maer neemt [al]
Ga naar voetnoot1) vander handt gods <al>
Ga naar voetnoot2) dat god op <u>
Ga naar voetnoot3) ghestaden wilt.

Eedt ende drinct datmen u gheeft, alse een arm mensche, op-dat gyt muegt
Ga naar voetnoot4). Eest oec versouten <oft verbeert
Ga naar voetnoot5) ochte ontsmakelyc>
Ga naar voetnoot6), peyst dat onse here ghespyst ende ghedranct was in synder meester <crancheit>
Ga naar voetnoot7) met edike ende met gallen; ende hi sweech ende en claechde niet. Also laet u oec al ghenoeghen om sinen wille.

Eest oec dat u eenichs dincs lust dies ghi niet en hebt ende dies u noot es, dat muechdi segghen den-gheenen die bi u syn. Wert u dan dat, soe danckes gode. En werdes u <oec>
Ga naar voetnoot8) niet, soe syt verduldich, ende darves
Ga naar voetnoot9) gherne omme gods wille; ende god sal <selve>
Ga naar voetnoot10) uwe loen zyn. Dwingt
Ga naar voetnoot11) uwe begherte, ende en eyscht
Ga naar voetnoot12) niet al dat ghi peyst
Ga naar voetnoot13) ende dies u lust, want dies pleghen verweende rycke liede; maer het es verdrietelyc inden armen mensche, ende die by hem syn die lachterent, ende horent noode.

Vergheet men uws, ende en comt men tot u niet als <u>
Ga naar voetnoot14) dunct dats
Ga naar voetnoot15) u noot es, dan syt ghedoechsam ende in vreden; want dan es cristus bi u, met heilighen ende met ingelen.

Altoes syt blide, ende en claecht
noch en murmurreert niet.

Hebt gode int herte ende goede woorde inden mont: soe seldy altoes toenemen in duechden, ende alle die uws ghenaken selen uws ghebeetert werden.