Nachtschade
(1958)–Jan Greshoff–
[pagina 59]
| |
5.
| |
[pagina 60]
| |
Er zijn twee soorten aardewerk. Het ene gebruikt men, het andere wordt te pronk gezet. Er zijn twee soorten letterkunde: met de ene leeft men, de andere bewondert men.
In Frankrijk zijn, naar ik las, te weinig dokters, te veel kwakzalvers. In de kunsten is het omgekeerd: te veel gediplomeerden, te weinig ingewijden.
Zij die alles bewonderen, bewonderen niets.
Hij die niet in staat is op zijn tijd van kitsch te genieten, geniet ook niet wèrkelijk van de zogenaamde Hoge Kunst.
Het leven krijgt pas zin door de vorm waarin een kunstenaar het zichzelf en ons bewust maakt. Alle ongevormde leven is zinneloos. De werkelijkheid is altijd ongevormd leven.
Kunstenaars hebben wanorde nodig om die orde te kunnen herscheppen.
De kunstenaar ontleent niets aan de wereld, hij voegt er iets aan toe.
Scheppen bewijst dat men het reeds geschapene onvoldoende acht.
De kunstenaar heeft, toen hij van werkelijkheid verbeelding maakte, de redeloosheid van de wereld omgezet in de rede van het kunstwerk.Ga naar voetnoot1)
Het belangrijkste is niet denkbeelden hebben, doch ze zinrijk en sierlijk weten te schikken.
Het is niet de kunstenaar die de werkelijkheid, doch de werkelijkheid die de kunstenaar vervormt.
Als een kunstenaar de verwarde wereld waar hij in leeft, weer- | |
[pagina 61]
| |
geeft, is de einduitslag toch altijd een orde: gestileerde verwarring, ordelijke wanorde.
De kunstenaars bewijzen God de grootst denkbare dienst door het hem mogelijk te maken zich in hen te openbaren.
Men spreekt te gaarne Gide na over ‘Gods aandeel’ in het tot stand komen van een kunstwerk. Het is de kunstenaar die God dwingt een aandeel in zijn werk te nemen.
Iedere kunstenaar is tot levenslange celstraf veroordeeld. De muren van zijn cel, de zoldering en de vloer daarvan, worden gevormd door de betonnen domheid van zijn tijdgenoten.
In een wereld van compromissen is de Kunstenaar, uit zijn aard, de Spelbreker.
Er kunnen geen gelukkige kunstenaars bestaan. Zij betalen immers hun kunstenaarschap met hun geluk.
Kunst eist een bittere tucht, vandaar dat de kunstenaar geneigd is zich aan de maatschappelijke orde te onttrekken. Twee disciplines is te veel voor één mens.
Een kunstenaar betuigt zijn liefde aan de mensheid door zijn zelfzucht.
Men kan een kunstenaar alleen maar een fooi geven: hij heeft geen recht op iets hoegenaamd en wat hij ontvangt is, al ware het een miljoen, altijd te weinig.
In de schone kunsten wordt de ijver immer gestraft.
Welslagen in de kunst wordt mogelijk door mislukking in het leven.
Wie op beton vertrouwt, grondvest zijn leven op het vergankelijke; hij die hunkert naar duur, kiest een strofe of een melodie als fundament. | |
[pagina 62]
| |
Goede schilderijen, ook al noemt men ze landschap of stilleven, zijn immer zelfportretten.
Het is de taak der kunstenaars, slapende honden wakker te maken.
Het onbenul maakt van een wereldramp een wissewasje, het genie van de glimlach van een kind een wereldgebeurtenis.
De kunstenaar maakt van niets Iets, de schijnkunstenaar van Iets niets.
De kunstenaar die uit zijn aard naar het onbereikbare streeft, weet geen weg met wat te dicht bij hem ligt.
De mens, wordende, maakt zich bovenmenselijk, zijnde, in het kunstwerk.
Gezien de belangstelling voor overleden meesters, verdient het voor kunstenaars die op succes en geld gebrand zijn, ernstig aanbeveling om doodgeboren ter wereld te komen.
Waardering konfijt een kunstenaar, verguizing zet hem op azijn. Alleen verstandige onverschilligheid laat hem onaangetast en in zijn waarde.
De onsterfelijkheid is kort van duur en eeuwige waarden vergaan spoedig.
De maatschappij waarin de kunstenaar voetstoots aanvaard wordt, is door en door verrot. De kunstenaar die de maatschappij aanvaardt, óók.
De positie van de kunstenaar in de samenleving wordt bepaald door de mate van zijn karakterloosheid. Zij die zich aanpassen, worden erkend.
Omdat men verstand en talent niet kan aantasten, tast men | |
[pagina 63]
| |
het karakter aan met toelagen, prijzen en erebaantjes. De veranderde houding der overheden tegen kunst en letteren spruit alleen voort uit de ervaring dat men door geld kunstenaars onschadelijk kan maken. Elke gulden is een schakel van die ketting. Dit verklaart de geestdrift tot geven. Dat opent de gelegenheid om de zoete jongens te belonen en de stoute te straffen.
De kunstenaar van nu doolt doelloos rond, verlaten en verarmd, omdat men zijn tweelingbroeder, de mecenas, vermoord heeft.
Wie denkt dat een bureau of een commissie een liefhebber kan vervangen, is onnozel of gemeen.
De liefhebber, door onweerstaanbare zielsbehoefte gedreven, getroost zich alle offers om te verwerven wat hij bemint. De ambtenaar koopt met andermans geld, omdat zijn jaarlijks budget nu eenmaal besteed moet worden.
De tegenstelling tussen staat en kunst is volkomen en onoplosbaar. De staat moet zekerheden zoeken ten bate van zijn vastheid; de kunst onzekerheden om haar beweging te bestendigen.
Het ogenblik is niet ver meer, waarop de schone kunsten doodbevorderd worden.
‘Kunst voor Allen’ moet waarschuwend aangehaald worden als het schoolvoorbeeld van een leugenachtige leuze. Waar werkelijk sprake is van kunst kan geen sprake zijn van allen. En bedoelt men werkelijk allen, dan gaat de verbinding met kunst niet op.
Naarmate het aantal kijkers toeneemt, neemt het aantal zieners af.
Het oog wil ook wat. Doch helaas slechts de schijn.
Het is niet juist de jonge kunstenaar te verwaarlozen. Men | |
[pagina 64]
| |
moet hem op zijn juiste waarde, en dus om zijn jeugd: gering, schatten.
Wie zich eenmaal oprecht, met hart en ziel, aan de muze geeft, wordt nooit meer een vrij man, ook al schrijft hij geen letter meer. |
|