15
Ik liep de bar uit, toen de oude man zijn schouder tegen de mijne drukte en zei: ‘Ga je mee, lekker jongetje. Ik zal je goed betalen.’
‘Wat ga je snel weg,’ zei de portier en stopte de gulden, die ik hem gaf in zijn zak. ‘Het moet nog leuk worden.’
‘Daar wacht ik dan maar niet op,’ zei ik en ik liep de straat op. Ik moet een hele tijd hebben gelopen al raakte ik elk gevoel voor tijd kwijt en opeens stond ik voor het huis van Michael. Ik wist, dat ik stom deed, dat ik gewoon niet moest hopen, dat hij straks, als hij naar huis kwam, me boven zou roepen. Misschien kwam hij ook helemaal niet en zou ik uren voor niets staan wachten in de straat met koude voeten en opgedroogde tranen als wachtloon.
Ik leunde tegen een gevel en naast me ging een raam open. Een oude man stak zijn hoofd naar buiten. ‘Jongen, jongen,’ zei hij zacht verwijtend, ‘wat sta je hier nou. Ik ken jou wel, jij bent de vriend van die jongen hier aan de overkant. Ga toch weg, want hij wil je niet meer zien. Echt, geloof me toch. Ik heb er al zoveel bij hem zien gaan.’ Hij zuchtte even: ‘Dat jullie dat nou niet beseffen, dat zo'n jongen je de bons geeft, zodra hij iets anders tegenkomt.’
‘Maar...’ begon ik. Ik wilde zeggen, dat ik er niet op rekende, dat Michael weer van mij zou zijn, maar dat ik alleen stond te wachten om hem even te zien, wat natuurlijk een leugen was. ‘Laat nou maar,’ zei de man. ‘Vergeet die jongen nou, want er woont al een andere jongen bij hem. Beklaag die maar, want die woont er ook niet lang. Neem van me aan, dat ik zo langzamerhand wel kijk op die dingen heb gekregen.’ En toen: ‘Neem maar een sigaret en ga dan naar huis. Probeer te slapen, want als je dat kan, ben je bevoorrecht. Ik kan het niet.’
Ik stak een sigaret op, groette de man, die het raam weer dicht deed en liep naar de Leidsestraat. Ik voelde me hol en koud en was er zeker van, dat ik nooit meer een gevoel voor iets of iemand kon opbrengen.
Schuin tegenover de Universiteitsbibliotheek staat een stenen urinoir. De business-jongens kennen het urinoir, het middelpunt van de geldmakerij, maar die avond wist ik dat nog niet.