Schriftoverdenkingen. Deel 3 (Verzamelde werken afdeling II)
(1959)–K. Schilder– Auteursrechtelijk beschermdKerkvergadering, Evangelievrucht.Ga naar voetnoot1)Toen begon men den Naam des HEEREN aan te roepen. Aan alle kerkvergadering gaat evangelieverkondiging vooraf. Oók, en juist de eerste evangelieverkondiging (Gen. 3:15) heeft haar vrucht gezocht en - gevonden in de vergadering der kerk: Gen. 4:26 toont de vrucht van Gen. 3:15. Want wel kwam blijkens Gen. 3 een oordeel over den mens, maar door het in vs 15 neergelegde evangelie treedt het verlossend element daarin. Naast het oordeel ligt, voor wie gelooft in het evangelie, de mogelijkheid van verandering ervan in helpende kastijding. En zo ligt in de straf (bedorven verhoudingen der mensen onderling) ook weer mogelijkheid van herstel dier verhoudingen tussen mens en medemens: in de kèrk wordt de fámilie gered, de samenleving hersteld. En daarna bouwt de familie de kerk verder op en uit. Tussen de mensen onderling wás al gezag; er wás dus al zo iets als ‘overheid’; en er wás al een hoofd-schap van den een tegenover den ander, ook vóór den val. Maar ná den val herstelt God dit gezag, Hij stelt weer den man tot hoofd der vrouw. De kreatuurlijke verhoudingen worden weer hersteld; man en vrouw, die in feite uit elkaar geslagen zijn, komen weer onder de scheppingsordeningen: | |
[pagina 463]
| |
weer is de man, hoewel ook zelf zondig, en mede-in-overtreding, hoofd der vrouw, omdat God toch zijn Hoofd blijven wil. Zo ligt er ook genade in, als God de wanverhouding tussen vrouw en sláng doorbreekt: het zal niet meer gebeuren, dat de door de genade Gods van de slang en haar cohorten afgetrokken vrouw, inclusief haar ware ‘volk’, haar evangelisch afgegrensde ‘zaad’, zich door de slang laat verleiden tot principiële apostasie, tot blijvenden afval. Dat één-dags-front van vrouw-en-slang tégen den man, die hoofd van zijn geslacht, en bondgenoot van God, en publiek persoon in het verbond, en glorie van God als zijn Hoofd was, dat front is doorbroken: Gen. 3:15 is de tekst van de doorbraak Gods. Hij doorbreekt het noodlottige front, dat de kreatuurlijke en foederale onderscheidingen-van-den-paradijsvredes-staat in hoogmoed tot tegenstelling maakte, en stelt zo de principiële antithese, niet tussen man en vrouw als kreatuur, niet tussen slang en vrouw als biotische gegevenheden, doch tussen het éne front van wie Gods vredesdoorbraak erkennen, en het andere front van wie haar niet erkennen. En terwijl de man andermaal tot hoofd van de vrouw weer is gesteld, en nu tot zijn ‘Hoofd’, den levenden God, weer gaat ‘begerig’ zijn, daar schuift God zelf tussen zich en dien man den Immanuël, den God-en-mens, den Zoon van God en tevens Zaad der vrouw, den Middelaar van het thans opgerichte genadeverbond in: de paradijsvrede komt weer lokken, zodat het nadien heten kan: de vrouw is glorie van den man, de man glorie van CHRISTUS, en Christus glorie Gods (1 Cor. 11:7). Alle dingen zijn weer onder hun Hoofd of ‘hoofd’ geplaatst; het ware Hoofd, én het valse hoofd, dat de overste heet van ‘deze’ wereld. Van ‘deze’, de gevallene, voorzover zij den val als opstanding, en de breuk als herstel, en de revolutie als bevrijding blijft beschouwen, overgegeven als zij is aan haar eigen dwaasheid. Genesis 3:15 was het eerste evangelie geweest. Maar zie, nu heeft God dat evangelie daarna door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen. Heilige patriarchen en profeten, die traden dus op, en vonden gehoor, en hadden een 'am', een ‘volk’, een ‘community’, een door hun leer gevormd wèl-gegroepeerd gehoor, dat zich, geinstitueerd in kerkvorm, (Gen. 4:26), als vrouwenzaad had opgesteld: een front tegen het slangenzaad als tegen-front. Zo'n ‘am’ (volk, zaad, kring, community) heet in den bijbel trouwens wel ‘qahal’, een zowel ‘incidenteel’ als ‘voor vast’ zich constitueren- | |
[pagina 464]
| |
de samenkomst, coetus, congregatie; ingeval van eredienst dus: kerk. En bij ‘qahal’ denkt ieder aan ‘qohêleth’, d.w.z. in de meeting wordt gesproken, in de vergadering van vrouwenzaad wordt geprofeteerd; zij komt zelve op uit de profetie, en neemt de taak van profeteren naar binnen en naar buiten daarná op zich. Er was dus aanstonds een collectief, zich inmiddels afgrenzend vrouwenzaad geformeerd; en dat richtte zich, met den inhoud der belofte, met het ‘protevangelie’, de eerste belofte, tegen de slang, den kop, de spits, het hoofd ervan zoekende, hoewel het zelf in de pijn van reële kerkvervolging (Kaïn was geen broedermoorder slechts, doch daarin kerkvervolger) reeds kennis gemaakt had met de slang als grijpende naar den hiel, de achterhoede, de zwakke, onbeschermde stee, van het vrouwenzaad. Wij hebben in deze laatste woorden voor ‘kop’ en ‘verzenen’ (bekend uit Gen. 3:15) andere woorden gebruikt; en we achten het niet uitgesloten, dat ook met de mogelijkheid van dergelijke precisering in de verklaring ernstig te rekenen valt; hoevaak wordt in een raadselspreuk, een gelijkenis, hetzelfde woord in meer dan één betekenis gebruikt, b.v.: breekt dezen tempel af, Ik zal hem in drie dagen weder opbouwen (Joh. 2:19), of: een kleinen tijd en gij zult Mij niet zien, en wederom een kleinen tijd en gij zult Mij zien (Joh. 16:16-23); er zijn trouwens ettelijke voorbeelden. En indien in deze richting werkelijk te zoeken zou zijn, dan zou de moederbelofte inhouden, dat het vrouwenzaad, zijn aanval op het front richtende, den duivel zelf als vijand onderkent en ‘wederstaat’: de duivel is het hoofd, de baäl, der slang, en van het adderengebroed, gelijk hij ook beëlzebul en beëlzebub, vliegengod en heer van de mestvaalt heet. Terwijl dan de slang, de duivel zelf, van achteren aangrijpt, listig, en zich op de achterhoede richt, in een overigens reeds verloren strijd. De een wordt in de leiding, de ander slechts in de achterban getroffen. Doch over deze mogelijkheden niet meer. Hoofdzaak blijft: de moederbelofte heeft haar werking gedaan: er ontstond een gezelschap Gods rondom patriarchen en profeten. Een corpus messianicum, een lichaam-van-Messias (d.i. Christus), een corporatie van vrouwenzaad, een kerk als community, als ‘lichaam’ van Christus. En daarin werd geprofeteerd. En in die profetie werd de evangeliestem doorgegeven: de liefde ijverde naar de beste gaven, en daarom naar de profetie, die welbewust de kerk vergaderen wil met ter toetsing overgegeven (1 Cor. 14:1 v.) epexegese der Woordbelofte. |
|