Nachtschade
(1958)–Jan Greshoff–
[pagina 65]
| |
6.
| |
[pagina 66]
| |
Bij een erkend begrijpelijke dichter staan wij voor twee mogelijkheden: hij is slechts in schijn begrijpelijk of hij is geen dichter.
Waarom zou men er in 's hemelsnaam naar streven om begrepen te worden? Onze begrijper ontdekt in ons toch alleen zichzelf.
De ijdele warhoofden die een bepaald dichtwerk als onbegrijpelijk afwijzen, beseffen blijkbaar niet dat de onbegrijpelijkheid tot het wezen van het wonder behoort.
Wie spreekt over het begrijpen van poëzie, begrijpt niet waar het in de poëzie om te doen is. Een wonder houdt op te bestaan, zodra het begrepen wordt.
Poëzie, het enige middel om wat buiten ons kenvermogen ligt waarneembaar te maken, is een wonder voor de maker als voor de lezer. Daarom moet men de dichter nooit een verklaring van zijn verzen vragen. Hij heeft dan slechts de keuze tussen zwijgen en liegen.
Openbaring sluit begrip, begrip openbaring uit.
De dichter begrijpt niets en alles. De technicus begrijpt alles en niets.
Wanneer men een betekenis zoekt achter ieder kunstwerk, toont men zijn onbegrip en doet de kunst onrecht. Het kunstwerk bestaat en de betekenis ervan vereenzelvigt zich met dat bestaan.
Het begrijpen deed de was smelten waarmede de vleugels aan Ikaros' smalle schouders bevestigd waren.
Zij die begrip a prima vista eisen, willen tegen alle wetten van natuur en zedeleer in, een genot zonder daarvoor, op welke wijze dan ook, te betalen.
Wanneer iemand zegt, naar aanleiding van enig werk van | |
[pagina 67]
| |
kunst: dit is onbegrijpelijk, bedoelt hij alleen maar dat hij het, op het ogenblik van zijn uitlating, niet begrijpt en dat zijn eigen waan hem noopt aan te nemen dat al wat hij niet bevatten kan, door niemand bevat kan worden.
Het niet-begrijpen is een besmettelijke ziekte, voortspruitende uit geestelijke luiheid.
Een kunstwerk dat uitleg behoeft, is mislukt of onvoltooid. Al wat geslaagd en voleindigd is, spreekt vanzelf, voor zichzelf.
Niemand kan verklaren wat onklaar is.
Er zijn tal van gedichten (schilderijen, muziekstukken) welke men verklaren kan zonder ze te begrijpen, terwijl de ingewijden het verschijnsel poëzie begrijpen, zonder het te kunnen verklaren.
Het begrijpen van het onbegrijpelijke is kinderwerk en overbodig. Als wij het over enige kunstvorm hebben, is het te doen om het begrijpen van het onbegrijpelijke.
Uit de moedwillige verwarring van onbegrijpelijk-zijn en niet begrepen-worden spruit het misverstand voort, dat onoplosbaar is alleen door de onwil (of de onmacht) van de lezer, hoorder, toeschouwer.
Een geschilderd portret waar een ieder de gelijkenis in prijst kan niet gelijkend zijn. Een schilder van gelijkende portretten schildert de gezamenlijke wensdromen van zijn model, diens verwanten en vrienden. Hij ziet de man tegenover hem zoals een ieder die ziet. De meester echter schildert hem zoals niemand anders dan juist hij hem ooit zien kan.
Wie alleen maar kijkt, ziet niets. Wie op de goede wijze kijkt, ziet in een voorstelling een abstractie en in een abstractie een voorstelling.
De schilders van de schijn zijn schijnschilders. | |
[pagina 68]
| |
Wij hebben geen schilder nodig om weer te geven wat wij met eigen ogen zien, doch om ons een werkelijkheid te openbaren die zonder zijn bemiddeling onzichtbaar voor ons zou blijven.
Het is de taak van de schilder niet weer te geven wat hij ziet, maar het onzichtbare, zichzelf, zichtbaar te maken.
‘Realisten’ zijn gevelmensen in een gevelwereld.
Wij eisen van de schilder dat hij schildert wat wij zien. Hij eist van ons dat wij zien wat hij schildert. Dit misverstand wordt zelden opgehelderd.
Het realistische schilderij is een verhandeling, het abstracte een formule.
Zij die zich kenners noemen, zijn eenparig van oordeel dat elk schilderij een voorstelling van de natuur moet zijn. Maar zij zijn niet in staat een juiste en volledige bepaling te vertrekken van de begrippen ‘voorstelling’ en ‘natuur’.Ga naar voetnoot1)
Kunstwaardering leidt licht tot vrijmetselarij. De ingewijden in Valéry, de getrouwen van Rouault vormen een loge met herkenningstekens en een geheime code.
Er zijn gewone leken en leken die zich voor hun leek-zijn schamen. Deze noemt men deskundigen.
Het is het noodlot van de schilders dat de ‘kenners’ uitsluitend belang stellen in de slechte schilderijen die zij geschilderd zouden hebben, als zij schilderen konden.
Het zogenoemde ‘mistekenen’ bewijst eens kunstenaars oppermacht, wanneer het niet diens onmacht openbaart.
Het bewijst onmacht en armoede zo men een faun moet aanvoeren om een panisch levensgevoel te schilderen. | |
[pagina 69]
| |
De aanwezigheid of de afwezigheid van een voorstelling verandert niets aan de waarde en de rangschikking der gegevens waar ieder betamelijk schilderij op berust: kleur, richting, samenhang, evenwicht, ritme. Het is altijd te doen om het onzichtbare achter het zichtbare.
De abstracte kunst is de eerste doelbewuste poging het onverbeeldbare te verbeelden.
De abstracte kunst duldt geen halve maatregelen. Wie abstract zegt, zegt volstrekt.
Het werk dat aanvankelijk gehoond, later verheerlijkt wordt, is, reeds lang vastgelegd, in wezen noch verschijning veranderd. Veranderd is alleen: meestal de goede trouw, soms ook het begripsvermogen van de zogenaamde kenners.
De dweepzieke overschatting van Van Gogh is een veel bedroevender teken dan de hoon en het onbegrip die eraan voorafgingen.
Het ontbreekt hen die zich opwerpen als minnaars der schone kunsten dikwijls, ja vrijwel altijd aan de onvermijdelijke voorwaarde tot begrip: nederigheid. |
|