Inleiding tot de poëzie
(1898)–Pol de Mont–
[pagina 1]
| |||||
Eerste boek.Algemeene begrippen.Ga naar margenoot+ 1. De dichtkunst of poëzie behoort, even als de toon-, bouw-, beeldhouw- en schilderkunst tot die kunsten, welke, elk volgens eigen aard en middelen, het schoone verwezenlijken, en daarom fraaie of schoone kunsten geheeten worden. Ga naar margenoot+2. Al dadelijk zij gezegd, dat wij met het woord dichtkunst of poëzie niet uitsluitend willen aanduiden letterkundige voortbrengselen in zoogezegden gebonden stijl of verzen. Alle geschreven werk, dat kan beschouwd worden als een produkt van verbeelding en gevoel, en dat bijgevolg geen ander doel heeft dan op geest en gemoed van den lezer een aesthetischen indruk te weeg te brengen, is poëzie, is dichting, om het even of het geschreven is in ongebonden of in gebonden stijl, in proza of in verzen. Ga naar margenoot+ Het woord poëzie, Engelsch poetry, is van Griekschen oorsprong, en beteekent zooveel als werk van eigen maaksel, schepping. In den ruimst mogelijken zin is het dus toepasselijk op ál wat de verbeelding voortbrengt. Ga naar margenoot+3. Er was een tijd, en dit voor nagenoeg ieder volk, waarop alle letterkunde, alle geschreven werk in verzen of gebonden stijl bestond. Zoo schreef van Maarlant niet alleen zijn hekeldichten tegen de misbruiken in de maatschappij en in de Roomsche Kerk van zijn tijd, maar ook zijn Spieghel Historiael en verder zijn Der Natueren Bloeme in versmaat. | |||||
[pagina 2]
| |||||
Ga naar margenoot+ Van lieverlede echter verdrong de ongebonden rede het vers, en zoo werd het proza de taal der welsprekendheid en der wetenschap in al haar vormen. Oorspronkelijk beteekent het woord proza een rede, die niet in verzen is geschreven, een rede, die in éen stuk doorloopt, oratio proversa. Het woord proza werd dan ook zeer dikwijls - en wordt heden nóg minder juist toegepast op werken van verbeelding of gevoel, geschreven in dien aan geen vaste maat gebonden, vrij doorloopenden vorm en niet in prozodisch gebouwde verzen. Zoo als wíj het verstaan, is als poëzie op te vatten menig werk in ongebonden stijl, terwijl vrij wat verzen, vooral van zoogezegde didaktische dichters, nagenoeg gewoon proza zijn even goed als de berijmde tien geboden Gods. - De Loteling, Blinde Roza, Rikketikketak van Conscience; Pauweveerken, Krusemunje van Cremer; Hoppebellen en Sneeuwvlokje van A. Snieders; Een dure Eed van Virginie Loveling; Ruwe Liefde van Reimond Stijns; De kleine Johannes van v. Eeden; de bladzijden van van Deyssel over ‘het proza’ in zijn Verzamelde Opstellen, 1894, bl. 87; Een Zieltje en Psyche van Louis Couperus; Een Dag met Sneeuw en Een Dag met Zon in Proza van Jac. van Looy; Een Koning en Sint Margareta van Ary Prins en tel van plaatsen in Zuster Bertha van Aletrino, zijn noch min noch meer dan werkelijke poëzie; daarentegen is menige plaats uit Bilderdijks Ziekte der Geleerden weinig anders dan berijmd proza. 4. Wát is dan eigenlijk poëzie?Ga naar margenoot+ - Geen vraag valt moeilijker te beantwoorden. Vooreerst moet voor goed worden gebroken met de leer, dat de poëzie zou zijn de uitdrukking, - zij het dan ook een schoone uitdrukking, - van het ware. Men beweerde namelijk, dat een gedicht een stichtende gedachte moest bevatten, en de verdienste van den dichter | |||||
[pagina 3]
| |||||
werd dan afgemeten naar de mindere of meerdere maat van waarheid, die hij had uitgesproken. ‘L'art n'a pas la vérité pour objet,’ zegt Anatole FranceGa naar margenoot+. ‘Il ne faut la demander à la littérature qui n'a et ne peut avoir d'objet que le beau.’ In werkelijkheid is wél elk gedicht, zooals ShelleyGa naar margenoot+ opmerkt, ‘een beeld van het leven, zooals dit eeuwig waar is.’ Het is wél de herschepping van daden in onveranderlijke, menschelijke vormen, ‘zooals ze bestaan in den geest van den schepper, die zelf een beeld is van ieder anderen geest.’ Doch dáarom is het doel der poëzie nog geenszins het verkondigen van zedelijke en wetenschappelijke waarheden. De poëzie is de uitdrukking, in gesproken of geschreven woorden, van elke openbaring van het schoone, waarvoor de mensch vatbaar is. Als álle kunst heeft de dichtkunst voor eenig doel het schoone te verbeelden, te verwezenlijken, te herscheppen. Ga naar margenoot+5. Wat poëzie is, werd op zeer uiteenloopende wijze omschreven. De Ouden beschouwden haar hoofdzakelijk als een nabootsing van de natuur, - niet als een slaafsche, maar als een vermooide. Wor meer dan 100 jaar zagen in Duitschland de aanhangers van Gottsched in de poëzie ‘een vermaak van het verstand’, terwijl anderen voornamelijk waarde hechtten aan het schilderachtige of pittoreske. Ga naar margenoot+ Schiller leert ons: ‘Al wie in staat is, zijn gevoelens in een voorwerp zóo te belichamen, dat dit voorwerp er mij toe brengt, die zelfde gevoelens nu in mij zelf te ontdekken, is een dichter.’ Ga naar margenoot+ Goethe verzekert: ‘Een levendig gevoel voor alle mogelijke toestanden, en de macht, om die toestanden uit te drukken, stempelt iemand tot dichter.’ Ga naar margenoot+ Jacob Grimm noemt poëzie ‘het leven zelf, zuiver en rein opgevat en omkleed met al de schoonheid van de taal.’ | |||||
[pagina 4]
| |||||
Ga naar margenoot+ De Nederlander da Costa erkende in den dichter drie noodzakelijke hoedanigheden: Gevoel, verbeelding, heldenmoed,
tot éen ondeelbre kracht verbonden,
te zaana gesmolten tot éen gloed
en door den boezem uitgezonden
op vleugelen van melodij,
om al wat ademt te betoovren,
om al wat hart heeft te veroovren: -
ziedaar de gaaf der poézij.
Volgens CarrièreGa naar margenoot+ is de poëzie ‘de openbaring der gedachten, des zelfbewustzijns en des levens - door het woord.’ Ga naar margenoot+ 6. Wij zelden hooger: de kunst verbeeldt het schoone, herschept en verwezenlijkt het. Doch kunst is velerlei en elke kunst verwezenlijkt het schoone volgens eigen aard en middelen. De beeldhouwer doet het met beitel, hamer en boetseerstok in marmer, hout, ivoor, metaal of steen; - de schilder beschikt over paneel of doek, penseel, paletmes en verf; de bouwmeester schikt steen en andere stoffen naar maat en orde... Deze allen beschikken dus over een eigen materiaal, dat we een stoffelijk materiaal zullen noemen. Alleen de dichter-met-woorden en de dichter-met-tonen hebben geen waarlijkGa naar margenoot+ stoffelijk, maar alleen een geestelijk materiaal. De eerste schept met woorden, de tweede met tonen en akkoorden. Met deze hulpmiddelen en met hetgeen zij in zich bevatten, nl. klank en maat evengoed als beteekenis en beeld, moeten én woord- én toondichter het zuiver geestelijk materiaal van hun stemmingen, gewaarwordingen, droomen, opvattingen en vizies uitdrukken. Ga naar margenoot+ De poëzie is echter bij machte, om het wezenlijke (essentiëele) van elke andere kunst in woorden uit te spreken. Zij kan het schoone van een gebouw, een schilderij, een beeld- | |||||
[pagina 5]
| |||||
houwwerk, een muziekwijze uitdrukken even goed als het schoone van een eenvoudig natuurverschijnsel. Zóo is zij de meest omvattende, de hoogste en machtigste van alle kunsten: zéo is zij, gelijk Vischer 't noemt. ‘de som der kunsten - de kunst der kunsten’ In zijn Petit Traité de Poésie française zegt de Banville: ‘La poésie est à la fois Musique, Statuaire, Peinture, Eloquence; elle doit charmer l'oreille, enchanter l'esprit, représenter les sons, imiter les couleurs, rendre les objets visibles, et exciter en nous les mouventents qu'il lui plait d'y produire; aussi est-elle le seul art complet, nécessaire, et qui contienne tous les autres, comme elle préexiste à tous les autres.’ En hij voegt er bij: ‘Ce n'est qu'au bout d'un certain temps d'existence que les peuples inventent les autres arts plastiques; mais, dès qu'un groupe d'hommes est réuni, la Poésie lui est révélée d'une manière extrahumaine et surnaturelle, sans quoi il ne pourrait vivre.’ Ga naar margenoot+ Het best en volledigst, dunkt ons, laat zich de poëzie omschrijven met deze woorden: ‘De poëzie is de kunst, om al het schoone, dat een mensch in zich zelf of in de omgevende buitenwereld kan waarnemen, bij middel van de taal, in klank en maat der woorden zóo uit te drukken, dat ook anderen, die géen dichters zijn, dat schoone herkennen en op hun beurt genieten.’ In denzelfden zin zegt Edgar Allan PoeGa naar margenoot+: ‘L'effort pour conquérir la grâce supérieure venant d'une âme bien douée, a donné au monde tout ce que le monde a jamais été capable de comprendre et de sentir à la fois comme poésie.’ Zoo zegt nog dezelfde geniale schrijver en denker: ‘La poésie est la création rhythmée de la beauté.’ ‘So besteht Poesie eigentlich in dem glüchlichen Verhältnisse, welches keine Wissenschaft lehren und kein Fleisz erlernen kann, zu einem gegebenen Gefühl Anschauungen aufzufinden | |||||
[pagina 6]
| |||||
und andererseits für diese den begrifflichen Ausdruck zu treffen, durch den die subjective Gemüthsstimmung mit andern getheilt wird, und welcher als Begleitung einer aesthetischen Idee dient, die das Unnennbare in dem Gemüthszustand mit der gewissen Vorstellung verbindet.’ (Das Wesen der Poesie, Kessler). Ga naar margenoot+ 7. Alleen door het schoone uit te drukken beantwoordt de poëzie aan haar zending. Daardoor is zij steeds een weldaad voor den mensch, sticht en verbetert ze hem genoeg. Zooals Shelley terecht opmerkt, ‘gaat poëzie altijd samen met blijdschap. Valt ze in een geest, dan opent deze zich om te ontvangen de wijsheid, die haar verrukking begeleidt.’ Van dit schoone nu, waarvan zij de hoogst denkbare openbaring is, ontvangt zij, natuurlijk en noodwendig, haar karakter. En vermits het als een wijsgeerig axioma moet beschouwd worden, dat het schoone der natuur iets overtolligs is, waarvan het bestaan volstrekt onafhankelijk blijft van alle betamelijkheids- en nuttigheidsbegrippenGa naar voetnoot1), zoo kan het wel niet anders of, evenals dit schoone zelf, moet ook de kunst een luxus zijn. Zoo begrijpen het dan ook alle werkelijk ingewijden. ‘Een dichter,’ zegt Shelley, ‘is een nachtegaal gelijk, die zit en zingt in zijn donker boschje en zijn eenzaamheid vroolijk maakt door blijde geluiden. Wie luisteren, zijn als in een droom bevangen door den zang van een onzichtbaar speler, en zij voelen dat zij bewogen en verteederd zijn, maar weten niet hoe en waarom.’ Daar het princiep van het schooneGa naar margenoot+ volgens Poe niets anders is dan een menschelijk verlangen naar een hoogere schoonheid, zoo brengt de veropenbaring van dit | |||||
[pagina 7]
| |||||
princiep, dat is, de uit den mensch geboren, de kunst-geworden poëzie, een verheffing van de ziel teweeg, die geheel onderscheiden is van vreugde des harten (hartstocht) en voldoening des verstands (waarheid). In dien zin schreef Geibel: ‘Zweck? Das Kunstwerk had nur einen:
‘Still im eignen Glanz zu ruhn.
Aber durch ihr blosz erscheinen
wird die Schënheit Wunder thun.’
Zoo zegt ook Meister Friedrich von Sonnenberg: ‘Die rechte Kunst ist Gottes Bote.’
En Saint-Pol-Roux schrijft: ‘Le poète continue Dieu. C'est de la vie nouvelle que produit le poète. Chaque effort de son individualité vaut une jeune étincelle à la vieille terre qui se refroidit.’ Zoo past ook op de scheppingen der dichters het woord uit Al Koran: ‘De inkt der geleerden en het bloed der martelaren hebben voor den hemel de zelfde waarde.’ Treffend schoon en blijvend zijn de woorden van Maurice Maeterlinck: ‘Une chose belle ne meurt pas sans avoir purifié quelque chose. Il n'y a pas de beauté qui se perde’ (Le Trésor des Humbles.) A thing of beauty is a joy forever (Keats.) 8. Shelley doet uitstekend het verschil uitkomen tusschen zedewetenschap en poëzieGa naar margenoot+, terzelfdertijd als de wijze, waarop deze laatste den mensch beter van zeden maakt. ‘De zedewetenschap rangschikt de elementen, die de poëzie heeft geschapen, en stelt schema's op en houdt voorbeelden vóor van burgerlijk en huiselijk leven, en niet uit gebrek aan bewonderenswaardige leerstellingen komt het, dat de menschen haten, minachten, veroordeelen, bedriegen en den baas spelen over elkaar. | |||||
[pagina 8]
| |||||
‘Maar poëzie doet anders en goddelijker. Ze maakt den geest zelf wakkerder en grooter door er in uit te storten duizend ongeweten denkingen. Zij licht den sluier af van de verborgen schoonheid der wereld en doet ons het alledaagsche zien alsof het niet alledaagsch was.’ - ‘L'artiste doit aimer la vie et nous montrer qu'elle es belle. Sans lui nous en douterions’ (Anatole France). - ‘Ze schept nieuw al wat ze voorstelt en de in haar hemelsch licht gekleede verpersoonlijkingen staan voortaan in de geesten van wie ze eens aanschouwden als gedenkteekenen van die zoete en opgerezen bevredigdheid, uitgespannen over alle denkingen en daden, waar ze saam meê bestaat. ‘Het geheim van alle zede is liefde; dat is een uitgaan uit ons eigen wezen en een éen-worden met het schoone in gedachte, daad of wezen, dat niet ons eigen is. Om een heelemaal goed mensch te zijn, moet men verbeelding hebben, zoo ruime als heftige; moet men zich in de plaats voelen van een ander, van veel anderen; moet men in zich alleen ondergaan kunnen het lief en leed van ons heele soort. Het groote werktuig tot de goede zede is de verbeelding, en poëzie, die op de oorzaak werkt, doelt daarmeê naar het gevolg.’ Ga naar margenoot+ 9. Het moet nu eens voor altijd en voor goed aangenomen en begrepen zijn, wat overigens Schiller en na hem Edgar Allan Poe schitterend gestaafd hebben, dat het eenige en geheele doel, dat de kunst in het algemeen en de poëzie in het bizonder kán najagen, geheel en al hetzelfde is als datgene, wat de natuur voor elken mensch wil - namelijk dezes geluk. ‘Om de kunsten een zeer hoogen rang te verzekeren, om haar de gunst van den Staat en den eerbied van alle menschen te doen verwerven, verdrijft men ze uit haar eigenlijk gebied, om haar een zending op te dringen, die haar geheel vreemd en met haar natuur in strijd is. | |||||
[pagina 9]
| |||||
‘Men meent haar een grooten dienst te bewijzen, wanneer men haar, in stede van het vermeend frivole doel, te verblijden, een zedelijk doel toeschrijft.’ In waarheid heeft slechts de minder onbeschaafde die bijgedachte van zedelijk belang noodig, om door de kunst aangetrokken te worden. Ook vergeten zij, die zóo leeren, dat ‘die Lust am Schönen, am Rührenden, am Erhabenen,’ reeds op zich-zelf alleen ‘unsere moralische Gefühle stärkt, wie das Vergnügen am Wohlthun auch diese Neigung stärkt.’ Zeker is het schoon en verheven, den mensch zedelijker te maken, den burger zijn land te doen liefhebben en de wetten eerbiedigen; doch, hoezeer de schoone kunsten zulk een streven kunnen bevorderen, ja zelfs daarmede mogen verwant zijn, toch kan en mag het nooit haar onmiddellijk doel wezen, de menschen tot deugdelijke staatsburgers, overtuigde vaderlanders en wat dies meer op te leiden. Ga naar margenoot+ Geen bizondere zending heeft de poëzie bij den mensch te vervullen; slechts op de menschelijke natuur in het algemeen oefent zij invloed uit. ‘Zij kan voor den mensch worden, wat liefde is voor den held. Zij kan hem geen raad geven, ook geen arbeid voor hem verrichten, maar zij kan hem opwekken tot daden en hem uitrusten met kracht, om tot dat alles te geraken, waartoe hij wellicht geroepen is.’ (Schiller). Zij maakt hem beter, edeler, grooter, meer mensch; zij maakt hem, als het ware, tot een boven-mensch, omdat zij hem gelukkig maaktGa naar voetnoot1). En zóo, ofschoon slechts middellijk, onrechtstreeks, draagt de poëzie toch het hare bij tot verbetering van den mensch. | |||||
[pagina 10]
| |||||
De mensch, de beschaafde althans, kan in drieërlei toestand verkeeren: den eersten noemt Schiller den fyzischen toestand: - een voorwerp oefent rechtstreeks op onze zinnen invloed uit. Den tweeden noemt hij den zedelijken: - wij besluiten, na overweging, in deze of gene richting te handelen. Den derden noemt hij den aesthetischen: het is die, waarin de mensch zich vooreerst werkelijk vrij gevoelt. De zinnelijke drift (der sinnliche Trieb) treedt vroeger in werking dan de verstandelijke (der vernünftige Trieb), omdat gewaarwording, sensatie (Empfindung), het bewustzijn voorafgaat. In deze prioriteit van het zinnelijke instinkt ligt het geheim opgesloten van het geheele vraagstuk der menschelijke vrijheid. Eer de mensch tot den tweeden toestand, dien van het bewustzijn: het denken, kan overgaan, treedt in de plaats van de ruwe zinnelijkheid het verstand op. Een logische of zedelijke noodwendigheid vervangt de stoffelijke. Edoch, vooraleer dit zal en kan gebeuren, moet iets de macht der gewaarwording vernietigen, neutralizeeren. Niet onmiddellijk, niet rechtstreeks kan de mensch bewust worden en tot denken overgaan; zoolang hij in den zuiver fyzischen toestand verkeert, den invloed van de buitenwereld rechtstreeks ondergaat, is hij onvrij, passief, lijdelijk, onwerkzaam, alleen bekwaam om te ondergaan, te lijden. In de gansche heerlijkheid der natuur ziet hij niets anders dan een buit; in haar macht en grootheid niets anders dan vijandelijke krachten. Dan stort hij zich op de voorwerpen, om ze te bemeesteren en te bezitten, of de voorwerpen dringen vernietigend op hem aan en hij stoot ze met afschuw van zich. Om verplaatst te worden in den zedelijken, den aktieven toestand, om met andere woorden lijdelijkheid voor zelf-werkzamheid te verruilen, moet de mensch eerst in een toestand komen, die den louter zinnelijken doet ophouden. | |||||
[pagina 11]
| |||||
Ga naar margenoot+ Deze middelbare stemming, waarvan het kenmerk is, dat het gemoed alsdan noch fyzisch noch zedelijk wordt gedwongen tot handelen, terwijl het toch op beide wijzen tegelijk bezig is, verdient bij voorkeur een vrije stemming te heeten. Daaraan nu geeft Schiller den naam van aesthetische Stimmung. De aesthetische toestand maakt den mensch volkomen vrij, te kiezen tusschen deze handeling en gene, te worden wát hij zelf wil. In dezen toestand verkeert hij, wanneer hij zich overgeeft aan het genot van het ware schoone, van echte kunst in het algemeen, van dichtkunst of poëzie in het bizonder. Dán is hij, in gelijke maat, meester over de passies en de aktieve krachten in zich; met gelijk gemak kan hij overgaan tot ernst of spel, tot arbeid of rust, tot meegaan of weerstaan, tot afgetrokken denken of tot handelen. Dat is, zegt Schiller, de stemming ‘in der uns ein echtes Kunstwerk entlassen soll’, en hij beschouwt ‘diese hohe Gleichmüthigkeit und Freiheit des Geistes, mit Kraft und Richtigkeit verbunden,’ als het zekerste teeken, dat een kunstwerk werkelijk aesthetische waarde bezit. Aldus is het onveranderlijke gevolg van het schoone, den mensch vrij te maken van de slavernij zijner hartstochten, en zoo groot is het onderscheid tusschen dengene, die enkel onder den invloed zijner zinnen -, en dengene, die onder den invloed van het schoone staat, dat, zooals Schiller zegt, het voldoende is, den laatst bedoelde eenige wenken te geven, om hem tot edele gedachten en grootsche daden op te wekken, terwijl men integendeel de natuur van den eerstbedoelde dient te wijzigen, om hem bekwaam te maken tot wat edel en grootsch is. Den een heeft men slechts te verplaatsen in een voordeeligen toestand, die onmiddellijk op zijn wil inwerkt, om hem een wijze of een held te zien worden; den ander moet | |||||
[pagina 12]
| |||||
men, om zoo te zeggen, eerst onder een anderen hemel verplaatsen. ‘Der Mensch in einem physischen Zustand erleidet blos die Macht der Natur; er entledigt sich dieser Macht in den aesthetischen Zustand und er beherrscht sie in dem moralischen.’ Ga naar margenoot+ 10. Beteekent aldus de kunst vrijmaking voor anderen, voor den kunstenaar zelf is zij noch min noch meer dan vrijwording, dan bevrijding. Hiermede is de vraag aangeraakt, welke de oorzaak is van het ontstaan der kunst in het alge meen en vooral der poëzie. Volgens Schiller ligt de oorzaak van dit ontstaan opgesloten in het feit, dat de mensch noch uitsluitend stof noch uitsluitend geest is, zoodat bij gevolg het schoone, waarvoor de menschheid vatbaar is, noch het leven alleen, noch vorm alleen wezen kan. Hij ziet in het schoone integendeel het gemeenschappelijke voorwerp of objekt van het stoffelijke en het geestelijke instinkt, namelijk van het speelinstinkt (der Spieltrieb.) Ga naar margenoot+ Spel beteekent volgens hem al wat, noch objektief noch subjektief van het toeval afhangende, toch tevens, noch uitwendig noch inwendig, behoefte, noodzakelijkheid is. Dáar, zegt Schiller, en dáar alleen, waar de mensch in den vollen zin des woords ‘mensch’ is, dáar speelt hij, en hij is slechts dáar geheel mensch, wáar hij ‘speelt.’ Volgens Poe heeft de poëzie tot oorsprong den in den mensch bestaanden dorst naar een schoon, dat alle aardsche schoon overtreft: ‘La poésie est l'imparfait effort pour sotisfaire cette soif par de nouvelles combinaisons ou de nouveaux rapprochements de belles formes physiques ou intellectuelles. Cette soif, même partiellement apaisée, ce sentiment, même faiblement satisfait, produit une émotion auprès de laquelle toutes les autres émotions humaine,s sont faibles et insignifiantes’ (Fragments). Dit genot, hier door Poe bedoeld, is inderdaad zoo groot, dat de kunstenaars er gaarne alle andere genietingen voor willen derven. | |||||
[pagina 13]
| |||||
Ga naar margenoot+ Zeer juist omschrijft Lucien Arréat in zijn Ménaoire et Imagination dezen bizonderen toestand. ‘Le ton physiologique s'élève dans le travait; un état de bien,-être et de plaisir positif accompagne l'exécution. Beaucoup d'artistes en ont fait la confidence, Delacroix, Schumann, Wagner, Berlioz, etc. Deux témoignages suffiront. Chez Dumas fils, rapportent Binet et Passy, le travail de composition littéraire s'accompagne d'un grand sentiment de puissance: pendant qu'il écrit, il est de meilleure humeur, mange, boit et dort davantage; c'est en quelque sorte un bienêtre physique, résultant de l'exercice d'une fonction naturelle. Berryer n'eûrt pas échangé le don de la parole, qui pourtant “ne laisse rien”, en aucune autre faculté humaine. Il disait énergiquement: “Je dois à cette organisation d'orateur des jouissances incomparables.”’ Deze boven- of beter-dan-menschelijke stemming, die de Ouden deed zeggen:
Est deus in nobis: agitante calescimus illo, (Ovidius)
Een god is in ons; van zijn adem gloeien wij,
en die men algemeen begeestering of inspiratie noemt, is niets anders dan ‘het samenstreven van al onze vermogens en talenten in éen enkele richting.’ (Grillparzer). In die oogenblikken hebben, zooals een groot Engelsch schrijver het uitdrukt, de dichters ‘the consciousness,’ dat zij zijn ‘superior to themselves’; dan komt over hen ‘a light, a freedom, a power, which lifted thern to performances far better than they could reach at other times.’ Bij sommigen gelijkt deze toestand nagenoeg op volkomen onbewustheid. Goethe deelt mede, IV, 7, 16, Dichtung und Wahrheit, dat hij vele van zijn gedichten geschmven heeft ‘als een nachtwandelaar,’ en zijn vriend F.H. Jacobi wist Wieland over hem te verhalen: | |||||
[pagina 14]
| |||||
‘Goethe ist, nach Heinses Ausdruck, Genie vom Scheitel bis zur Sohle, - ein Besessener, füge ich hinzu, dem fast in keinem Falle gestattet ist, willkürlich zu handeln.’ Aan zulk een stemming moet Schiller gedacht hebben, wanneer hij, in zijn verhandeling Ueber naïve und sentimentalische Dichtung van den man van genie getuigt, dat hij enkel geleid wordt ‘von der Natur oder dem Instinkt, seinem schützenden Engel,’ en er dan bijvoegt: ‘Das Genie verfährt nicht nach erkannten Principien, sondern nach Einfällen und Gefühlen, aber seine Einfälle sind Eingebungen eines Gottes...’ ‘Woher und wie mir die Gedanken kommen,’ bekende Mozart, ‘das weisx ich nicht, kann auch nichts dazu.’ En elders, na gezegd te hebben hoe hij ‘im Kopf’ het alzoo gevondene of gekregene schift en volmaakt: ‘Das ist nun ein Schmaus! Alles das Finden und Machen geht in mir wie in einem schönstarken Traum vor; aber das Ueberhören, so alles zusammen, ist doch das Beste.’ ‘La première, l'unique raison qui pausse le poète à écrire,’ zegt Richepin, ‘c'est la grande jouissance qu'il éprouve en le faisant,’ en in de opdracht van La Coupe et les Lèvres zingt Alfred de Musset:
Au moment du travail chaque nerf, chaque fibre
Tressaille comme un luth que l'on vient d'accorder.
On n'écrit pas un mot que tout l'étre ne vibre,
(Soit dit sans vanité, c'est ce que l'on ressent).
On ne travaille pas, - on écoute, - on attend.
C'est comme un inconnu qui vous parle à voix basse.
On reste quelquefois une nuit sur la place,
Sans faire un mouvement et sans se retourner.
On est comme un enfant.....
.....Comme un vivant qu'on vient d'ensevelir,
L'esprit lève en pleurant le linceul du plaisir....
| |||||
[pagina 15]
| |||||
Men kan verder gaan en beweren, dat de reden, waarom, volgens Bilderdijk's welbekend vers,
't gedicht
uit plicht
gelukt niet licht
en hinkt aan ijzren boeien,
geen andere is dan deze, dat zulk gedicht onmogelijk zijn oorsprong hebben kán in dat goddelijke onbewuste. ‘Im Unbewuszten,’ zegt Kuno Stommel in zijn Aus dem Geistesleben der Gegenwart, Dusseldorf, Bagel, ‘vollzieht sich der erste Schöpfungsakt, und ohne einem solchen giebt keine Kunst. Ein Werk der Besonnenheit, wekhes nur gedacht ist, gehört nicht zu den Kunstwerken.’ Ga naar margenoot+ 11. Naast die verheven ontroering bestaat er evenwel nog een andere in de kunst, deze namelijk, dat de scheppende kunstenaar zich in zijn schepping onnut van het geheele overwicht der uit zijn innigste wezen zelf ontstane of door de buitenwereld in hem verwekte gevoelens, die hij niet langer alleen dragen kan. Zoo bekent de Lamartine: ‘Quand les longs loisirs et le vide des altachements perdus me rendirent cette espèce de chant intérieur qu'on appelle poésie, ma voix était changée et ce chant était triste comme la vie réelle. Toutes mes fibres attendries de larmes pleuraient ou priaient au lieu de chanter; je n'intitais plus personne: je m'exprimais moi-même pour moi-méme. Ce n'était pas un art; c'étail un soulagement de, mon propre coeur qui se berçait de ses propres sanglots. Ces vers étaient un gémissement ou un cri de l'âme. C'est-là le véritable art, âtre touché, oublier tout art pour atteindre le souverain art, la nature.’ Zich zelven uitdrukken voor zich zelf alleen en uit innerlijken aandrang der ziel, - dit was te allen tijde het doel | |||||
[pagina 16]
| |||||
van dichters en kunstenaars. In dien zin kon Goethe met waarheid zeggen, dat al zijn gedichten gelegenheidsgedichten waren; in dien zin ook schreef de Duitsche wijsgeer Nietsche: ‘Wilt ge niet weenen, niet uitweenen uw purpere weemoed, zoo moet gij zingen, o mijn ziel.’ En elders: ‘Schaffen, das ist dk grosse Erlösung vom Leiden und des Lebens Leicht-werden. Aber dass der schaffende sei, dazu selber thut Leid Noth und Verwandelung.’ (So sprach Zarathustra.) 12. Uit de hooger gegeven begripsbepalingen van kunst en poézie spruit nu een vraag van het hoogste belang, welke in den meest uiteenloopenden zin door wijsgeeren en kunstenaars is beantwoord geworden: Wat is het schooneGa naar margenoot+, dat de kunst verbeeldt en in wezen brengt? - Alvorens op onze beurt zoo bevattelijk mogelijk het begrip van het schoone te omschrijven, moeten we het volgende in overweging geven: 10 dat de verwezenlijking van het schoone verschilt naar tijd en land, ras en geloof en honderd andere voorwaarden; 20 dat ondanks al deze verschillen het schoone zelf niet enkel blijft, maar tevens tot grondslag behoudt zekere eigenschappen, die ook overal onveranderd blijven; 30 dat de waarde en de rang van een kunst, beschouwd als de bizondere schoonheids-uitdrukking van een school of een geheel volk, geenszins afhangen van de gelijkheid van haar onderscheiden, toevallige, door tijd, land, ras en geloof veroorzaakte vormen met die van een andere kunst. Men mag deze toevallige, veranderende, afwisselende en wegstervende vormen nooit maken tot een conditio sine qua non van het schoone of van de kunst. Volgens PlatoonGa naar margenoot+ is het schoone to on phaidron, d.w.z. het glanzend wezenlijke, duidelijker wellicht: ‘het zijnde, glanzend weergegeven.’ Volgens ThomasGa naar margenoot+ van Aquino zijn schoon de dingen, die bij het aanschouwen. behagen; een zeer ontoereikende begripsbepaling, vermits zij alleen doelt op met het oog | |||||
[pagina 17]
| |||||
waarneembare dingen en ook geheel terzijde laat het roerende, het aangrijpende, het verschrikkelijke. KantGa naar margenoot+ heet schoon: ‘Was ohne Interesse und ohne Begriff algemein gefällt.’ HegelGa naar margenoot+, op het spoor van Platoon, noemt het, evenals later nog Vischer: ‘Die unmittelbare Erscheinung der absoluten Idee,’ - een inderdaad al te nevelige verklaring. SchellingGa naar margenoot+ wijkt weinig af van Platoons woorden, waar hij het schoone heet: ‘Dass in der Natur in der That seiende’; doch hij verwart blijkbaar het schoone-in-de-natuur met het schoone-in-de-kunst, twee, zoo als men later zien zal, volkomen van elkaar verschillendeGa naar margenoot+ dingen. Wolff en Baumgarten verklaren het als ‘sinnlich erkannte Volkommenheit,’ Vischer als ‘die Gegenu art der Idee in begrenster Erscheinung,’ Herbart als ‘das unwandelbar Wohlgefällige’, en Horwicz als ‘das den Dingen immanente, ihre Wesenheit und Qualität ausmachende Gesetz.’ Dr. Kleinpaul bestempelt als schoon, ‘wat door zijn enkel maaksel (Beechaffenheit), afgezien van alle nut, dengene behaagt, die het met goeden smaak en op zuiver aesthetische gronden waarneemt.’ In werkelijkheid kan men vele schoonheidsfaktorenGa naar margenoot+ onderscheiden. Enkele daarvan kan men ontdekken in de dingen zelf, en deze heet men daarom objektieve, - andere weer bestaan in den mensch zelf, zooals hij zich van tijd tot tijd en van land tot land voordoet, en deze heet men subjektieve faktoren. Het spreekt van zelf, dat de eerste een blijvend, de andere een veranderlijk karakter hebben. De eerste dragen bij tot het leeren kennen en genieten, de andere tot het voortbrengen van het schoone. De objektieve faktoren zijn velerlei: zij zijn sensorieel of spiritueel; toch zijn het veel meer de eerste (sensorieele), welke in de kunst den doorslag geven. Ga naar margenoot+ En hier hoeft in de eerste plaats gewezen op een verwarring, die vrij algemeen begaan werdt, namelijk die van het | |||||
[pagina 18]
| |||||
schoone met de natuur. Er bestaan in deze laatste dingen, welke op zichzelf beschouwd geenszins als schoon kunnen opgevat worden, maar toch wel stof kunnen leveren tot het scheppen van een werk van schoonheid. Zulke dingen zijn bijv. hanen- en stierengevechten, een moordtooneel, een veldslag, een anatomische les, het folteren van een misdadiger. Zoo nog is een spin, een schorpioen, een pad, op zich zelf leelijk, doch in goud of zilver door een kunstenaar voorgesteld, worden deze dieren schoon, niet alleen omdat zij dan hun symetrische verhoudingen behouden, maar - en hierin vooml is de taak van den kunstenaar gelegen - omdat het karakteristieke daarvan alsdan in hoogeren graad wordt uitgedrukt, terwijl juist al wat ons in die levende dieren leelijk moet schijnen en walg inboezemen: hun beweging, hun venijn, het kleverige en slijmerige, is achter gebleven. Zeer terecht zegt Victor Hugo. ‘On doit reconnaître sous peine de l'absurde, que le domaine de l'art et celui de la nature sont parfaitement distincts. La nature et l'art sont deux choses, sans quoi l'une ou l'autre n'existerait pas.’ (Préface de Cromwell.) ‘In der Gegenwart ist man nur zu leicht geneigt, die Welt des schönen Scheins mit der Welt der Wirklichkeit zu verwechseln. Die Logik des Künstlers im Kunstwerk ist aber eine ganz andere als die des Individuums in der Welt der Wirklichkeit. Der Unterschied ist tief tief begründet, denn sonst müssen jene Juristen, deren juristische Einwände unwiederleglich sind, auch künstlerisch Recht haben, wenn sie die Shylock-Affaire einen plumpen Betrug mit sehr fadenscheinigen Syllogismen nennen.’ (Stommel.) Met den Italiaan Mario PiloGa naar voetnoot1) kan men gevoeglijk aannemen, dat schoon is wat ons tot genot, en leelijk wat ons tot het tegenovergestelde van genot strekt: ‘Nous appelons | |||||
[pagina 19]
| |||||
beau, le plaisir, et laid, la douleur exclusivement, ou, du moins, essentiellement et principalement sensoriels; bien le plaisir, et mal, la douleur, principalement sentimentaux; vrai, le plaisir, et faux la douleur, principalement intellectuels; et sacré et sacrilège, le plaisir et la douleur principalement idéaux. Le beau est donc ce qui nous plaît, mais ce qui plaît avant tout et surtout aux sens; puis, éventuellement et subordonnément, ce qui plaît aussi à l'esprit; c'est à dire au sentiment, á l'intellect, à l'idéalité, s'élevant ainsi graduellement à de plus hautes beautés.’ Het blijft wel verstaan, dat iets, óm schoon te zijn, niet hoeft te ontroeren, te leeren, te stichten; het is voldoende dat het indruk maakt op onze zinnen, zonder méer; de eenige voorwaarde is het beeld, dus de levendige, treffende, genot schenkende voorstelling van iets. Dit is het geval met de gekleurde en symetrische toevalsbeelden van het kaleidoskoop, alsmede met de loutere lichtbeelden van een vuurwerk. Doch onze zinnen worden zelden door het uitsluitend, absoluut schoone, en even zelden door het uitsluitend, absoluut leelijke aangedaan. Meestal ondergaan wij tegelijk indrukken van schoone én leelijke voorwerpen. ‘Si le laid, si la douleur ne surpassent pas le beau et le plaisir; s'ils sont avec eux en si étroit rapport qu'ils ne peuvent s'en séparer, même par la pensée, sans que ce beau et ce plaisir n'en soient dénaturés et même détruits, alors le laid, la dauleur nous sont chers eux-mêmes par le réflexe lumineux qu'ils reçoivent du plaisir et du beau, auxquels ils sont rendus semblables, et par le ressaut spécial et inusité qu'ils leur donnent en échange’ (Mario Pilo.) Zoo ontstaan onderscheiden soorten van gemengd schoonGa naar margenoot+, zooals het zonderlinge, het pikante, het groteske, enz.. - Zoo | |||||
[pagina 20]
| |||||
kan men schoon noemen vreemdsoortige, grillige, koddige kleederdrachten; uiterst zenuwachtige, als gehakte gebaren en bewegingen; gezichten, doorgroefd en doorreten, verwrongen en verweerd, maar vol uitdrukking, karakter, passie. Uit het voorgaande volgt echter, dat het leelijke op zich zelf, het volstrekt leelijke, geen faktor van schoonheid zijn kán, en dat de beruchte spreuk: ‘le laid c'est le beau’Ga naar margenoot+ van Victor Hugo, niet in absoluten zin kan aangenomen worden. Alleen doorGa naar margenoot+ vergelijking en tegenstelling draagt het leelijke bij tot verwezenlijking van het schoone, evenzeer wat het sentimenteele als het sensorieele schoon betreft. Zoo is Sancho Panza op zichzelf zeer weinig aantrekkelijk, doch naast Don qui Jote doet hij het overdreven ridderlijke en heldhaftige van dezen voortreffelijk uitkomen. Zoo ook schijnt het zieleschoon van Quasimodo met dubbel helder licht, omdat wij zijn lichaam zoo deerlijk misvormd weten. Dergelijke tegenstellingen treffen wij in schilderijen als Holbein's Doodendans, als De Val der Engelen van Frans Floris als Jezus en Satan en ook Jezus en Judas van Ary Scheffer. Om te staven, dat het stoffelijk leelijke wel en wis zijn plaats heeft in de kunst, kan men zich nog op de volgende argumenten van praktischen aard beroepen: a. Te allen tijde en bij alle volken, even goed bij de heidensche Grieken als bij de christelijke Gotieken, had naast het schoone het vreemde, zonderlinge, koddige, leelijke groteske, afschuwwekkende, zijn plaats in de kunst. Men denke maar even aan de Kuklopen, Satyren, Parken, Harpyen, Seireenen, Tritonen; aan Poluphemos, Seilenos, enz.; zonder te vergeten de vele tooneelen van wreedheid, van bloedvergieting, welke de antieke treurspelen en de middeneeuwsche drama's opleveren. b. Ook de meest verstokte idealisten nemen aan, dat het zedelijk onvolmaakte, de boosheid van een verdorven hart, de | |||||
[pagina 21]
| |||||
ondeugden en zelfs de laagste driften, ontleed, geschilderd, veraanschouwelijkt worden. Met welk recht zullen dan degenen, die er niets verkeerds in zien, de ziel van de zijde des kwaads te bekijken, den kunstenaar verbieden, zich aan lichamelijk onschoone voorstellingen te wagen? Ten andere is het niet altijd gemakkelijk of zelfs mogelijk, de juiste grens tusschen het schoone en het leelijke te bepalen. Zoo kan, door fyzisch lijden, door ijselijke folteringen, door overgroote angst, een menschengelaat zoo vertrokken en misvormd wezen, dat het volkomen in strijd is met wat men algemeen schoon pleegt te noemen, b.v. met een Apolloonshoofd. Dit is het geval met Laokoon, voorgesteld op het oogenblik, dat het reusachtig Zeeserpent hem en zijn zonen aan den voet van 't altaar verworgt. Toch is en blijft de Laokoon een meesterstuk van beeldhouwkunst. Met het leelijke staat in verband het volstrekt monsterachtigeGa naar margenoot+: denkbeeldige wezens, voorgesteld in een gedaante, welke gedeeltelijk aan den mensch, gedeeltelijk aan een of meer dieren herinnert. Zulke zijn de Sphynx, de Chimaira, de Kentauren of Paardmenschen, de Saters of Bokspooten, de Gorgonen, en - om ook aan de christelijke kunst voorbeelden te ontleenen, de Duivel en de Anti-Christ. Ga naar margenoot+ 13. Tot hiertoe handelden we hoofdzakelijk, zoo niet uit sluitend, over het innerlijke wezen van de poëzie. Nu is het tijd, om een woord te. zeggen van haar uiterlijke gedaante, van haar vorm. Reeds werd er in 2 op gewezen, dat het niet voldoende is, zijn gedachten in verzen uit te drukken, om een dichter te heeten. Dit neemt niet weg, dat te allen tijde en in alle gewesten de dichters bij voorkeur in versvorm geschreven hebben. En geen wonder voorzeker, althans voor dengene, die het groote onderscheid tusschen gebonden en | |||||
[pagina 22]
| |||||
ongebonden rede begrijpt en voelt. Het vers is uit zijn aard zelf, zoo niet iets absoluut, volmaakt, dan toch iets volmaakter, duurzamer, artistieker dan een zelfs heel mooie prozaregel. Het duurzame van het vers komt vooral dan uit, wanneer men zich de moeite getroost het te beproeven, om aan een als goed erkend vers eenige verandering toe te brengen. Altijd geschiedt zulks tot nadeel van het vers zelf. ‘La prose,’ zegt Banville, zij 't wellicht ook niet zonder eenige overdrijving, ‘est toujours à faire, et par conséquent n'est jamais la chose faite.’ Ga naar margenoot+ Een woord dus over het ontstaan, de grondoorzaak en den aard van het vers. Het grondbeginsel van het vers is geen ander dan datgene, hetwelk zich openbaart in de afwisseling van dag en nacht, eb en vloed, volle en nieuwe maan, Zomer en Winter, leven en dood, dus in den tijd in het algemeen: de rhythmusGa naar voetnoot1). Deze is het, die tot in het minste onderdeel van elk waar gedicht weerklinkt. Op dit grondbeginsel berust dan ook de innige verwantschap tusschen de poëzie en de muziekGa naar margenoot+, deze laatste mag dan opgevat worden in om het even welke van haar drie voorname uitingen: dans, zang en spel. Door velen wordt de poëzie zelfs opgevat als een deel van de muziek. Mag deze zienswijze ook al overdreven zijn, - dat men, zonder althans in zekere maat muziek te verstaan, geen dichter wezen kan, is onbetwistbaar. Wel is - en jammer genoeg - de tijd al lang voorbij, toen alle dichters tegelijk woord- en toondichters en daarenboven ook nog zangers waren. (Zoo de Aëeden en Rhapsoden in Oud-Griekenland, de skalden bij onze Germaansche voorouders, de barden uit den Keltischen voor- | |||||
[pagina 23]
| |||||
tijd; dus ook de latere minnezangers, meistreelen, troubadours en trouvères uit de middeleeuwen). Toch is ook heden nog de poëzie evengoed bestemd om gehoord als om gelezen te worden. Alleen dan, wanneer de poëzie geheel afwijkt van het volkseigene, het nationale, om geleerd akademisch, pedant en schoolsch te wezen, wordt ze ontrouw aan het muzikale princiep. Nu als overal en altijd is de poëzie, in haar prozodisch gedeelte, werkelijk muziek en kan zij alleen volgens muzikale princiepen behandeld worden. 14. De oorsprong van het versGa naar margenoot+ is te zoeken in de overeenkomst van de woordmaat met de zang- of dansmaat, van de golving der woorden met den gang der muziek en den pas in den dansGa naar voetnoot1). Evenals de pas bij gang en dans in harmonie is met den doordragenden tijd der muziekmaat, zoo komen in een vers ook een zeker getal lettergrepen voor, waarop men nadruk legt en die afwisselen met andere, waarover men sneller, lichter heenglijdt. Die eerstbedoelde lettergrepen, de zware, doordragende of betoonde, heet men heffingen (arses); de andere, die onbeloond blijven of toonloos, dalingen (theses). Toegepast op de taal beteekent rhythmus een evenmatige verhouding der woordlettergrepen, teweeggebracht door haar tijd en duur en door den graad van den toon, waarmeè zij uitgesproken worden. Als men den versrhythmus vergelijkt met den menschelijken gang, dan komen de heffingen overeen met het neerzetten -, en de dalingen met het opheffen van den voet. Het woord dansGa naar margenoot+ wordt hier gebruikt in den zin, dien de oude Grieken er aan gaven, dien van een gebarenspel, een panto- | |||||
[pagina 24]
| |||||
mieme: de orkestiek, zooals zij het noemden, de kunst, om door houdingen, bewegingen en gebaren de gewaarwordingen der ziel weer te geven. Deze kunst maakte bij hen deel van de opvoeding, en wel als de hoogste uitdrukking van de gymnastiek. Bij den primitieven mensch - vrij langen tijd - was de dans de geheele kunst. Zijn gemoedstoestand aan de eene en zijn zeer onvolmaakt spraakvermogen aan de andere zijde veroorloofden hem nog niet zijn gevoelens, hoe krachtig die ook waren, in woorden uit te drukken. ‘A peine séparé de la nature, l'homme conversait avec elle; il lui parlait, il entendait sa voix; cette grande mère à laquelle il tenait encore par ses artères, lui apparaissait comme vivante et animée. A la vue des phénomènes du monde physique, il éprouvait des impressions diverses qui, recevant un corps de son imagination, devenaient des dieux. Il adorait ses sensations, ou pour mieux dire l'objet vague et inconnu de ses sensations, car ne séparant pas encore l'objet du sujet, le monde était lui-même, et lui-même était le monde.’ (Ernest Renen: Les Religions de l'Antiquité.) Ga naar margenoot+ In en door den dans offerde de mensch zich zelf aan de goden op. Vooral in Griekenland, waar men zelfs nog in tijden van overbeschaving en verval, den dans als de natuurlijkste manier, om goden en helden te vereeren, bleef beschouwen en in eer houden. Zoo danste Alexander de Groote zelf met zijn wapenbroeders den pyrrischen dans op het graf van zijn geliefkoosden held Achilleus. Ga naar margenoot+ Aanvankelijk nu begon men, bij het dansen, zekere geluiden en kreten, weldra een geheele melodie to doen hooren; deze niet geartikuleerde klanken noemden de Grieken Ololuchmos. Eerlang, dank aan het optreden van meer begaafde dansers, werden deze kreten vervangen door een gepreveld gebed of | |||||
[pagina 25]
| |||||
een gefluisterd verhaal, weldra zelfs door een hymne, een volledig zanggedicht, zooals wij er overhouden o.a. in den zang van Linos en in dien van Hulas. Na de uitvinding der zevensnarige lura door Terpandros en van de onderscheiden modi (Dorisch, Phrugisch, Ludisch enz.) begon men onder de benaming nomen zekere zangwijzen op te stellen, waarvan elk aan een bizondere gewaarwording beantwoordde. Dan eerst traden de groote Grieksche lyrische dichters op, waarvan ieder een nieuwen rhythmus, een nieuwe zangwijze en een nieuwen dans voortbracht. Van dit tijdvak dagteekent dan ook de uitvinding van de stroofGa naar margenoot+, die tot den enkelen versvoet staat als de zeegolf tot den kleinsten baarslag. Ga naar margenoot+ De stroof ontstond door het paren van twee onderling verschillende verzen, welke men op hun beurt met twee andere gelijksoortige verzen vereenigen kan:
‘Waarom schaamt gij u over die vlekken? Och, elk die ze zien zal,
ziet in ieder een traan, order het schrijven gestort.
Ga dan, groet het verrukkelijk oord van mijn vurige wenschen,
dat ik misschien eenmaal - fluister dit - weder zal zien.
Kinker - naar Ovidius.
Door bijeenvoeging van twee, drie, vier en meer verzen van gelijken aard tot een, voortaan, onafscheidelijk, onveranderlijk geheel.
Heer Halewijn zong een liedekijn:
al wie het hoorde wou bij hem zijn.
Of ook door samenvoeging van meer verzen van ongelijken aard:
Laat dicht de luiken!
't Zonlicht dringe
niet in deez' ruimte, waar geen morgen haar langer wacht.
| |||||
[pagina 26]
| |||||
In Vlaandren blinkt de hemel blauw
gelijk op alle stranden.
In Vlaandren straalt de morgendauw
gelijk in alle landen.
Als sneeuwblank poêr op malsche vrouwekaken
befloerst een waas de druif, dat niets ze ontrein'!
Kus dat, en berst dan 't vlies - zie! dat is 't sein.
Pers in uw hand het sap met minnend haken,
niet op het bord van blinkend porselein.
Lichtstraal uit den hemeltrans,
sprankel van der Godheid glans,
Ziele, die 't heelal bezielt,
't leven wekt, den dood vernielt, -
hulde aan u, in ruimte en tijd,
Schoonheid, die onsterflijk zijt.
Ga naar margenoot+ Niet alleen is de stroof met, maar zelfs uit de melodie geboren. In de stroof toch is de melodie niet langer bij-, maar hoofdzaak; uit de melodie ontstaat het vers. Zoo moet men dan ook met Ed. Schuré de stroof opvatten als ‘les effulgurations poétiques d'un état musical de l'âme.’ Hierin ligt het grondbeginsel van het volkslied aller tijden, aller volken. Van dit grondbeginsel was de Grieksche lyriek de schoonste, volledigste en volmaakste toepassing en ontwikkeling, immers deze nomen, deze modelzangwijzen, door Terpandros voor het eerst opgeschreven, waren noch min noch meer dan de melodieën van de zangen, welke het volk op zijn feestdagen placht aan te heffen. Ga naar margenoot+ Twee of meer lettergrepen, verbonden tot een rhythmische eenheid door éen heffing en éen of meer dalingen, | |||||
[pagina 27]
| |||||
heet men versvoet. In werkelijkheid zijn er slechts twee versvoetenGa naar margenoot+: ![]() Het is een wet der muziek, dat men de tijdverdeelingen, welke men achter een heffing wegneemt, vooraan mag plaatsen. Daaruit onstaan nog de volgende voeten: ![]() voeten, die een geheel nieuw karakter vertoonen. Over het vers handelt de prozodie of versleer. Hier volstaat het, het vers te omschrijven als: een min of meer lange, uit woorden bestaande opvolging van rhythmisch geschikte tijddeelen, die een geheel uitmaken. Ga naar margenoot+ 15. Een vers is aldus, op den keper beschouwd, een muzikaal organisme. Daaruit volgt, dat het niet alleen door maat, maar ook door klank moet uitmunten. Die klank wordt niet enkel vernomen uit de verzameling van woorden, die een vers uitmaken, maar meermaals ook nog uit het terugkeeren van den zelfden medeklinker, den zelfden klinker of de zelfde lettergreep. Ga naar margenoot+ Berust het rijm op het terugkeeren van den zelfden medeklinker, dan noemt men het stafrijm. Berust het op den terugkeer van den zelfden klinker of de zelfde lettergreep, dan heet men het klankrijm. Dit laatste komt gewoonlijk voor aan het eind van een versregel en heet daarom eindrijm. Toch bestaan er ook binnenrijmen, rijmklanken, die tusschen aanvang en slot van een vers terugkeeren. Ook aanvangrijmen, wanneer de eerste lettergreep of - grepen van onderscheiden verzen met elkander rijmen; verder nog middenrijm, kettingrijm, dubbelrijm, enz.. Uit den aard der zaak moeten de rijmen, vooral de eindrijmen, zooveel mogelijk samenvallen | |||||
[pagina 28]
| |||||
met die woorden, welke in het vers of allerminst in het gedicht de grootste waarde, de meest in het oog springende beteekenis hebben. Er is nog te spreken van onvolkomen rijmen, halfrijmenGa naar margenoot+ of assonnanties. Deze bestaan hierin, dat ofwel enkel de vokalen ofwel enkel de medeklinkers der woorden met elkaar overeenstemmen, bijv.:
a) Het waren twee koningskinderen;
zij hadden elkander zoo lief.
Zij konden bijeen niet komen,
het water was veel te diep.
b) .......... brengen
.......... zingen.
De derde soort, voorzeker de oudste, heet stafrijmGa naar margenoot+ of alliteratie: - woorden met dezelfde aanvangletters geplaatst aan het hoofd. of in het midden der verzen. B.v.: door dik en dun, buigen of breken, zuur en zoet, lief en leed, man en muis, stut en steun, stok en steen, wind en weêr, toom en teugel, wel en wee, land en lieden, kind en kat, enz.. Oorspronkelijk kende men in de Germaansche talen uitsluitend het stafrijm: rhythmus en alliteratie volstonden, om het Noorsche of Germaansche vers welluidend te maken. Dergelijke verzen klonken ongeveer als de volgende:
Wodens zoon was
Saemund de Zeger,
Saemund de Zeger
in zee en zaal!
Hem mochten mannen en maagden,
waar hij ook aankwam, de machtige man,
| |||||
[pagina 29]
| |||||
of als deze stroof van J.M. Dautzenberg:
Liefdelonken, liefdevuur,
liefdelachjes allerwegen,
liefdevonken, als ik gluur,
tintlen lief mij tegen.
Tot in de 9de eeuw toe kenden de Noorsche of Germaansche volken geen ander rijm dan het stafrijm. Van dan af echter begonnen zij, waarschijnlijk onder den invloed van Latijnsche, berijmde kerkgezangen, naast het genoemde ook het gewone of eindrijm aan te wenden. Het een en het ander treffen wij reeds aan in het beroemde Lodewijkslied. Ga naar margenoot+ Het rijm, in om het even welken van deze drie hoofdvormen, is ontstaan uit de behoefte, om niet alleen den maatgang, maar ook den innerlijken samenhang van de in verzen uitgedrukte stemmingen sterker en duidelijker te doen uitkomen bij middel van een melodieuze streeling van het gehoor. Daaruit volgt reeds dadelijk, dat de rijmende woorden zooveel mogelijk n3oeten samenvallen met de woorden, die in het vers van grooter gewicht zijn, of, met het oog op het behandelde onderwerp, grooter beteekenis hebben. Zoogenaamde metrische verzen, dat is: verzen, waarvan wij het schema aan de klassieke Grieksche of Latijnsche dichters hebben ontleend, en die men vooral sedert Klopstock en Vosz in de Germaansche talen, voornamelijk in het Duitsch en het Nederlandsch, is gaan beoefenen, sluiten elk soort van rijm volkomen uit. Daarentegen hebben wij van de Italianen, de Spanjaards en de Oosterlingen tal van dichtvormen overgenomen, die voor het grootste deel hun waarde aan een kunstig spel van rijmen ontleenen: sonetten, terzinen, ritornellen, trioletten, oktaven, sicilianen, refreinen, rondeelkens, villanellen, madrigalen, ghazelen, pantoens, enz.. | |||||
[pagina 30]
| |||||
16. De welluidendheid van een vers ligt niet enkel in het rijm, maar tevens en zelfs nog meer in de klankexpressie.Ga naar margenoot+ De rhythmus van het vers ontstaat inderdaad uit deze twee samenwerkende elementen:
Nu kan het niet anders, of elke aandoening heeft, althans voor en bij kunstenaars, een bizondere, eigen beweging, een eigen rhythmus. Drukt zulk een kunstenaar een dergelijke aandoening uit in een vers, dan zal dit vers als van zelf zijn bizonderen, eigen rhythmus, geheel overeenstemmend met de te zeggen aandoening, vertoonen. Wie het zuiverste zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden rhythmus weet weer te geven, is de beste dichter, zegt Willem Kloos. ‘Wie het vatbaarst is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers, en zich die vatbaarheid bewust wordt, is de beste kritikus, want het een noch het andere is mogelijk, zonder dat men te gelijk zeer fijn en zeer sterk gevoelt.’ Zoo munt het volgende vers van Albert Verwey door klankexpressie uit, omdat het met bizondere kracht weergeeft het eigenaardig klappen van een mantel op den wind. ‘Zwaar op den mantel omfladderden schouder,
vielen - als manen breed - de zwarte lokken.’
Ook de volgende verzen zijn mooi van klankexpressie: ‘En door de sombre tempels van den Styx
gonsde dof ruischende de stroom des doods.’
En deze: ‘Zij huppelde blij-neuriënd in den dauw
met wangen, waar de blos op lag en leefde.’
| |||||
[pagina 31]
| |||||
17. Goede verzen onderscheiden zich evenzeer door beeldspraakGa naar margenoot+ als door klank. Men mag de beeldspraak niet verwarren met wat men pleegt te noemen ‘dichterlijke taal’ een hebbelijkheid, - hoofdgebrek van de meeste Nederlandsche poëten sedert Hooft en Vondel, - die men ten zeerste dient af te keuren. Aan dichterlijke taal bezondigt zich degene, die, onmachtig om voor zijn overigens noch zeer fijne, noch zeer krachtige aandoeningen persoonlijke, juiste en treffende uitdrukkingen te vinden, aan andere, grootere dichters vergelijkingen en figuren ontleent, zonder op te merken, dat al dit ontleende goed slechts onvolkomen met zijn eigen aandoeningen overeenstemt. Zulke dichterlijke taal schreven bijv. de achttiendeeuwsche Voltaire, waar hij aldus de waarheid aanvoert: ‘Descends du haut des cieux, auguste Vérité.
Répands sur mes écrits la force et la clarté!
Que l'oreille des rois s'accoutume à t'entendre, enz.:’
en vooral de heele bende rijmelaars, die in de eerste jaren dezer eeuw deelnamen aan de letterkundige wedstrijden, door onze Rederijkerskamers uitgeschreven, wanneer zij, eenvoudig om oude dichters na te volgen - de Muzen aanriepen en spraken van hun harp, hun lier, hun cither - al hadden de meesten van hen nooit een dezer speeltuigen gezien. Een enkel staaltje uit een van de vele rederijkers-gedichten op den veldslag van Friedland
Mijn Zangster! Zing den moed der Fransche Legerscharen!
Verhef den oorlogsheld op uw gestemde snaren,
die hem in 't ijzig Noord, door schrander krijgsbeleid,
een eeuwig eerspoor wees ter eélste onsterflijkheid.
Leg thans uw veldschalmei te rust, waag hooger tonen!
Wil uwe teere kruin met zachte olijven kronen;
en, daar uw ijvervuur op heldenlof ontbrandt,
zing, dankbaar, jonge nimf, een hymne aan 't Vaderland.
| |||||
[pagina 32]
| |||||
Zelfs werkelijk groote dichters wisten zich niet steeds van dezen verderfelijken slenter te vrijwaren, zooals blijkt uit deze regelen van Ronsard, Abrégé de de l'Art poétique français: ‘Et si tu entreprens quelque grand oeuvre, tu te montreras religieux et craignant Dieu, le commençant par son nom ou par un autre qui représentera quelque effet de sa Majesté à l'exemple des Poètes grecs: Мӣνιν ἄειδε Θεα. Et nos Romains: Eneadum genitrix.... Musa mihi causas memora,’ een raad, die volkomen overbodig is, vermits, zoo de dichter geloovig is en aan de hulp van een god behoefte heeft, hij dezen wel van zelf aanroepen zal. Zoo werd van lieverlede uit de werken der beste poëten een voorraad van uitdrukkingen, zegswijzen en beelden saamgelezen, waaraan ieder vrijelijk ontleende, wat hij meende noodig te hebben, om er zijn eigen gedachten mee op te sieren. Ware, echte beeldspraak entstaat uit de aandoening der stemming zelf. Wanneer hij zich diep voelt aangegrepen, vindt de dichter, onbewust, verpersoonlijkingen, gelijkenissen, die zijn aandoening, zijn stemming zóo juist en tevens zóo nieuw mogelijk belichamen en weergeven. Goede beeldspraak is bijv., in Cor Cordium van Albert Verwey, het volgende:
‘Diep in de scheemring van mijn: ziel bewoog
een droomgestalte, als ik somtijds zag
gaan op de brug, als ik het huis verliet
en op een gracht liep, waar de mist langs toog
op een Novembermorgen. De wind lag
roerloos over de stad. - Zoo was 't in mij -
En 'k zag ze naderen, en ik hoorde 't blij
geluid der stemmen, en mijn oor vernam -
wee mij dat het vernam - elk woord, dat kwam
ran U, helaas! als al wat in mij spreekt.’
| |||||
[pagina 33]
| |||||
Zoo ook dit:
‘Het ver geruisch der rossen van de zon
week op de kimmen, en in 't bosch bewoog
zich niet een blad, duister daar 't in hing.
Maar 't licht wijlde op der stammen hoogste kruin
waar 't hoogste blad aan trilde - en eene ster
scheen somtijds zichtbaar door de takken.’
(Demeter.) Eigen gevonden beeldspraak waardeeren wij ook in de volgende verzen van Guido Gezelle:
‘Zacht is uw hand, o windeken,
streelende langs mijn haar,
of het de hand van een kindeken,
een spelend kindeken waar.’
Of waar hij verzwakte herinneringen vergelijkt met
‘letteren op een zerk gekapt
en langzaam uitgetreden.’
Of in deze beschrijving van de Mandelrivier:
‘'t Is de Mandel, die, in 't stille,
varend door den zomernacht,
waakzaam is, en om Gods wille
loopt en licht voorbij ons lacht,
loopt omdat hij blank en blij is,
lacht omdat het maantje schijnt,
lacht omdat hij vrank en vrij is
en hij zelf zijn wegen vijndt.’
18. Woordkunst moet eindelijk, evenals alle andere kunst, uitmunten door stijl. Wat is stijl?Ga naar margenoot+ Een der minst onvolmaakte omschrijvingen schijnt mij nog die van Marmontel in zijn Eléments de Littérature: | |||||
[pagina 34]
| |||||
‘C'est le caractère de la diction.’ Ongelukkig is deze omschrijving onvolledig, immers omdat de stijl nog van heel wat meer en beter afhangt dan enkel van deze ‘diction,’ waarmede de Fransche geleerde blijkbaar den uiterlijken zinbouw bedoelde. Volgens Flaubert, een der grootste stijlisten die ooit bestonden, is de stijl ‘Une manière anique, absolue, d'exprimer une chose dans toute sa couleur et son intensité.’ Ongelukkig wordt in deze omschrijving uitsluitend rekening gehouden met de stof, het onderwerp, zeker een voorname faktor, maar niet de eenige, die tot wording van den stijl bijdraagt. Ga naar margenoot+ Eenvoudiger en duidelijker komt het ons voor, den stijl in de letterkunst te definieeren als: de samenvatting van alle taal- en letterkundige hulpmiddelen, waarvan de schrijver zich bedient, om zijn aandoeningen zoo volledig en schoon mogelijk te vertolken. Niet enkel uit de lengte of kortheid der perioden en den af wisselenden bouw der zinnen, maar ook en wellicht nog meer uit de keus der woorden en uitdrukkingen, uit den eigenaardigen gang der gedachte zelf, uit soberheid of kwistigheid van kleur, uit stroefheid of welluidendheid van taal, uit bevalligheid of heftigheid van lijn, ontstaat het opvallende onderscheid tusschen den stijl van dezen en dien van genen schrijver. Dat de keus van woorden en uitdrukkingen van groote waarde is voor den stijl van eenig stuk, blijkt zelfs voor den minst ingewijde, wanneer men bijv. in een of andere novelle van Cremer de Betuwsche dialektwoorden door Brabantsche, Vlaamsche, Limburgsche of algemeen Nederlandsche vervangt. Schier het gansche koloriet van het oorspronkelijke gaat er bij te loor. Ga naar margenoot+ De verdeeling van den stijl in onderscheiden soorten berust op geenen wezenlijken grond. Men heeft gepoogd, uit de | |||||
[pagina 35]
| |||||
werken der groote schrijvers zekere voorschriften af te leiden, welke men daarna tot een uiterst spitsvondig, maar geheel konventioneel stelsel heeft vereenigd. Uit de verscheidenheid, die men noodzakelijk tusschen den schrijftrant van beroemde auteurs opmerkt en die het noodzakelijk gevolg is van een geheele reeks omstandigheden van tijd, personen en onderwerpen, heeft men tot het bestaan pogen te besluiten van een eenvoudigen, een gematigden en van een verheven stijl. In werkelijkheid zijn er zooveel stijlen als er schrijvers en onderwerpenGa naar margenoot+ zijn. Niet of de stijl eenvoudig, gematigd of verheven is, moet men vragen, maar wel of hij past op de behandelde stof, of hij er al de eigenaardigheden van doet uitkomen. Zoo heeft men overigens uit het voorbeeld der klassieke schrijvers afgeleid een geheele reeks hoedanigheden, welke den stijlGa naar margenoot+ dienen te onderscheiden. Hij moet bondig, nutuurlijk, helder, krachtig, welluidend, gepast, doelmatig, betamelijk wezen. Hij moet ‘dire les choses comme il convient à celui qui parle, à l'objet dout il parle et à ceux qui l'écoutent.’ Ga naar margenoot+ In werkelijkheid lieten de groote schrijvers zich aan al deze voorschriften bitter weinig gelegen liggen. Vóor en boven al 't andere legden zij er zich op toe, de dingen te zeggen, zooals zij, en niet lezer of toehoorders, meenden dat zij moesten gezegd warden. Zij zongen zooals zij gebekt waren. Slechts mits deze vrijheid was het hun mogelijk, te schrijven uit de volheid des gemoeds en bijgevolg den stempel hunner persoonlijkheid op hun werk af te drukken. Slechts op deze wijze konden zij hun stijl eigenschappen bijzetten, die hem van dien hunner kunstgenooten onderscheidden. Ga naar margenoot+ Of iemand stijl heeft, hangt niet af van het toepassen of niet toepassen van - om 't even welke - voorschriften; dat zit hem als 't ware in 't sneller of loomer vloeien van het | |||||
[pagina 36]
| |||||
bloed, in het rasser of trager, krachtiger of zwakker kloppen van den pols. Met éen woord, dat hangt af van den heelen mensch, en in dien zin behoudt het woord van Buffen: Le style c'est l'homme, zijn volle kracht. Heerlijk schrijft Prof. Allard Pierson in zijn Wijsgeerig Onderzoek: ‘Men kan geleerde boeken schrijven, zelfs oorspronkelijke gedachten bezitten en niettemin voor de ontwikkeling van ons volk verloren zijn, en dit zal het geval zijn, wanneer men geen stijl heeft. Een stijl ‘fraai’ te noemen wekt bij eiken ernstigen schrijver een glimlach. Een fraaie stijl is even fraai als een fraai geschilderde degen. ‘Een stijl duldt geen adjektief. Men heeft stijl of men heeft er geen. Stijl heeft elk, die zijn woorden zóo drukt in het geheugen zijner lezers, dat zij tot hun blijdschap die woorden niet meer kunnen vergeten. Wanneer dit “niet kunnen vergeten” den lezer tot ergernis verstrekt, heeft stijl onder ons zijn schoonste doel bereikt. Want wij, Nederlanders, hebben naar mijn bescheiden meening aan niets dringender behoefte dan aan prikkels die wekken, die scherpen, die geen rust laten. Verregaande onaandoenlijkheid is onze nationale hoofdzonde.’ Ga naar margenoot+ Van het karakter van den mensch hangt ook het karakter van zijn stijl af. Bezit hij een verheven geest, dan zal hij, de kleine en banale kantjes voorbijziende, nadruk leggen op hetgeen er grootsch, edel, verheven in zijn stof is. Is zijn fantazie rijk en vruchtbaar, dan weet hij zijn onderwerp langs tien, twintig verschillende kanten te beschouwen en vergelijkt het met honderd andere onderwerpen. Is zijn geest een pozitieve, dan bepaalt hij zich nauwkeurig tot de eerst verkoren stof, beschouwt ze niet uit de hoogte of in haar hoofdlijnen, maar daalt af in duizend kleinigheden, waarin hij geen trekje durft verwaarloozen. Evenals de geest oefent | |||||
[pagina 37]
| |||||
ook het gemoed invloed op den stijl. Behoort gij tot dat soort van menschen, die, zonder gevoelloos te zijn, zelden hun koelbloedigheid en bedaardheid verliezen, dan zal uw stijl gelijken op de heldere oppervlakte van een meer, dat wel de wiegelende boomen, de fladderende vogels en de stormachtige wolken in zich weêrkaatst, doch zonder ooit zelf beroerd te worden. Zijt ge voor alle indrukken der buitenwereld vatbaar, gaat uw bloed licht aan het koken en kunt gij moeilijk uw gewaarwordingen verbergen onder het mom der onverschilligheid, zoo zal uw stijl doen denken aan den stortvloed, die schuimend van tusschen de rotsen te voorschijn borrelt en klaterend, in grilligen en ongeregelden loop vooruitstroomt. Men zoeke niet langer den stijl in de toepassing van min of meer gewettigde regelen, maar alleen in de openbaring van geest en gemoed des schrijvers in zijn gewrocht. Men veroordeele den schrijftrant van een schrijver niet, omdat hij te gezocht, te ingewikkeld, te bloemig, te eenvoudig of te verheven is; omdat de zinnen te kort of te lang of te gehakt zijn; men vrage alleen of de trant op de stof in het algemeen en op elk onderdeel, elk denkbeeld in het bizonder past! Van al het andere hoeft de schrijver geen sterveling rekenschap te geven. Ga naar margenoot+ 19. Over de taal, niet beschouwd in haar oorsprong, haar woordenschat of haar wetten, maar wel als het instrument, dat de dichter bespeelt en waarvan hij al de eigenschappen en eigenaardigheden zoo volledig mogelijk moet kennen, bleef nu nog zeer veel te zeggen. Het weinige dat volgt, kan beschouwd worden als een kort begrip van het meest onontbeerlijke. Wat in het opzicht van de taal, even als in dat van de vinding, den rhythmus, de beeldspraak en den stijl, eerst en | |||||
[pagina 38]
| |||||
vooral vereischt wordt, dat is eigenaardigheid. ‘Eigenthümlichkeit des Ansdrucks,’ zegt Goethe ‘ist Anfang und Ende aller Kunst.’ Ook in zijn taal dus moet de dichter zich zelf wezen. Hij heeft het recht, zooals Kralik het uitdrukt: ‘Sich seine eigene Mundart zurecht zu legen.’ Ga naar margenoot+ Groote dichters schiepen zich ten allen tijde een eigen taal. Hun woordenschat verzamelden ze geenszins uitsluitend uit de werken van beroemde voorgangers, maar ook, en zeker nog veel meer, uit de levende volkstaal en uit elke gewestspraak van die taal. Zoo verkregen zij een rijken een schilderachtigen taalschat. Vóor de eene of andere oneigen uitdrukking. een niet gewone omzetting, een met de regels in strijd zijnd idiotisme, schrikten zij niet terug; terecht hielden zij al deze vrije spruiten der taal voor schoonheden, die naar Herders woord ‘geen nabuur ons door vertaling kan ontrooven; schoonheden in het genie der spraak ingeweven en die men er niet uit verwijderen kan, zonder ze te beschadigen.’ Slechts wie in een werkelijk levende taal schrijft, slechts wie weet te putten aan de zich altijd vernieuwende en verjongende bron, die onuitgeput en onuitputbaar opborrelt uit den mond des volks, mag hopen dat hij zich het gevoel zijner natie heeft eigen gemaakt en dat hij door zijn woord het gevoel dier natie frisch en krachtig zal kunnen opwekken. Ook op de taal heeft men tal van voorschriften pogen toe te passen. In werkelijkheid kan men al de hoedanigheden, welke de taal van den woordkunstenaar moet onderscheiden, terugbrengen tot deze twee: leven en waarheid. Leven doet de taalGa naar margenoot+, die niet met inspanning van de groote schrijvers is afgeleerd, maar die natuurlijk en als vanzelf uit den algemeenen, zich steeds vervormenden en vernieuwenden | |||||
[pagina 39]
| |||||
taalschat is opgegroeid en opgebloeid tot het natuurlijke, bijna noodwendige kleed van gevoel en gedachte. Waar zijn doet de taalGa naar margenoot+, die gevoel en gedachte het treffendst, volledigst en scherpst weêrgeeft. ‘Hoe veelvuldig is het wezen van den mensch niet, hoe veelvuldig zijn gedachten en zijn gevoel. Hoe plooibaar, vloeiend, rijk, machtig, sterk, licht, statig, rein, lieflijk, hard, welluidend, enz., moet die taal niet wezen, om die duizenden gedachten, die in dien geest ontstaan en woelen. weêr te geven, om alle aandoeningen van het hart met millioenen tinten en kleuren te kunnen uiten. De schoonste taal is die, die dat het best kan.’ (Leren en Dood door Hugo Verriest.) Edoch, zal zijn taal dit werkelijk kunnen, dan moet de dichter, zooals Goethe het ergens heet, eerst en vooral ‘die Sprache ueberwinden.’ Om altijd juist, en niet alleen juist, maar ook treffend te kunnen zeggen. wat men te zeggen heeft; om voor elke gedachte, voor elk gevoel, voor elke schakeering van gedachte en gevoel, de meest gepaste en tevens klaarste en mooiste uitdrukking te vinden; om de woorden zóo te schikken, dat zij, door klank en rhythmus, inzet en val, opvolging en graad, dat karakter van blijvende waarde verkrijgen, waardoor men ze gemakkelijk onthoudt en ze zich zelf als 't ware in den geest prent, daartoe zijn volstrekt onontbeerlijk, wat Théophile Gautier in zijn studie over Baudelaire noemt ‘ces luttes avec la langue, la prosodie, rhythme et la rime, dont il faut sortir vainqueur pour être digne du nom d'artiste et qui sont comme le contre-paint de la poésie.’ Goethe's woord dient, ook bij alle respekt voor begeestering en vinding, den woordkunstenaar steeds vóor oogen te zweven: ‘Der Dichter ist angewiesen auf Darstellung.’ | |||||
[pagina 40]
| |||||
Ga naar margenoot+ 20. De voornaamste onderscheidingsgrond van alle dichting is natuurlijk de stof zelf. De poëzie schept die stof uit twee voorname bronnen, die alle andere in zich vereenigen, den makrokosmos, of de wereld buiten ieder onzer, en den mikrokos of de wereld, de kleine wereld van ons eigen ik. Behandelt de dichter de verschijnselen der natuur, de gebeurtenissen der menschelijke samenleving, zooals deze nu is, of ook maar eens zijn zal of eens zijn kan, dan is hij objektief. Spreekt hij integendeel uit louter aandrang des gemoeds, deelt hij ons zijn eigen leven mee, zegt hij uit zijn innigst. lief en leed, dan is hij subjektief. Op eenigszins andere wijze gezegd: subjektief is de poëzie, waarin de persoonlijkheid van den dichter de verschijnselen van de buitenwereld in de schaduw stelt, of althans waarin deze laatste uitsluitend of hoofdzakelijk dienen, om ons die persoonlijkheid begrijpelijk te maken. Hier heeft de dichter gesproken uit aandrang en behoefte vim zijn hart, zonder ander doel dan om zijn gewaarwordingen stemmingen en gevoelens te openbaren; om met éen woord, zijn eigen ziel in woorden uit te storten. Objektief is integendeel die, waarin de persoonlijkheid van den dichter door de verschijnselen der wereld-buiten-hein wordt in de schaduw gesteld, en welke dus tafereelen der natuur, historische gebeurtenissen, epizoden uit het alleditagsch-maatschappelijk leven tot stof heeft. Het spreekt wel van zelf, en het volgt ook reeds uit liet bovenstaande, dat geen poëzie als volkomen en uitsluitend objektief als volkomen en uitsluitend subjektief kan worden beschouwd. In werkelijkheid zal er in de meest subjektieve poëzie steeds iets overgaan van de zinnelijke waarneming van de dingen-buiten-ons, en zoo zal er ook door den meest objektieven dichter steeds iets van zijn eigen gewaarwordingen worden | |||||
[pagina 41]
| |||||
uitgesproken. Zoo is het volgende stukje van Hélène Swarth wel in- en door subjektief; toch komen er objektieve bestanddeelen voor in de beelden, in de vergelijkingen, in de keus der dingen, waarmede de dichteres haar hart vergelijkt:
Mijn hart is een beker vol palperen wijn.
- Wien zal 'k er mee drenken?
Mijn hart is een vogel, die zingt zoo fijn.
- Wien zal ik hem schenken?
Mijn hart is een kindje, dat kreunt van pijn.
- Wie zal lat niet krenken?
Mijn hart zal eens dood en begraven zijn.
- Wie zal het gedenken?
Het kan zelfs gebeuren, dat een gedicht, van buitenaf beschouwd, den indruk maakt geheel objektief te zijn, terwijl het toch, bij nader inzicht, een subjektief gevoel of een persoonlijke gedachte uitdrukt.
Ein Fichtenbaum steht einsam
im Norden auf kahler Höh.
Ihm schläfert; mit weiszer Decke
umhüllen ihn Eis und Schnee.
Er träumt von einer Palme,
die fern im Morgenland
einsam und schweigend trauert
auf brennenden Felsenrand.
Eigenlijk is dit gedicht van Heine subjektief, omdat het in een aan de buitenwereld ontleend zinnebeeld de belichaming is van des dichters eigen liefde voor eene, waarvan hij gescheiden was. 21. Plaatst men zich op een ander standpunt, dan kan men alle poézie onderscheiden in deze twee soorten: de naïeve en de sentimenteele.Ga naar margenoot+ | |||||
[pagina 42]
| |||||
Dit onderscheid berust op de eigenaardige manier, waarop de dichter staat tegenover de natuur, dit woord gebruikt in den meest omvattenden zin. Zooals Schiller in zijn beroemde studie ‘Ueber naïve und sentimentalische Dichtung’ zegt, staan de dichters altijd op een van deze beide standpunten: ofwel zij zijn zelf natuur, d.w.z. zij gevoelen zich éen met haar, zij gevoelen zich als een deel van de natuur en deze ook weer in zichzelf; - ofwel zij nemen in zichzelf waar den invloed van de maatschappelijke beschaving en van haar willekeurige en kunstmatige, soms tegen de natuur aandruischende stelsels en vormen, en zijn er toe gedwongen, de natuur te zoeken. De dichters van de eerste soort staan tegenover de natuur, tegenover de verschijnselen daarbuiten en tegenover elke stemming in hun eigen binnenste op de wijze van een eenvoudig, nog niet redeneerend, nog weinig vergelijkend, misschien niet eens begrijpend, maar des te sterker waarnemend kind, of, zoo men wil, hun gevoel is dat van den mensch in den natuurstaat, die in werkelijkheid gelooft, dat de zon rond de aarde wandelt, dat stroom of zee verbolgen zijn, dat de hemel toornt, eenvoudig omdat hij niets afweet van de wetenschappelijke verklaring van deze phenomeenen. De dichters van de tweede soort, integendeel, gevoelen zich als produkten der beschaafde samenleving: omdat zij dichters zijn, komt hun intiemste wezen in opstand tegen het kunstmatige, het aangeleerde, het wetenschappelijke, en doen zij zich geweld aan, om, - dit alles zooveel mogelijk van zich afschuddende, - de natuur van her te voelen, te zien, zonder zich van elk verschijnsel rekenschap te geven, zonder te redeneeren. Het spreekt van zelf, dat, op hoe hooger een trap van beschaving een volk staat, het voor zijn dichters ook des te moeielijker taak wordt, om naïef te wezen. | |||||
[pagina 43]
| |||||
Zooals Schiller het uitdrukt, geeft de naïeve dichter ‘die möglichst vollständige Nachahmung des Wirklichen’; de sentimenteele integendeel verheft de werkelijkheid tot ideaal, of, wat hetzelfde is, hij geeft: ‘die Darstellung des Ideals.’ De eerste ontroert ons door natuurlijkheid, zinnelijke waarheid, bijna door levendige tegenwoordigheid der dingen; de andere door gedachten. (Zie de hooger genoemde studie van Schiller, blz. 1280, 2de en 3de alinea van de uitgave van 1810). De naïeve ondergaat, als het ware, zonder het te weten, kalm en rustig, - gelijk het akkerland de zon of den regen, - al de indrukken van de buitenwereld, en even onberedeneerd, bijna even onvrijwillig en noodzakelijk geeft hij ze weer als b.v. de vijverspiegel den blauwen hemel weerkaatst. De andere laat zich vergelijken met den mensch, die op den rand des vijvers staat, die het schouwspel in de heldere wateropvlakte wél ziet, maar dat, eilaas, ook met z'n rede kan uitleggen. Deze vergelijkt, redeneert, leidt gevolgen af, spant zich in om tot een besluit te komen. Zooals Schiller zegt, sluit hij telkens en telkens oog en oor, om in overwegingen weg te dwalen. Zoo krijgen wij van hem niet den toestand zelf, maar alleen wat zijn verstand er van denkt. Vandaar ook dit onderscheid met het oog op de lyriek: de lyrische dichter, die naïef is, schept uit zijn eigen ik, onmiddellijk uit zich zelf; de andere doet het uit zijn ideaal. De eerste geeft stemmingen, des états d'âme; de tweede geeft ten minste voor een deel pathos, deklamatie. Op dit onderscheid berust ook de verdeeling in realistische en idealistische poëzie. Wie het onderscheid tusschen een naïeven en sentimenteelen dichter wil leeren kennen, leze na elkander het einde van den zestienden zang van de Ilias en de hoofdstukken 2 en 4 uit het gedicht ‘Les pauvres Gens’ van Victor Hugo. Als naïeve of althans in hoofdzaak naïeve dichters kan | |||||
[pagina 44]
| |||||
men noemen Homeros, Theokrutos, Shakespeare, Goethe, bv. in Hermann und Dorothea, in Faust, in zijn liederen; Schiller in zijn Wallenstein; Molière; Grabbe; - als sentimenteele daarentegen: Vergilius, Ariosto, Tasso, Voltaire, Klopstock, Kleist, Musset, Lamartine, Hugo, uitgezonderd in zijn Légende des Siècles, enz.. Voorbeelden van sentimenteele poëzie treft men aan in IJdele Hulp van Starter, in De Drie Zustersteden van Ledeganck, in Schiller's Lied von der Glocke, en verder in alle zoogezegde leerende gedichten. Sentimenteel is ook het volgende van Mr. Carel Vosmaer:
Als de deinende zee is het leven:
steeds rusteloos wentelt en stuwt
nu de vloed, van de ebbe der wereld,
golf op golf als geslacht op geslacht.
Zoek er niet naar de bronnen der waatren
of de veer die het alles beweegt:
de verschijnselen, nooit de verklaring
zijn den denker ten schamelen oogst.
Ga naar margenoot+ 22. Op het onderscheid tusschen de objektieve en de subjektieve poëzie berust de eenige groote verdeeling van alle dichting, welke als geheel en al gewettigd kan beschouwd worden, die, namelijk, waarbij bepaald wordt, dat er zijn twee groote grondsoorten van poëzie: het epos als objektieve, en de lyriek als subjektieve uiting der poëzie. Er bestaat zelfs geen ernstige grond, om naast deze twee van een derde geheel afzonderlijke soort: het drama, te gewagen. Immers het drama is, in wezenlijkheid, epische poëzie, doch uitgedrukt op bizondere wijze, voorgesteld als een logische, van nieuws plaats hebbende handeling. Toch doen wij best met het drama, als was het werkelijk een derde soort van poëzie, afzonderlijk te bespreken. | |||||
[pagina 45]
| |||||
Uit deze regelen blijkt voldoende, dat wij de oude en geijkte verdeeling in vijf of zelfs vier soorten welbewust verzaken, en wel om deze redenen, dat zij, valsch in haar oorsprong, den leerling een groote waarheid verzwijgt, zonder welke hij het ware wezen der poëzie onmogelijk kán begrijpen, en die wij pogen samen te vatten wordt in deze woorden: ‘Alle poëzie, men heete ze nu lyrische of epische of beschrijvende of leerende of dramatische, is de vrucht, het voortbrengsel, niet van éen dezer afzonderlijk werkende faktoren, het gevoel óf de verbeelding, maar van beide te gelijk. Men heeft schoon te zeggen: tot éen klas van dichterlijke voortbrengselen behooren die gedichten, waarin de dichter zijn eigen innerlijke gedachten, gewaarwordingen, voorstellingen en denkbeelden uitdrukt; en men noemt deze poëzie de subjektieve; - schildert, beschrijft of verhaalt daarentegen de dichter, wat de buitenwereld in hem verwekt of wat in deze voorvalt: gebeurtenissen, feiten, dan heet deze poëzie de objektieve’ (van Moerkerken); - toch blijft het waar, dat het lyrische en het epische element, in het drama niet volkomen uitgesloten, ver van als afzonderlijke soorten gescheiden te blijven van elkander, voortdurend versmelten en dooreenloopen, en beide even werkdadig het hunne bijdragen tot wording evenzeer van de lyrische als van de epische gewrochten.’ Als men, de lyrische poëzie omschrijvend, de woorden voorstelling, gewaarwording gebruikt, legt men onrechtstreeks getuigenis af, dat de dichter, die gewaarwordingen of voorstellingen ontledend, in geestdrift bij het voorwerp daarvan verwijlt, dat hij dit voorwerp in bewondering beschouwt of het met verwante voorwerpen vergelijkt. Er zijn haast geen lyrische gedichten, waartoe noch het verhalend, noch het schilderend element iets bijdroegen. De liederen van Heinrich | |||||
[pagina 46]
| |||||
Heine, zelfs de allerkortste, nauwelijks vier regels groot, bewijzen dit uitnemend: - beeld werd bij hem elk gevoel, gevoel op zijn beurt elk beeld in zulke maat, dat de kritiek voor bewuste dichtstukjes een fonkelnieuw woord heeft uitgevonden, namelijk: Stimmungsbild. Vondels Wildzang, Starings Lentelied zijn hoofdzakelijk beschrijvend; Het daghet in den Oosten is in hoofdzaak een verhaal; in Lief Elsje van Potgieter zijn de zesde, zevende en achtste stroof verhalend. Toch zal niemand er aan denken, al deze stukken te rangschikken onder een anderen titel dan dezen: lyrische poëzie. Men leze in Goethe de stukjes: Gegenwart, Meeresstille, Mailied, Ein gleiches. Dit laatste vooral is leerrijk:
Ueber allen Gipfeln
ist Ruh.
In allen Wipfeln
spürest du
kaum einen Hauch.
Die Vögelein schweigen im Walde....
Warte nur, balde
ruhest du auch.
Duidelijk onderscheidt hier wel ieder, hoe harmonieus dit geheel dan ook zijn mag, het beschrijvende van het eigenlijk lyrische, van het sentimenteele, dat in deze acht regelen ligt. Doch zonder de twee laatste verzen is het overige geen gedicht, maar enkel een schilderij: zoo men wil de droge aanduiding van wat men op een schilderij zien kan; en zonder de zes eerste regels zijn de overige twee ook waardeloos. Eerst het geheel is een gedicht. Men kan zeggen, dat de poëzie in al haar uitingen een deel schildering, een deel beeld bevat; men zou kunnen zeggen: een plastiek rustpunt, waaromheen de hartstocht | |||||
[pagina 47]
| |||||
stijgt en daalt, dat het gevoel wettigt en het voor den eenvoudigen lezer bevattelijker maakt. En wat hier gezegd is van de lyrische poëzie, is insgelijks toepasselijk op de epische en de dramatische. Men getrooste zich de moeite, bij Vondel het tafereel van ‘den val der Engelen’ of de beschrijving van ‘het aardsch Paradijs’ in Lucifer; het verhaal ‘der inneming van Amsterdam’ of de samenspraak tusschen Gijsbrecht en Badeloch in Gijsbrecht van Amstel; - bij Bilderdijk den strijd tegen de reuzen in den Ondergang van de eerste Waereld -; in Shakespeare de ontboezeming van den ouden koning te midden van den vreeselijken storm op de hei in King Lear; in de Prometheus-trilogie van Aischulos de alleenspraak van den geboeiden Vuurroover; in Faust, I, de diep doordachte bespiegeling van Doctor Faust en zijn gesprek met Wagner op Paaschavond buiten de stad te herlezen, en men zal zich overtuigen, dat het lyrische element even innig en dikwijls versmelt met het epische en beschrijvende, als het epische of beschrijvende met het eigenlijk lyrische. Om al deze redenen blijft alleen het onderscheid tusschen epiek en lyriek gewettigd en logisch. Kiest de dichter tot stof, wat hij ziet en hoort in de groote wereld buiten zich zelf, dan is hij objektief en zijn poëzie vertoont een verhalend of beschrijvend karakter. Kiest hij integendeel tot stof, wat er omgaat in zijn eigen binnenst, de gewaarwordingen, welke de verschijnselen van die buitenwereld in hem veroorzaken, dan is hij subjektief en lyrisch. In het drama versmelten, maar in een anderen vorm, deze twee hoofdsoorten. Daar laat de dichter, wat geheel buiten hem gebeurde, opnieuw gebeuren ten behoeve van het volk. In plaats van te verhalen of te beschrijven laat hij twee of om het even hoeveel personen sprekend en handelend optreden, en ieder daarvan doet hij, zooals hij zelf het in eigen lyriek doen zou, uitzeggen den | |||||
[pagina 48]
| |||||
bizonderen indruk, dien de wereld en al wat tusschen de optredende personen en door hun toedoen of ook door het toedoen van anderen in de voorgestelde gebeurtenis plaats heeft, op zijn gemoed en verstand gemaakt heeft.
o Poëzie, hoe lieflijk is uw tred!
Waar gij de voeten zet,
daar wassen leliën en geuren
een regenboog van schoone kleuren
en hartverkwikkend kruid.
Vondel. | |||||
[pagina t.o. 49]
| |||||
![]() PERCY BYSSHE SHELLEY (1792-1822).
|
|