De poëzie is de enige mogelijkheid om de mens, niet te doen begrijpen, maar te doen vermóéden wat het absolute is.
Slechte poëzie is vergezocht en niet gevonden, goede is vèrgevonden en niet gezocht.
‘Wie zoekt zal vinden’, heet het in de wereld. In het rijk der muzen heeft alleen hij die zich angstvallig van het zoeken onthoudt, de kans iets te vinden.
Alle goede poëzie is doorzichtig, omdat wij moeten zien wat er zich achter het gedicht verschuilt.
De komiek Victor Borge vertelde van een dokter die het geneesmiddel toebereidde waar nog geen kwaal voor gevonden was. Dit geneesmiddel noemen wij allang: poëzie.
Poëzie kan voor iemand een steun-in-het-leven zijn, omdat ze altijd ontreddering teweeg brengt.
De afkeer van poëzie heeft ten opzichte van de ziel hetzelfde gevolg als watervrees voor het lijf: algehele vervuiling.
Poëzie heeft geen doel. Maar als zij een doel had, zou het geen ander kunnen zijn dan ons te overtuigen van de heiligheid en de heerlijkheid van de Angst.
Men kan met oude, troebele, bezoedelde woorden soms wel een luchtig liedje maken. Maar de duistere poëzie eist onherroepelijk het kristalheldere woord.
Zingend verdriet wordt poëzie, zingend plezier café-chantant.
‘En rekent d'uitslag niet, maar telt het doel alleen.’ Hieruit blijkt de tegenstelling tussen zedeleer en kunst. In poëzie zijn de goede bedoelingen niets, de uitslag alles.
Poëzie is onzin, zegt Droogstoppel, die niet vermoedt dat poëzie alleen zin heeft als zij onzin is.