hoek te liggen bij de kolenhaven, bij een vuilen muur met een meer dan levensgroote reclame voor de Anis del Mono, en de zwarte aap van dat handelsmerk als een reusachtige duivel daarnaast geschilderd, op witten grond. Dien avond had niemand veel zin in passagieren. Het was een kwartier naar de stad, over allemaal dwars dooreen wisselende treinrails. Eerst laat wandelden wij er toch maar heen; de meester en ik. Want wat moet je doen? Er was niet eens iemand voor een partij bridge. En schaak was er al in tijden niet meer gespeeld. Op het begin van de Rambla kwamen wij Rosa tegen. Wij waren blij een bekend mensch als Rosa te zien.
‘Ha, die paardekop,’ zei de meester vriendelijk.
‘Yourself paardekop,’ zei Rosa, dik en vierkant.
| |
| |
‘Noches,’ zei ik.
‘Buenos,’ zei Rosa. ‘Wat liggen jullie slecht, niet?’
‘Ay; Rosa... Un hombre se había muerto a bordo.’
‘Cómo?’ vroeg Rosa.
‘De corazón.’
‘Es malo, es muy malo,’ zei Rosa. ‘Was hij jong?’
‘Nee, oud.’
‘Muy bien,’ zei Rosa. ‘Is hij christelijk gestorven?’
‘Ja,’ zei ik.
‘En wie heeft hem de oogen gesloten?’
‘De eerste stuurman.’
‘Dat brengt geluk, een goede doode de oogen te sluiten,’ zei Rosa.
‘O, ja?’
‘Ja,’ zei Rosa, ‘dat brengt geluk. Zeg het maar tegen de stuurman. Zal je het zeggen? - En moeten jullie geen bloemen hebben? Geen krans? En is hij gewasschen en verzorgd? Of zal ik...’
‘Hij is al van boord gehaald,’ zei de meester.
| |
| |
‘En moet er morgen wijn aan boord zijn?’ vroeg Rosa. ‘Een Rioja? Ik weet een beste Rioja. - Want jelui zijn hier maar kort.’
‘Zij weet het weer,’ zei de meester. ‘Die paardekop.’
‘Paardekop, yourself...,’ zei Rosa. ‘En die ansjovis in blikjes, vierentwintig?’
‘Ja,’ zei de meester, ‘dat's wel een idee. Maar over die krans moest je eerst maar eens met de kapitein spreken. En hoe weet je nou?...’
‘Je ligt hier maar kort,’ zei Rosa. ‘Geen lading, en hij wordt hier begraven. Zegt het kantoor.’
‘Die Rosa...,’ zei de meester. ‘Toe dan maar. Hij had vast ook een tamezaantje gekocht, nietwaar?’ zei de meester tegen mij, als ter verontschuldiging. ‘Of, nee, want hij moest door naar Mallorca. Nou, maar laat er wijn wezen.’
‘Op zijn nagedachtenis,’ zei ik.
‘Waarachtig,’ zei de meester. ‘En of hij het daar nou zoo goed gehad zou hebben, op dat eiland?’
| |
| |
‘Komaan, mijnheer...’
Wij zetten ons aan een tafeltje voor de Bar Andalucia en bestelden een manzanilla. Van de beste.
‘Proost,’ zei de meester.
‘Proost,’ zei ik. Het smaakte lichtelijk bitter, zuiver en verkwikkelijk; maar het viel niet goed. Wij namen er nog een; maar het wilde niet smaken. Wij gingen een gebakken vischje eten aan den overkant, in de Casa Juan. Smaakte ook niet. - Wij lieten de stad de stad. Wij hadden geen trek. Aan boord zat de kapitein nog achter papieren. ‘Moet u eens lezen,’ zei hij, en gaf mij twee telegrammen; ik vouwde ze open en las:
Familie acht begrafenis Barcelona beter. Verzoeken bezittingen en gouden horloge te deponeeren agentschap. Brief volgt. Janssen.
En het andere van het hoofdkantoor:
Kosten Janssen verrekenen per agentschap. Bezit en gouden horloge aldaar afgeven.
| |
| |
‘Dat horloge zit ze dwars, niet?’ zei de kapitein. ‘Ik zal wel schrijven dat hij het u vermaakt heeft.’
‘Nee; ik wil het liever niet hebben,’ zei ik.
‘Gelijk hebt u,’ zei de kapitein. ‘Daar kleeft hebzucht aan, dat zou je nooit vergeten, mijnheer. Nou, 't is morgen vroeg verhalen. Goeienacht, mijnheer.’
‘Ja, goeienacht, kapitein.’
|
|