Inleiding tot de poëzie
(1898)–Pol de Mont–Hoofdstuk II.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 57]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
lied nu vinden alle mogelijke gevoelens uiting, terwijl bv. in het klaaglied alleen weemoedige en smartelijke uitgestort worden. Daarenboven moet ook het lied, als bestemd om gezongen te worden, beantwoorden aan zekere eischen van den uiterlijken vorm, welke men aan het klaaglied niet stelt. Heeft men dit nu goed begrepen, dan kan het behoud der aloude en geijkte verdeelingen niet zooveel kwaad meer stichten. Ga naar margenoot+ 2. Het lied is, in een opvolging van min of meer regelmatig gebouwde strofen, de zoo onmiddellijk, natuurlijk en eenvoudig mogelijke uitdrukking ofwel van een voorbijgaande stemming of wel van een nauwkeurig bepaald en onvermengd gevoel. Ga naar margenoot+ De strofenbouw wordt gewettigd door de bestemming van het lied: het is, op onze dagen, om zoo te zeggen nog de eenige dichtsoort, die voor den zang bestemd is. Deze omstandigheid brengt nog andere eischen mee: alle droge redeneering, alle overdreven beeldspraak, alle gezochtheid is in een lied misplaatst. Maar uitmunten moet het door het geluid en den rhythmus. Ook nog eer de toondichter het komponeert, moet het klinken als muziek. Wanneer wij zeggen, dat het lied bestemd is om gezongen te worden, mag men daaruit niet afleiden, dat al wat men door de toondichters als liederen ziet behandelen, werkelijk liederen zijn, evenmin als men aan tal van echte, welgeslaagde liederen, die toch nooit gekomponeerd werden, het karakter van deze dichtsoort mag ontzeggen. Ga naar margenoot+ Dit neemt niet weg, dat alleen dán het lied een werkelijk, volledig lied is, wanneer het niet alleen door het woord, maar ook door de uit den tekst ontstane wijze den inhoud verduidelijkt. De muziek brengt het woordgedicht als het ware in het bereik van de samenleving, juister misschien gezegd, in het bereik van hen, die geen dichters zijn. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 58]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ongemeen juist zegt Vilmar in zijn Handbüchlein für Freunde des deutschen Volksliedes (Marburg, 1886): Ga naar margenoot+ ‘Ein Gedicht wird nur durch den Gesang unser volles Eigentum, dasz wir dasselbe gewissermassen mit dem Dichter teilen; nur durch den Gesang geniessen wir dasselbe ganz, mit Leib, Seele und Geist; nur durch den Gesang haben wir colle, unvergängliche Freude daran, und nur durch den Gesang endlich wird die Dauer des Liedes, ja gewissermassen seine Unsterblichkeit gesichert.’ De strofenvorm vindt zijn oorsprong in de omstandigheid, dat de liederen bestemd zijn voor de groote menigte, en dat het zeker boven de kracht van deze zou gaan, voor ieder vers een nieuwe muzikale fraze te onthouden. Ga naar margenoot+ 3. Het zou uiterst goedkoop zijn, hier een onafzienbare lijst van min of meer van elkaar verschillende soorten van liederen op te sommen. Al deze verdeelingen zijn echter zeer kinderachtig, en daarom laten we ze dan ook liefst ter zijde. Wij willen ons bepalen tot een enkele, dubbele verdeeling. a. Met het oog op zijn inhoud is het lied godsdienstig of wereldsch; b. met het oog op zijn oorsprong en zekere eigenaardigheden van zijn vorm noemt men het kunst- of volkslied. 4. GeestelijkeGa naar margenoot+ liederen geven uiting aan gevoelens, die hun ontstaan danken aan de verhouding, waarin een geloovig mensch zich gevoelt tegenover God of de goden. De mensch kan God of éen god beschouwen als zijn schepper, zijn vader, zijn bewaarder, zijn rechter, zijn beschermer, zijn helper; hij kan Hem danken, smeeken, of enkel zijn bewondering uitdrukken voor zijn almacht, wijsheid, voorzienigheid, of voor de werken van Zijn hand. Uit elke dezer manieren, waarop hij het bestaan van een Opperwezen erkent, kunnen godsdienstige liederen ontstaan. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 59]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Het kerkelijkGa naar margenoot+ lied is een godsdienstig lied, dat in de kerk tijdens de eerediensten door éen of meer voorzangers alleen, of door de voorzangers en de geheele gemeente wordt aangeheven. Een beroemd voorbeeld hebben wij in het bekende koraal van Luther: Ein fester Burg ist unser Gott. Onder de Roomsche kerkliederen zijn er vele, die God niet rechtstreeks, maar onrechstreeks, d.i. in den persoon van zijn heiligen verheerlijken. Godsdienstige liederen schreven in onze taal, - om nu, als verder, alleen de allerbesten te noemen - Zuster Hadewijch; de beroemde predikant Jan Brugman; zuster Bertken van Utrecht; Anna Bijns; Willem van Zuylen van Nijevelt; Marnix van S. Aldegonde; Justus Hardewijn; Stalpaert van der Wiele; Camphuysen; Joost van den Vondel (Harpzangen); Pater Poiters; Staring (Kerkgezang); van Alphen; Feith; Bilderdijk; da Costa (Paasch-, Pinkster-, Kerstzangen); Nicolaas Beets; ten Kate; Guido Gezelle; Servatius Daems. 5. Het wereldsch liedGa naar margenoot+ behandelt alle niet met de godheid of haar eeredienst in betrekking zijnde gevoelens, welke de mensch, onaangezien tijd, kunne, afkomst, ouderdom, enz., ondervinden kan. a. Soms dankt het wereldsch lied zijn ontstaan aan de maatschappelijke verhoudingen tusschen de menschen, aan het verkeer van mensch met mensch. Is het bestemd, om in een groep, in een verzameling van gelijkgezinde menschen gezongen te worden, dan heet het een ‘gezelschapslied.’ Er zijn niet veel werkelijk artistieke gezelschapsliederenGa naar margenoot+. De schoonste vindt men in het Duitsch, vooral bij Goethe: Die glücklichen Gatten, Bundeslied, Tischlied, General-Beichte, Offene Tafel, Ergo bibamus; bij Schiller: Punschlied, Punschlied im Norden zu singen, An die Freude. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 60]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In het Nederlandsch hebben we enkele goede gezelschapsliederen van de Cort, Vuylsteke, Antheunis, Door van Rijswijck, Tollens, Bilderdijk. In het Fransch leze men Roger Bontemps en Le Roi d'Yvetot van Béranger. Ga naar margenoot+ b. Soms ontstaat het wereldsch lied uit de behoefte, om lucht te geven aan die den meesten menschen aangeboren gehechtheid aan z'n geboorteplaats, aan den trots op stam en voorgeslacht, of ook op de vrijheden, die men in eigen land geniet; aan de bewondering voor de grootsche daden van de voorvaderen; aan de liefde tot de moedertaal, enz.. Dan heet het lied vaderlandsch. Verdienstelijke vaderlandsche liederen zijn in het Nederlandsch niet zeldzaam: Wilhelmus van Nassouwen door Marnix van S. Aldegonde; De vaderlandsche Jongeling van Bellamy; Wien Neèrlands bloed van Tollens; De Vlaamsche Leeuw van H. van Peene; In Transvaal van de Geyter; Klauwaart en Geus van J. Vuylsteke; Ons Vaderland en De Nederlanden van Door van Rijswijck; Gent van Ledeganck; Voor 't goede Recht, Onze Moedertaal en Ons Land van Frans de Cort; Piet Hein en In Oorlog en Vreè van Heije, enz.. Voortreffelijke vaderlandsche liederen zijn ons bewaard gebleven in den ‘Gedenckklanck’ van Valerius en in de onderscheiden verzamelingen van onze Geuzenliederen, zooals b.v. de twee volgende: Nederlandsche Geschiedzangen, verzameld door van Vloten, en Nieuw Geuzen-Liedboek door van Lummel. In het Engelsch leze men, benevens Rule, Britannia van Thomson, Boadicea en Love of England van William Cowper, Scotland dear van Hume, Erin, the tear and the smile in thine eyes en Forget not the Field van Th. Moore, Exile of Erin en Men of England van Th. Campbell, Adieu, my native Shore van Byron, My heart is in the Highlands en | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 61]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Bruce's Address to his Troops van R. Burns, The tears of Scotland van Tobias Smollett, Pibroch of Donald Dhu en War Song van Walter Scott, The Shandon Bells van Frank Mahony, The Private of the Buffs van Sir Francis Hastings Doyle, The Name of England en The Homes of England van Felicia Hemans, Mariner's Hymn van Miss Bowles, Seventy Six van W.C. Bryant, The Charge of the ligt Brigade van Tennyson, Ballad of Agincourt van Michael Drayton, The Ships of England van Ch. Swain, A sea song, a wedding song van Jean Ingelow, Mariner's Song van Barry Cornwall, enz.. Doch vooral in het Duitsch zijn voortreffelijke vaderlandsche liederen geschreven: Deutsche Freiheit, Schlachtruf en Was ist der Deutschen Vaterland van E.M. Arndt; Freiheit van von Schenckendorff; Männer und Buben, Treuer Tot, Schwertlied, Lützows wilde Jagd, Gebet während der Schlacht van Th. Körner; het beroemde Rheinlied van N. Becker, en het niet minder beroemde Die Wacht am Rhein van Max Schneckenbürger, om niet te spreken van zoovele even voortreffelijke liederen van Uhland, Rückert, Eichendorff, Geibel, Freiligrath, Robert Hamerling, Hofmann von Fallersleben, enz.. In het Fransch zijn de goede vaderlandsche liederen niet talrijk. Het merkwaardigste is ‘La Marseillaise’ van Rouget de Lisle. Verder kan men nog vermelden: Chant du Départ en Chant des Victoires van J. Chénier, La Varsovienne en La Parisienne van C. Delavigne, La France a l'horreur du servage van C. en Germain Delavigne, La Cocarde blanche van Béranger, enz.. Ook Musset schreef er een paar, die echter zeer middelmatig zijn. De aantrekkelijkste van alle vindt men misschien wel in de Chants du Soldat en in de Sonneries militaires van Paul Déroulède. Ga naar margenoot+ c. Talrijker dan deze twee ondersoorten van wereldsche | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 62]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
liederen zijn die, waarin de gewaarwordingen plaats vinden, welke de duizende steeds afwisselende natuurverschijnselen uitoefenen op het menschelijk gemoed, de natuurliederen dus, d.w.z. meest korte stukjes, waarin zeer eenvoudige gevoelens, soms zelfs vluchtige stemmingen op ongezochte, natuurlijke wijze, in lieve, gemakkelijk te onthouden woorden worden uitgesproken. Ook in deze liedersoort munten de Duitschers onder allen uit. Wij herinneren terloops aan de volgende meesterstukjes van Goethe: Mailied, Nachtgesang, Wanderers Nachtlied, het hooger aangehaalde Ein gleiches, An den Mond, Glückliche Fahrt, Meeresstille, Am Flusse. Van veel minder waarde zijn de overigens niet talrijke natuurliederen van Friedrich von Schiller. Uitgelezen modellen gaven na dezen: Rückert; Uhland (Frühlingsglaube); von Eichendorff (In der Fremde, Vesper, Morgenliebe, Abend, Mondnacht); W. Müller; Kerner; Geibel; H. Heine (zeer vele stukjes uit zijn Lyriches Intermezzo en uit Dic Heimkehr); Hofmann von Fallersleben; F. von Bodenstedt; H. Lingg; Lenau; Alb. Möser; Greif; Groth; enz.. In het Nederlandsch ook zijn de welgeslaagde natuurliederen niet zeldzaam. Bij de oudere dichters is dit wel niet het geval, maar des te meer bij die van de laatste halve eeuw. De bekende Wildzang van Vondel en verder eenige gedichten van Jan Luiken, zooals Morgenstond, Alles heeft zijn mond, van Huybert Cornelisz. Poot, bv. Mei, Zomer, en van Camphuysen, Meische Morgenstond, moeten hier echter aangehaald worden. Onder de poëten van lateren en van dezen tijd schreven Staring, Beets, Dautzenberg, Vosmaer, Esser, Emm. Hiel, Julius Vuylsteke, Guido Gezelle, H. Verriest, de Gezusters Loveling, Johan Pieter Heije, Frans de Cort, Honig, Autheunis, J. Winkler-Prins, Marie Boddaert, de la | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 63]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Montagne, Hélène Swarth, Kloos, Verwey, Koster en anderen, voortreffelijke natuurliederen. Om een denkbeeld te geven van den roerenden eenvoud van een waar natuurlied, halen wij hieronder het volgende kleine ‘Frühlingslied’ van Uhland aan; ‘Die linden Lüfte sind erwacht;
sie säuseln und weben Tag und Nacht.
Sie schaffen an allen Enden.
O frischer Duft, o neuer Klang!
Nun, armes Herze, sei nicht bang...
Nun musz sich alles wenden!
‘Die Welt wird schöner mit jedem Tag!
Man weisz nicht was noch werden mag!
Das Blühen will nicht enden!
Es blüht das fernste, tiefste Thal:
nun, armes Herz, vergisz die Qual!
Nun musz sich alles, alles wenden!’
Van Engelsche zijde zijn te vermelden: J. Hogg, The Lark; Wordsworth, Written in March, The Rainbow; Byron, My native land, good night; Moore, The last Rose of Summer; Burns, To the Woodlark; Cunningham, A wet sheet and a flowing Sea; A.H. Clough, O Stream descending to the Sea; S.T. Coleridge, Dead Calm in the Tropics; C. Gilman, Music on the Canal; G.P. Morris, The Prairie on Fire, - Woodman, spare that tree; Longfellow, Afternoon in February; W.C. Bryant, The new Moon, The unknown Way; - Poe, Eldorado; Tennyson, Break, break; en verder Mary Howitt, B. Cornwall, Campbell, F. Hemans, R. Herrick, Th. Hood, Cowper, Motherwell, enz.. Van Fransche zijde: Berquin, Le Nid des Fauvettes: Désaugiers, Le Jour du Printemps; Nodier, Le Retour au | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 64]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Village; Bazin, L' Hirondelle; Florian, Les Hirondelles; Chateaubriand, Le Montagnard exilé; Béranger, Les Hirondelles; enz.. Ga naar margenoot+ d. De meest geliefkoosde stof van alle liederdichters is ontegenzeggelijk de liefde of minne, dit is te zeggen de sympathie, welke den man tot de vrouw en de vrouw tot den man aantrekt. Geen gevoel speelt in het leven van de menschen een grootere rol; geen heeft machtigeren invloed op den aard en de daden van de menschen; geen verzoent meer met het niet steeds aangename leven. Geen wonder dan ook, indien in alle tijden en in alle landen haast alle dichters zonder uitzondering dit gevoel bezongen hebben. ‘Die Liebe ist der Dichtung Stern’, zeide Rückert terecht. In duizenden verschillende schakeeringen veropenbaart zich dit gevoel naar de omstandigheden van klimaat, ras, godsdienst, beschaving, en zelfs individueelen persoon. Én tot de edelste hartstochten bezielt, én tot de verhevenste daden bekwaamt het den mensch. Het opent het hart voor al wat goed en schoon is, het stemt den mensch vriendelijk, ook jegens den geringsten van zijn medemenschen. Het vuurt den moed en de dapperheid aan. Kortom, zooals een dichter gezegd heeft, van slaven kan de liefde koningen, van onwetenden kan zij genieën maken. Al die schakeeringen, al die hartstochten, al die daden ook, waartoe de liefde den mensch kracht geeft, werden van in de oudste tijden in duizenden liederen bezongen, en zullen zoo in duizenden liederen bezongen worden, zoolang er menschen zijn. De schoonste minneliederen, in onze taal, zijn die, Welke terecht of ten onrechte worden toegeschreven aan Jan I, hertog van Brabant; een tweetal, waarvan Margareta van Oostenrijk op weinig grond als de dichteres aanzien wordt: | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina t.o. 65]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() HEINRICH HEINE (1797-1856).
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 65]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ghequetst en Mijn hertken heeft altijts verlanghen; een geheel kransje van Hooft (Rozemond; Het nieuwe goodje; Sukkelende Tijd; Klare; Nare Nacht; Zal nimmer meer gebeuren; Elk prijst zijn lief waer hij ze giss'); eenige van Geeraard Brandt en Laurens Reaal; een enkel van Vondel, Beekzang aan Catharina; verscheidene van Bredero, Jan Starter, Luyken (Gelijk een Roosje teer), Jakob Westerbaan (Zij zal mij minnen); talrijke stukken van Bilderdijk, en eindelijk, onder de negentiendeeuwsche dichters, Herdenking, De Min, Vertrouwen van Staring, en verder een overvloed liederen van Potgieter, Prudens van Duyse, Dautzenberg, Heije, Hoffmann v. Fallersleben (Loverkens), Emm. Hiel, Frans de Cort, Julius Vuylsteke, Honigh, Antheunis, Boele van Hensbroeck, de la Montagne, Hélène Swarth, Willem Kloos, Marie Boddaert, Frederik van Eeden, enz.. In het Fransch schreven minneliederen Alfred de Musset (Chanson de Fortunio, Bonjour Suzon, Adieu Suzon), Victor Hugo (Voeu, L'aube nait et ta porte est close, Si vous n'avez rien à me dire), Brizeux (Chanson de Loïc), Théophile Gautier, Leconte de Lisle (Nanny, Le Rouet), Theuriet, Richepin, Fr. Coppée, Sully Prudhomme (Scrupule, Prière), Pailleron (C'était en Avril un dimanche), Paul Verlaine, Mendès, Cros, Vicaire, Lorrain, Blémont, Paul Mariéton. Ook de aan Henri IV toegeschreven Chanson à Gabrielle mag hier ververmeld worden. In het Engelsch Marlowe, The passionate Stephan to his love; Ben Johnson, To Celia; Thomas Otway, The Complaint; Chatterton, The mynstrelles Songe; Sir John Suckling, A Song; George Wither, I loved alass a fair one; Sydney, Ring out your Bells; Cowper, To Mary; Hood, I love thee; Byron, The walks in beauty, When we two parted, Serenade, Stanzas; Moore, Come o'er the Sea; Why does azure deck | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 66]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
the sky; Oh come to me when daylight sets; Go where glory waits thee; Seott, The Maid of Isla; Burns, Green grow the rashes o!, Highland Mary, The blue-eyed Lass; Th. Haynes Bayley, Oh! no! we never mention him; Wordsworth, She was a phantom of delight; Lord Houghton, Pastoral Song; Tennysson, I would be; Morning Song; The Splendour falls; Coleridge, Something childish, but very natural; Edm. Waller, Go, lovely rose; alsmede liederen uit The passionate Pilgrim en uit meer dan éen drama van Shakespeare, o.a. het innig droeve, My flocks reed not; en verder allerlei stukjes van Baily, A.A. Procter, Cowper, Fel. Hemans, Lord Worthsword, Longfellow, Edg. Poe, Jean Ingelow, Swinburne, en vooral den Schot Burns. In het Provençaalsch Th. Aubaneu, met zijn boek getiteld: ‘La Miougrano entreduberto (La grenade entr'ouverte). Doch vooral in het Duitsch heeft te allen tijde de erotische poëzie gebloeid. In de middeleeuwen klonken allerwege de minnezangen van ridderdichters als Walter von der Vogelweide, Wolfram von Eschenbach, Tannhäuser en zoovele anderen. Na de Wedergeboorte kwamen Fleming, Simon Dach; sedert het einde van de XVIIIe eeuw Joh. Heinrich Voss, Bürger, Schiller, Goethe, Uhland, Chamisso, Kerner, Eichendorff, Freiligrath, Rückert, Hebbel, Heinrich Heine, Lenau, Geibel, H. v. Fallersleben, Paul Heyse, Lingg, Gottfried Keller, Bodenstedt, Mörike, Leuthold, von Schack, Betty Paoli, Th. Storm, Graf von Strachwitz, Robert Reinick, Isolde Kurz, Alberta von Puttkammer, von Liliencron, Möser, Greif, Schönaich-Carolath, Bierbaum, Dehmel, Falke. In het Platduitsch schreef Klaus Groth allerliefste minneliederen. Ga naar margenoot+ Eenigszins verwant met de voorgaande liederen zijn die, waarin geboorte- of ouderhuis, het huiselijk wel en wee, bezongen worden. Ook aan zulke liederen is er in het Neder- | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 67]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
landsch evenmin gebrek als in het Duitsch en Engelsch. (Tollens, Beets, ten Kate, de Génestet, Dautzenberg, de Cort, Hiel, Antheunis, - Uhland, Kerner, Rückert, Geibel, Eichendorff, Lingg, Groth, Möricke, Fischer, - Hogg, Gray, Hood, Wither, F. Hemans, John Hay, Burns, Leigh Hunt, Ch. Lamb, Longfellow, Bayard Tailor, George Eliot, Tennyson, Ingelow). Echte meesterstukjes zijn, o.a., Vaders Fiedeldeuntje bij de Wieg van Beets, Van het Sterrekijn, Din-don-dijne en Van de Bloemkens die wilden wandelen gaan van Antheunis, Lullaby van Tennyson, en de geheele rubriek Voer de Goern uit Quickborn van Klaus Groth. Ga naar margenoot+ 6. Een liedersoort, waarin de Franschen veel meer uitmunten dan de Germaansche volkeren, is het geestige of spiritueele lied, de eigenlijke ‘chansonette française’, welke al haar waarde ontleent, niet aan een innig gevoel van het hart of een dichterlijken blik op de natuur, maar aan een snedige, vlugge dictie en - meestal - een scherpe, of allerminst verrassende pointe. In zulke stukken, welke, op den keper beschouwd, slechts op de wijze van de leerende gedichten, dus vrij onrechtstreeks, tot de poëzie behooren, moet vooral de opmerkingsgave aan het woord zijn, wat dan ook werkelijk in de beste voorbeelden van het genre het geval is. Men leze bv.: Désaugiers, Jean qui pleure et Jean qui rit, Chien et Chat, Chanson philosophique; Béranger, Roger Bontemps, Le Mort vivant, Le Mère aveugle, Le petit Homme gris, en zoo menig ander; Nadaud, Carcassonne en Les deux Gendarmes. In onze taal schreef vooral Frans de Cort eenige stukken, die met de pas genoemde mogen vergeleken worden. 7. Met het oog op den vorm onderscheidt men kunst- en volksliederenGa naar margenoot+. Wat een kunstlied is, zal voldoende blijken uit het boven- | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 68]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
staande: het is het werk van een gekend, door studie ontwikkeld schrijver, van een letterkundig artiest, van een dichter. Het woord volkslied heeft meer dan éen beteekenis. Soms duidt het aan een lied, dat, ofschoon door een kunst- dichter geschreven, toch zoozeer in den smaak van de menigte is gevallen, dat het, door honderden en honderden onthouden, in tal van omstandigheden wordt aangeheven, om uiting te schenken aan het oogenblikkelijke gevoel van de massa. Zulke liederen zijn bv. de reeds genoemde Vlaamsche Leeuw van van Peene, Ons Vaderland van van Rijswijck, het Beiaardlied van Benoit en de Geyter, Le Vieux Caporal, Les Souvenirs du Peuple, Le Vagabond van Béranger, Cheval et Cavalier van G. Nadaud, en de werkelijk zeer fraaie stukken Les Boeufs, La Vigne, Les Louis d'Or, La Vache blanche, Les Paysans van Pierre Dupont. Zulke volksliederen zijn ook nog diegene, welke voor elke afzonderlijk bestaande natie uitdrukking geven aan de gevoelens van liefde tot vaderland of vorstenhuis; zoo bv. Wilhelmus von Nassouwen van Marnix, Wien Neêrlands bloed van Tollens; het Heil dir im Siegerkranz, Gott erhalte Franz den Kaiser, God save the Queen, La Marseillaise. Doch door eigenlijk volksliedGa naar margenoot+ moet men verstaan een lied, dat, geschreven of ten minste gedicht, d.i. voor 't eerst gezongen door een man uit het volk, een rondreizend marktzanger, een minder geletterde of zelfs een geheel ongeletterde, in zeer eenvoudige, in vele opzichten gebrekkige woorden, de gewaarwordingen van het volk, de menigte, waartoe ook die maker behoort, te kennen geeft. Het kan zelfs zijn, dat zulk een volkslied in den loop der jaren door andere zangers in dezen of genen zin gewijzigd, dat er iets uit weggelaten of bijgevoegd wordt, of ook dat er onderscheiden, merkelijk van elkaar verschillende lezingen van bestaan. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 69]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Natuurlijk zijn er volksliederen van allen aard en inhoud: vaderlandsche-, minne-, soldaten-, jagers-volksliederen, enz.. De schat van onze Nederlandsche volksliederen is overgroot. Tientallen van verzamelingen werden er van de 16e eeuw tot nu toe uitgegeven. In dit jaarhonderd werden er merkwaardige bezorgd door Jan Frans Willems (Oude Vlaemsche Liederen), De Coussemaecker (Chants populaires des Flamands de France), Hoffmann v. Fall., Horae belgicae, Lootens en Feys (Chansons flamandes recueillies à Bruges), van Lummel (Nieuw Geuzen-Liedboek, J. van Vloten (Nederlandsche Geschiedzangen), Jan Bols, Honderd oude Vlaamsche Liederen. 8. Om volledig te zijn, dienen we nog op te merken, dat nog veel meer dan het lied in het algemeen, het volkslied, of in minder engen zin ‘het voor het volk bestemde lied’, alleen dan volledig is, wanneer met den woordentekst een melodie gepaard gaat. Ga naar margenoot+ Dikwijls bestaat deze melodie uit twee deelen, de eigenlijke zangwijze van het lied, en een meestal korter wijze, die men refrein noemt. De liederwijze wordt gewoonlijk door een enkele stem, en de refreinwijze door meer stemmen tegelijk gezongen. Wat de woorden betreft, kan het refrein bestaan uit éen of meer verzen van de eerste of van elke stroof des lieds, maar het kan ook een kleine stroof wezen op zichzelf. In vele oude liederen heet het refrein ‘weder-’ of ‘tegenzang.’ Tot onze beroemdste en schoonste volksliederen behooren de volgende: Naar Oostland willen wij varen, Hartverheffing, Het Kerelslied en Het Lied van den Hoed, waarschijnlijk uit de 14e eeuw; Meiplanting en Het viel een hemels dauwe uit de 15e eeuw; De Slag van Pavia en Vaarwel aan Antwerpen, Alva's Stand- | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 70]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
beeld, De tiende Penning, De dappere Brusselaars, Wel op Spanjaarden, Alva's Vertrek, Gestadige minne draag ik altijd uit de 16e eeuw; Er zat een oud mannehen van tachentig jaren, Wij boeren en boerinnen, De Gevangenis van Karel van Lotharingen, Mijn lief schijnt mij te haten, Als vader Adam spitte en moeder Eva spon, Dronken Oorlog uit de 17e eeuw, Bedelaarslied uit de 18e eeuw, enz.Ga naar voetnoot1). | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
II. De Hymne en de Ode.1. Wij behandelen tegelijkertijd deze beide soorten, omdat zij, van nabij bekeken, niets anders zijn dan onderverdeelingen van het lied. Zoowel de eene als de andere waren oorspronkelijk bestemd, om, met of zonder muzikale begeleiding, gezongen te worden. Ga naar margenoot+ De beide woorden hymne, van 't Grieksch ὒμνοσ, van ὒδω, d.w.z. ik bezing, ik verhef door gezang, en ode, van ᾠδή, zang, dat oorspronkelijk in het Grieksch ‘elk voor muzikale begeleiding geschikt dichtstuk’ aanduidde, kunnen dit reeds staven. Men zou kunnen zeggen, dat zij liederen zijn met verhoogde kracht: de hymne een godsdienstig lied in zijn meest verheven uitdrukking, en de ode een wereldsch lied van de hoogste opvatting. Ga naar margenoot+ 2. De oorsprong van de hymne werd reeds voldoende uiteengezet in de Algemeene Begrippen der lyrische poëzie. Wat de ode betreft, deze was bij de oude Grieken bestemd, om de groote daden niet alleen der heroën, maar ook der goden, - die alsdan meer als heroën, d.i. als voorwerpen van bewondering, dan als eigenlijke goden, d.i. als voorwerpen van | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 71]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
aanbidding en vereering, beschouwd werden, - te bezingen. Ga naar margenoot+ Ook de heerlijkheden van de natuur, een of andere gewichtige geschiedkundige gebeurtenis, het vaderland, de vrijheid, de weldaden van de wetenschap, de kunst, de vooruitgang, en voorts alle andere onderwerpen, die men gewoonlijk verheven noemt, behoorden al vroeg tot de odestoffen. Het onderscheid tusschen het gewone godsdienstig of wereldsch lied en de hymne en de ode, is dus wel degelijk, zooals wij het zooeven aanstipten, een onderscheid van graad, van macht, van toon en trant, zoo men wil, maar nauwelijks van aard. Wat het godsdienstig en wereldsch lied op eenvoudige, soms naïeve, lieve en bevallige wijze zeggen, dat drukken hymne en ode met grooter geestdrift, op eenigszins plechtiger toon, met strengere woordenkeus en grootscher beelden uit. Ga naar margenoot+ 3. Juist de geestdrift, het enthoeziasme, was bij de Ouden het meest treffende karakter zoowel van de hymne als van de ode. Door deze geestdrift verstonden de Antieken een door sommmigen ongetwijfeld ondervonden, - maar door anderen hoogst waarschijnlijk slechts geveinsde vervoering van den geest, zoo groot en machtig, dat, zooals een Latijnsch dichter het noemde, de poëet zich als het ware den tolk gevoelde van God zelf: ‘Est Deus in nobis, agitante calescimus illo.’ Wie den dichter in dien toestand hoort, beschouwt hem in opgetogen verrukking, als boven het menschelijke verheven. ‘Louter godspraken stroomen van zijn lippen; men zucht, schreit, juicht en dartelt met hem; laat zich hart, ziel en alles ontweldigen, en wordt de prooi van den overwinnaar, die ons kluistert aan klanken en wegsleept in boeiende golven van lucht. Betoovering is een woord, veel te zwak, om dien toestand uit te drukken. 't Is in wellust, vergoding, in gevoel, zelfvernietiging en overgang tot een wezen van hoogere bestemming.’ (Bilderdijk). | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 72]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
4. Die toestand verklaart volkomen dien opvallenden mangel aan orde, dien wij in tal van antieke oden en hymnen opmerken. Ongelukkiglijk werd dit beau désordre van lateren tijd tot een goedkoop middeltje, tot een kunstgreepje, om een aandoening te veinzen, welke men niet werkelijk gevoeld had. Ga naar margenoot+ 5. Indien het waar is, dat deze beide verheven dichtsoorten oorspronkelijk uit het Oosten stammen, dan is het evenzeer waar, dat zij tot ons kwamen door bemiddeling van de Helleenen en dat deze laatsten er den stempel van hun hooge begaafdheid op afdrukten. Zonder te gewagen van de koren der Grieksche treurspelen, - ware oden, die alleen door hun strenger afgeperkten vorm van de gewone ode afwijken en uit strofen, antistrofen en epoden bestaan, - kan men zeggen, dat de Grieksche oden- en hymnenlyriek, zoo niet de tijd, eilaas! een overgroot aantal van haar schoonste meesterstukken had vernietigd, de lyriek van alle latere volken zou overtreffen. Van het betrekkelijk weinige, dat tot ons is gekomen, verdient vooral bewondering: Hymnen:Ga naar margenoot+ eenige aan den half fabelachtigen Orpheus toegeschreven brokstukken; de zoogezegde Homerische hymnen, waarschijnlijk niets anders dan aanroepingen, die de aëden en rhapsoden vóor hun epische verhalen aanhieven; daaronder zijn vooral te noemen de lofzangen aan Apolloon van Delos, aan Apolloon den Puthoondooder, aan Aphrodite, aan Bakchos, en, als de mooiste van alle - die aan Demeter; verder, van Kleanthos den Eoliër, Lofzang aan Zeus; van Proklos van Xanthos, Hymnen aan de Zon, aan Minerva Polyhymnia, aan de Muzen; van Sappho, Hymne aan Venus; van Erinna of een andere, Hymne aan de Dapperheid; van Alkaios, Lofzang ter eer van Harmodios en Aristogiton; verscheidene van Pin- | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 73]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
daros' oden, - zijn eigenlijke hymnen zijn verloren, - en de Hymne aan de Deugd van Aristoteles. Van een onbekende uit de 4e eeuw v. Chr. hebben wij een Hymne op Demetrios Poliorkos; van Dionusios, een aan Kalliope en een andere aan Apolloon; van Mesomedes (?) een aan Nemesis. OdenGa naar margenoot+ : Menschenlot van Simonides van Argos; Parthenieën of maagdenkoren van Alkman; Op ten Kamp van Alkaios; Vaarwel van Sappho; Danklied aan Poseidoon, verkeerdelijk toegeschreven aan Arioon; Aan de Atheners van Soloon; De Medevrijer van Anakreon; Op de Overwinning van Ageridamos, Op Psaumis van Kamarina, Op Ergoteles van Himera van Pindaros, enz.. Eigenlijk dienden hier ook genoemd: Op ten Strijd van Kallinos; Opwekking tot den Strijd en Lof der Dapperheid van Turtaios; Het Noodlot en Staatkundige Geloofsbekentenis van Soloon; Levenswijsheid van Simonides; Aan Phoibos, Aan Zeus, Twijfel, Wensch, van Theognis; Aan Bakchos van Ioon; doch, daar deze stukken in distichen geschreven zijn, werden zij door de Grieken zelven onder een andere soort gerangschikt. (Zie verder de Elegie). Ga naar margenoot+ De Latijnsche letterkunde is niet zoo rijk als de Grieksche. Een enkele werkelijke hymne, het Carmen saeculare van Horatius, en verder de oden van denzelfden, waaronder Aan Aristius Fuscus, Aan Posthumus, Aan Pompejus Grosphus, Gelijkheid vóor den Dood, Aan de Bron van Blandusia, Aan Melpomene, Lof van Drusus, Aan Maecenas, Aan Vergilius, ziedaar ongeveer al het merkwaardige, dat hier valt aan te stippen. Enkele van Horatius' oden zijn nauwelijks iets meer dan een vrije navolging van gekende Grieksche modellen, vooral van Alkaios (O navis referens en Nunc est bibendum b.v.). | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 74]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ga naar margenoot+ 6. De echte antieke oden zijn meestal geschreven rijmlooze metrische strofen. Ofschoon, in ónze taal, de meeste odendichters zich eenvoudig van regelmatig rijmende versregels bedienden, werden de strofen van Grieken en Roineinen toch ook meer dan éens nagebootst. Meestal echter, althans tot vóor een tachtigtal jaren, op gebrekkige, uiterst onvolledige wijs. Zoo b.v. door Willem van Haren in Het menschelijk Leven en door P.J. Kasteleyn in zijn stuk De Krijg: deze dichters bepaalden zich er toe, ongeveer als zekere Franschen na en vóor hen deden, vierregelige jambische strofen te bouwen met een korteren vierden regel. De eerste, die het stoutweg waagde, de antieke strofen metrisch na te bootsen in een Germaansche taal, was Klopstock. Zijn voorbeeld werd gevolgd door van Alphen (De Rust in God), Hoffham (Aan Hypnus), Kinker, J.P. Kleyn (Het Vergenoegen), - doch vooral door J.M. Dautzenberg, Frans de Cort, Vosmaer en Waalner (van Nouhuys). Ga naar margenoot+ 7. In onze taal werden beide dichtsoorten vrij veelvuldig en dikwijls met voortreffelijken uitslag beoefend. Schoone hymnen zijn: bij Vondel, in zijn Lucifer, Wie is het die zoo hoog gezeten; bij Bilderdijk, Jezus' Intrede te Jeruzalem en Gebed; bij Feith, De groote Lofzang; bij da Costa, Voorzienigheid en God met ons; bij Beets, Paaschgezang; bij Hasebroeck, De Lof der Almacht; bij Tollens, Lofzangen aan God; bij Nolet de Brauwere, De Storm; bij Schaepman, Zang der Zuilen uit Aya-Sofia.! Fraaie oden leverden Jakob van Maerlant in ‘Vanden Lande van Over-See’, b.v.: Kerstenman, wat 's di gesciet; Hooft, De Ballingschap (Wien zit de wreedheid in 't gebeent); Vondel, De Kruisberg, een overheerlijk meesterstuk, De Drukkunst, De Rijnstroom, Geluk van den Akkerman, Zegezang ter eere van Frederik Hendrik, Olijftak aan Gustaaf Adolf, De Zeeleeuw | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 75]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
op den Teems, Huwelijksliefde, De koninklijke Harp; Jakob van Zevecote, Oorlog aan Gent en De Vlaamsche Vluchtelingen bij het Beleg van Leiden; J.A. van der Goes, De Teems in Brand, Zeetriomf over twee koninklijke Vloten; H.K. Poot, Arme Rijkdom, Akkerleven; Willem van Haren, Het menschelijk Leven, Een Man van Eer; O.Z. van Haren, De Schimmen; Nieuwland, De Vrijheid, Orion; Bellamy, Ode aan de Lente; Bilderdijk, De Mensch, De Zeevaart, Arbeid; Nierstrasz, Rubens; J.F. Willems, Rubens; van Duyse, Nieuwpoorts Slagveld, Parijs in Vreugd, Jakob van Artevelde, De onzichtbare Kerk, de fragmenten Aan de Zon en De Onsterfelijkheid uit Godfried; da Costa, De Hollandsche Poëzij; Nolet de Brauwere, Aan de Germanen, De beide Nederlanden; ten Kate, De Waarde van den Arbeid, Aan de Ode; Dautzenberg, Liefde, Noodlot, Mijn Levensboot, Ware Godsvereering; Helmers, De Geest des Kwaads; Bilderdijk, Aan de Poëzij, De Mensch; Jan de Laet, Aan een meisje dat zich op de beoefening der Dichtkunst wilde toeleggen; van Beers, De Stoomwagen; Schaepman, Napoleon, Vondel; Multatuli, Poëzie; Lod. de Koninck, Ode aan Rubens. Ga naar margenoot+ Tot de schoonste hymnen, die in eenige taal bestaan, dienen te worden medegerekend, Job XXXVIII, Gods grootheid en macht; Jesaïas XL, Gods almacht; Koning David, de Psalmen 18, 29, 33, 49, 96 en 104 (zie de vertalingen van Marnix, Vondel, Hiel, enz.); en een tamelijk groot aantal kristelijke kerkgezangen, waaronder de allerschoonste zonder twijfel zijn: Te Deum laudamus van Ambrosius, 4e eeuw; Pange lingua van Claudianus Mamertius (453); Vexilla regis prodeunt van Venantius Fortunatus (580); Primo dierum omnium, Ecce jam noctis, Audi, benigne Conditor, Te lucis ante terminum van Gregorius den Groote; Veni, creator spiritus van Raban Maur, abt van Fulda en bisschop | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 76]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
van Ments; Ave, Maris Stella van een onbekende uit de Xe eeuw; Veni, Sancte Spiritus van Hermanus Contractus of van koning Robert I; Tu praeclarus en Jesu, dulcis memoria van St. Bernard; Lux jucunda, lux insignis van Adam van St. Victor; Verbum Supernum, Adoro te suplex, Pange lingua gloriosi en Lauda Sion van Thomas van Aquino. Ga naar margenoot+ Vermelden wij verder, voor de ode, in het Fransch: Ronsard, Contre les Bûcherons de la Forét de Gastine; Malherbe, Ode à Louis XIII, Consolation à un Père sur la Mort de sa fille, Paraphrase d'une partie du psaume CXLV; Patrix, Un Mourant; Racan, Sur les douceurs de la vie champêtre, Ode à M. de Termes; Mlle de Scudéry, Stances sur la Résurrection; Jean Racine, Sur les vaines occupations des gens du siècle; Chaulieu, Les Louanges de la vie champêtre; J.B. Rousseau, Existence de Dieu, Au Comte du Luc; Louis Racine, Ode sur la Solitude; Lefranc de Pompignan, Les Tombeaux, Sur la Mort de J.B. Rousseau; Voltaire, Conseils aux pères et aux enfants; Gresset, L'Amour de la Patrie; Malfilàtre, Le soleil fixe au milieu des planètes; Thomas, Sur le Temps; Gilbert, Le jugement dernier; Lebrun, Sur le vaisseau ‘le Vengeur’; La Harpe, Ode sur la Navigation; André Chénier, La jeune Captive, Aux premiers Fruits de mon Verger; A Fanny malade; Versailles; A Charlotte de Corday; O mon esprit! au sein des Cieux; X. de Maistre, Le Prisonnier et le Papillon; Delavigne, Mort de Jeanne d'Arc; Lamartine, Le Chrétien mourant, La Prière, La Liberté, Toast aux Gaulois et aux Bretons, La Vie champètre, Bonaparte, Le Crucifix; Hugo, Pluie d'Eté, A mes Amis, Pour les pauvres, Ce siècle est grand et fort; Mme Ackermann, Le Nuage, La Guerre; Banville, A la Font-Georges, A Théophile Gautier; Barbier, Dante, La Cureé; V. de Laprade, Alma parens, A un grand Arbre, La Mort d'un Chêne; Leconte | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 77]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
de Lisle, La Ravine St. Gilles, Nox, Midi, La Vénus de Milo; Louis Ménard, Empédocle; Sainte Beuve, Rêverie, A la Rime; Alfred de Vigny, La Bouteille à Mer; de Musset, Les Nuits, L'Espoir en Dieu; Baudelaire, L'Horloge; Grenier, Thalatta; Theuriet, Les Paysans; L. Tailhade, Au Sommeil; Charles Potvin, Oui j'aime ma patrie et j'y reviens sans cesse; André van Hasselt, enz.. Ga naar margenoot+ In het Engelsch: Spenser, Epithalamion; Ben Johnson, Ode tohimself, To the Memory of my beloved Master W. Shakespeare; Wotton, Farewell to the vanities of the world; J. Addison, The spacious firmament; R. Southey, My days among the Dead are past; Byron, On this day i complete my thirty sixth Year, Ode on Venice, Modern Greece (uit Don Juan); Shelley, To the Assertors of Liberty, To a Skylark; Keats, On a grecian Urn, To a Nightingale, To Autumn; W. Wordsworth, To the Sons of Burns, Intimations of Immortality; Browning, The Cry of the Children; Coleridge, Love; Fel. Hemans, The Sunbeam, The Song of Night, The Voice of Spring, The Treasures of the Deep; Scott, Farewell to the Muse; O' Shaugnessy, An Ode (We are the music makers), en tal andere van John Dryden, Pope, Caroley, Chatterton, James Montgomery, Longfellow, enz.. Ga naar margenoot+ In het Duitsch schreven Klopstock, Ramler, Ebert, Uz, Vosz, Hölty, gebroeders Stolberg, Gleim, Schubart, Schiller lierzangen. Ga naar margenoot+ En dan, voor de hymne, in het Engelsch: Milton, Hail, holy Light, On the Nativity; Wotton, Eternal Mover; Ben Johnson, On the Nativity of my Saviour; Giles Fletcher, Christ's Victory in Heaven; Will. Drummond, Ascendit in Coelos; Addison, When all thy mecies; W. Scott, Hymn to the Virgin; Keats, Hymn to Pan; W.C. Bryant, To the north Star; verder van John Drijder, Thomas Gray, Chatterton, enz.. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 78]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
In het FranschGa naar margenoot+: Lefranc de Pompignan, Pour le Jour des Morts, Imitation du Psaume CIII; André Chénier, Hymne à la France; Desplaces, A la Beauté; Baour Lormian, Hymne au Soleil; Tailhade, A Aphrodite, A Dionysos. In 't Duitsch zijn er van Platen, Schiller, Albert Möser. Ga naar margenoot+ 8. Goed is het op te merken, dat wat de Franschen aanduiden met den naam van ode familière in de meeste gevallen veel meer een lied dan wel een eigenlijke ode is. Zoo zijn tot de liederen te rekenen niet alleen stukjes als Un vanneur de blé aux vents van du Bellay, Avril, l'honneur et des bois et des mois van Remy Belleau, Mignonne, allons voir si la rose, A un Aubespin en L'alouette van Pierre Ronsard, ook meer dan éen ode en epode van Horatius, van den onechten Anakreon, van Ibukos, zijn dit het geval. Zekere skoliën van Alkaios, de stukjes Opwekking tot den Drank van den echten-, Wijnlust van den onechten Anakreon, zijn heusche drinkliederen. De ode Sluimer ligt op bergenkruinen van Sappho, Lente van den valschen Anakreon, Lente van Ibukos, zijn ware natuurliederen. Late Liefde van laatstgenoemde is een werkelijk minnelied. Overigens zijn vele dezer stukken dan ook bepaald in strofenvorm gedicht. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
III. Dithyrambus en lyrische Rhapsodie.Ga naar margenoot+ 1. Beide woorden zijn van Griekschen oorsprong. Dithyrambus duidde oorspronkelijk aan een lofzang ter eere van Dionusos of Bakchos, die ook Dithurambos geheeten werdGa naar voetnoot1). Met rhapsodie bedoelden de Ouden het lied, voorgedragen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 79]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
door rondtrekkende zangers, welke men Rhapsoden noemde, omdat zij, hun verzen voordragende, een rhapsos, dit is, een staf, een lauwertak b.v., in de hand hielden. Ga naar margenoot+ 2. Een rhapsodie was echter oorspronkelijk heel iets anders dan een dithyrambus; het was noch min noch meer dan een brok van een groot verhalend geheel. Deze brok maakte op zichzelf wel een den toehoorder bevredigend gedicht uit, maar stond toch in zeer nauwe betrekking tot de andere gelijkaardige fragmenten. Toch behandelen wij beide dichtsoorten hier tegelijkertijd, omdat heden ten dage zoowel rhapsodie als dithyrambus een uitsluitend lyrisch gedicht te kennen geeft. 3. De dithyrambusGa naar margenoot+, die zijn ontstaan dankt aan den god des wijns, bleef evenwel niet lang beperkt tot de uitsluitende verheerlijking van dezen god en van zijn kostbare gave. Weldra bezong hij alle denkbare wereldsche en bij voorkeur zinnelijke genietingen, doch steeds behield hij, ten minste uiterlijk, de kenmerkende hoedanigheden van den oorspronkelijken dithyrambus, nl. een buitengewoon hoog opgevoerde geestdrift en een daarbij passende onstuimige vrijheid in de uitdrukking. Den dithyrambus ontbreekt het dan ook aan een bepaalden, geijkten vorm. De dichter versmaadt hier gaarne alle regelmaat en geeft aan elke nieuwe gedachte dien rhythmus, welke het best geschikt is, om die gedachte met alle kracht uit te drukken. Ga naar margenoot+ Daar de dithyrambus de taal van de hevigste aandoening, de uitdrukking van de zielsontroering in haar hoogsten graad van opgewondenheid is; en daar de mensch, die in een geweldigen zielstoestand verkeert, meestal in schijnbaar onsamenhangende uitroepingen aan zijn vervoering lucht geeft, zoo is het zeer natuurlijk, dat in stukken van dezen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 80]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
aard een schijnbare wanorde voorkomt, welke hierin bestaat, dat de dichter plotseling van het eene gevoel naar het ander overspringt, dat hij slechts het kernachtigste van zijn gedachten uitboezemt, zonder de overgangen, die ze aan elkander overbinden, in aanmerking te nemen. Een voorbeeld van dergelijke lyrische sprongen vindt men in de H. Schrift, in Boek Genesis, waar Mosche, om een schrikwekkend denkbeeld van des Heeren verbolgenheid te geven, God zelf van zijn vijanden laat zeggen: ‘Ik sprak, - waar zijn ze?’ dit is: Ik sprak in mijn gramschap tot mijn vijanden, en mijn enkel woord deed ze verdwijnen. Gij, die getuigen zijt geweest van mijn zegepraal, antwoordt: waar zijn ze? Ziet gij er nog eenig overblijfsel van? Zoo ook bij Helmers in den voorzang van zijn Hollandsche Natie:
Dat hij verga, die, diep verbasterd,
den vaderlandschen grond miskent,
den grond van zijn geboorte lastert
en 't heilig graf der Vaadren schendt!
Hij leev', maar leve als slaaf der slaven!
Zijn rif, verworpen, onbegraven,
zij 't aas, waarop 't gevogelt brast!
Zijn naam zij elk een vloek in de ooren,
en 't kroost, den onverlaat geboren,
zij eeuwig met dien vloek belast!
Ga naar margenoot+ 4. Vooral uiterlijk levert de hedendaagsche rhapsodie veel overeenkomst op met den dithyrambus. Ook hier onstuimige hartstocht, stoute beeldspraak, wilde sprongen, onbeperkte vrijheid van maat en kadans. Nu eens gelijkt ze meer op de ode, dan weer eens meer op de hymne. Wat haar inwendig karakter betreft, moet men echter opmerken, dat zij, welk | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 81]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
onderwerp ze ook behandelt, dit onderwerp slechts fragmentarisch, nooit in zijn geheel, altijd slechts van éen of andere zijde mag beschouwen, zoodat ook thans nog, zooals Kleinpaul het zeer juist uitdrukt, haar kenmerkende eigenaardigheid juist hierin ligt, ‘dat ze er slechts uitziet als een brokstuk, als een fragment.’ Ga naar margenoot+ 5. De geniaalste dithyrambendichter der latere tijden was de Zweed Bellmann. In het Duitsch werd het genre beoefend door J.H. Voss, Schiller, Goethe, Kopisch, Heine, Scheffel en Bodenstedt; in het Engelsch door Dryden, wiens feestzangen ter eer van de H. Cecilia, - en Alexander Pope, wiens Ode on St. Cecilia's Day, als dithyramben kunnen beschouwd worden; in het Fransch door La Harpe, Aux Mânes de Voltaire, en Delille, Sur l'Immortalité de l'Ame; in het Nederlandsch door Bilderdijk, Aan de Poëzij; Nierstrasz (zijn reeds onder de oden vermelde Dithyrambus op Rubens); Prudens van Duyse, Willem I; Beets, Elia op Karmel; Immerzeel, de vertaling van Delille's Onsterfelijkheid der Ziel. Rhapsodieën schreven in ónze taal Vosmaer; Jan van Beers, Licht; F.M. van Leent, Liefde. In het Duitsch Klopstock, Goethe, Schiller, Hélderlin, Heine, Hamerling, Albert Möser. In het Engelsch Jonathan Swift, On Poetry. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
IV. Klaaglied of Elegie en Heldenbrief of Heroïde.Ga naar margenoot+ 1. Deze beide dichtsoorten zijn, - en wel vooral naar de opvatting van de moderne dichters -, zoowel wat den inhoud als wat den vorm betreft, nauwelijks van elkander te onderscheiden. Beide zijn de uitdrukking van een smachtend verlangen naar een wezen of een geluk, dat men onbereikbaar acht, of van een diepgevoelde smart over een | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 82]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
wezen of een geluk, dat men verloren weet of verloren waant. Ook neemt de elegie zeer dikwijls den vorm aan, niet alleen van een toespraak tot -, maar van een brief aan een bepaalden persoon. Zoo zijn de vier stukken, welke Ledeganck's klaagliederen, Het Graf mijns Vaders en Het Graf mijner Moeder uitmaken, werkelijke brieven in verzen aan dierbare bloedverwanten of vrienden. Terwijl echter, in de elegie, de dichter spreekt in eigen naam, laat hij, in de heroïde, een of ander geschiedkundig heros, een personage uit de fabelleer of zelfs een van eigen vinding zijn weemoed of zijn verlangen ontboezemen. Ga naar margenoot+ 2. Het kenmerk van de meeste elegieën en heroïden is een zachte, gelatene, doch innige weemoed. Toch sluit geen van beide soorten hartstocht uit, zooals ten overvloede blijkt uit meer dan éen gedicht van Ovidius, een der voortreffelijkste meesters in de beide vakken. Ga naar margenoot+ 3. Gelijk uit het bovenstaande blijkt, leiden wij, modernen, het wezenlijke en kenmerkende van deze twee soorten alleen en uitsluitend van den inhoud af. Dit nu was geenszins het geval bij de Grieken, die den naam elegie toepasten op alle stukken, bestaande uit een min of meer lange reeks van elegieën, of, zooals zij 't zelf noemden, van disticha, d.i. van tweeregelige strofen, regelmatig samengesteld uit éen hexameter en éen pentameter. Zoo komt het dan, dat heel wat Grieksche gedichten, die wij, met onze hedendaagsche begrippen, volgens den aard van hun onderwerp, voor lierzangen of zelfs voor gewone liederen, vooral voor gevoels- en minneliederen, aanzien zouden, door hun makers zelven als elegieën opgevat werden (zie Het Lied, 1, bl. 56). De eerste van alle Helleenen, onder wiens hand de elegie, ofschoon nog steeds trouw in distichenvorm, gewaarwordingen van weemoed en spijt uitdrukte, was Mimnermos, van Kolophon, wiens | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 83]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ouderdom en Ontbering en 's Levens Nood in dit opzicht vanGa naar margenoot+ groote beteekenis zijn. Hoogst waarschijnlijk verschilde de opvatting van de veel latere Alexandrijnsche dichters niet zoo heel veel van die van Mimnermos. Dit bewijzen althans de Latijnsche treurdichten, waarvan men met zekerheid, ja, uit den mond zelf van hun auteurs, weet, dat zij navolgingen zijn van de Alexandrijnsche origineelen. Op weinige uitzonderingen na behouden ook de vier groote Romeinsche elegische dichters den ouden distichenvorm. Men leze Valerius Catullus, Bij het Graf mijns Broeders, Bij den Dood mijns Broeders; Albius Tibullus, Doodsgevoel, Wenschen voor den Geliefde, Gebed voor de Liefste; Sextus Aurelius Propertius, Cynthia op het Land, Aan Cynthia, Aan Cynthia gedurende een Storm, Berusting, Scheiding van Cynthia; Publius Ovidius Naso, Op Tibullus' Dood, De laatste Nacht te Rome, De zieke Dichter en zijn Gade te Rome, De Lenie te Tomi. Ook voor hun heroïden gaven de Ouden door den band de voorkeur aan den reeds bekenden vorm. Ga naar margenoot+ Wanneer de elegie, zooals bv. bij Lenau en soms bij onzen Vondel, bij Poot, Wellekens en van Beers, geschreven is in eenige korte, gelijkvormige strofen, wordt ze door sommigen elegisch lied of liederelegie betiteld. Ga naar margenoot+ In de hedendaagsche talen heeft men zich meestal bediend van den Alexandrijnvorm of den vijfvoetigen jambus. 't Spreekt echter wel vanzelf, dat ook andere versmaten zijn toegelaten. 4. Onze taal is bizonder rijk aan klaagliederen, minder echter aan heldenbrieven. Ga naar margenoot+ Merkwaardige Nederlandsche klaagliederen zijn: van Vondel, Uitvaart van mijn Dochterken en Kinderlijk; van de Decker, Aan mijn Vader en Aan mijn Broeder; van Wellekens, Aan Lycoris; van Poot, Op den Dood van mijn Dochterken; | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 84]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
van Bilderdijk, Afscheid; van Nieuwland, het zeer mooie Ter Gedachtenis van mijn Echtgenoote; van Bellamy, Klaagzang, De Dood en De Verwachting; van Staring, Ada van Holland als gevangene op Texel in 1323; van Borger, Aan mijn Kind; van Tollens, Aan een gevallen Meisje, Op den Dood van mijn zesjarig Dochterken; van ter Haar, Aan een spelend Kind; van Ledeganck, Het Graf mijner Moeder; van Prudens van Duyse, uit Natalia eerst, de fragmenten de Moeder, de Dochter en de Kranke, dan De Herfstavond, doch vooral deze twee juweelen van poëzie, Ontmoediging en Vaderzucht; van Beets, de fijngevoelde Najaarsmijmering; van Nolet de Brauwere, Aan een doofstomme blindgeboren; van Hofdijk, Gedaalder Zonne; van de Génestet, Morgen bij de Duinen; van Dautzenberg, Aan mijn Moeder en Des Grijsaards Overpeinzing; van Jan van Beers, Het Broerken, Een Zwanenzang, De Blinde, Blik door een Venster, Bij de Wiege van een Kind des Armen; van de Cort, Thereze. In het DuitschGa naar margenoot+ verdienen aangehaald te worden: Haller, Trauer-Ode; Klopstock; Jacobi, Wiegelied, De Linde op 't Kerkhof; Salis; Matthisson; Hölty; Goethe, Epilog zu Schiller's Glocke, Alexis und Dora; Schiller, Der Spaziergang, Klage der Ceres, Elegie auf den Tod eines Jünglings, Herkulanum und Pompeji; Hölderlin, Die Eichenbäume; Freiligrath; Lenau; Rückert; Geibel; Dranmor, Heimweh, Requiem, Kaiser Maximilian. In het EngelschGa naar margenoot+: Dr. John Donne, Elegy on his Wife; William Congreve, To a Candle; Edward Young, Night Thougts; Th. Gray, Elegy written in a Country Churchyard; Byron, Fare thee well, Stanzas to Augusta, And thou are Dead, I would i were a careless Child; Burns, To a mountay daisy, To Mary in the Sky; George Eliot, Brother and Sister; Oliver Wendell Holmes, The Voiceless; Wolfe, Mary; | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina t.o. 85]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() ALPHONSE DE LAMARTINE (1790-1869).
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 85]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Fitzgerald, lanthe; en tal van sonetten van Keats, Wordsworth, Browning, enz.. In het FranschGa naar margenoot+: Ronsard, Contre les Bûcherons de la Forêt de Gastine; La Fontaine, Aux Nymphes de Vaux; Garnier, Sur la Mort de Ronsard; Malherbe, Consolation à Du Perrier; Racan, Consolation à Mgr. de Bellegarde; Gilbert, Adieux à la Vie; Voltaire, Sur la Mort de Mlle Lecouvreur; Parny, Sur la Mort d'une jeune Fille (eigenlijk een complainte); M.J. Chénier, La Promenade; André Chénier, Néère, La jeune Captive; Chênedollé, Le Tombeau du jeune Laboureur; X. de Maistre, Chanson russe; Millevoye, L'Anniversaire, La Chûte des Feuilles; Delavigne, enkele van zijn Messéniennes; Nodier, Le Buisson; Lamartine, L'Isolement, Le Lac, L'Automne, Le Crucifix; Desbordes-Valmore, Les Cloches du Soir; Hugo, Exil, Autrefois (Livre des Mères), A la Mère d'un Enfant mort; Barrillot, Eolida; Grenier, La Mort de Président Lincoln; Musset, Lucie; Lemoyne, Un Regard en arrière; Sully Prudhomme. La Voie lactée; Glatigny, La Chanson ignorée. Ga naar margenoot+ Eenige psalmen van David, o.a. 136, de klachten van Jeremia, en eenige kerkelijke gezangen van de Heiligen Gregorius van Nazianze en Ambrosius zijn ook ware elegieën. Ga naar margenoot+ 5. Wat de heroïde betreft, Vondel vertaalde Ovidius' Heldinnebrieven en gaf er navolgingen van in zijn eigen Maagdebrieven (Theodora aan Basilia, haar Zuster). Verder beoefenden Wellekens, Bilderdijk, Helmers, van Duyse en anderen dit vak. Ook in het Duitsch zijn de heroïden weinig talrijk: Wieland, Schlegel, Platen en enkele anderen schreven er. Ga naar margenoot+ 6. Niet alle brieven in verzen geschreven kunnen als heldenbrieven beschouwd worden. Zekere dichterlijke epistels kunnen tot de elegieën -, andere tot de hekeldichten gerekend worden. Dit laatste is bv. het geval met Vondels beide | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 86]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
stukken, Harpoen en Roskam, en ook met de meeste brieven in verzen van Nolet de Brauwere. Ga naar margenoot+ 7. In het Duitsch schreven Wieland, Goethe, Rûkert, Gottschall, Möser en eenige anderen dergelijke epistels. In het Fransch La Fontaine, A M. l'Evéque de Soissons; Segrais, A Mme la Marquise de G.; Boileau; Mme Deshoulières; Dessiaux; Lebrun, Sur la bonne et la mauvaise plaisanterie; André Chénier, A Le Brun et au marquis de Brazais, A Le Brun; André van Hasselt; Charles Potvin, enz.. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
V. Satire of Hekeldicht.Ga naar margenoot+ 1. Zooals de Nederlandsche benaming het aanduidt, is het doel van deze dichtsoort te hekelen, d.w.z. te gispen, te berispen, te geeselen, echter niet uit louter kortswijl of enkel om het plezier van te hekelen, maar wel om terecht te wijzen en te verbeterenGa naar voetnoot1). Ga naar margenoot+ Zulk een gedicht ontstaat, - indien het een wezenlijk gedicht zijn zal -, uit de verontwaardiging of allerminst de tot spot prikkelende ontevredenheid, waarin het leeren kennen van een, in zedelijk, aesthetisch of maatschappelijk opzicht, geheel of deels gebrekkigen toestand, den man van hoogeren geest verplaatst, die het besef heeft van een idealen -, d.i. van een in zekeren zin volmaakten toestand. Ga naar margenoot+ Doet verontwaardiging den dichter spreken, dan levert hij wat men heet een ernstige of rechtstreeksche satire; is het enkel ontevredenheid, dan beschouwt hij de dingen meer van hun belachelijken dan wel van hun verderfelijken kant, en zijn werk is wat men heet een luimigGa naar margenoot+ of onrechtstreeksch hekeldicht. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 87]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ga naar margenoot+ 2. Niet elke verkeerdheid kan stof leveren voor een hekeldicht; immers, omdat niet elke verkeerdheid in het bereik valt van het persoonlijk oordeel van den mensch-dichter. Er zijn verkeerdheden, die alleen door de ingestelde machten der maatschappij kunnen worden tegengegaan en hun daders dan ook blootstellen aan gerechtelijke maatregelen en aan beteugeling. Tegenover zulke gebreken moet niet de zedenmeester, - hier dus de dichter, - maar het Gerecht optreden. Zoo bv. zijn moord, vergiftiging, geen geschikte stoffen voor den satirischen poëet. Geschikte stoffen zijn echter wél al zulke dwaasheden, gebreken, ondeugden, modes, enz., waarvan men met recht kan verhopen, dat scherpe hekeling of geestige scherts minstens eenige menschen een afkeer zullen doen krijgen. Lichaamsgebreken, ziekten, en, in het algemeen alle verkeerdheid, waarvan men niet op goeden grond de schuld aan een medemensch kan wijten, mag de hekeldichter niet tot onderwerp verkiezen. Deed hij dit wél, dan zou hij den schijn aannemen, niet een toestand, maar een persoon aan te vallen, niet te willen kastijden en terechtwijzen, maar zich te verlustigen in het leed van zijn evenmensch. Dan zou zijn werk niet een satire, maar nog hoogstens een paskwil zijn. Ga naar margenoot+ 3. Eenigszins verwant met de satire is de parodie, d.w.z. een gedicht, waarin men personen en toestanden uit een ander gedicht in een bespottelijk licht poogt te stellen. Op zichzelf reeds ondichterlijk in hooge maat, - want, wat kan ondichterlijker zijn dan met erkende meesterwerken den spot te drijven? - levert dit genre weinig gewicht op bij de studie der belletrie. Alleen wanneer zij tot doel heeft, valsche kunst belachelijk te maken, den goeden smaak te wreken op gezwollenheid, holle hoogdravendheid, gevoelerigheid, gezochtheid, gekunsteldheid en aanstellerij, alleen dán kan de parodie | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 88]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
wellicht als een wezenlijk kunstprodukt beschouwd worden. Zoo zijn bv. De razende Roeland van Ariosto en de Don Quijote (spreek uit: qui Chote) van Cervantes, meesterstukken van parodistischeGa naar margenoot+ poëzie. In het Nederlandsch kunnen wij vermelden: De Post van den Helikon, Orosman de kleine of de Dood van Zaïre van Kinker; de parodie op Feith's romance Alrik en Aspasia, door Bilderdijk; de Snikken en Glimlachjes van Piet Paeltjens; de Grassprietjens van Cornelis Paradijs, enz.. 4. Evenals de elegie neemt meer dan éens de satire den briefvorm aan. Zoo is Vondels Roskam een brief ‘Aan den Heer P.C. Hooft, Drost van Muiden.’ Ga naar margenoot+ 5. Merkwaardige hekeldichten in onze taal schreven: van Maarlant, Der Kercken Claghe; W. van Hillegaarsberg, Van Mer; Anna Byns, Marten Luther en Marten van Rossem; Jan Fruytiers, Aan de Tyrannen; Vondel, Harpoen, Een Otter in 't Bolwerk, Sprookje van Reintje de Vos, De Geuzenvesper, Rommelpot van 't Hanekot., enz.; Huygens, 't Kostelick Mal; Poirters, Trouwen is houën, Leuvensche Huwelijken en de beste deelen uit Het Masker van de Wereld afgetrokken; Jeremias de Decker, Lof der Geldzucht; Ant. v.d. Goes, Oorsprong van 's Lands Ongevallen; Bilderdijk, Rondedans in futuro om de Doodkist, Letterclubs onzes tijds, enz.; Staring, Jamben; van Duyse, De Spellingsoorlog, Een Eerekruis, De valsche Munters in Historie, Een Mirakel der XIXe eeuw; de Génestet, zekere deelen uit zijn St. Niklaas-avond; Nolet de Brauwere van Steeland, Huwelijksraad aan een zoekenden Vriend, Het Bed, Aan Doctor.... den Dien, Broederschap en het overkostelijke Dichterreputatie; meer dan éen Geuzen- en Anti-Geuzenlied uit de XVIe eeuw, en vooral politieke refereinen en liederen van Theodoor van Rijswijck, Dautzenberg, Vuylsteke, de Cort, Hiel, enz.. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 89]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ga naar margenoot+ In het Engelsch leverden hekeldichten Hall; Rochester; Dryden, Absalon and Achitophel; Pope, De Oorlog der Dwazen; Jonathan Swift; Th. Moore; Lord Byron, The Valse, The Profecy of Dante, en zijn op 23 jaren geschreven stuk over Engelsche Barden en Schotsche Kritiekvoerders; Hood, The Song of the Shirt, door Beets vernederlandscht; H.B. Browning, The Cry of the Children. Ga naar margenoot+ In het Duitsch: Murner, Narrenbeschwörung, Schelmenzunft; Fischart, Nacht-Rab oder Nebel-Kräh, Der Barfüszer Sekten- und Kuttenstreit, en vooral Glückhafft Schiff ron Zürich; Rachel, Das poetische Frauenzimmer oder die bösen Sieben, Der Poet; Hagedorn; Rabener, Satiren in proza; Liscow, Die Vortrefflichkeit und Notwendigkeit der elenden Skribenten; Abraham Gotthelf Kästner; Jean Paul; Wieland; Heinrich Heine, Deutschland, ein Wintermärchen; Hamerling, Teut; Detlev von Liliencron. Ga naar margenoot+ In het Fransch kan men noemen, in de 13e eeuw, Guyot de Provins, Hugues de Berze, Rutebeuf, en vooral den ketterschen Pierre Cardenal, wiens schriften soms zoo verbazend met die van onzen Maarlant overeenkomen; in de 15e Ronsard Discours sur les misères du Temps; Du Bellay, Le poëte Courtisan; in de 16e Pierre Viret, Ant. Du Verdier, Vauquelin de La Fresnaye, Satires françaises; Regnier, L'Honneur ennemi de la Vie; Maynard; in de 17e Boileau, La Noblesse, A mon Esprit, vaak van zeer nabij Horatius nagevolgd; in de 18e eeuw Gilbert, Le Siècle, Le 18e Siècle; André Chénier, o.a. het onvoltooide stuk A propos de la Translation du Corps de Marat au Panthéon en andere Jambes; in de 19e, nu, Hugo met verscheidene van zijn Châtiments; Mme Ackermann, Le Nuage, La Guerre; André van Hasselt, Epître d'un Communard de Paris, La grande Débâcle; Ch. Potvin; | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 90]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Barbier, om meer dan éen van zijn Jambes, o.a. L' Idole en Le Lion; Amédée Pommier, Les Profanes, enz.. Ga naar margenoot+ Als Grieksche hekeldichters verdienen aangehaald te worden Archilochos, Simonides van Amorgos; als Latijnsche Lucilius; Horatius (verscheidene Epistels, o.a. die Aan de Pisonen; verder Stad en Land, en I, 6); Persius; Juvenalis (III, VIII, Satiren), en anderen. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
VI. Epigram of Puntdicht.Ga naar margenoot+ 1. Het woord epigram beteekent, volgens zijn inhoud, zooveel als opschrift of bijschrift, en diende oorspronkelijk om een gewoonlijk zeer beknopten, meest tweeregeligen tekst aan te duiden, waarvan men een grafteeken of een offergift plag te voorzien. Deze beteekenis ging echter spoedig te loor, en nu werd het woord eerlang toegepast op al even beknopte gedichtjes, hetzij van verliefden, hetzij van luimigen inhoud. - HedenGa naar margenoot+ beteekent epigram, - in het Nederlandsch puntdicht of sneldicht geheeten, - de uitdrukking in een uiterst beperkt aantal verzen van een treffende gedachte, in den geest des dichters verwekt door een bepaalden persoon, een bepaalde gebeurtenis of een bepaald voorwerp, en daarvan óf een enkelen, werkelijk belangwekkenden kant scherp toelichtend, óf er de geheele beteekenis, het geheele karakter, de volledige zedeles treffend van te zamen vattend. Ga naar margenoot+ 2. Het epigram moet beantwoorden aan deze twee eischen: het moet verrassen of aangrijpen door de nieuwheid, de juistheid, de diepte of de scherpte van de meegedeelde gedachte, en het moet deze gedachte uitdrukken in juist zooveel woorden, als er volkstrekt toe noodig zijn. Zeer veel hangt dus af van de keus dezer woorden: stoplappen en nuttelooze epitheta zijn hier teenemaal misplaatst. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 91]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ga naar margenoot+ 3. In elk goed epigram moet men, volgens Herder, twee deelen kunnen onderscheiden, welke hij Exposition (uiteenzetting) en Anwendung (toepassing) noemt. De eerste is als een thesis, een verklaring, waarin de persoon of de zaak, welke het epigram heeft ingegeven, bekend gemaakt wordt; de tweede is een antithesis, waarin, wat men omtrent dien persoon of die zaak wil mededeelen, uitgedrukt wordt. De aandachtige lezing van een paar voorbeelden volstaat, om dit op te helderen.
Krijn las en zei, zoo tusschen waken
en dutten in: ‘dat kon wel klaarder zijn.’
Voor die half slapen, lieve Krijn,
kan 't een, die droomt, slechts duidlijk maken.
Staring.
Heemskerk, die dwars door 't ijs en 't ijzer dorst te streven,
liet de eer aan 't land, hier 't lijf, vóor Gibraltar het leven.
Hooft.
Gelooven op gezag -
dat mag
niet meer op onze dagen! -
Maar ach!
't schijnt, niet gelooven op gezag
komt nu aan de orde van den dag. -
Is 't beter? wou ik vragen.
De Génestet.
Overbevolkt is de wereld. Zoo scheen het ten tijde van Adam
reeds aan den ouderen zoon, dien fijn oordeelenden Kaïn....
Neefje, ge moogt nooit hopen tot Keizer te worden van Frankrijk,
maar gij stapt als arts op het pad van Keizer en Kaïn.
Dautzenberg. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 92]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De roos die bloeit,
als de ochtend gloeit,
heeft ras heur schoon verloren:
ruischt de avondwind,
zij valt: - gij vindt,
waar 't roosken stond - den doren.
Pr. van Duyse.
Gij spreekt bestendig kwaad van mij,
ik spreek van u bestendig goed.
Vergeefs gepraat, vergeefs getoet!
Geen enklen mensch bepraten wij.
Pr. van Duyse.
Ci-gît l'illustre el malheureux Rousseau:
Le Brabant fut sa tombe et Paris son berceau.
Voici l'abrégé de sa vie,
Qui fut trop longue de moitié:
Il fut trente ans digne d'envie
Et trente ans digne de pitié.
J.B. Rousseau.
Ga naar margenoot+ 4. Talrijke, en daaronder voortreffelijke epigrammen bestaan in onze taal. Van de meer dan 400 Quicken of sneldichten, welke in de KVIe eeuw de goedburgerlijke Roemer Visscher in zijn Brabbelingh verzamelde, mogen er nog zooveel onbeduidend zijn; van Huygens, die er éen eeuw later rond de 3000 schreef; van Hooft, Vondel, Brandt, A. van der Goes, Simon von Beaumont, Pieter Langendijk, Jan Vos, Jeremias de Decker; later nog van Bilderdijk, vrouwe K.W. Bilderdijk, Staring, Spandaw, Witsen Geysbeek, Coninckx, van Alphen, Tollens, de Génestet, Helvetius van den Bergh, van Duyse, Ledeganck, Beets, G. Gezelle, de Geyter, Penning (Coens), van Nouhuys (Waalner), Lütkebühl, enz., | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 93]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
hebben wij er, die de vergelijking met de beste epigrammen der buitenlanders kunnen doorstaan. In het DuitschGa naar margenoot+ schreven epigrammen Goethe, Schiller, Lessing, Rückert, Platen, Wilhelm Müller, Hebbel, Leuthold, Greif, Kalbeck, Möser, von Ebner-Eschenbach, Otto von Leixner, von Bodenstedt, Lorm, Heyse, Th. Fontane, Gustav Legerlotz, Kirchbach, L. Fulda, E. Scherer, Arno Holtz; - in het EngelschGa naar margenoot+ Sir Thomas Wyat, Sir Walter Raleigh, Sir Henry Wotton, Dr. John Donne, Ben Johnson, William Drummond, John Dryden, John Gay, Byron; in het FranschGa naar margenoot+ Mellis de Saint-Gelais, Leloyer, Malherbe, la Chapelle, Scarron, Brébeuf, La Fontaine, Boileau, Boursault, La Fare, La Monnoye, Sénecé, Conrart, J.B. Rousseau, La Motte, Destouches, Grécourt, Voltaire, Piron, Marmontel, Lebrun, Rivarol, Chénier, Andrieux, Emile Deschamps, Félix Naquet. Ga naar margenoot+ 5. Bij de Grieken beteekende het epigram weinig meer dan een zeer kort stukje in elegievorm (zie hooger, 3, bl. 82, de elegie). In het eerste of hexametervers stelde men een of ander natuurverschijnsel of wat dan ook vast; in het tweede, het pentametervers, sprak men de gedachte of de gewaarwording uit, waartoe feit of verschijnsel aangeleid hadden. De zoogenaamde ‘pointe’, door den modernen epigrammatist zoo zeer op prijs gesteld, was niet éens vereischt. Evenmin, overigens, als de satirische bedoeling, later bij de Romeinen en vooral bij Martialis zoo algemeen. Ga naar margenoot+ Simonides van Keos, Kallimachos van Alexandrië, en in het algemeen de dichters uit het Alexandrijnsche tijdvak (die van de zoogenoemde Anthologie), schreven dergelijke epigrammen. Alleen bij deze laatsten ontmoeten wij de eerste sporen van spot- en hekellust. Ga naar margenoot+ Bij de Romeinen is Marcus Valerius Martialis de hoofdvertegenwoordiger van het vak. Hij schreef niet minder dan | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 94]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1200 epigrammen, verdeeld in vier Boeken, in hun geheel genomen een uiterst belangrijk spiegelbeeld van de deugden en gebreken, den handel en den wandel van zijn tijdgenooten. Ook van Ausonius zijn er zeer mooie. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
VII. Sonet of Klinkdicht.Ga naar margenoot+ 1. Op den inhoud af komt het sonet wel eenigszins overeen met het lied. Evenals het lied toch, is het sonet de uitdrukking van een enkele, eenvoudige, d.i. met geen andere vermengde stemming. Evenals het lied vertoont het dus de lyrische poëzie in haar eenvoudigste gedaante. Ga naar margenoot+ 2. Door zijn uiterlijken vorm onderscheidt het zich meer van het lied dan elke andere dichtsoort. Het is dus van het hoogste belang, dat wij in de eerste plaats nagaan, waaraan deze zeer willekeurige en konventioneele vorm zijn ontstaan dankt. Ga naar margenoot+ 3. Van eerst af hebben de dichters er naar gestreefd, - en dit vooral in elk zoogenaamd tijdvak van hoogeren kunstbloei, - om te ontdekken een uitgezelen patroon, een uitverkoren vorm, waarin zij elke gewaardoring, om het even van welken aard en van welke kracht die dan mocht zijn, op nagenoeg volmaakte en volledige wijs zouden kunnen weergeven. Het noodzakelijke gevolg van dit streven was het onstaan van allerlei vaste patronen en schemata, van het enkele, zich telkens herhalende distichon af tot de telkens wederkeerende stroof. Sommigen vonden dan een eigen strofenvorm, dien zij met zulke voorliefde beoefenden, dat hij met hun naam verbonden bleef: de sapphische - de alkaïsche -, de asklepadische stroof, bv.Ga naar voetnoot1) | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 95]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Zoo ook, - en dit heeft hier wél zijn beteekenis - waren het kwartet of kwatrijn: de vierling of vierregelige rijmstroof, en het tercet of de terzine: de drieling of drieregelige rijmstroof, reeds lang door allerlei dichters beoefend en ‘ausgebildet,’ toen de sonetvorm gevonden werd. Ga naar margenoot+ 4. Degene nu, die dezen vorm, welken men terecht genoemd heeft ‘die Blüte modischer u. höfischer Kunst-Poesie,’ voor goed zijn beslag gaf, was Petrarca. Zijn sonetten, die voor alle tijden als modellen gelden, bestaan uit de wel willekeurige, maar wonder gelukkige vereeniging van twee vierregelige rijmstrofen of kwartetten met twee drieregelige rijmstrofen of tercetten van gelijke lengte. Ga naar margenoot+ Deze kwartetten zijn innig verbonden door het gelijkluiden van twee rijmen, welke geschakeerd zijn als: a b b a, a b b a; of wel zoo: a b b a, a b a b; of ook nog: a b a b, a b b a. Somtijds treft men ook deze schakeeringen: a b a b, a b a b, en ook a b a b, b a b a. De eerste aangeduide schikking is de meest gezochte. Wat de tercetten betreft, deze kunnen op twee of op drie rijmen rollen, welke men op vele wijzen schikken kan, waarvan de voornaamste hier volgen: a b a, a b a; a b a, b a b; a b a, b a a; a b b, a b b; a b b, a a b; a b b, b a a; a a b; c e b; a a b, c b c, a b a; b c c; a b a, c b c, enz.. Opmerking verdient het, dat even vóor Petrarca, de groote Dante in zijn Goddelijke Komedie den vorm der terzine of 3 regelige rijmstroof tot volmaaktheid had gebracht. Ga naar margenoot+ 5. Het voorbeeld van zeer goede sonettendichters heeft verder nog eenige gewoonten doen ontstaan, waarvan het goed is, niet te zeer af te wijken. Zoo is het niet aan te | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 96]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
raden, het 13e en het 14e vers op elkander te laten rijmen, terwijl het integendeel aanbeveling verdient, het 4e en het 8e door gelijke rijmklanken te verbinden. Zoo ook dient men de oversprongen (enjambements) te vermijden, vooral in de drielingen, waarvan de verzen door stevigen bouw en rijken klank dienen uit te munten. In den eersten vierling is de oversprong echter zeer goed aan te nemen. Ga naar margenoot+ 6. Ziehier de groote voordeelen, welke de sonettenvorm oplevert. In de eerste plaats onderscheidt hij zich door die treffende indeeling in twee, welke aan alle lyrische strofen eigen is, en die ja in haar wezen ligt. Evenals de vierregelige stroof haar keerpunt heeft na het tweede vers, evenals de ottave en de stanze dat keerpunt hebben na het zesde vers, zoo heeft het sonet hetzelfde na het vierde vers van de tweede stroof, terwijl het daarenboven nog een ander geschikt keerpunt kan vertoonen in elk kwartet op zichzelf alsmede na vers drie van het eerste tercet. Ga naar margenoot+ Als men dezen vorm vergelijkt met de indeeling van de koren bij de oude Grieken, dan zou men haast zeggen, dat de geniale vinder bij de treurspeeldichters is ter school gegaan. Dan merkt men inderdaad op, dat het eerste kwartet beantwoordt aan de stroof, het tweede aan de anti-stroof, dat het eerste tercet niets anders is dan de epode, en het tweede de antipode. Ga naar margenoot+ 7. Dat deze vorm moet uitmunten door groote hoedanigheden, zou reeds hieruit af te leiden zijn, dat de grootste dichters van alle tijden er de meest uiteenloopende onderwerpen met gelijk gemak en even groote volmaaktheid in behandeld hebben: Dante, Michelangelo, Petrarca, Spencer, Milton, Shakespeare, Shelley, enz.. Het essencieele karakter van het klinkdicht ligt niet in de herhaling der rijmen, maar wel in de indeeling in twee | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 97]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
strofengroepen, krachtens welke de 14 regels eigenlijk bestaan uit een golf van acht en een tegengolf van 6 verzen. Ga naar margenoot+ 8. Het sonet is oorspronkelijk een Italiaansche vorm, spoedig in het Spaansch, en daarna van lieverlede in al de talen van Europa overgenomen. In het oorspronkelijk Italiaansch sonet dienden de dubbelrijmen, om eerst de twee kwartetten en daarna de twee tercetten onderling te verbinden. In het Italiaansch was het zeer natuurlijk, dat men hoogen prijs hechtte aan rijkdom en volmaaktheid van rijmen, vermits deze taal buitengewoon rijk is aan rijmende woorden. Dit is echter geenszins het geval met de Germaansche talen, en het is dan ook geen wonder, dat Engelsche dichters, zooals Shakespeare, zich met het oog op het rijm vrij groote vrijheden veroorloofd en klinkdichten geschreven hebben met zeven in stede van met hoogstens vijf rijmen. Doch ook deze dichters hebben de indeeling in een rijzing van acht en een daling van zes verzen nauwgezet geëerbiedigd. ‘Volmaakte’ sonettenGa naar margenoot+, d.w.z. zulke, welke met Petrarca's modellen getrouw overeenkomen, zijn in de Germaansche talen uiterst schaarsch. Graaf von Platen echter schreef er een zestigtal. Ga naar margenoot+ 9. Wat nu betreft de lengte van de sonetverzen, hieromtrent bezit men een tamelijk groote vrijheid. Het sonetvers kan bestaan uit 3, 4, 5 en 6-voetige jamben, terwijl er zelfs geen werkelijk gegronde reden is, om trocheën en zelfs andere voeten onvoorwaardelijk uit te sluiten. - Het klinkdicht kan samengeschakeerde staande en slepende evengoed als uitsluitend enkel staande of enkel slepende versregels bevatten; ook kunnen de tercetten evengoed vóor als na de octaaf geplaatst worden. Zoo bestaan de klinkerts van de meeste Nederlandsche dichters als Coornhert, IJsermans, | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 98]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
van Beaumont, Smijters, Hooft, de Hardewijn, Vondel, van der Goes, de Decker, Bellamy, de Lannoy, van Duyse, de Laet, Bilderdijk, haast alle uit zesvoetige jambische verzen. Zoo schreven in het Fransch Musset, Silvestre, Mendes en anderen sonetten in verzen van acht en negen lettergrepen, ja van zes en zeven, terwijl zelfs tot in het Italiaansch toe dergelijke uitzonderingen bestaan. Zoo schreef Bürger sonetten in trochaeische afgeknotte trimeters. Toch is het zeker, dat van al deze verssoorten de 5-voetige jambusGa naar margenoot+ verreweg het meest aanbeveling verdient. Inderdaad, vermits het sonet, zooals wij reeds zegden, de meest verschillende rhythmische bewegingen moet kunnen weergeven, en dat die rhythmus ontegenzeggelijk het gemakkelijkst en eenvoudigst kan afwisselen in verzen, waarin men de plaatsen van de caesur en van de rust der perioden het gevoeglijkst verschuiven kan, dringt het gebruik van bedoelde verzen zich als het ware vanzelf op. Bij verzen van 4 en 6 voeten bestaat er te veel kans, om hun vier of zes zware lettergrepen te verdeelen in twee of drie deelen van gelijk gewicht, zooals II + II, II + II + II, of ook III + III. Daaruit ontstaat dan een ergerlijke, voor elk geoefend oor onverdraaglijke eentonigheid. Gebruikt men daarentegen 5-voetige verzen, dan brengt dit getal mee, niet alleen dat het onmogelijk is, een enkel vers van het sonet in twee nauwkeurig gelijke deelen te snijden, maar ook dat men de caesur kan plaatsen na elken voet, bijna na ieder woord. Overigens kan men zeggen, dat deze caesur niet onontbeerlijk is; zeer groote dichters hebben haar verwaarloosd. De zware lettergrepen van het vijfvoetig vers worden dan altijd verdeeld in II + III of III + II, in I + IV of IV + I. In den jongsten tijd werd dan ook door de Nederlandsche sonettendichters de voorkeur gegeven aan den vijfvoetigen jambus. Zooals Albert Verwey zegt, ‘leidt de richting onzer | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 99]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
tegenwoordige rhythmiek er toe, dat het 5-voetige jambenvers ook bij ons een artistieke konstructie zal worden, met volkomen vrijheid in de caesur, en opgebouwd uit jamben, trochaeën, spondaeën en pyrichiën.’ Zonder deze vrijheid kan het doel van den sonetvorm: voor elke schakeering des gevoels een middel te hebben, om het te beelden in woorden, niet bereikt worden. Ga naar margenoot+ 10. De Franschen, van welke wij den sonetvorm overnamen, bezitten een schat van voortreffelijke klinkdichten. Het was Sabatier de Castres, die het schema van het regelmatig Fransch sonet vaststelde. De rijmen mochten deels slepend, deels staande of ook alle slepend wezen; zij moesten geschikt worden als volgt: a b b a voor den 1en en 2en vierling, c c d voor den 1en drieling, e d e voor den 2en drieling. Het regelmatig Fransch sonet telde dus vijf onderscheidenGa naar margenoot+ rijmen. In den loop der jaren weken de Fransche poëten hier in verscheiden opzichten van af. Vooral de schikking van de drielingen onderging vele wijzigingen. Door allen echter werd het als een algemeene regel aanvaard, dat de gebruikte rijmen noch uitsluitend slepend, noch uitsluitend staand, maar noodzakelijk gemengd moesten zijn. Voor de Nederlandsche, Duitsche en Italiaansche dichters geldt dezelfde regel niet. Ga naar margenoot+ 11. Als voornaamste sonneurs de sonnets noem ik Mellin de Saint Gelais (1491-1559), den oudste van allen, immers, schreef Dubellay, ‘estant le sonet d'italien devenu français par Mellin de Sainct Gelais’; Joachim du Bellay (1525-1560); Louise Labé (1526-1266); Phil. Desportes; Pierre Ronsard (1524-1585) en, met dezen, de dichters van de Pléiade; de Malleville (1597-1647, o.a. La belle Matineuse); Voiture, (1598-1648, o.a. A Uranie); Benserade (1612-1691, o.a. Job); Regnier; Desmarais (1632-1713); La Monnoye; Mlle | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 100]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
de la Vigne (1634-1684); Des Barreaux (1602-1673); Malherbe; Fontenelle (1657-1757); Boileau (1636-1711); verder Ogier de Gombaud; Maynard; Scarron; St. Amand; Regnard; Corneille; eindelijk, in onze eigen eeuw, Ste Beuve, Musset, Gauthier, Hugo, de Banville, Baudelaire, André van Hasselt, Emile Deschamps, Leconte de Lisle, Soulary, Coppée, Arvers, Sully Prud'homme, de Hérédia, Léon Valade, Dierx, Mendès, Richepin, Sylvestre, Verlaine, Cros, Rollinat, Tailhade, Vicaire, Blémont, Rodenbach, Verhaeren, Giraud, Gilkin, enz.. Scarron en Musset dichtten o.a. sonetten in verzen van 8 lettergrepen. 12. De beste EngelscheGa naar margenoot+ sonettendichters zijn Edmund Spenser (Like as a Ship); Sir Philip Sidney (With how sad steps; Leave me, o love; To sleep); William Shakespeare; Will. Drummond (To a Nightingale; I Know; To sleep; To spring); Milton (On Shakespeare; To Cyriac Skinner); William Lisle Bowless (The Rhine; Dover Cliffs); Wordsworth (Scorn not the Sonnet; To Evening; The Poet); Keats (On first looking into Chapman's Homer); Rosetti; Coleridge (November); Longfellow (Holidays; The Poets); Owen Meredith of Lord Lytton; Browning; George Eliot; Tennyson; Swinburne, enz.. Ga naar margenoot+ In het Duitsch muntten vooral uit Chamisso, Goethe, Rückert, Platen, Eichendorff, Lenau, Heine, Geibel, Fr. Hebbel, Keller, Lingg, Hopfen, Bodenstedt, E. Scherer, Kalbeck, Heyse, Leuthold, Möser, Isolde Kurtz. Ga naar margenoot+ 13. Het waren de rederijkers uit de 16e eeuw, die het sonet in onze taal het eerst beoefenden. Zij noemden het klinkert en schreven gaarne in dezen vorm hun voor de werken van hun vrienden bestemde lofdichten. Meesterlijke sonetten schreven Hooft (Mijn Zon, Schoorvoetige tijd, Aan Anna Roemer Visscher, De wijde Wereld uwer Oogen); Vondel (Palamedes, Frederik Hendrik; Aan den | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 101]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
heer Laurens Reaal; Aan den Drost Hooft en zijn Bruid; van der Goes; de Decker; van Duyse; Bilderdijk; Dautzenberg; Vuylsteke; Sabbe; Jacques Perk; Hélène Swarth; Alb. Verwey; Willem Kloos; Frederik van Eeden; J.H. Boeken; Marie Boddaert; Prosper van Langendonk; Alfred Hegenscheidt. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
VIII. Zangdicht of Kantate.Ga naar margenoot+ 1. Rechtstreeks bestemd, om getoonzet te worden, moet het zangdicht aan twee bizondere eischen beantwoorden: het moet het onderwerp beurtelings behandelen in zich zelf en in de gewaarwordingen, welke het doet ontstaan; het moet geschreven zijn in een beurtelings gespierde en krachtige, beurtelings weeke en vloeiende, kortom bij uitstek vol- en rijkklinkende taal en in zooveel mogelijk afwisselende verzen. Ga naar margenoot+ 2. Uit den eersten van deze beide eischen is ontstaan de drievoudige vorm, welken de onderscheiden gedeelten van een kantate kunnen aannemen: in verhalen of recitatieven wordt de persoon, het natuurverschijnsel of de verheven abstractie omschreven, voorgesteld of veraanschouwelijkt, welke den dichter en zijn medewerker, den komponist, tot hunGa naar margenoot+ schepping bezielen; in éen of meer aria's of liederen, welke men, naargelang zij door éen, twee, drie of vier personen gezongen worden, soli, duetti, terzetti, quartetti noemt, worden de stemmingen uitgesproken, waarin óf de poëet zelf, óf een door hem voorgesteld persoon, door de beschouwing van het reeds beschreven onderwerp verplaatst isGa naar margenoot+; in koren, eindelijk, worden deze onderscheiden stemmingen met elkaar vergeleken, versmolten, met meer nadruk bevestigd, ofwel er worden gewaarwordingen in meegedeeld, welke, door al wat de dichter of de ten tooneele gevoerde persoon beleefd heeft, in de volksmenigte, in de algemeenheid van de menschen, zijn wakker geroepen. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 102]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Ga naar margenoot+ 3. Het spreekt van zelf, dat er in de kantate geen plaats is voor langdradige beschrijvingen of eentonige verhalen. Alleen met de karakteristiekste, eigenaardigste zijde en de groote lijnen van de stof mag zij zich bezig houden. Bondigheid en treffende juistheid van taal zijn hier vooral aan te bevelen. Ga naar margenoot+ 4. Er zijn, naar den aard van de behandelde stof, godsdienstige kantaten en wereldsche. Religieuze en wijsgeerige zangdichten van ongemeen grooten omvang noemt men bij voorkeur oratorio's. Eigenlijk is deze dichtsoort van Italiaanschen oorsprong. De oudst bekende proeven zijn van zekeren Ferrari van Reggio en van Barbara Strozzi van Venitië (beiden in de 17e eeuw). Ook Metastasio, Apostolo Zeno en Rolli schreven er vele. Ga naar margenoot+ 5. In het Fransch was J.B. Rousseau een van de eerste en voortreffelijkste beoefenaars van het vak. Zijn Cantate de Circé werd destijds beschouwd als een modèle du genre (Mallet). Joseph Chénier schreef Le Chant des Victoires, André Le Chant du 14 Juillet, L'Hymne à l'Egalité en Le Chant du 1r Vendémiaire; Lebrun, L'Hymne pour la fête de l'agriculture; Desforges, L'Hymne à l'Etre suprême. - La Damnation de Faust van Berlioz en L'Enfance du Christ zijn veel meer oratorio's dan kantaten. Ga naar margenoot+ In het Engelsch is vooral te vermelden Alexander's Feast en A Song for St. Cecilia's Day van Dryden, en Hellas van Shelley. Ga naar margenoot+ In het Duitsch schreven Ramler (Tod Jesu); Herder (Oster-Cantate;) Goethe (Erste Walpurgisnacht;) Schiller; Albert Möser; Bulthaupt; Bodenstedt en Sturm zangdichten. Vooral Der Tod Jesu van den eerste is in Duitschland gewaardeerd. Ook het oratorio, Die Legende der Heiligen Elisabeth, door Otto Roquette, is merkwaardig. Het was Hieronymus van Alphen, die de kantate in Nederland | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 103]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
invoerde:Ga naar margenoot+ zijn De Doggersbank en De Starrenhemel zijn twee verdienstelijke proeven. Verder hebben wij van Onno Zwier van Haren De Komst van den Messias; van Rhijnvis Feith Het Onweder; van Staring De Zee en het zeer fraaie Ariadne, een waar juweeltje; van M.C. van Hall De Lof der schoone Kunsten; van H.H. Klijn De Ruiters Komst te Middelburg na den Vierdaagschen Veldslag; van K.W. Bilderdijk De Zege op Waterloo; van Prudens van Duyse Het Belfroot van Gent, De Zondag, De Orkaan; van Vwe van Ackere De schoome Kunsten in België; van Hiel het uitmuntend frissche en levendige De Wind, en het krachtige Zeeslag bij Roemerswaal; van Versnaeyen Het Woud; van de Geyter De Wereld in; van Eug. van Oye Daphné; van Rodenbach De Nederlaag der Nerviers. Oratorio'sGa naar margenoot+ schreven Bilderdijk, 's Konings Komst tot den Troon; van Beers, De Oorlog, een tot nu toe onovertroffen meesterstuk; de Geyter, Vlaanderens Kunstroem en De Rijn; Em. Hiel, de kleurrijke en zwierig gerhythmeerde Lucifer; Antheunis, De Vlaamsche Nacht; Julius Sabbe het gelukkig gevondene De Klokke Roeland; Lodewijk de Koninck, Sint Franciscus. Een geheel bizondere plaats beslaat het fantastisch- of sprookjesoratorio van Jan van Droogenbroek, Doornrozeken. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
IX. Andere lyrische dichtsoorten met vasten vorm.Ga naar margenoot+ 1. Thans nog een en ander over eenige lyrische dichtsoorten, die, evenals het sonet, hun naam ontleenen aan hun bepaalden, geijkten uiterlijken vorm, en niet aan het daarin behandelde onderwerp. Deze dichtsoorten zijn van zeer uiteenloopenden oorsprong. Italiaansch zijn, evenals het sonet zelf, de canzone, de | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 104]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
terzine, de sestine, de ottave, het madrigraal, het ritornel en de villanella; Fransch zijn het rondeel, het rondeau, het virelai; Provençaalsch is de ballade; Spaansch zijn de tenzone, de seguidilla; Perzisch is de ghazele; Maleisch het pantoen. Ga naar margenoot+ 2. Italiaansche dichtsoorten: a) De terzine, waarin Dante zijn meesterstuk schreef, is een drieregelige rijmstroof, waarvan het eerste en het derde vers met elkander, doch het tweede met het eerste en derde vers van een volgende stroof van gelijken aard rijmen; namelijk in dezer voege: a b a, b c b, c d c, enz., tot aan de laatste stroof. Het gedicht wordt besloten door een laatste alleenstaande vers, dat met het tweede vers van de laatste stroof rijmt. De verzen zijn gewoonlijk 5-voetige jamben. De oorspronkelijke Italiaansche terzine gaat altijd uit op een slepend rijm; in onze taal bestaan terzinen met staande en ook met gemengde rijmen. Potgieter schreef zijn ‘Florence,’ Couperus zijn ‘Een Dag van Weelde’ en van Eeden zijn ‘Lied van Schijn en Wezen’ in gemengde terzinen; Johan Bohl schreef zijn Canzonen in den oorspronkelijken vorm. De Duitschers Chamisso (Sala y Gomez); Heyse (Marianne, Ernest;) Kalbeck (Nachtwache) en Geibel schreven terzinen met gemengde-, Platen en Bodenstedt met enkel slepende rijmen. Byron benuttigde den vorm in zijn The Prophecy of Dante. In het Fransch werd deze vorm - natuurlijk met gemengde rijmen - beoefend door Th. Gautier, Alb. Glatigny, Leconte de Lisle (La Tête du Comte. Le Lévrier de Magnus en La Chasse de l'Aigle) en door Mendès (Le Mystère du Lotus). De terzine is vooral geschikt voor wijsgeerige of geheimzinnige onderwerpen. Ga naar margenoot+ b) De sextine of sestine, dat is: de zesregelige rijmstroof, bestaat uit zes strofen van zes verzen ieder, gesloten door een slotstroof van drie. De verzen zijn vijfvoetige jamben. De | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 105]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
sestine mag slechts zes verschillige eindwoorden bevatten. Men kan ook zeggen dat de sestine bestaat uit 39 vijfvoetige jamben, verdeeld in 6 strofen van zes en een stroof van 3 verzen, die onderling niet rijmen. Elk van deze zes eindwoorden moet éens in het eerste vers en éens in het laatste vers van een der zes strofen voorkomen, en wel gewoonlijk, zij 't ook niet altijd, in de orde, opgegeven in dit schema:
Het eindwoord van het eerste vers van elke stroof moet echter altijd hetzelfde zijn als dat van het laatste vers van de onmiddellijk voorgaande. In de zevende stroof worden de zes eindwoorden aangewend in 't midden en op 't eind van elk der drie verzen. De werken van Schlegel en Rückert bevatten mooie sestinen. In ónze taal werden sestinen geschreven door Jan van Droogenbroek en Isidoor TeirlinckGa naar voetnoot1) alleen; in het Fransch | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 106]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
door Comte F. de Gramont (Non loin encor de l'heure où rougit la nuit sombre). c) De ottaveGa naar margenoot+, ook stanze geheeten, bestaat in onze taal uit elflettergrepige, slepende jamben, somtijds afwisselend met | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 107]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
tienlettergrepige staande jarnben. Ook trochaeische stanzen worden aangetroffen. Goethe, Schiller, Platen, Schulze, Rückert, Uhland, Lingg, Liliencron, schreven Duitsche ottaven; in 't Engelsch Spenser (Fairy Queen), Byron, enz.. d) De canzoneGa naar margenoot+ is eigenlijk Provençaalsch, doch kreeg in Italië haar klassieken vorm. Zooals Petrarca die verstond, is ze een dertienregelige rijmstroof van de volgende schakeering: a b a b c c e f f e g g e, zonder bepaalde rust tusschen de verzen, of a b c b a c, c d e e d f f, met een voorgeschreven rust achter het zesde vers. Het 7e en het 10e vers bevatten zeven lettergrepen; al de andere bevatten er 11. - Schlegel, von Zedlitz, Brentano, Hamerling schreven canzonen in 't Duitsch; Albert Möser leverde een meesterlijke canzone in zijn 25 strofen bevattend gedicht An das Glück. e) Het madrigaalGa naar margenoot+, dat, volgens zijn naam zelf, oorspronkelijk wel een herderslied zal geweest zijn, is een kort gedichtje, waarin een of andere bevallige of geestige gedachte uitgedrukt of een aardig komplimentje gemaakt wordt. Dikwijls echter duidt men met dit woord ook aan een soort van boutade in verzen, een vluchtigen inval, een klein 4, 5 of 6-voetig stukje, van welken aard dan ook. Zoo noemde Petrarca madrigalen zijn liederen, welke slechts uit éen enkele stroof bestonden. Wat men echter meer bizonder madrigaal noemt, laat zich onderscheiden in drie onderling door rijmen verbonden deelen. In het Fransch werd deze dichtsoort beoefend van af de 16e eeuw. Marot, Mellin de St. Gellais, La Fare, Moncrif, Lainez, Montreuil, later Mlle de Scudéry, Pradon, Fénelon, Fontenelle, Voltaire, Meinard de St. Juste, de Bernis, Châteaubriand, Buffon, schreven madrigalen. Meer dan éen ‘impromptu’ van hedendaagschen als Lamartine, Hugo, Musset, Nodier, Dumas fils, Cros, kan als tot deze soort | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 108]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
behoorende beschouwd worden. Vooral in de 18e eeuw was deze dichtsoort in zwang. Duitsche madrigalen schreven Voss, Goethe, Schlegel, Hoffmann von Fallersleben; Nederlandsche Hooft, Huygens, Bilderdijk, van DuyseGa naar voetnoot1). f) Het ritornelGa naar margenoot+ bestaat uit een niet vooraf bepaald aantal strofen van drie verzen, welke gewoonlijk 5-voetige jamben zijn, al zijn ook andere vormen niet uitgesloten. Het 1e vers is zeer dikwijls korter dan de twee andere. Meer dan éens ook is het weinig meer dan de aanhaling van een of ander voorwerp, een bloem, plant, vogel, enz., staande in zeer los of ook in géen verband met hetgeen voorafgaat en volgt. De onpare verzen rijmen meestal; het 2e assoneert met een van de beide anderen. Er bestaan echter voorbeelden van ritornellen, waarin het tweede vers niet eens assoneert; in andere, zelfs Italiaansche, assoneeren het 1e en het 3e, terwijl het | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 109]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1e en het 2e of het 2e en het 3e onderling rijmen. De meeste ritornellen zijn slepend. Rückert, Müller, Heyse, Leuthold, Isolde Kurz, schreven er Duitsche; van Droogenbroeck, van Hensbroek, van Nouhuys, van Loghem, Anri, en een paar andere, NederlandscheGa naar voetnoot1). g) De sicilianeGa naar margenoot+ is een acht-regelig gedichtje, rollende op slechts twee gekruiste, liefst beide vrouwelijke, soms echter gemengde, soms ook uitsluitend mannelijke rijmen, en meestal geschreven in vijfvoetige jamben. Detlev van Liliencron schreef er zeer fraaie. h) De villanellaGa naar margenoot+, ook van Italiaanschen oorsprong, is een klein landelijk gedichtje in strofen van 3 verzen, waarvan de bouw echter vrij is. In Frankrijk, vanwaar zij tot ons kwam, geraakte ze reeds in de 16e eeuw in de mode. Ze werd er met bijval beoefend door Grévin, Honoré d'Urfé, Passerat (1530-1602), du Bellay en Desportes (1546-1606). De vorm wijzigde zich herhaaldelijk in den loop der tijden. De villanella's van Desportes bestaan uit 4 koepletten van 8 verzen waarna het laatste of de 2 laatste verzen van de 1e stroof herhaald worden als refrein. - Richelet (1631-1698) schrijft voor, dat de villanella zal bestaan uit tercetten, waarin beurtelings een van de twee gelijkrijmende verzen van het 1e tercet als 3e vers of refrein terugkeert. In het laatste koeplet echter keeren deze twee verzen samen terug, zoodat dit koeplet uit 4 verzen bestaat. La Tourterelle envolée van Passerat is het beste voorbeeld van zulk een villanella. De villanella is evenals het ritornel uitnemend geschikt, om | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 110]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
uiterst eenvoudige dingen - de verliefde klacht van een boer of een aardig beuzelarijtje - in naïeve woorden uit te drukken. In deze eeuw werd ze in het Fransch beoefend door Soulary, Glatigny en de Banville. Nederlandsche vindt men in Fladderende Vlinders van Pol de Mont. 3. Fransche dichtsoorten. i) Het rondeelGa naar margenoot+, Fr. rondel, ook aanvankelijk rondeau geheeten, is een klein stukje, waarvan de vorm meer dan éens wijzigingen onderging. In de 16e eeuw bestond het, zonder eenig onderscheid van strofen, uit acht op 2 rijmen rollende verzen, waarvan het eerste als vierde en de twee eerste te zamen ook nog als zevende en achtste herhaald werden. Het stukje, Blanche com lys, plus que rose vermeille, van G. de Machault, is er de zuiverste type van. Baudouin de Condé (13e -) Froissart (14e eeuw) schreven er dergelijke. In de 15e eeuw bestaat het rondeel reeds uit drie strofen, waarvan de beide laatste uitgaan op de herhaling, als refrein, van het eerste of van de twee eerste verzen. Van nu af is de eerste stroof altijd vierregelig; de tweede kan evengoed drie- als vierregelig wezen; de derde telt vijf of zes verzen, naargelang men het eerste vers alleen of de twee eerste verzen gezamenlijk als refrein herhaalt. Ook zijn slechts twee rijmen toegelaten. Omtrent de keus van de verzen is niets bepaald voorgeschreven. De mooiste rondels schreven Charles d'Orléans (1391-1467), Baude, de Collerye, Marot; op onze dagen de Banville, Rollinat, enz.. Rondeelen bezitten wij in onze taal, o.a. van Anthonis de Roovere, Matthijs de Casteleyn, Pol de Mont, Arnold Sauwen, Hélène Swarth, Fiore della Neve. Ga naar margenoot+ j) Het eigenlijk rondeau. Van af het einde dor 16e eeuw heeft men de benaming rondeau voorbehouden voor een ander | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 111]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
soort van gedichten, waarvan de vorm, uit dien van 't rondeel ontstaan, zich in de 16e eeuw bepaald heeft vastgezet. Dit rondeau telt 13 verzen op 2 rijmen in 3 groepen geschikt. De eerste groep bevat 5, de tweede 3, de derde weder 5 verzen. Na de twee laatste groepen herhaalt men, zonder ze echter te laten mederijmen, het begin - gewoonlijk de twee, drie of vier eerste woorden - van vers éen. Hieruit volgt reeds dat, na vers 4, een rust in den idieeëngang moet voorkomen. Meesters in dit vak waren Baude (1430, Regrets), Jean Marot (1457-1517), Clément Marot (A un Créancier), Benserade, Voiture, La Chapelle, La Fontaine, Adam Billaut, Hamilton, en - onder onze tijdgenooten, Banville, Baudelaire, Rollinat, Glatigny, Mendès, TailhadeGa naar voetnoot1). Zoowel van rondeau als rondel is de vorm geschikt voor speelsche, vluchtige, naïeve gedachten. Boileau zegt er van: | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 112]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
‘Le rondeau, né gaulois, a la naiveté.’ Een enkel rondeau schreef Jan van der Noot (1558, Vrede van Cateau Cambrésis). k) Het trioletGa naar margenoot+ of ringgedicht bevat soms negen of twaalf, in zijn zuiverste gedaante echter slechts acht jambische of trochaeische, op niet meer dan twee rijmen loopende verzen. De beide eerste drukken de hoofdgedachte uit en doen ook dienst als de twee laatste verzen van het stukje, terwijl het eerste daarenboven nog voorkomt als het vierde. Verscheiden trioletten kunnen verbonden worden tot een triolettenkrans. Wij hebben er van Hiel, Dautzenberg, Ferguut. In 't Fransch bestaan er van Ranchin, Marigny, Rivarol, de Banville, Alphonse Daudet en Gabriel VicaireGa naar voetnoot1). Triolettenkransen kennen wij van Marquis de Surville (L'Absence de l'Epoux), Julien Fertiault (Une Rencontre), Alphonse Daudet (Les Prunes). Ga naar margenoot+ l) De Fransche ballade of refereinballade, welke men niet verwarren mag met de Noorsche of Germaansche ballade, is herkomstig van de Provençaalsche troubadours der 12e eeuw. Het woord ballade beteekent ongeveer hetzelfde als ‘une chanson ballée,’ dus een gedanst lied. In het Nederlandsch noemt men dezen dichtvorm bij voorkeur ‘referein’ (Anna Bijns). | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 113]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De oorspronkelijkeGa naar margenoot+ Provençaalsche ballade bestond uit drie op slechts twee rijmen rollende koepletten, gevolgd door een kortere stroof, die men envoi, d.w.z. opdracht, betitelde, en waarin men den persoon, wien het stukje gewijd was, als ‘prins’ of ‘prinses’ begroette. Later werd het aangenomen, dat het gedicht meer dan twee rijmen mocht bevatten, op voorwaardeGa naar margenoot+ dat de rijmen van de eerste stroof getrouw in de twee andere en in het envoi zouden weerkeeren. Daarenboven gold het als vaste regel, dat het laatste vers van de eerste stroof ook het laatste vers van het envoi en de twee andere moest wezen. Dat noemde men dan het keervers of refrein, in het Nederlandsch den stokregel van het gedicht. Ga naar margenoot+ Balladen schreven Guillaume de Machault, Froissart, Eustache Deschamps, Alain Chartier, Charles d'Orléans, G. Cretin, Cl. Marot (1495-1544, o.a. Frêre Lubin) Villon (1431-1484, o.a. La Ballade des Dames du temps jadis) en, gedurende den vervaltijd van denzelfden dichtvorm, La Fontaine en Mme Deshouillères. Molière, in Les Femmes savantes, zegt er van: ‘La ballade, à mon goût, est une chose fade.
Ceci n'est plus de mode, elle sent kon vieux temps.’
In onze eeuw verjongde Théodore de Banville deze dichtsoort. Evenals Marot en Villon geeft hij aan de ballade haar strengsten vorm. Hij gebruikt uitsluitend het 8- of 10- lettergrepig vers. Zijn voorbeeld werd gevolgd door Jean Richepin (Ballade des Rôdeurs de Paris), Rollinat, Charles Cros, Gabriel Vicaire. De meest beroemde en tevens voortreffelijkste aller balladen zijn nog steeds die van den reeds hierboven vermelden Villon. Ga naar margenoot+ In het Nederlandsch werd de refreinvorm het meest beoefend door de rederijkers. Anna Bijns muntte er in uit. Wij | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 114]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
vermelden van haar: Is God met mij, wie kan mij schaden? - Schoonheid van God; - Meilied. Beroemd zijn verder, in onze taal: Spotrefrein op den Prins van Oranje (1579), - Lieven, maak uw testament (1584), - Gent, gij waart een stad vol vrede (1580). Hedendaags wordt deze vorm in de Nederlanden uiterst zeldzaam beoefendGa naar voetnoot1). Ga naar margenoot+ Engelsche balladen zijn The first stocke father of gentilness van Chaucer (1400), As straight as a ram's horn van Lydgate, en een paar gedichten van Rober Henrysone en William Dunbar. Ga naar margenoot+ 4. Aan de Spaansche poëzie ontleende men de tenzone, de copla en de seguidilla. m) De tenzoneGa naar margenoot+ is driedeelig: in het eerste deel, meestal uit vier verzen bestaande, wordt, bij voorkeur in de gedaante van een vraag, het onderwerp vooruitgezet. Op die vraag wordt dan, ofwel door twee afzonderlijke dichters of door een enkelen dichter, op twee uiteenloopende wijzen antwoord gegeven. In elk van deze antwoorden wordt de gestelde vraag van een verschillenden kant beschouwd. In elk antwoord komen er ook zooveel strofen voor als er verzen in het eerste deel zijn. Ln het Duitsch bestaan tenzonen van Eichendorff, Rückert en Uhland. (O. a. Sänger, sprecht mir einen Spruch van de twee laatsten). n) De coplaGa naar margenoot+ is de klassieke vorm van het Spaansche volkslied. Zij bevat slechts 4, meestal korte verzen, welke men echter soms vermeerdert met 4 andere, zoodat het geheel dan 8 verzen omvat. Toch zijn er voorbeelden van coplareeksen, bestaande uit 6, 8 en meer enkele kwartetten. Vele Spaansche copla's werden in het Duitsch vertaald door Günther Walling. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 115]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
a) Men noemt seguidillaGa naar margenoot+ een copla met een aanhangsel van 3 verzen. Dit aanhangsel heet estribillo en staat zeer dikwijls in geen verband hoegenaamd met het kwartet. De tweede regel moet met den 4en en de 5e met den 7en assoneeren. De assoneerende verzen moeten van gelijke lengte zijn en twee lettergrepen minder bevatten dan de andere, die echter ook onderling even lang moeten zijn. In onze Noorsche talen mag men de assonanties door rijmen vervangen. In het Duitsch heeft men vertaalde en oorspronkelijke seguidilla's van Heyse en WallingGa naar voetnoot1). 5. Aan de Oostersche poëzieGa naar margenoot+ zijn we de gazele en het pantoen verschuldigd. gazeleGa naar margenoot+ p) De, van Perzischen oorsprong, is een meestal niet zeer lang gedicht, samengesteld uit koepletten van 2 verzen ieder, en strekkende tot lof van een persoon of tot verheerlijking van wereldsche genietingen. De twee eerste verzen rijmen onderling, en in al de daarop volgende pare regels moet dezelfde rijmklank wederkeeren. De eerste stroof van de gazele komt, wat haren aard betreft, nagenoeg overeen met de eerste stroof van de tenzone. Zooals van Droogenbroeck het zegt is zij ‘een stelling, en het rijmwoord is de kern van de stelling, de beknopte samenvatting daarvan. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 116]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Dit thema, dat niets anders is dan de uitdrukking der grongedachte, kan in velerlei gedaanten voorkomen: als spreekwoord, als toespraak, als uitroeping, als vraag, als klacht, als wensch, enz. In de volgende strofen zweeft de dichter rondom de stelling en keert er op terug, en het rijm wijst dien terugkeer aan.’ Somtijds volgt op het rijmwoord een refrein van een of meer woorden, b.v.: Dietsch, du schoone, du machtige taal, ons Dietsch, duizendtonig als des beiaards metaal, ons Dietsch!
‘Ontwaak, ten einde is ons geduld, Vlaanderen! Boeien knellen, al zijn ze verguld, Vlaanderen!’ Het was Rückert, die voor het eerst in Europa den gazelenvorm beoefende. Zijn voorbeeld werd gevolgd door Platen, von Hermannsthal, Strachwitz, Bodenstedt, Heinrich Leuthold. In het Nederlandsch schreven van Droogenbroeck, Honig, Lütkebühl en Pol de Mont gazelen. De gazelen van Honig wijken echter ten onrechte af van den zuiveren vormGa naar voetnoot1). q) Het pantoenGa naar margenoot+ is een Maleische dichtvorm. Het bestaat uit een onbepaald aantal strofen van 4 verzen, waarvan er telkens 2, namelijk het tweede en het vierde, terugkeeren in de eerstvolgende stroof, doch ditmaal als onpare verzen. Het | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
[pagina 117]
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
gedicht wordt besloten door een stroof, waarvan het laatste vers niets anders is dan de letterlijke herhaling van het allereerste vers der eerste stroof. Chamisso voerde dezen vorm in Europa in. Men leze de diepgevoelde Todesklage, waarin hij den zuiveren pantoenvorm getrouw heeft toegepast, en het luimige ‘Die Korbflechterin,’ waarin hij van dezen vorm eenigszins is afgeweken. De eerste, die er zich in ónze taal aan waagde, was Dautzenberg (Natuurontwaken). Hij liet het echter, evenals zijn vriend Prudens van Duyse, bij een enkele proef. Later werden er meer geschreven door Hélène Swarth, Louis Couperus, Fiore della Neve, Cosman en anderen. In het Fransch bestaan er van Leconte de Lisle en de Banville. Ga naar margenoot+ 6. Velen, maar vooral in de Nederlanden, willen in de wederkeering van een zelfde vers of een deel van een vers in de verschillende strofen van rondeel, villanella, pantoen, niets anders zien dan een kinderachtig en voorzeker overbodig patiënciewerk. Om het bewijs te leveren, dat deze herhalingen, waar zij met smaak en talent worden teweeggebracht, een wezenlijk middel tot schoonheid opleveren, is het voldoende op te merken, dat zij den dichter toelaten een gevoel of een gedachte met veel meer klem voor te stellen, een beeld met veel meer kracht te omlijnen. Vooral om de groote bewegingen van de ziel: angst, haat, afschuw, wanhoop, liefde, zoo intensief mogelijk weer te geven, zijn deze keeren uitmuntend geschikt, zooals blijkt uit de eenvoudige lezing van Primula Veris van Soulary, het pantoen Het is zoo duister in mijn hart van Hélène Swarth, tal van gedichten van Platen en Rückert, Heyse, Bodenstedt en Leuthold, de Banville en Leconte de Lisle. |
|