Nachtschade
(1958)–Jan Greshoff–
[pagina 87]
| |
10.
| |
[pagina 88]
| |
geeft de toestand juist weer. De harp kent de wind evenmin, als de dichter de drift die zich van hem bedient om klinkend te worden.
Het noodlot van de dichter schuilt in zijn opdracht: het onnoembare te noemen.
De dichter, dichtende, kent zichzelf niet. Van vrij man werd hij slaaf.
Dichter-zijn is geen beroep, geen bezigheid, geen roeping: het is een toestand.
De buitenstaander denkt van de dichter: hij had wat te zeggen en daarom schreef hij zijn gedicht. De dichter weet wel beter. Hij schreef, omdat hij schrijven moest en achteraf bleek hem, tot zijn grote verbazing, dat hij iets te zeggen had.
De dichter ontdekt zichzelf in zijn gedicht.
Men moet timmeren of getimmerd hebben om de naam van timmerman te verwerven. Doch men kan dichter zijn zonder er ooit aan gedacht te hebben een gedicht te maken.
De dichter wenst niet en gebiedt niet. Hij spreekt een woord uit, rustig en eenvoudig, en daardoor alleen heeft er een wezenlijke verandering plaats in het bestaan van allen die in staat zijn hem te horen.
Geduld is de eerste en laatste deugd van de dichter: hij verdoet zijn leven wachtende op enkele ogenblikken.
Alleen dichters werken, andere personen hebben bezigheden.
De dichter verricht ernstige werkzaamheden spelenderwijs, de burger wijdt zich aan zinledige bezigheden met een dodelijke ernst.Ga naar voetnoot1) | |
[pagina 89]
| |
Het doel van de dichter, voor zoverre er bij dichten van een doel sprake kan zijn, is het mogelijk maken van onmogelijkheden.
De dichter toont zijn almacht telkens wanneer hij het onmogelijke mogelijk, het ongerijmde waar maakt.
De barre onverschilligheid van de overheid voor de dichter weegt juist op tegen de diepe minachting van de dichter voor de overheid.
Een dichter die zich in de politiek begeeft, is als een aartsengel die uit louter baldadigheid met zijn wieken de riolen reinigt.
De stilte kan alleen spreken als de dichter haar stem wil zijn.
Men kan geen twee vrouwen, de wereld en de muze, dienen.
Men kan inderdaad van woorden projectielen maken. De dichter gebruikt ze als brandbommen, de politicus als stinkbommen.
Waar het om te doen is, spreekt de dichter niet uit in woorden, maar in de atmosfeer die hij om die woorden schept.
Men verwijt de dichter dat hij onwerelds is; ik verwijt de wereld dat zij ondichterlijk is.
De dichter kan zich in een ongerijmde wereld slechts op twee wijzen staande houden: als kluizenaar of als komediant.
Evenmin als er halfgoden bestaan, bestaan er halfdichters.
Dezelfde zuinigheid, die de burger welgesteld maakt, maakt de dichter arm.
De dichter moet zijn leven verarmen om zijn droom te verrijken.
Des burgers wijsheid leert: ‘de zaak gaat vóór het meisje’. De | |
[pagina 90]
| |
dichter antwoordt: ‘eerst komt het meisje, daarna het meisje, dan een reeks andere meisjes en dan de zaak nog lang niet’. Is het een wonder dat dichters en burgers elkander over en weer niet zetten kunnen?
De dichter is alleen nuttig als nietsnut. Nuttige dichters zijn niet nuttig en geen dichters.
Hij die een gedicht schreef, onderscheidt zich voor het hem opeiste en nadat het hem weer vrijstelde, in niets van zijn medeburgers.
De dichter behoort niet tot een hogere orde, maar tot een andere orde.
Het gedicht dwingt de dichter, voor de tijd dat hij aan het gedicht werkt, een volkomen ander mens te zijn.
De dichter is inderdaad óók een mens; doch de burger is niets ànders dan dat.
Inderdaad: de dichter is in laatste aanleg een gewoon mens. Maar zij die zich gewone mensen noemen zijn het niet. Zij behoren tot een stadium, voorafgaande aan de menswaardigheid.
Men tracht mij wijs te maken, dat het ‘épater les bourgeois’ uit de mode is en dat de dichter wel wat anders te doen heeft dan de middenstand te ergeren. Maar ik begrijp niet hoe het voor enig dichter mogelijk is de middenstand niet te ergeren. Als hem dit lukt is hij geen dichter.
De natuurlijke en lofwaardige behoefte om zich van de Nette Personen te onderscheiden, groeit soms zo sterk aan, dat een misdaad niet meer te vermijden valt: niet iedereen kan dichter worden. Vandaar dat de dichters over het algemeen zich meer tot de veroordeelden dan tot de rechters aangetrokken voelen.
De dichter rekent niet met jaartallen en heiligedagen. Voor hem gelden alleen Sint Juttemis en het jaar nul. | |
[pagina 91]
| |
De dichter is de énige mens, ooit uit de gevangenis Tijd ontsnapt.
Voor de dichter zijn verleden en toekomst tegenwoordige tijd.
Het is mogelijk dat een geleerde zich gevleid voelt, wanneer hij een licht genoemd wordt; wil men een dichter prijzen en plezier doen, zo noeme men hem een diepe, warme duisternis.
De dichter, als het hem meeloopt en hij zijn doel bereikt, vindt een nieuw geluk uit; de technicus een waterstofbom.
Ik maak mij niet ernstig bezorgd over de uitbreiding van het mechaniek. Zolang er geen dichtmachine bestaat, blijft mijn wereld onbereikbaar voor de machinisten.
Een oprecht dichter schrijft nog immer met een ganzeveder, ook al gebruikt hij een remington. De remington door hem gebruikt, wordt ganzeveder. Dat is het wonder van transsubstantiatie.
Ik stel belang in dichters die door de achterlijken als gevaarlijke nieuwlichters, door de jagers op ijdele hedendaagsheid als hopeloos achterlijk beschouwd worden.
De gruwelijkste dwingeland en de wreedste raison d'état zijn wonderen van vriendelijkheid en toegeeflijkheid vergeleken bij de muze.
De dichter is de enige man die men verheerlijken moet omdat hij spréékt voor hij denkt.
Alleen de dichter weet waar het leed goed voor is: voor zijn werk.
Als de dichter de gemeenschap verheerlijkt doet hij dat - als hij een dichter en zijn gedicht goed is, als individu, dus op individuele wijze.
De aartsvijand der dichters is de fabrikant, wiens bestaan is | |
[pagina 92]
| |
gegrondvest op aantal en gelijkvormigheid, de twee gegevens, die zij het hartgrondigst verafschuwen.
De veelgeprezen werkelijkheidszin heb ik in mijn leven alleen bij dichters ontmoet. Ambtenaren en handelaren bleken nooit te weten wat de werkelijkheid was en waar zij haar zoeken moesten.
Vroeger werd de geschiedenis geschreven door dichters. De wetenschappelijke geschiedschrijvers van thans zijn gevallen engelen.
Een architect kan geen dichter zijn, maar ieder dichter is architect. Van luchtkastelen.
De staatslieden betrekken God altijd in twijfelachtige ondernemingen. De dichters alleen maken hem deelgenoot in zaken hem waardig.
De denker verovert zich een wereld, de dichter schept een wereld.
Een congres van dichters lijkt als twee druppels water op een vogelmarkt. De staat bevordert zulke ondernemingen omdat zij een onwederstaanbare voorkeur voor dichters in kooien heeft. |
|