Carolina van Eldenberg. Eerste deel
(1811)–Petronella Moens–
[pagina 15]
| |
De Heer van Nieuwvlied aan den Heer Dalheim.Achtenswaardigste Vriend!
Nog kan ik mij niet aan uw afzijn gewennen; dagelijks is het, als of ik u nog te verwachten heb. Ik gevoel mij zoo eenzaam, zoo van de geheele wereld verlaten; en geen wonder; welk eene reeks van jaren leefde ik onder uw vaderlijk opzigt? Reeds als een opgroeijende Knaap vertrouwde ik aan u elke opkomende gedachten; uwe goedkeuring was de vleijende eereprijs, naar welken ik door geheel mijn gedrag streefde. Neen, geen Zoon kan meer verpligting aan den liefhebbensten Vader gevoelen, dan ik aan mijn' edelen Vriend dalheim, in wien ik den trouwhartigsten Vader wedervond, in wien ik den besten Vriend, die elke gewaarwording met mij deelde, bezat, en nog werkelijk bezit. Want geene scheiding immers kan uwe Vaderlijke liefde voor mij doen verkoelen, of de banden van onze geheiligde vriendschap losrukken. O! die vriendschap is de hemelsche Beschermgeest van mijne deugd, van mijne standvastige gehechtheid aan alles, wat gij, in overeenstemming met de inspraak van mijn hart, mij als goed en regt leerdet kennen. Ik gevoel het zoo duidelijk, dat, in spijt van den grootsten afstand, uwe vriendschap over elke neiging van mijne ziele waakt; en dit | |
[pagina 16]
| |
zoude zij doen, ook dan, wanneer de dood mij voor altijd van uwe zinnelijke tegenwoordigheid beroofde. Ook dan nog zoude ik mij waardig onzer hemelsche vrienschap trachten te gedragen, opdat ik eenmaal in het volmaakter leven, ook door uwe onderwijzende liefde, van kennis tot kennis, van zaligheid tot zaligheid moge opklimmen. Doch waarom zweeft de treurige gedachte aan den dood van mijnen Vriend, als zulk een donkere nacht-nevel, mij voor den geest? Zijt gij mij niet onlangs door de zorgende Voorzienigheid als van den rand des grafs terug gegeven? en leerde de ondervinding mij niet dagelijks, dat het sterfelijk leven, zoo wel in deszelfs jeugdige lente, als in deszelfs afgaanden herfst verwelkt? Ach! nog dezen morgen trof mij de begrafenis van eenen Jongeling, die voor weinige dagen nog de bloeijendste gezondheid genoot, en den hoogsten ouderdom scheen te belooven. Wankelende volgde de met zilveren haren versierde Vader het geliefde lijk, en zijn luid snikken doorsneed mij de ziel. Van verre volgde ik de lijkstaatsie naar het Dorps-Kerkhof; want ik bevind mij sedert een paar dagen op het bekoorlijk buitengoed van den Heer reinhart, welks uitgestrekt dennen-bosch aan het volkrijk en schoon gelegen Dorp V ... grenst. Ik zag de doodkist in het graf zinken; de magtelooze Grijsaard wrong de handen. ‘O Hemel! moest ik mijn' eenigen Zoon, die mij nog nooit een oogenblik bedroefde, die mij nog nooit anders dan vreugdetranen af- | |
[pagina 17]
| |
perste, overleven. Mijn Zoon! mijn Zoon! waarom ben ik niet in uwe plaats gestorven?’ - Zoo kermde de oude Man; en men had moeite, om hem terug te houden, toen hij zich met de eerste schop aarde, die op de doodkist neder plofte in het graf wilde storten. Diep geroerd, wandelde ik tusschen de graf-heuvelen rond, nog lang nadat eene doodsche stilte weêr op het kerkhof heerschte. Ik zette mij eindelijk neder in de schaduw van een' hoogen noote-boom; de lucht was donker bewolkt, en het was mij, als of de adem der Godheid, die de vernietiging, als strijdig met hare volmaaktheid, uit de natuur verbande, hier over het stof der dooden, met instandhoudende almagt zuisde. Ik dacht geheel alleen te zijn, en gaf mij aan den loop mijner gedachten over; doch welhaast deed eenig gerucht mij opzien; een bitter weenend Land-meisje, door hare Moeder vergezeld, trad naar het zoo even geslotene graf des Jongelings; zij droeg een rozeboomje, waaraan reeds verscheidene knopjes bloosden, in hare hand. Toen zij bij het graf gekomen was, scheen hare smart zich te verdubbelen; zij zonk aan de borst van hare Moeder, en klaagde, met eene door tranen gesmoorde stem, op de hartbrekenste wijze. Vervolgens plantte zij haar rozeboomje op het graf, knielde bij het zelve neder, scheen de aarde, waarop hare tranen vloeiden, te liefkozen, en zag telkens biddend naar den bewolkten Hemel. ‘Kom mijn Kind!’ - zeide de Moeder eindelijk - ‘laat | |
[pagina 18]
| |
ons gaan; gij hebt uw verlangen nu bevredigd, en uw boompje geplant. Dit stille graf kan u niet vertroosten.’ - ‘Wat kan mij vertroosten?’ - antwoordde het schreijende Meisje - ‘hij ligt daar immers, mijn Vriend! mijn Bruidegom! Van daag zoude ik zijne Echtgenoote geworden zijn. O! dat nu ook zijn graf voor mij het bruiloftsbed ware!’ Na eenige minuten luid geweend te hebben, vervolgde zij: ‘Zie, lieve Moeder! die rozeboom plantte hij, nu een paar weken geleden, op mijn' Verjaardag, daar ginds bij het beekje, waar ik zoo gaarne zat, en waar de goede johan mij, in elk vrij uur, zoo veel van de grootheid en wijsheid des Scheppers leerde opmerken.’‘Lieve anna!’ - zeide hij, toen ik hem voor het bloeijend roseboompje bedankte - ‘Lieve anna! tegen onzen Bruijloftsdag zullen die knopjes wel ontloken zijn; zij moeten dan uw' boezem versieren!’ - ‘Ach! ja lieve johan! de knopjes zijn ontloken, maar zij zullen op uw graf verwelken. Ach! hoort gij het Moeder? in plaats van ons bruilofts-gezang, rolt de donder nu over zijn graf. O! was dit ook het sterflied voor uwe ongelukkige anna!’ Het kostte der bedroefde Moeder veel, om het arme Meisje, dat door smart half krankzinnig scheen, het door haar zoo geliefde graf te doen verlaten. Ik had mij al dien tijd schuil gehouden, en de verscheurende zielenrouw geëerbiedigd; doch het zware opkomende onweder dwong mij, nu ook naar huis te spoeden. | |
[pagina 19]
| |
Vergeef mij deze uitweiding, beste Vriend! mijn hart was zoo vol van het geen ik gezien en gehoord heb, bij de rustplaats der dooden, dat ik het schrijvende in uwen boezen moest uitstorten. O ja! mijn Vriend! dat sterven, ook in den bloei der jeugd, heeft toch waarlijk veel nuttigs, veel troostelijks; het houdt de onbedagtzamen terug van een onbepaald vertrouwen op het tegenwoordige leven te vestigen; het doet elke jonge ziel, die hare ware bestemming gevoelt, de gelukkigste dagen des levens slechts als bloeijende beemden beschouwen, die de onsterfelijke mensch, gedurende zijne reis naar edeler Vaderland, vlugtig doortrekt. Maar ook het sterven van jonge lieden biedt de liefelijkste vertroosting aan jonge gevoelige harten, die al vroeg met het lijden bekend zijn, of die zich met de onafscheidbaarste banden aan waardige voorwerpen hebben vastgehecht. Indien de hoogste ouderdom alleen de grenspaal van ons leven moest zijn, o! welk eene droevige eeuwigheid zoude het leven dan niet schijnen voor den ongelukkigen jongeling, die overtuigd is, dat nooit de wensch van zijn hart zal vervuld worden. Welk eene droevige eeuwigheid zoude het leven niet schijnen voor het jong, onschuldige Meisje, dat in de lente van haar leven alle vooruitzigten op aardsch geluk met eenen ondoordringbaren nacht omtogen ziet? Beste, edelste Vriend! o! zoo ik leven moest, tot dat ik door ouderdom krachteloos in het graf zonk, o! hoe zouden uwe klimmende jaren mij alsdan be- | |
[pagina 20]
| |
droeven! met welk een moedeloos, treurend oog, zou ik dan uwe grijzende lokken beschouwen, die ik nu als den glorie-krans der wijze ondervinding eerbiedig; want deze zouden mij de gievendste scheiding voor eene reeks van droevige jaren verkondigen; maar de onzekerheid van het sterflot, en de zekere bewustheid, dat de hand des doods slechts de onzigtbare wereld voor ons ontsluit, bemoedigen nu het lijdende, het beminnende hart, en doen het grensperk des tegenwoordigen tijds, ondanks de donkere nevelen, die ons omringen, onophoudelijk in het verschiet blaauwen. De weg naar het graf, zou voor hem, wiens aardsche vreugde onherstelbaar verloren is, zich tot eene vreesselijke, eenzelvige lengte uitstrekken, wanneer het leven niet anders dan door ouderdom wegkwijnde; maar de onzekerheid des doods, die nu zoo weldadig om onze treden zweeft, breekt die eenzelvigheid rusteloos af, en verkort hier door den langen weg. Die onzekerheid toch vestigt onze weemoedig rondziende blikken onophoudelijk op de grafzerk, die slechts met elken dag, wat zeg ik? die slechts met elk uur, terug wijkt. Doch ik moet aan uw verlangen voldoen, en u het een en ander, mijne tegenwoordige omstandigheden betreffende, mededeelen. Dat ik uwe aankomst in het u uw zoo dierbaar Zwitserland, in welks bekoorlijke valeijen ik met u, mijnen vaderlijken Vriend, zoo vele reine, zachte genoegens heb gesmaakt, en op welks trotsche berg-toppen ik aan | |
[pagina 21]
| |
uwe zijde, als in de verhevenheid der natuur wegzinkende, de zuiverste lucht inademde, met de hartelijkste vreugde uit uw' laasten, mij zoo welkomen brief Ga naar voetnoot* vernam, kunt gij ligt begrijpen. Edele Vriend! o hoe gaarn had ik geantwoord op alle uwe vorige brieven, die gij, tot mijne geruststelling, uit de onderscheidene plaatsen geschreven hebt! doch volgens onze afspraak moest ik niet schrijven, zoo lang gij u niet op uwen geboortegrond, en in de armen van uwe Vrienden bevondt. Waarlijk! deze proef was voor mij zwaar; daar ik zoo gewoon ben, om alle mijne gewaarwordingen met u te deelen, moest ik die nu alleen in mijn hart opsluiten. Doch dit is misschien ook de reden, dat mijne gedachten heden zoo onbeteugeld op het papier vloeijen. Na dat wij u te S ..... verlaten hadden, mijn Vriend! zetten wij onze reis met verdubbelden spoed voort. van eldenberg was eerst voornemens, om nog eenigen tijd te Rome doortebrengen, en daar ik mij meer of min verbonden had, om zijn reisgenoot te zijn, en ook juist geene dringende haast had, zoude ik daar, zelfs met genoegen, vertoefd hebben; want schoon ik met mijnen vaderlijken Vriend al het merkwaardige van dat treffend overblijfsel der hooge oudheid heb gezien; schoon uw leerzaam onderwijs mij daar elk voorwerp met zoo vele oplettenheid heeft doen opmerken, toch scheen ik nog | |
[pagina 22]
| |
niet verzadigd te zijn van de beschouwing dier belangrijke streken, waar een volk, dat geheel Europa, als uit eenen woesten bajard, tot het bloeijendste wereld-deel schiep, eenmaal bestaan, en zich tot het toppunt van helden-grootheid verheven heeft. Het tegenwoordige Rome, slechts de misvormde bouwval der heerlijke Rijk-stad van augustus en van trajanus, boezemt mij droefgeestigheid in; terwijl mijn zoekend oog nog altijd den grond, waarop de edelste Helden, en de voor het menschdom nog dierbaarder Letter-grooten, opgewiegd zijn, eerbiedigt. Gewigtige veranderingen hebben ook omtrent het bestuur van Rome plaats. Toen ik mij met u in die Stad ophield, was zij nog de Hoofdstad van den Kerkelijken Staat; en de Opvolger van den Apostel petrus, gelijk hem het talrijk Pausgezind Kerkgenootschap noemt, praalde nog met de schaduw der Oppermogenheid; doch heden is Rome de tweede Stad in het Keizerrijk der Franschen, en aan het Opperhoofd der Catolieke Kerk is de wereldlijke Schepter ontnomen: eene gebeurtenis, waar over ik mij, schoon ik tot dat Kerkgenootschap behoorde, zeer wel zoude kunnen troosten; daar toch de wereldlijke magt geheel onderscheiden is van het besturen en uitbreiden der Godsdienstige gevoelens, waar toe immers eigenlijk de Opperhoofden der Kerk, in navolging van de Apostelen, bestemd zijn. petrus, de ijverige Vriend en geliefde Leerling van jezus, moge dan al Bisschop te Rome geweest zijn, voor- | |
[pagina 23]
| |
zeker heeft hij nooit naar eenige wereldlijke regering gestaan, wel wetende, dat het Koningrijk der waarheid en des vredes niet door wereldlijke heerschappij, maar door verlichting van het verstand en door veredeling van het gevoel moest gegrondvest worden. De tegenwoordige wereld toch was; of is nog niet rijp voor het genot der verheerlijkte menschen-wereld, waar van Hij, in wien de menschelijke natuur aan de hoogste zedelijke volkomenheid werd toegewijd, het Hoofd, of de door liefde heerschende Vorst is. Niets kan dus strijdiger zijn, in het oog van den weldenkenden Christen, tot welk Kerkgenootschap hij dan ook moge behoren, met den aard van het ware Christendom, dan dat een Opperhoofd der Kerk, of een Bisschop, aangesteld, gelijk de eerste Apostelen, om de schapen en lammeren des Heeren, of de naar waarheid zoekende zielen, die in de leer van jezus de reinste bron van zaligheid vinden, met herderlijke zorg te weiden: niets, zeg ik, kan zoo strijdig zijn met den aard van het ware Christendom, dan dat eene soortgelijke Bisschop zich de wereldlijke kroon op het hoofd zet, en den bisschopsstaf, dat zinnelijk teeken van herderlijke zorg, verwisselt met eenen schepter, of met een zwaard. Hoe vele Pausen van Rome zijn 'er niet geweest, die veel meer overeenkomst hadden met mahomed, en deszelfs Veldheeren, die door moord en verwoesting het geloof in den Koran hebben gevestigd, dan met de heilbe- | |
[pagina 24]
| |
doelende Gezanten of Apostelen van den goddelijken Menschenvriend jezus, die door liefdevolle overreding de dwalende zielen tot het licht der waarheid en tot de bronnen der zaligste vertroosting moesten geleiden. Menigwerf streden de Pauselijke legers tegen hunne Geloofsgenooten, en vestigden in het onderling geplengde bloed van jezus gemeente, den zetel der wereldlijke heerschappij. Wat zeg ik? de Pausen zelve, wier heiligste pligt het was, om alle belijders van hun Kerkgenootschap onzijdig lieftehebben, en met vaderlijke of herderlijke zorg te beschermen, verfden, als Helden gewapend, hunne handen met Christen-bloed. Wie vond in eenen julius den tweeden, in eenen sylvester den zesden, en in andere, strijdende op het bloedige slagveld, de zachtmoedige Herders van jezus lammeren? Wie vond in een' leo den Negenden, die de Noormannen, toen zij het Napolitaansche Rijk aan de zeekust vestigden, met geweld poogde te verdelgen, den algemeenen menschenvriend, gelijk petrus zich betoonde, die het voorbeeld van zijnen goddelijken Meester volgde, en zijn laatste bloed zoo gaarn voor het geluk der menschen wilde opofferen? Het hagel-wit, het prachtig opgetoomde paard, dat Napels jaarlijks aan den Paus van Rome als eene schatting pleeg te brengen, getuigde nog van het vredes verdrag, dat de zegevierende Noormannen, met het, door hun in den krijg gevangen Opperhoofd der Christelijke Kerk, vernederend genoeg voor dien geeste- | |
[pagina 25]
| |
lijken krijgsman, maakten. Doch al weder noodelooze uitweidingen, waar voor ik verschooning moet vragen, mijn Vriend! van eldenberg, door, ik weet niet, welke onrust, en ik geloof ook, door gebrek aan genoegzame wissels, waarom hij zijn' Vader gedurig schreef, voortgedreven, veranderde geheel van plan; nergens vertoefde hij langer, dan ten uiterste noodig was; wij vlogen van plaats tot plaats, even als of wij berigten, waar van het lot der Volken afhing, naar Holland moesten overbrengen. Ook hier in schikte ik mij naar den wensch van mijnen Reisgenoot. van eldenberg bezit, zonder eigenlijk mijn Vriend te zijn, een zonderling vermogen op mij. De oorspronkelijke goedheid van zijne natuur, vertoont zich nog zoo duidelijk, in spijt van zijne verwilderde denkwijs, dat hij waarlijk belang inboezemt. Gij waart het zelf, die mij het eerst dit jong mensch, met de hartelijkste deelneming, deed opmerken. Menigwerf hoorde ik u van hem zeggen: ‘Deze jongeling had een sieraad der menschheid kunnen worden; doch nu heeft de verleiding de zaden der ondeugd maar al te diep, vrees ik, in zijne ziel doen wortelen.’ Ach! ja, mijn waarde Vriend! de meer gemeenzame omgang, dien ik met van eldenberg had, zoo wel gedurende onze reis, als gedurende mijn tegenwoordig verblijf bij hem, overtuigt mij, dat alle edele grondbeginselen zijner van natuur schoone ziel jammerlijk verwoest zijn. finello, die door zijne | |
[pagina 26]
| |
woeste dapperheid zoo veel gerucht maakt, en dien wij in de laatste dagen, die wij te Napels doorbragten, door van eldenberg hebben leren kennen, heeft zich geheel van het vertrouwen des Jongelings meester gemaakt. van eldenberg is trotsch op de Vriendschap van dezen dollen Krijgsman; ook heeft hij al de begrippen omtrent eer en deugd, wat zeg ik? alle de valsche, de verachtelijke gevoelens omtrent God en Menschen, die door dezen woesteling gekoesterd worden, zich zelven opgedrongen. Ongelukkige van eldenberg! Ik denk aan hem met medelijden. O mijn beste Vriend! mijn dalheim! waar ik door den Vader van van eldenberg opgevoed, of aan mij zelven overgelaten, God weet, wat ook van mij zoude geworden zijn. Met welke heilige banden gevoel ik mij telkens nog meer aan u gehecht, brave, edele Man! aan wien ik veel meer dankbaarheid, dan zelfs aan een' Vader, verschuldigd ben! Natuurlijke aandrift toch dwingt elken Vader, om zijn kroost vatbaar te maken voor dat geen, het welk hij als waar geluk beschouwt. De godvruchtige Vader dus zoekt zijn kind, als door een ingeschapen instinkt voor godsdienst en deugd te vormen; maar gij, mijn Vader! gij naamt het verlatene, het vaderlooze knaapje, uit menschenliefde, uit Christelijke ontferming, als uwen Zoon aan, en geleidde het naa de bronnen des waren geluks. Eeuwig - eeuwig - zal ik u daar voor danken. Ook mijn vroeg gestorven Vader, die mij den vleijenden naam van Vader | |
[pagina 27]
| |
nog naauwelijks hoorde stamelen, toen hij de eeuwigheid moest insluimeren; en ach! ook mijne nog onlangs onsterfelijk gewordene Moeder, zullen u voor het behoud van hunnen eenigen Zoon, eeuwig danken. Neen, de Vader van van eldenberg heeft voor zeker nimmer gedacht aan den grooten pligt der zedelijke opvoeding van zijnen eduard. ‘De mensch’ - zegt hij - ‘is een vrij schepsel, en moet aan de natuur overgelaten worden; elke rigting, die aan de menschelijke neiging wordt gegeven, is eene vernederende keten, waar mede men den Heer der Schepping, als een' slaaf van dweepzucht of eigenzinnigheid, kluistert. Doch ik moet voortgaan. Ik zal u geen verhaal van onze vlugtige reis doen. Het is genoeg, wanneer ik zeg, dat wij, zonder den geringsten uitstap, den naasten weg door Frankrijk naar Holland namen, en dat wij reeds den vijftienden van Bloeimaand te A..... in Gelderland aankwamen. Ik had van eldenberg, op zijn dringend verzoek, beloofd, om eenige dagen aan het huis van zijn' Vader te zullen doorbrengen, en de voltrekking van zijn huwelijk bijtewonen; want dat hij zich verbonden had, om de Dochter van den getrouwsten Vriend zijns Vaders te huwen, had hij mij reeds te Napels gezegd; en ook, dat zijn Vader, nu de vastgestelde vier jaren na de verbindtenis tusschen de twee oude Vrienden gesloten, en ook na zijne verloving aan het Meisje, verloopen waren, ten sterkste op de voltrekking van | |
[pagina 28]
| |
dit huwelijk aandrong. Voor het overige sprak hij over zijne aanstaande Gade, en over zijn huwelijksleven, met de verachtelijkste ligtzinnigheid, die ik met mijne geheele ziel verfoeide. Geheel onverwacht kwamen wij aan het huis van den ouden Heer van eldenberg, waar wij toch met hartelijkheid werden ontvangen. De oude Heer heeft een eenigzins terugstootend voorkomen; ook schijnt hij koel en onverzettelijk; toch verzacht eene goedhartige welmeenendheid het meer of min ruwe in zijn karakter. Een bevallig, wel opgevoed Meisje, zijnde de Dochter van des ouden Heers van eldenbergs Zuster, woont bij hem; ook verwacht zij in het kort hare Moeder, die Weduw is. Voorts bestaat de huishouding uit een' ouden knecht, twee meiden en een paar vrij bedaagde jagthonden. emilia - dit is de naam der lieve vrolijke Nicht - ontving eduard met gulhartige blijschap, en sprak reeds bij de eerste ontmoeting, met eene soort van verrukking, van zijne Bruid, gelijk zij die noemde. Zij beschreef ons die waarlijk als een' Engel; doch emilia heeft geen woord te veel gezegd, mijn Vriend! eduard intusschen deed geen verlangen blijken, om, na vier jaren afzijns, de aan hem toegezegde geliefde weder te zien. Ik geloof zelfs, dat hij op alle mogelijke wijzen beproefd heeft, om zijn' Vader te bewegen, hem van deze verbindtenis te ontslaan. Hij moet zeker hoop gevoed hebben, om de verbindtenis, die reeds tusschen hem en carolina reinhart bestond, te kunnen ver- | |
[pagina 29]
| |
breken; doch doe dit zij, de oude Heer van eldenberg scheen over de verkoelde liefde van zijnen Zoon ten uiterste te onvreden, en na zich ruim een uur met zijn' Zoon in zijn kabinet te hebben opgesloten, scheen deze niets vuriger te wenschen, dan oogenblikkelijk het Meisje, dat aan hem, toen zij vijftien jaren oud was, hare hand en haar hart beloofde, als Echtgenoote te bezitten. Ik verwonderde mij wel over deze spoedige verandering, doch daar ik met eduard nooit regt vertrouwelijk ben, liet ik naauwelijks blijken, dat ik iets hier van had opgemerkt. Reeds den volgenden dag reden wij, de oude Heer, emilia, eduard en ik, naar het schoone en met smaak aangelegde Landgoed van den Heer reinhart, wiens eenige Dochter ik reeds in mijne verbeelding met innerlijk meedelijden, als het onschuldige offer van ouderlijke schikkingen, beschouwde. Nooit scheen ik zoo geheel in het Paradijs der gewijde en ongewijde Dichters overgevoerd te zijn, dan toen ik mij in Vredenburgs bloeijende beemden bevond, en de aandoenlijk schoone carolina, met de zachte, engelachtige majesteit der onschuld in gelaat en houding, ontmoette. eduard zelf scheen verrast door hare volkomen ontwikkelde schoonheid, of eigenlijk, zijne ziel scheen diep getroffen door hare wezenlijke voortreffelijkheid. Nog nooit was hij zoo edel in mijn oog, dan toen hij de eerbied en liefde inboezemende carolina geheel verteederd in zijne armen sloot, waar toe zij- | |
[pagina 30]
| |
ne betrekking op haar hem regt gaf. De zuiverste aandoeningen doorstroomden voorzeker zijne ziel, en eene mengeling van gevoelvolle vreugde en onderdrukten kommer sprak duidelijk in het drijvend oog der beminnelijke carolina. O mijn Vriend! welk een Meisje! Menigwerf genoot ik de bekoorlijkste oogenblikken, wanneer mijne verbeelding mij een ideaal van vrouwelijke volmaaktheid schiep. Edele grootheid, die geheel wegsmelt in de aanminnigste zachtheid; de weemoedigste teederheid, die zich tot zielbetooverende fierheid verheft; helderheid van geest, schuldelooze blijmoedigheid, liefelijk overschaduwd door die belangrijke aandoenlijkheid, die aan eene zoete droefgeestigheid grenst; - dit alles vereenigde zich in het beminnelijk ideaal, dat ik mij met de levendigste verwen vaak voor den geest tooverde: en ach! hoe vurig beminde ik dan dit geliefde kind mijner verbeelding! Ja, met pygmalion had ik gaarn willen bidden, dat goddelijke levenskracht mijn beeld mogt bezielen. Gij keurdet mijn spel met zulk een ideaal op de strengste wijze af, lieve, onderwijzende Vriend! omdat God maar zeldzaam over die, door ons geliefde droombeelden, het werkelijk bestaan ademt; en wij ons doorgaans in de werkelijke wereld, op de grievendste wijs te leur gesteld zien. Maar meer, oneindig meer, dan ik ooit aan mijn ideaal kon schenken, bestaat wezenlijk in de lieve carolina reinhart, in de Gade - ach! hoe kan ik dit schrijven? in de GAde van eduard, van den | |
[pagina 31]
| |
Man, die aan geene vrouwelijke deugd gelooft, die de engelen-reine ziel van carolina, en van eldenberg zijn gehuwd. Ik heb de bekoorlijkste onschuld zien opofferen. Ach! de onbesmetste deugd heb ik tot de diepste ellende zien veroordeelen. Met weerzin gaf ik mijne toestemming, om tot na de voltrekking van dit huwelijk aan het huis van van eldenberg te vertoeven. Gaarne, o! gaarne had ik het jammervol schouwspel willen ontvlieden; maar hoe kon ik dit? eduard weet, dat ik mijn vast verblijf in den Haag nog dezen zomer niet denk te nemen; ook weet hij, dat ik mij in deze streken nog eenigen tijd zal dienen op te houden; en behalve dit, scheen deelnemende vriendschap zoo wel, als het teederst medelijden, mij te kluisteren. Neen, carolina zal, noch kan ooit gelukkig zijn met een' Man, die de verhevenste liefde ontheiligt. Neen, hij bemint haar niet; hij wilde immers van zijne verbindtenis ontslagen zijn; en schoon het eerste wederzien der lieve schoone zijn hart tot edeler gevoel scheen te stemmen, al spoedig toch zag ik, dat eduard te veel aan woeste verstroojing verslaafd is, om voor het genot van ware genoegens meer vatbaar te zijn. Het huisselijk leven beschouwt hij als de doodelijkste zelfsverveling, en hij haakt reeds, - dit zegt hij openlijk - om zich in den Oceaan der Italiaansche vermaken schadeloos te | |
[pagina 32]
| |
gaan stellen voor de stijve, de eentoonige ingetogenheid, waar aan hij zich heden moet onderwerpen. De bruilofsdag, dien wij in de vorige week vierden, was een der treurigste dagen, dien ik immer beleefde. De huwelijks-plegtigheid werd te V... voltrokken. Vroeg in den morgenstond begaven eduard, zijn Vader en ik ons naar het bekoorlijk Landverblijf der lieve Bruid. Wij werden in een' schoonen Koepel, die op eenen vrij hoogen heuvel gebouwd is, en het betooverendste uitzigt heeft, met het ontbijt verwacht. carolina, hare anders blijgeestige Vriendin emilia en de eerbiedwekkende Heer reinhart ontvingen ons minzaam; doch een droefgeestige ernst sprak maar al te duidelijk in elken oogwenk. Stil en treurig verbeidden wij het oogenblik, waarop wij ons naar het Dorp zouden begeven. eduard zoo wel, als zijn Vader, had zich tegen alle plegtigheden, of betooning van bruilofts-vreugd verklaard. Men had daarom zoo veel mogelijk den tijd der huwelijks-voltrekking geheim gehouden; want voorzeker zouden de goedhartige Landlieden, die reinhart als hunnen weldoenden Vriend eerbiedigen en carolina als eenen zegenenden Engel beminnen, hunne dankbare liefde bij deze gelegenheid hebben doen blijken; doch zij waren misleid, en verwachtten den blijden feestdag eerst in het begin der volgende week. Nooit vergeet ik het aandoenlijk tijdstip, toen de achtenswaardige reinhart zijne bevende carolina in zijne armen sloot, terwijl de Dorps- | |
[pagina 33]
| |
klok het gewigtvolle uur aankondigde. Tranen blonken in zijn mannelijk oog. ‘eduard!’ - zeide hij met eene diep geroerde stem - ‘alles, alles, wat mij op aarde dierbaar is, omhels ik, en schenk ik u, in deze Lievelinge van mijn hart. Dit eenig kind was alles, wat mij overbleef, toen ik, als met het bloed mijner Vrienden bespat, de moordzucht ontvlugtte. Om haar alleen, beminde ik het leven; zij was tot op dit oogenblik de laatste wellust van mijne ziel. eduard! zijt gij voortaan haar beschermer, haar getrouwe Vriend; maak haar door uwe liefde gelukkig, opdat ik getroost moog sterven. Deze vaderlijke tranen pleiten voor u, mijne Kinderen! om den zegen des Almagtigen.’ - Hij kon niet meer, carolina snikte overluid, en klemde zich nog vaster aan de vaderlijke borst, als wilde zij zich daar verschuilen. eduard nam zwijgende hare hand, drukte die aan zijne lippen, en geleidde zijne weenende Bruid naar het wachtens rijtuig. O mijn vaderlijke Vriend! nooit was ik zoo te moede, als in dat oogenblik; het was als of de wereld voor mij verzonk; werktuigelijk breidde ik mijne armen uit, om de onschuldige carolina te behouden; voor haar zwoegde mijne borst. O had ik mij aan de voeten des wankelenden Grijsaards mogen nederwerpen, en geheel mijn leven, ach! mijn' laasten bloed-droppel voor het geluk van zijne Dochter mogen verpanden! Ik waag het niet mijnen toestand u te beschrijven. De Heer reinhart wilde, dat het huwelijk | |
[pagina 34]
| |
niet slechts op het Dorps-huis werd gesloten, het moest ook door den Predikant worden ingezegend. Lang hadden de van eldenbergs zich hier tegen verzet. Vader en Zoon toch hebben weinig op met Godsdienstige verrigtingen, en de maatschappelijke orde alleen gebiedt - volgens hunne denkwijs - de huwelijks-verbindtenis. Evenwel had men, uit toegevendheid voor den Heer reinhart en carolina, hier in bewilligd. emilia alleen had het huwend paar naar het Dorps-huis vergezeld; de beide oude Heeren en ik wandelden intusschen naar de Kerk, waar ons de achtenswaardige Leeraar, de Heer waarburg, reeds verwachtte. Al ras verschenen ook de jong gehuwden; carolina hing bleek en bevende aan den arm van eduard, die zich zelven geweld aandeed, om koel en onverschillig te schijnen, schoon hij telkens zijn onderdrukt gevoel verraadde. De beide Vaders wenschten hunne kinderen geluk; het kostte reinhart veel, om zijne aandoeningen te bedwingen. De Heer waarburg deed eene treffende aanspraak, die van den rijkdom van 'sMans verstand zoo wel, als van de edelheid van zijn hart getuigde. Hij schilderde de ware liefde tusschen twee reine zielen, als den gloed van het ongeschapen vuur, dat alle zedelijke krachten ontwikkelt, en dat het tijdelijke leven met de bloesem-knoppen der eeuwige vreugde versiert. De huwelijks-trouw teekende hij, als de weldadige voedsteres van de volkomenste aarsche zaligheid, die zich van wellust tot wellust verheft, en zich eindelijk in de goddelijke vriendschap der eeuwig blijde En- | |
[pagina 35]
| |
gelen verliest. Vervolgens las de Heer waarburg niet het gewone huwelijks-formulier, maar een voor verstand en gevoel zamengesteld voorschrift van heilige, onschendbare pligten, wier vervulling de trouwgenooten, in voor- en tegen-spoed, met goddelijke vergenoeging overschaduwt, en hun tot zegening der menschheid, als blijmoedige erfgenamen der eeuwige gelukzaligheid doet leven. eduard en carolina spraken nu ook de plegtigste trouw-belofte uit; beider handen, die reeds vereenigd waren, strengelden zich nog eenmaal in elkander, en de godvruchtige Leeraar smeekte den Alwetenden God, in wiens tegenwoordigheid de trouwgenooten hier neêrgeknield lagen, om zijnen zegen, en om het bestendig geluk der jonge Gelieven, die zich, onder zijn alziend oog, aan reine liefde en deugd tot elkanders heil verbonden. De storm mijner hartstogten was nu bedaard, het gebed des Leeraars had mij verteederd, en, met stille tranen der hoop en der gloeijende vriendschap in het oog, wenschte ik de nu vereenigden alles, wat mijne ziel immer voor geluk hield. De Heer waarburg, een paar Vrienden van den Heer reinhart en nog eenige Bloedverwanten van van eldenberg waren tot het middagmaal op Vredenburg genoodigd; doch ik geloof, dat wij alle ons verveelden; hijgende verlangde ik naar de eenzaamheid. De arme carolina vertoonde, ondanks de zielesmart, die zij niet kon verbergen, eene edele grootheid, die de liefdevolste achting inboezemt. eduard was beurtelings in zich zelven weggezonken, en tot woeste dartelheid toe vrolijk. | |
[pagina 36]
| |
De Heer waarburg is een edeldenkend mensch, hij boezemt mij al het vertrouwen der vriendschap in; hij is omtrent dertig jaren oud, ongehuwd, en de vreugd, de zegenende Vriend van zijne Gemeente. Ik bezoek hem dagelijks; want op dringend verzoek van den Heer reinhart en deszelfs Schoonzoon, slijt ik de schoonste dagen der allengs verdwijnende lente op Vredenburg. emilia is ook nog hier bij hare geliefde Vriendin; eduard zwerft rusteloos rond door geheel Gelderland, om alle de Vrienden zijner jeugd optezoeken; ook ontbreekt het hier niet aan vrolijke partijen, waar aan mijn hart toch weinig deel neemt. Vaarwel, geliefde Vriend! ik moet dezen sluiten; het is reeds nacht; rust gij in de schaduw van Gods beschermende liefde! Ik blijf uw beminnende Vriend,
w. van nieuwvlied. | |
Naschrift.Ik heb nog aan mijn verlangen, om het bekoorlijk Woudlust, aan de overzijde van de Waal, weder te zien, niet voldaan; van week tot week, heb ik dit uitgesteld; waarom? weet ik naauwelijks zelf. Dierbaar zijn mij voorzeker de tooneelen mijner kindsheid; maar zij zullen niet meer voor mij, door huisselijk geluk bezield zijn. Woudlust zal eenzaam en vreemd voor mij zijn. Met welk eene vurige drift hoopte ik, gedurende mijne reis, eens weêr naar die geliefde plek gronds heên te snellen, en de beste, de liefdevolste Moeder te omhelzen! Mij- | |
[pagina 37]
| |
ne verbeelding schilderde mij vaak met gloeijende verven dat gewenschte oogenblik. O! dan zag ik de teederste verrukking in het moederlijke oog, dat heilige vreugde-tranen des wederziens weende; maar die hoop is verijdeld; mijne sterfelijke oogen zullen de edele Vrouw niet wederzien; ik zal haar mijne dankbare liefde, mijne eerbiedige teederheid niet, gelijk weleer, in het vreedzaam huisselijk leven doen blijken. Doch de schoone zachte ziel der door wisseling beproefde Christene geniet nu de vreugde des beteren levens, waar toe zij zich hier had voorbereid. Ja! ja! ik moet naar Woudlust; ik zal daar de lievelings-plekjes mijner Moeder, met eenen weemoedigen wellust bezoeken. Ach! hoe menigwerf heeft de godvruchtige Vrouw daar om het geluk van haren Zoon, met een biddend hart, gewenscht. Ik zal elke plaats, waar gij, o mijn vaderlijke Vriend! het boek der Natuur ontsloot, en de afbeeldingen der goddelijke liefde, der onbegrensde almagt en der onbevatbare wijsheid, zoo diep in mijn gevoel drukte, met eerbied en blijde erkentenis beschouwen. O! dat ik mij nog eenmaal met u, op mijn' geboorte-grond, in het terugzien op mijne ontluikende kindsheid, kon verlustigen. Maar wat wensch ik? De dagen der jeugd zijn voorbijgegaan, gelijk geheel ons leven voorbijgaat. Doch in eene eeuwige jeugd leven wij eens het leven der verheerlijkte menschheid. Nogmaals vaarwel! - God zegene u, mijn Vriend! |
|