prediken karakterloosheid. Als wij maar voet bij stuk houden, past ten slotte de tijd zich bij ons aan.
Men moet met zijn tijd meegaan! En als de tijd nu ergens heengaat waar ik bepaald niet wil belanden?
De lafste vorm van lafheid is de thans algemene vrees voor ‘ouderwets’ te worden aangezien. Een man met enig karakter moet altijd, ook al weet hij er geen reden voor aan te voeren, regelrecht tegen de mode van de dag durven ingaan.
Modern is hij die niets is en tot elke prijs iets wil lijken.
X, een vrije Amerikaan, opgevoed volgens de nieuwste werkwijzen, slaapt door middel van barbituur, waakt met behulp van dexedrine en kan niet leven zonder alcohol.
Het begint met de dorpssmid, een mens. Het eindigt met Ford, een moloch.
De mens gaat onder in zijn dood, de mensheid in haar techniek.
Het vraagstuk van de toekomst is niet: hoe kunnen wij de mens door robots vervangen, doch: hoe kunnen wij van de robots weer mensen maken.
Het begrip vooruitgang bezit alleen geldigheid op het gebied van de techniek. De gaskamer betekent een grote technische vooruitgang op de brandstapel.
De mens heeft in zijn mateloze zelfoverschatting zichzelf wijsgemaakt dat de techniek hem dienen zou. Maar de meester werd slaaf, de slaaf meester. En er is geen pad terug.
Wie spreekt van de wonderen der techniek overschat de techniek en beledigt het wonder.
Men praat mij te veel en te gunstig over het dynamische. Ik verkies het trage hart boven de dynamo.