Jezus en de ziel
(1916)–Jan Luyken–
[pagina 15]
| |
[pagina 16]
| |
Op het II. Zinnebeeld.
| |
[pagina 17]
| |
heid, maar gij zijt van deze wereld en verbreekt, doch ik leef in mijne WelGa naar voetnoot† eeuwig. Daarom ben ik veel edeler als gij. Gij leeft in eene grimmige Wel, maar ik wil mijn grimmige Wel in 't licht, in de eeuwige vreugde zetten. Mijn werken staan in kracht, en de uwe blijven in de figuurGa naar voetnoot1). Zoo ik eens van u ontslagen word, zoo neem ik u niet weder tot mijn Dier aan, maar mijn nieuwe lijfGa naar voetnoot2), hetwelk ik in u baar, in uwen diepsten wortel des heiligen ElementsGa naar voetnoot3). Ik wil uwe ruwe uitgeboorte der vier ElementenGa naar voetnoot4) niet meer hebben. De dood verslindt u, maar ik groen met mijn nieuwe lijf uit u als een bloem uit zijnen wortel. Ik wil u vergeten, want Gods heerlijkheid die u met de aarde vervloekte, heeft mijnen wortel in zijnen Zone weder ingelijfd, en mijn lijf wast in 't heilige Element voor God. Daarom zijt gij maar mijn wild Dier, dat mij alhier krenkt en plaagt, op 't welk de Duivel rijdt als op zijn vervloekt paard. En of u de Wereld bespot, dat acht ik niet, zij doet het om mijnentwille; zij kan mij toch niet zien, en kent mij ook niet. Waarom is zij dan alzoo dol? Zij kan mij niet vermoorden, want ik ben niet in haar.Ga naar voetnoot5) | |
[pagina 18]
| |
De Ziel betracht den Schepper uit de Schepselen.Ik zag de schoonheid, en de zoetheid aller dingen,
en sprak: Wat zijt gij schoon! Toen hoorde mijn gemoed:
Dat zijn wij ook; maar hij, van wien wij 't àl ontvingen,
is duizendmaal zoo schoon, en duizendmaal zoo zoet.
En dat zijt gij, mijn Lief! Zou ik u niet begeeren?
Is hier een Lelieblad op aard zoo blank en fijn,
wat moet, o eeuwig Goed, o aller dingen Heere,
wat moet de witheid van uw zuiverheid dan zijn!
Is 't Purper ook zoo schoon der Rozen die hier bloeien,
bedauwd met Paarlen, als de Morgenzon haar groet?
Hoe moet het Purper van uw Majesteit dan gloeien!
Ruikt hier een Violet zoo lieflijk en zoo zoet,
als 't Westewindje door de Hoven zacht gaat weiden,
zoo ik het menigmaal bij koelen morgen vond,
wat moet zich dan een reuk door 't Paradijs verspreiden,
zoo liefelijk vloeiende uit uw vriendelijken mond!
Is hier de Zon, gelijk een Bruidegom gerezen,
zoo schoon en blinkende op het hoogste van den dag?
Wat moet uw aangezicht dan klaar en helder wezen!
o God, mijn schoonste Lief! dat ik u eenmaal zag!
| |
Goddelijk antwoord.Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. |
|