vader niet.’
‘O,’ zeg ik teleurgesteld.
‘Maar toch kan ik je misschien helpen, mijn zoon.’
‘Ja,’ zeg ik huiverend, ‘ik heb het vreselijk koud en daarom zou ik graag van de toren af willen. Misschien heeft u een laddertje voor me, wat u naar me toe kunt steken of een touw, wat u uit kunt gooien,’ maar dan bedenk ik me, dat ik een touw niet kan vastpakken, omdat ik geen handen heb en dat een ladder ook onmogelijk te beklimmen is.
‘Ach, nee, laat u maar,’ zeg ik dan.
‘Mijn zoon, als ik je de biecht kan afnemen.’
‘Ik heb nooit iets slechts gedaan,’ antwoord ik, ‘ik zweer het.’
De kapelaan snuit zijn neus. ‘Nou, nou,’ zegt hij dan, ‘niet zo verwaand. En al die stille zondes dan. Denk je nooit aan mannen met harde spieren en een wollige borst?’
‘Ja, dat wel,’ zeg ik beschaamd.
‘Zie je wel,’ antwoordt hij triomfantelijk. ‘Kom, mijn zoon, laten we bidden.’
‘Ik heb geen handen, eerwaarde.’
‘Jezus nog aan toe, je wil ook helemaal niet meewerken. Nou, vooruit, dan maar zonder handen.’
Ik druk mijn polsen tegen elkaar.
‘Bidt dan wat,’ zegt de kapelaan vermoeid, ‘maar snel, want ik sta op een stoel en ik krijg kramp in mijn benen.’
‘En ik in mijn rug,’ zeg ik snel nijdig terug, want ik vind zijn manier van doen niet in overeenstemming met het gedrag, dat je van een priester zou verwachten.
Het is tien voor half twee geworden en ik merk, dat ik me bijna niet met mijn voeten omhoog kan drukken, want de grote wijzer staat nu schuin naar beneden.
‘Ik ga vallen,’ zeg ik benauwd tegen de priester. ‘Wilt u hulp halen, de brandweer bellen of zo.’
‘Ben je nou aan het bidden of niet,’ schreeuwt hij terug. ‘Dat egoïsme van die jeugd is werkelijk ten hemel schreiend.’