| |
| |
| |
Het stadje Lucca
EEN VERRUKKELIJK landschap van Toscane, zooals de schilders als achtergrond voor heiligen vertoonden, met lange rijen populieren, stijgend en dalend langs de glooiingen, kronkelende beken, welverzorgde wijngaarden, veel perzikboompjes gebogen van de vruchten, in de verte de Apenijnen, waar hier en daar op een top een dorp als een vesting ligt, met een sterken vierkanten klokketoren. De marktplaats van de streek, die tot de eertijds waardige heerenstad Lucca groeide, moet er al in den tijd van de Etrusken geweest zijn, aan een der wegen van het gebergte naar de vlakte en de zee. Nu, in haar ouderdom, al is zij geen onafhankelijke republiek meer welker trots het was de laatste te zijn om voor den Franschen keizer te buigen, is de stad ook nog waardig, misschien niet minder dan in dien verren tijd toen zij vol leven was.
Men komt hier nog binnen door een poort, hoog en breed, met zware beslagen deuren, een poort waar men hellebaardiers verwacht te zien.
| |
| |
Maar er is niemand. De straat, die er voor ligt, had een allee kunnen worden, zij is de eenige nieuwerwetsche die men hier vinden zal, en ook hier loopt niemand, in zon noch schaduw. Die verlatenheid met de nieuwerwetschheid verwekt weifeling, immers om een saai provinciestadje uit het eind van de 19de eeuw te zien is men niet gekomen. Maar dan staat men opeens voor een recht, lommerrijk plein dat al een eeuw verder voert, met een gebouw bijna zoo groot als het paleis op den Dam. Dat is alleen voor het provinciaal bestuur en de minste ambtenaar heeft er een zaal met hooge vensters om naar buiten te kijken. Ambtenaren in de provincie doen dat gaarne, tenminste als zij jong zijn en vooral in het Zuiden. De zuster van Napoleon heeft met haar tot hertog verheven echtgenoot hier gewoond; vandaar de grootheid, waarover indertijd de burgers zich geërgerd hebben, omdat er veel dat hun dierbaar was voor werd afgebroken. Later heeft er een andere hertogin gewoond, die nu nog als standbeeld voor het gebouw staat. Het is een aangenaam plein, waar op een zomeravond de menschen drentelen langs de vier zijden, genietend van koelte en muziek. Maar op den warmen middag kan men
| |
| |
ze tellen, waarschijnlijk zijn de enkele voetgangers geen ingezetenen, maar buitenlieden. De tourist, die daar het standbeeld beschouwt, is de eenige, gemakkelijk in zijn hoedanigheid te herkennen, en voor de middagtrein vertrekt zal men hem nog eenige keeren ontmoeten, maar het is niet noodig zich zoo te haasten als hij en alles binnen twee uren te zien.
De voornaamste straat staat open, men hoeft er niet naar te zoeken. En hier begint de echte eeuwenoude tijd. Waarom alle straten zoo nauw zijn en zoo merkwaardig zigzagswijze loopen? In die middeleeuwen werd een stad niet gemaakt volgens een ontwerp, maar groeide zij naar behoeften. De menschen hielden ervan gezellig dicht bij elkaar te wonen, 's zomers schaduw te hebben en 's winters beschutting tegen de guurheid. Als die straat recht liep zou de Noordenwind, die van de Apenijnen valt, er ongehinderd doorheen kunnen blazen, maar als men, nieuwe huizen bouwende, met een hoek kort afweek en dan de straat weer voortzette, zou die wind er wel genoeg van krijgen telkens zijn hoofd te stooten. Wie de tramontana kent en bedenkt dat in dien tijd de gezellen niet zooals de meesters bonten kleederen hadden en
| |
| |
zeker geen schoorsteenen, begrijpt dit wel. Na vier-, vijfmaal een hoek omgegaan te zijn, loopende tusschen huizen die hoog schijnen omdat zij dicht tegenover elkander staan, met slechts een dunne streep zon en blauw daarboven, denkt men in een doolhof te verdwalen. Men vreeze niet. Het is een kleine stad en als men doorloopt komt men zeker weer aan een poort en daarachter aan een bolwerk. Bovendien, men kan gerust de eerste zijstraat inslaan en dan om een hoek weer omloopen met de zon in het gezicht, dan komt men zeker weer op dat plein met het standbeeld van Marie Louise. En dan is het ook duidelijk met welke ordelijkheid de stad gegroeid is. De Lucchesen waren altijd, in tegenstelling van hun buren de Pistojesen, menschen die van orde hielden en dat zijn zij nog. Eenmaal een gezag aanvaard gedroegen zij zich stipt, daarom kon ook het gezag zijnerzijds hen steeds behoorlijk behandelen.
Na een verkenning van de straten komen de pleinen aan de beurt. Het plein van Napoleons zuster niet meegeteld is het plein van de kathedraal het ruimste; daar is het ook rustig, daar woont de bisschop. De kathedraal is een van de grootste werken van de Pisaansche bouw- | |
| |
meesters, waarvan er in deze streken zoovele staan, maar heeft toch een zekere deftigheid die de kerken van Lucca van die der naburige steden onderscheidt. Ook inwendig zijn zij door de eeuwen 17, 18 en 19 niet geschonden; schending kwam alleen in behoeftige steden voor, maar Lucca was nooit arm. Zij zijn ook binnen alle mooi. Maar deze Sint-Maarten heeft twee uitstekende werken. Het een is een gebouwtje, dat men van den voorkant binnentredend recht voor zich ziet, een kleine kapel van marmer mozaiek, eerwaardig zooals het verblijf van het kruisbeeld past. Het ander toont de Renaissance op haar edelst, de graftombe van Ilaria. Wie was Ilaria? Geen vrouw die een naam heeft in de geschiedenis, niet meer dan de vrouw van den heer der stad, Guinigi, die jong stierf. Maar de beeldhouwer heeft in haar getoond hoe schoon het menschelijk aangezicht is wanneer de ziel het heeft verlaten, alsof het slaapt, overgegeven aan een oogenblik. De stad is er ook trotsch op dat Jacopo della Quercia hier gewerkt heeft.
Het levendigste plein is dat van San Michele met de kerk die den hedendaagschen burger eigenlijk dierbaarder is. Zij ziet er vroolijk uit met haar blanke façade, wel wat overdadig versierd
| |
| |
met vier galerijen en pilaartjes, en op de nok tusschen twee engelen de aartsengel Michael, gereed om op te vliegen. Achteraan naast den zijgevel de toren, eveneens iets te veel prijkend met bogen op bogen. Aan overdaad bezondigden al in de vroege Renaissance de bouwers zich wel meer; eenmaal aan het werk konden zij niet genoeg krijgen van versiering met bogen opgestapeld.
Was soms Bonagiunta, meester metselaar van San Michele, niet een onmatig man? Hij maakte ook liedjes in de volkstaal, daarom schreef de chronist van hem: Hij was gemakkelijk met de rijmen, gemakkelijker met de wijnen. Dante, die een hekel had aan Lucca, plaatste hem in Purgatorio, niet wegens zijn poëzie, maar wegens zijn onmatigheid. En toen de Florentijn daar werd rondgeleid wisselden zij eenige scherpe woorden. De metselaar-volksdichter, die het onaangenaam vond zoo mager als hij geworden was hier voor den grooten dichter te kijk te staan, zeide met een knipoog dat Dante wel van Lucca zou gaan houden, omdat Lucca rijmde op een zekere vrouw Gentucca. Dante, wiens eerzaamheid boven verdenking stond, kon niet beter antwoorden dan met de wedervraag: wat hij eigenlijk bedoelde?
| |
| |
De meester metselaar onderging zijn loutering in voornaam gezelschap, een paus, een kardinaal, een aartsbisschop, een edelman, allen veroordeeld wegens smullerij. Hij moest het hier zonder wijn doen, paus Martinus zonder paling. Dante was een zeer gestreng man. Het is waar dat de wijze, waarop de paling voor Martinus bereid moest worden, een buitengewone lekkerbekkerij verried; hij wenschte dat het beest in den wijn gelegd werd tot het daarin verdronk en dat het daarna gestoofd zou worden. Men mag niet zooals die metselaar doen, iemand verdenken zonder bewijs. Maar het is toch zeker dat Dante nog niet geleerd had ook van zijn tegenpartijders veel door de vingers te zien.
Voor andere menschen van Lucca had hij nog zwaardere straffen. Bij het gerecht, zeide hij, en in zaken maakt men daar voor geld ja van neen. Daarom moest Bonturo, die in dat raadhuis met de loggia zat hier op den hoek van het plein San Michele, met andere woordverdraaiers en bedriegers in het kokend pek van de hel gedompeld worden. Antelminelli, heer van Lucca, vleier en belager van onervaren vrouwen, werd geslingerd in een stof die men niet noemen mag. Toen Dante dit deel van de hel bezocht en voor
| |
| |
hem staan bleef, vroeg Antelminelli: ‘Waarom kijk je meer naar mij dan naar de anderen?’ ‘Omdat’, was het antwoord, ‘als ik wel mij herinner, ik je eerder heb gezien met droge haren’; inderdaad, de haren waren nat, maar bovendien gaf dit te verstaan: verstoken van gezellin. Ten overvloede werd bij wijze van aardigheid zijn hoofd een pompoen genoemd. Neen, menschlievend was het niet, al rijmde het.
Er blijkt echter wel uit Dante dat in hetLucca van de 13de eeuw, toen vele van de kerken gebouwd werden of hun marmeren mantels kregen, een zorgeloos leven werd geleid. Men zou het niet zeggen aan de strenge aangezichten van de woningen, zoowel de nederige als de aanzienlijke. De strengste werden weliswaar pas gebouwd door de achter-kleinkinderen van hen die Dante veroordeelde. Van San Michele door het drukste winkelstraatje loopende, waar men wel een paard met rijtuig kan tegenkomen, en dan rechts een nog nauwer straatje ingaande, ziet men voor zich een rooden toren, vierkant met een zonderlinge groene kroon. Dat zijn twee eikeboomen, steeneiken, die daar groeien even hoog als de spits van den Sint-Maarten. En die toren behoort bij het heerenhuis van
| |
| |
Guinigi, heerscher van Lucca in de 15de eeuw. Wie in zoo'n paleis wilde wonen, in den tijd toen het gebruik was met den rijkdom te pronken, had een rechtzinnigen, soberen smaak. Dit huis en dat, waar nu de lommerd wordt gehouden, zijn wel de statigste, met hun zware baksteenen en hun zuivere boogvensters, maar toch zijn er zoo meer.
De meeste worden nog bewoond, hoewel door meer dan één enkelen heer. Toch kan het aantal burgers nu niet grooter zijn dan in de 17e eeuw, toen de wallen gebouwd werden, met gracht en bolwerken, die van de republiek een vesting maakten, naar Coehoorns model. Die bolwerken bieden nu een heerlijke wandeling met alzijds uitzicht op het landschap, want daarbuiten is niet meer gebouwd. De rijkdom groeide niet inLucca, slonk waarschijnlijk. Toen werden de huizen te ruim en heeren met minder rijkdom konden er samen wonen. Ook de kerken zijn immers te ruim voor deze dagen, zij hebben familie-kapellen die verlaten liggen.
En niettemin moet de stad welvarend zijn.
In dat straatje, dat Filalungo heet, kijkt men verbaasd dat er zooveel goudsmidwinkels zijn. De inwoner, die er naar gevraagd wordt, zal
| |
| |
er graag de reden van vertellen. ‘Dat komt, mijnheer, alles van de lakenweverij die al eeuwen niet meer bestaat en door ons juist begrip van geld. Behalve ik en nog een paar anderen zijn wij allen hier in Lucca renteniers, geen rijkaards, welverstaan, maar wij hebben allen toch een boek waar wij in schrijven aan wie wij hebben uitgeleend, dat zijn meestal groote heeren. En wij hebben allen ook de bekwaamheid om de penningen te behouden. Een inwoner van Lucca weet wat een stuiver is.’
En dan begrijpt men ook waarom het hier zoo rustig is, waarom er na negen uur niemand meer te zien is, behalve een paar jonge nietsdoeners op den hoek van dat lommerrijke plein. Had Dante misschien nog een andere reden voor zijn misnoegen? Het is mogelijk. Maar wie gekomen is om een stad te zien die mooi gegroeid is en tevreden is gebleven met haar eerwaardige kerken en huizen, hoeft niet te vragen waarom de inwoners zich vervelen. Naar een provinciestadje moet men ook niet alleen gaan. Het best gaat men in gezelschap van vrouw of dochter.
|
|