Nachtschade
(1958)–Jan Greshoff–
[pagina 93]
| |
11.
| |
[pagina 94]
| |
van de bijkomstigheden weet te scheiden. Dan komt de dichter, kiest de bijkomstigheden als rijkdom voor zijn leven en gooit de hoofdzaken met de burger op de belt.
De burger vereenzelvigt werkelijkheid en waarheid, voor de dichter vormen zij de tegenstelling waar hij op leeft.
Het doet mij genoegen dat dichters ànders sterven dan burgers: de burger laat zijn geld, de dichter zijn stem achter.
De burger wordt het duidelijkst gekenmerkt door zijn houding tegenover iedere tekst, welke zijn begrip te boven gaat. Het is hem altijd onmogelijk zich bij zijn eigen beperking neer te leggen en daarom verklaart hij, liefst zo luid en brutaal mogelijk, de schrijver ervan voor gek. De dichter toont eerbied voor al wat hij niet begrijpt, omdat hij er gans van doordrongen is, dat het wezenlijke altijd buiten ons begrip valt.
De burger zegt: dit is geen gedicht, want het is volkomen onbegrijpelijk. De dichter zegt: dit is geen gedicht, want het is volkomen begrijpelijk.Ga naar voetnoot1)
Men veracht, miskent of onderschat de schoonheid alleen uit ergernis over het besef dat men erbuiten gesloten blijft.
De burgerij wreekt haar onbegrip inzake kunst altijd en hartstochtelijk op de kunstenaars.
Voor de minne man is het ondenkbaar dat men succes en géén talent kan hebben.
De zelfoverschatting van de ‘common man’ als toeschouwer kent geen grenzen. Hij verkondigt zonder bewijs: mijn wereld is dé wereld.
De burger kan zich met een groot gevoel belachelijk, de dichter met een klein onsterfelijk maken. | |
[pagina 95]
| |
De gezeten burger spreekt immer met een afkeer uit angst geboren over een man die een dubbelleven leidt. Vandaar zijn onzekerheid tegenover dichters, want die doen dat altijd en met welbehagen.
De burger maakt zich het belachelijkst door zijn vrees voor de belachelijkheid.
Voor de burger is de wereld alles en hij maakt er niets van, voor de dichter is de wereld niets en hij maakt er alles van.
De kunstenaar vormt de wereld naar zijn denkbeelden, de burger vormt zijn denkbeelden naar de wereld.
De burger wil vooruitgaan. Ik bekommer mij niet om richting. Het is mij voldoende dat ik ga, en als ik stilsta ga ik nog.
Een dichter is in staat een burger op zijn juiste waarde te schatten. Het omgekeerde behoort tot de volstrekte onmogelijkheden.
Het verschil tussen een dichter en een notaris ligt hierin, dat de notaris zo nu en dan ophoudt notaris te zijn. De dichter echter is altijd dichter; ook als hij slaapt, juist als hij slaapt.
Wanneer een dichter ‘ik’ zegt, zien wij huiverend en gespannen naar hem op; wanneer een dwaas ‘ik’ zegt, wordt er rondom zachtjes gelachen; wanneer de burger ‘ik’ zegt, wendt een ieder zich af alsof er een riool opengegooid wordt.
Het spreekt, de ‘heren’ kennende, vanzelf, dat een kunstenaar zich gevleid voelt, wanneer hij zijn naam zonder ‘heer’ ervoor gedrukt ziet.
De tegenstelling dichter-burger komt het duidelijkst tot uiting in het feit dat des burgers zekerheden voor een dichter het toppunt van onzekerheid vormen. Het omgekeerde gaat niet op. Omdat een dichter geen zekerheden bezit. | |
[pagina 96]
| |
Het slechte geweten van de burger verraadt zich onherroepelijk in zijn gehechtheid aan de moraal.
De burger ontleent zijn zekerheid aan het besef dat hij aan zijn medeburgers gelijk is. De dichter ontleent zijn onzekerheid aan het besef dat hij niets wezenlijks met hen gemeen heeft.
Hoezeer de burgerman verheffing vreest, blijkt wel heel duidelijk uit de lof, besloten in de aanduiding dat ‘iemand met beide poten op de aarde staat’. Hoe lofwaardig is de koe, die er vier heeft om dat te doen.
De gemeenplaats is voor de burger, wat de zwemblaas voor de vis is: hij houdt er zich drijvende en in evenwicht mede.
Wat de burgerij ernst noemt is in werkelijkheid aderverkalking.
De geestelijke en morele herbewapening, hernieuwd zelfbewustzijn van het botste burgerdom, dwingt ons tot geestelijke en morele dienstweigering.
Het woord burger is een diep gat in de grond, dat wij gebruiken om er al ons vuil en onze afval in uit te storten.
Men moet burger zijn om de burgerij zo te kennen dat men haar naar behoren verachten kan.
Wanneer een burger van een medeburger beweert: hij is eindelijk verstandig geworden, wil dat zeggen dat deze ‘hij’ vrijwillig of onder dwang, afstand heeft gedaan van àl zijn kansen op geluk.
Ik heb een zwak voor dronken dichters, een afschuw van bezopen burgers. |
|