Nachtschade
(1958)–Jan Greshoff–
[pagina 97]
| |
12.
| |
[pagina 98]
| |
Ik verfoei zowel natuur als onnatuur, omdat zij beide stijl missen.
Mijn hoofdbezwaar tegen de natuur: dat zij zo weinig natuurlijk is.
Ons is de poëzie geschonken om daarmede te voorzien in de ontelbare tekortkomingen der natuur.Ga naar voetnoot1)
De dichter is de mededinger van de natuur, hij schept een nieuwe wereld en biedt die zijn medemensen ter vergelijking aan. En deze vergelijking valt zelden ten gunste van de natuur uit.
Ik verbaas mij, als liefhebber van schilderijen, elke keer opnieuw over de armelijkheid van het landschap.
Voor alle sterke, persoonlijke schilders is het landschap een vijand, waar zij mee worstelen en die zij overwinnen moeten.
Wanneer men een landschap ziet nà het schilderij dat het verheerlijkt, is een bittere teleurstelling onvermijdelijk.
Het is de taak van de schilder de leugens van de natuur te ontmaskeren.
Het schilderij denkt er niet aan de natuur te weerspiegelen. Het schenkt zin en daardoor bestaansrecht aan de natuur.
Wanneer de natuur en een kunstwerk niet overeenstemmen, heeft uiteraard de natuur ongelijk.
De natuur doet in de volste zin des woords alles verkeerd. Het is de taak der kunstenaars, uit die knoeiboel te redden wat er, door de Vorm, nog te redden valt.
Het is weer eens mode om natuur boven beschaving te stellen, alsof zij een tegenstelling vormden. Beschaving is gezuiverde, veredelde, dat wil zeggen: gevormde natuur. | |
[pagina 99]
| |
Natuurlijke vormen zijn voorlopig en wachten op de kunstenaar om ze definitief te maken.
De kunstenaar maakt de natuur onnatuurlijk, stileert haar, om haar schoon en bestendig te maken.
Kunst is geen natuur en geen weergave van natuur, doch bovennatuurlijke onnatuur.
De toeschouwer ziet de natuur, de schilder maakt natuur juist als hij van de natuur afwijkt.
Jacob Maris placht te zeggen: ik heb weer eens een opdonder van de natuur gehad. De schilder van nu zegt: ik heb de natuur weer een opdonder gegeven.
De natuur is zo arm dat wij zouden sterven van verveling, indien wij niet in staat waren door middel van onze verbeelding voor de nodige afwisseling te zorgen.
De werkelijkheid is altijd een teleurstelling voor wie verbeelding bezit.
De werkelijkheid wordt pas in het kunstwerk waar.
Hij die de wereld voor werkelijkheid aanziet, wordt realist genoemd. De idealist is hij, die werkelijkheid achter de wereld ontdekt.
De realist woont niet in de werkelijkheid, doch bereist die als een toerist.
Er moet een baaierd zijn om te kunnen scheppen.
Wie de natuur wil doen herkennen, moet haar onherkenbaar maken.
Wie in het landschap een harmonie meent te ontdekken is al te bescheiden. De harmonie is in hem. Wat hij bewondert is zichzélf. | |
[pagina 100]
| |
Eerst strijdt de mens om zich meester te maken van de natuur om hem, daarna van de natuur in hem. En als hij dan eindelijk overwonnen heeft is hij, door zijn overwinning, geen mens meer.
Hoe kan men naar zuiverheid hunkeren en de natuur niet vervloeken?
Alléén een werkelijk belangrijk en zuiver man kan zich de weelde veroorloven natuurlijk te zijn. De anderen moeten zichzelf en de omstanders iets wijsmaken om hun natuur te verbergen.
Slecht zijn is onze natuurlijke staat; goed zijn de overwinning daarvan door de geest.
Als de natuur werkelijk zo goed, zo heerlijk, zo begeerlijk was als de natuurvrienden het doen voorkomen, zouden kinderen niet zo wreed, sluw, zelfzuchtig zijn en dat op een ongezochte en bekoorlijke wijze.
Volwassenheid is een zaak des geestes. De natuur blijft altijd onvolwassen.
Men moet kiezen tussen natuur en moraal. In het eerste geval maakt men zich onmogelijk voor zijn medemensen, in het tweede voor zichzelf. |
|