Inleiding tot de poëzie
(1898)–Pol de Mont–
[pagina 118]
| |
Derde boek.
| |
[pagina 119]
| |
lijkheid, maar ook die, welke slechts in de verbeelding van den dichter bestaan; niet alleen de daden van machtigen en grooten, door de geschiedenis geboekstaafd, maar ook de levensvoorvallen van den eenvoudigen land- en werkman; niet alleen het lijden en de wonderen van de stichters der Israëlitische, Kristelijke en Bouddhistische leer, maar ook al wat de sage ons leert van de wijzen en heiligen van elke andere religie en de onuitputtelijke schat van fabelen, die herinneren aan de afgoden van de oud-klassieke tijdvakken. Ga naar margenoot+ 2. De epische poëzie is aanvankelijk niet afzonderlijk ontstaan; zij heeft zich ontwikkeld uit de lyrische. Dit geschiedde reeds in de ver achter ons liggende tijden, toen, in de streken aan den Ganges en op het eiland Ceylon, de verdeeling der bevolking in Warna's of Kasten tot stand gekomen - en in Indië een maatschappelijke toestand geboren was, die in vele opzichten met dien van het leenroerig middeleeuwsch Europa kan vergeleken worden. Toen ontstond noodzakelijk en natuurlijk de epische poëzie, en haar eerste woord was, wat het in dien tijd en dat land alleen zijn kón: een verheerlijking van de groote daden van koningen en helden. Hoe zou de poëzie zich ook verwaardigd hebben, zich bezig te houden metGa naar margenoot+ de lotgevallen der onderdrukte oorspronkelijke bevolking van de door ons bedoelde gewesten, vermits deze poëzie, sprekende de eigen taal der overwinnaars, even goed als dezen de tot den allerlaagsten stand gerekende sjoedra's verachten en verfoeien moest? Alleen van wie kroon en schepter, zwaard en schild droeg of hanteerde, konden de daden de toenmalige dichters, echte kinderen van dien verren tijd, tot zingend scheppen bezielen. Van lieverlede werden nu lyrische krijgsliederen en gezangen meer en meer vervuld met het verhaal van de groote daden, door de helden bedreven. Alleen de namen der meest | |
[pagina 120]
| |
Ga naar margenoot+ beroemde strijders bleven bewaard, en aan dezen werden door de mondelinge overlevering langzamerhand allerlei daden toegedicht, welke in werkelijkheid door vele andere helden, ook reeds in gezangen verheerlijkt, vervuld waren... ‘Hoe grooter het getal gezangen werd, hoe sterker de behoefte drong om ze te verzamelen, en om bijeen te houden, wat op éen groot feit betrekking had... Ook ontstonden er talentvolle mannen, die den geheelen schat overzagen en naar eigen vinding ordenden en regelden, zoodat er een gedicht ontstond, waarin de deelen met zekere kunst verbonden waren en het geheel een regelmatigen gang had. Zoo ontstond de Mahā-Bhārata, dat is de groote strijd der Bhāratiden, der Koeroes en Pandoes, een ontzaglijk uitgebreid dichtstuk, dat epizoden bevat, die op zichzelf reeds een groot gedicht uitmaken.’ (Dr. W. Doorenbos, Handleiding.) Ga naar margenoot+ Het epos is dus de eerste en oudste gedaante van de verhalende poëzie; het is dit niet alleen in Indië, maar ook in Griekenland, Finland, Duitschland, Frankrijk, Nederland. Eerst later, naar gelang de maatschappelijke toestanden en de heerschende gedachten zich wijzigden, konden de andere verhalende dichtsoorten geboren worden. Ga naar margenoot+ De voornaamste van deze dichtsoorten zijn: de ballade en de romance; de sage, het sprookje en de legende; het epos en het heldendicht; de fabel, de parabel en de allegorie; de dichterlijke vertelling en de idylle: de novelle en de roman. |
|