‘Praatjes vullen geen gaatjes’, maar wel, helaas, vele, vele blaadjes.
Niemand kan denken en spreken tegelijk, iedereen doet alsof.
Lieden die geprezen worden, omdat zij zich ‘geheel weten te geven’ hebben meestal slechts weinig aan te bieden en na hun algehele gave zijn zij waardeloos geworden: wie heeft er nog belangstelling voor een lege dop?
Van de velen die ik niet vertrouw, vertrouw ik het minst de eenvoudigen, de openhartigen, de oprechten.
Openhartigheid wekt onmiddellijk mijn wantrouwen. Men is openhartig omdat men iets in het schild voert of omdat het hart niets bevat dat slot en grendel rechtvaardigt.
Gebruikt als bijvoeglijk naamwoord bij ‘karakters’, betekent open: leeg.
Een man uit één stuk moet zich met zichzelf dodelijk vervelen.
Een kinderlijk man is noch man noch kind.
Jovialiteit is de lafhartigste vorm van oppervlakkigheid.
Zij die boeiend en belangrijk zijn omdat zij iets verbergen, beschermen zichzelf door af te stoten. Al wie aantrekkelijk is bezit weinig of geen geheimen.
Timmeren en in het bijzonder aan de weg, maakt een hinderlijk lawaai.