Jezus en de ziel
(1916)–Jan Luyken–
[pagina 19]
| |
[pagina 20]
| |
Op het III. Zinnebeeld.
| |
[pagina 21]
| |
Nu, gelijk wij hier uiterlijk vuur hebben, zoo is er ook een inwendig Geestelijk vuur, hetwelk is de natuur des eeuwigen Vaders; want de ziele is zelve een Magisch vuur, en het licht dat uit haar schijnt, is haar geest. En gelijk wij hier water zien, zoo is er ook een Geestelijk water wezenlijk, hetwelk is het water des eeuwigen levens, daar ons Christus op noodt, opdat ons zielevuur daarmede gelaafd zou worden. En gelijk als hier lucht is, zoo is er ook een inwendige lucht, welke is de H. Geest. En gelijk als wij hier Aarde hebben, zoo is er ook een inwendige Heilige Aarde, welke is de Goddelijke wezenheid die de eeuwige Wijdte vervult; die (al is zij schoon een Geest) dikker en begrijpelijkerGa naar voetnoot1) is als de klare Godheid. Uit deze H. Aarde wassen allerlei Boomen, Kruiden en Bloemen; niet dat men 't bij zulke dingen vergelijkt, maar wezenlijk; gelijk hier in deze wereld, maar niet zoo grof en begrijpelijk, en toch geformeerdGa naar voetnoot2) en met schoone verwen; het is alles Kracht. Op Hemelsche, Geestelijke wijze is het grijpelijk en smakelijk.Ga naar voetnoot3) Indien nu hier zulk een groote schoonheid en zoetigheid kan gevonden worden, in de dingen daar goed en kwaad onder elkander vermengd zijn, als een uitgeboorte of openbaring van het Rijk des Lichts en het Rijk der Duisternisse, wat zal het dan zijn ter plaatse daar het goede alleen maar openbaar is? De moeder en oorsprong van alle schoonheid en zoetigheid, tot welke ons God roept. Hij wil niet dat wij op het uiterlijke blijven rusten, maar dat wij daardoor verder gewezen worden, om de eeuwige schoonheid en zoetigheid te erlangenGa naar voetnoot4) | |
[pagina 22]
| |
De ziele vindt zich zelven.Toen ik des werelds heul verloor,
heb ik mij zelf in een Woestijn gevonden;
daar deed zich 't ijslijk Monster voor,
te zaam gezet van gruuw len en van zonden.
Nu zien wij 't hoog en diep verschil,
en hoe wij zijn het tegendeel des Heeren;
wij vinden vleesch en eigen wil,
die tegen God en zijnen wil begeeren.
Wij vinden Duivel, Hel en Dood,Ga naar voetnoot1)
en alles wat afgrijslijk is voor Gode.
Wat raad in deze hoogste nood?
Wij vinden 't zóó: Indien ons God niet noodde
en trok, wij dorsten nimmermeer
van schaamte voor zijn heilig aanschijn komen.
O wee! o ach! mijn God, mijn Heer!
Wat heeft de plaats des herten ingenomen!
De Oude Mensch, dat booze kind,
door 't regimentGa naar voetnoot2) der SterrenGa naar voetnoot3) voortgedreven,
is met den Duivel hoog bevrind;
dat zij er twee, die passenGa naar voetnoot4) op mijn leven.
Ach Slangentreder, staat mij bij!
Ik, arme Ziel, ik strijde voor uw eere;
ik voor mijn God en God voor mij;
zoo zullen wij den vijand nog braveeren.
| |
Goddelijk antwoord.Al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. Jesaja I : 18. |
|