Inleiding tot de poëzie
(1898)–Pol de Mont–
[pagina 49]
| |
Tweede boek.
| |
[pagina 50]
| |
en juist omdat hij dit kan is hij anders en meer dan zijn medemenschen, die zich vaak niet zonder de grootste moeite verplaatsen kunnen in den toestand van een derde, - hij kan evengoed optreden als de tolk van elken mensch in het bizonder als van een geheele groep menschen of zelfs van de geheele menschheid. Ga naar margenoot+ 2. Doch ook waar de dichter uitsluitend spreekt in eigen naam, geeft hij, zonder het te willen, lucht aan het lief en leed van honderden rondom hem. Immers, omdat hij alleen de gave bezit, uit te spreken wat die honderden van zijn medemenschen wél voelen, doch zonder er een vorm aan te kunnen geven. Dáarom ook is de dichter meer mensch dan de anderen. In hem is de menschheid vermooid en verhoogd, en terecht zou men kunnen zeggen, dat éen mensch-dichter het leven leeft van vele gewone menschen. Uit het bovenstaande blijkt ook, dat het subjektieve karakter der lyriek tweeërlei is: streng individueel, als de dichter spreekt in eigen naam; kollektief, als hij spreekt in naam van anderen. Zooals Uhland het ergens zegt, is ‘de lyriek de moeder van alle poëzie.’ En zij is dit niet alleen, in zooverre wij met het woord ‘lyriek’ aanduiden de dichterlijke grondstemming, de ontroering van het gemoed, die elke poëtische stemming, zelfs de meest objektieve moet voorafgaan; zij is het ook, omdat zij is de oudste en eerste gedaante, welke de poëzie heeft aangenomen, en dit bij alle of bijna alle volkeren. Ga naar margenoot+ 3. Nu kan men in die oudste en eerste poëzie twee voorname hoofdsoorten onderscheiden. De eene vertoont een godsdienstig, de andere een verliefd karakter. Wanneer de Arya's hun goden vuuroffers opdroegen, 's morgens, 's middagsGa naar margenoot+, 's avonds, bij zonnestilstanden en nachteveningen en ook in zekere bizondere gevallen: geboorte, huwelijk, dood, | |
[pagina 51]
| |
oorlog, enz., dan bezongen zij de deugden van den god, dien ze vereerden, teneinde hem aldus beter uit te noodigen tot het aanvaarden van hun offer. Die lofzangen of hymnen vertoonden een dubbele gedaante: die van een litanie of die van een verhaal, (bv. de Grieksche Humnos, waarin de strijd van Apolloon, de zon, tegen Puthoon, de wolk, bezongen wordt). Die eerste humnosdichters waren de hoofden des huisgezins, die zelf ook de offers opdroegen. Later, wanneer de menschelijke maatschappij was ingericht en er tempels bestonden, waren het de priesters, die én het offer brengen én den lofzang aanheffen moesten. Zoo zijn ons bij de oude Grieken drie geslachten van humnosdichters bekend: de Trakische, waarvan de twee meest beroemde Eumolpos en Orpheus waren, dan de Kretische, en eindelijk de Phrugische, waartoe Marsuas en Huagnis behoorden. Ook liefdeliederenGa naar margenoot+ vindt men bij alle primitieve volkeren van vroeger evengoed als bij alle zoogezegde beschaafde van heden. Deze drukken uit het wederzijdsch gevoel van aantrekking tusschen man en vrouw en vrouw en man. Al wat onder het woord liefde kan verstaan worden, al de verschillende manieren, waarop zich de liefde in den mensch openbaart en doet gelden, al de uitwerkselen, welke zij op hem heeft, ziedaar de stof van de erotische poëzie. Ga naar margenoot+ Men kan zonder overdrijving zeggen, dat geen andere stof zooveel gewicht oplevert voor de lyriek als de beide hierboven bedoelde. De meesterstukken der lyrische dichters van alle tijden behooren tot een van deze twee hoofdsoorten: de godsdienstige of de erotische lyriek. Van veel minder belang zijn voor de lyriek de liefde tot het vaderland, de zucht naar vrijheid, de trots op dit of dat recht, de geestdrift voor deze of gene zaak. 4. De groote kracht van de lyriek ligt niet in een machtige | |
[pagina 52]
| |
verbeelding, maar wel in de oprechtheid van het gevoel, in de onmiddellijkheid van de uitdrukking. Ga naar margenoot+ Geleefd is, of schijnt ten minste, alle ware lyriek. Vooral van lyrische gedichten is waar, wat Goethe zegde van zijn eigen verzen in het algemeen: zij zijn ‘gelegenheidsgedichten.’ Dit wil zeggen, dat ze hun oorsprong vinden in gebeurtenissen of verschijnselen, die den dichter hebben genoopt, gedwongen als het ware, om de indrukken uit te spreken, welke die gebeurtenissen op hem hadden teweeggebracht. Daarom vertoont alle lyriek een zoo opvallend personeel, ja subjektief karakter. Men zou zelfs met Richard Kratik kunnen beweren, dat het een dwaling is te gelooven, dat volksliederen, hymnen en koralen van eerstaf het bewustzijn of de ziel van een menigte hebben uitgesproken. In werkelijkheid zijn zelfs de hymnen, die de meest algemeen menschelijke gevoelens uitdrukken, gelegenheidsgedichten geweest, ontsproten uit de voorbijgaande stemming van een enkelen mensch. Zoo bv. de psalmen van Koning David en de prachtige Latijnsche hymne: ‘Media vita in morte sumus,’ ‘te midden van ons leven zijn we reeds in den dood.’ Wellicht hebben al zulke gezangen slechts daarom juist honderden en duizenden medegesleept, omdat zij eens, in een bepaalde omstandigheid, den dichter zelf begeesterd en getroost hebben. ‘Van mijn groote smarten,’ zei Heine, ‘maak ik kleine liederen.’ En de Provençaalsche Mistral leert ons van zijn poëzie, dat zij is: ‘moun co, moun amo, la flour de mis ans,’ ‘zijn hart, zijn liefde en de bloem van zijn leven.’ Vooral op de lyrische poëzie zijn toepasselijk deze regelen van de Lamartine: ‘Poëzie is de vleeschwording van al wat de mensch het meest intiem in het hart, het meest godbenaderend in de gedachten bezit; van al wat de zichtbare | |
[pagina 53]
| |
natuur het schoonst heeft in beelden, het zangerigst in klanken. Zij is tegelijk sentiment en sensatie, geest en stof, en daardoor de volmaakte taal, de taal bij uitnemendheid, welke den mensch aangrijpt in zijn geheele menschzijn; zij is gedachte voor den geest, voor de ziel gevoel; beeld voor de verbeelding, voor het oor muziek. Meer! Zij is de mensch zelf, omdat zij is al wat hem mensch maakt, door alle tijden en alle tijdperken heen. Zij is de echo van zijn indrukken, de stem van de menschheid, denkend en voelend, geuit door menschen die mensch zijn beter en meer dan anderen, en klinkend hoog boven het wan- en warluidend woelen der menschengeslachten, om aan die komen na hen getuigenis te geven van hun lieven en lijden, van hun doen en denken. En nimmer zal die stem in de wereld verdooven, omdat zij niet is het maaksel der menschen, maar de gave van God aan de stervelingen. Daarom was zij de eerste kreet, die uit het menschdom, opsteeg tot Hem: een bede van eerbied en dank. Daarom zal zij ook de laatste zijn, welke de Schepper zal hooren opgaan uit zijn werk; van Hem gekomen, zal zij wederkeeren tot Hem.’ Ga naar margenoot+ 5. Zooals Ernst Eckstein terecht zegt, ligt het ware wezen van de lyriek niet in de oorspronkelijkheid en de diepte van de gedachten, ofschoon deze eigenschappen als toevallige accidenten niet zijn uitgesloten, maar eigenlijk in de stemming zelf. Meer nog. Van hoe groote waarde de uiterlijke vorm ook zijn mag, toch moet ook deze onderdoen voor innigheid en oprechtheid van het gevoel. Dit is de reden, waarom de eigenlijke volkspoëzie, en deze is meestal uitsluitend lyrisch, ondanks een uiterst eenvoudige, ja vaak kinderachtige woordenkeus, ondanks gebrekkige rijmen en hinkenden versbouw, ook op den meest beschaafde zulken diepen indruk maakt. 6. Vooral de volksliederen zijn ontsproten uit den onweer- | |
[pagina 54]
| |
staanbarenGa naar margenoot+ aandrang, om een al te machtig gevoel lucht te geven. Vandaar dan ook, dat, wanneer in later tijd een of ander meester-dichter, die de eigenaardigheden van de volks-poëzie begrijpt, navoelend wat de oorspronkelijke volksdichter eerst gevoeld heeft, een van deze ongekunstelde volksliederen opnieuw behandelt, dit onder zijn hand gewoonlijk gedijt tot een ongeèvenaard meesterstuk, dat men alsdan een ideaal volkslied zou kunnen heeten. Dit deden bv. Goethe (Röslein auf der Heide), Clemens Brentano (Lorelei), Heine (Lorelei), Theodor Storm (Elisabeth), Hélène Swarth ('s Hoveniers Dochterken) enz.. Zulk een ideaal volkslied is ook voorhanden in Heine's kleine trilogie, Tragödie. Volgens eigen verklaring teekende hij het uit den volksmond op.
Es fiel ein Reif in der Frühlingsnacht;
er fiel auf die zarten Blaublümelein,
sie sind verwelket, verdorret.
Ein Jüngling hatte ein Mädchen lieb....
Sie flohen heimlich vom Hause fort,
es wuszt' weder Vater noch Mutter.
Sie sind gewandert hin und her,
sie haben gehabt weder Glück noch Stern,
sie sind gestorben, verdorben.
Ga naar margenoot+ 7. Eenigszins verwant met de godsdienstige lyriek, doch daarvan toch duidelijk onderscheiden, is, wat men in het Duitsch weleens genoemd heeft: ‘Die Lyrik der Erhabenheit,’ die van het verhevene, een lyriek, waarin enkele dichters de hoogste verzuchtingen van de menschelijke ziel hebben uitgestort. Deze lyriek is als tot zang geworden wijsbegeerte. Voorbeelden daarvan vindt men bij Goethe, bv. in de lyrische gedeelten van Faust, zoo in het heerlijke ‘Gesang der Geister über den Wässern,’ verder in zijn kortere stukken ‘Prome- | |
[pagina 55]
| |
theus,’ - ‘Ganymed’ - ‘Gränzen der Menschheit’ - ‘Das Göttliche,’ - ‘Wanderers Sturmlied,’ - ‘Harzreise im Winter,’ - ‘Meine Göttin,’ - ‘Mahomeds Gesang’; bij Schiller in ‘Die Künstler,’ - ‘An die Freude,’ - ‘Die Götter Griechenlands’; bij Mörike in het prachtige ‘Gesang zu zweien in der Nacht’; ook in Shelley's Epipsichydion en in verscheidene stukken van William Cullen Bryant; in Heine's Nordseebilder en Hamerling's Vor einer Gentziane en Einem geblendeten Vogel, enz.. In het Nederlandsch worden hier vermeld: Licht van Jan van Beers en verscheidene stukken uit de rubriek Mythiesch in Vosmaer's Vogels. Ga naar margenoot+ 8. Wanneer men nu met de door het gebruik geijkte namen wil aanduiden de onderscheiden soorten van gedichten, welke toch steeds tot de lyriek behooren, dan moet men vóorGa naar margenoot+ al 't andere attent maken op deze omstandigheid, dat het karakter van sommige dezer soorten bepaald wordt door doel of inhoud of door beide te gelijk, terwijl dat van andere soorten weer wordt vastgesteld door den vorm alleen. Naar doel en inhoud bv. laat zich de lyrische poëzie onderscheiden in liederen, zoo geestelijke als wereldsche, oden, hymnen, dithyramben, elegieën, heroïeden, satyren, epigrammen; maar naar den vorm, naar de uiterlijke gedaante dus, onderscheidt men oratorio's en kantaten, terzienen en sonetten, rondeau's en rondeelen, ghazelen, trioletten, madrigalen, ritornellen, villanella's, refereinen of Fransche balladen, pantoens, copla's, seguidilla's, enz., enz.. Alleen bij middel van dit onderscheidGa naar margenoot+ kan men doen begrijpen, hoe de geschiedkundige ontwikkeling, - d.w.z.: omstandigheden van volksaard, beschaving, rijkdom en weelde, van bloei en verval der kunst zelf, - de wonderbaarste verscheidenheid voor een en dezelfde dichtsoort hebben bewerkt; vormen, waarin men evengoed als in hymne of ode, elegie | |
[pagina 56]
| |
of satyre stoffen van geestelijken, wereldlijken, droefgeestigen of hekelenden aard kan behandelen. Zoo schreef Dante satyren in terzienen, Petrarcha elegieën in sonettenvorm.... Op een afzonderlijke dichtsoort moet ook nog de aandacht worden ingeroepen, namelijk op de Germaansche of Noorsche ballade, die noch geheel tot de lyrische, noch geheel tot de epische poëzie kan gerekend worden. De ballade, die niet anders is dan een epische stof, lyrisch voorgedragen, dient opgevat worden als de natuurlijke, logische overgang van de lyrische poëzie tot de epische. |
|