| |
Elfde scène
Atelier van Rembrandt. Hij zit op stoel, voorovergebogen, lijkt opeens ouder geworden, beweegt niet. In de achtergrond, bij de curiosa, de magistraat en Hendrickje.
We zullen een beschrijving laten maken van deze verzameling. Het brengt altijd minder op dan het waard is, maar toch nog heel wat, denk ik. U kunt hier blijven wonen natuurlijk, voorlopig, tot we het huis veilen en dat kan nog een hele tijd duren.
onderdanig
Daar ben ik erg blij om, meneer.
Waar is die mooie Rubens? Zou ik te zijner tijd wel een bod op willen doen.
Naakte najaden in zee. Bij mij zal
| |
| |
hij wel in de achterkamer moeten hangen, hahaha.
Kijkt naar Rembrandt.
Vroeger zou je op me gescholden hebben nu, zoiets van calvinistische billenknijper in het donker, waar of niet?
Rembrandt reageert niet.
Je denkt dat de hele wereld zich tegen jou keert, omdat we je behandelen als een mens in plaats van als een God.
Gaat naar hem toe.
Het is misschien onrechtvaardig dat we van je vragen dat je een God bent met je penseel en een burger wat de rest betreft. Maar wij in Holland geven de voorkeur aan een kleinere God en een betere burger.
Rembrandt kijkt niet eens op.
Zoals je wilt.
Tegen Hendrickje
In de voorkamer?
Als meneer zo goed wil zijn. Zal ik meneer voorgaan?
Ze gaan af. Rembrandt blijft lang zitten, staat dan moeizaam op, gaat naar zijn doek, kijkt, gaat naar de curiosa, kijkt, gaat weer naar zijn stoel, gaat zitten, kijkt voor zich uit. Spinoza komt op.
komt naar voren.
Ik kom afscheid nemen. Ik ga weg uit Amsterdam.
Rembrandt antwoordt niet.
Wat zit je daar, Rembrandt!
Hij stoot hem aan.
| |
| |
kijkt hem aan.
Alles?
Kijkt voor zich uit, toonloos
Ik ben alles kwijt.
Begin nou niet weer. Ik heb er geen zin meer in.
Staat moeizaam op.
Wat ben je kwijt? Kun je niet meer kijken? Zijn je handen afgesneden? Kun je niet meer schilderen?
kijkt hem lang aan, dan zacht
Waarom kom je? Huh? Om me uit te lachen? Omdat ík nu in de modder lig?
Lachen om een oude man die valt. Da's makkelijk. Da's flink.
Loopt zwaar naar het doek.
Goed. Dan gaan we verder.
komt terug.
Luister, broekeman. 't Is afgelopen met onze gesprekken. Er is iets veranderd, dacht ik zo. Jij bent uitgebannen en ik ben bankroet. Nu kun je daar staan met je glinsterende oogjes en doen alsof 't allemaal drek is, maar ik heb schijt aan die kunststukjes van jou: de voeten in de modder, de neus ergens boven in de wind, God, wat ruikt het hier lekker. En vooral niet naar beneden kijken.
rustig
Ik ben niet meer zo hoogmoedig.
| |
| |
Je bent de hoogmoedigste van allemaal. Je bent zo hoogmoedig dat je al bijna zweeft, je vervluchtigt, nog even en er is niets meer van je over.
Beweging van Spinoza.
Nee, luister. Dertig dagen geleden lag je hier op de vloer, je had om God gejankt, het leek erop dat je met je voeten ergens hier,
stampt op de vloer, zou blijven, dat je met je reet in de aarde zou gaan wroeten. Maar wat gebeurt? Je trekt je voorgoed uit de mensheid terug.
Waarom beledig je me dan zo?
Waarom mag ik me niet schamen? Waarom mag ik hier niet zitten, als een platgeslagen luis? Waarom mag ik niet janken omdat m'n verzameling, m'n schilderijen, m'n huis naar de godverdommenis zijn? Ja, ik bèn er kapot van! Ik was een van de grootste schilders van de wereld, nu pissen ze tegen me aan, ik had het mooiste wijf van Holland, nu heb ik een boerentrut uit de polder, ik was een jonge vent met sap in z'n lijf, nu ben ik een oude, uitgezakte papzak, ik had leerlingen, vrienden, bewonderaars, nu dunt de schare uit en ik blijf over, een lor tussen de lorren. Kijk naar mij! Daar zie je de mens in al zijn glorie, een windbuil, een jammerzak. En daar kom jij aan, met je helle oogjes: denk na, de rede, blij
| |
| |
zijn, God als een verheven driehoek, praten, praten, praten. Waar is die rede van jou?
Wijst op zijn hoofd.
Hier zit iets grauwigs in, een pond misschien, wat bleke dedder, tel uit je winst. Da's maar weinig vergeleken bij de rest. Als ik zo zit, dan denk ik niet met die grauwe soep, ik denk met m'n darmen, m'n hart, m'n reet. Ik zou de hele wereld willen vermoorden of verkrachten, mijn vader de strot afbijten, een kind tegen een muur smijten, ik zou...
Hij wankelt, bedekt zijn ogen met zijn handen, staat even zo.
Ik ben een beest, God weet het, net zo'n beest als iedereen. Maar soms, ja soms...
Wijst op zijn doek.
Daar heb je die vuile troep, de jongens van Moses, ik heb ze nagetekend hier op straat, ik heb ze binnengehad, al die arme, vuile, vieze joden met hun geknuppelde smoelen. Daar heb je die klungels en daar staat Moses. En een wonder gebeurt, de zee splijt. Here Jezus, wat een wonder! Wat heb je de eerste keer, toen je hier was, tegen me gezegd? De zon is een wonder, een wonder bestaat niet, redeneren, bewijzen, verklaren. Wat heb ik ermee te maken? Ik heb vijf keer de verloren zoon geschilderd, dàt is een wonder, elke keer dat die jongen thuiskomt, da's de hand van de vader op z'n schouder, dat is een wonder. Ik heb tien keer de barmhartige Samaritaan gedaan, daar ga ik kapot van, dat een luizige man, een mens dus een
| |
| |
secreet, opeens zichzelf vergeet en iemand helpt. Da's een Godswonder, elke keer, dat een mens tegen zichzelf ingaat, z'n tanden inslikt en likt in plaats van te bijten. Kijk om je heen! Dit welvarende Holland, iedereen wroet, met z'n snuffer in het slijk om goud te peuren en toch, soms vergeet zo'n klootzak zichzelf en sterft voor een ander. Dat is het niet te verklaren wonder, da's niet te beredeneren, da's het Godswonder, da's de genade die ons overeind houdt. Ik zat daar, je had naar me toe kunnen komen en je hand op m'n schouder kunnen leggen. Dat had ik nodig. Broodnodig. Als jij dat gedaan had, jij, juist jij, met je eigen ellende, dan was 't dwars door me heen geschoten, ik was in tranen uitgebarsten, dat was een wonder geweest. En dan had ik mijn hand op de jouwe gelegd en we hadden één minuut lang de hele mestvaalt opzij geveegd.
Zacht.
Ik was net zo hoogmoedig als jij, ik ben het nog, ik veracht de mensen, ik haat ze, maar ik kan mezelf niet beter vinden. Ik hoef niet te redeneren over God, als hij niet zo nu en dan de zee voor me spleet, dan was ik al lang, al lang...
Hij maakt een hopeloos gebaar.
Het is even stil.
Het heeft inderdaad geen zin meer met je te praten.
Met niemand, jongen, met niemand.
| |
| |
Niet iedereen is zoals jij.
Iedereen. Een berg vuiligheid met een klein lichtje bovenin.
Genoeg waarvoor? Je kunt ermee in de spiegel kijken en zien hoe weinig je waard bent. Ik doe het elke dag.
Dat is het makkelijkste wat er is: zichzelf verachten. Denk liever na.
Voel liever iets! Waar is je hart, jongen?
Alsjeblieft geen sentimentaliteit.
Hield je niet van je vader? Van je moeder? Jankte je met je hersens toen ze stierven? Waar dacht je aan bij de gravin in bed, aan cirkels en driehoeken?
Slaat op zijn hart.
Wat is daar bij jou?
Een ding dat bloed pompt.
Je bent te koud, dat is alles.
Wijst naar buiten, fel
Ze hebben gelijk! Ze verstoten je uit de gemeenschap van mensen en je hóórt er niet in. Ga op je gedachten bijten ergens in een hok, ga naar bed met je wiskunde, ga weg, ga weg.
Omdat ik me schaam! Ja! Omdat ik me schaam dat ik een laffe, miezerige klootzak ben. Maar ook omdat ik wéét dat ik gelijk heb.
| |
| |
Trekt hem naar het doek.
Kom dan! Kijk! Kijk met je blote ogen en zeg wat je ziet!
Het is even stil, Spinoza kijkt.
rustig
Je hebt je Moses bijna af. Waarom kijkt hij zo eigenaardig? Wat ziet hij?
Ja.
Hij kijkt lang.
Het is erg mooi. Ja, zo zou het zijn als het mogelijk was. Maar het is niet mogelijk. God zal niet verschijnen aan de hemel met geschitter en signalen, zodat je je neus maar uit de modder hoeft te halen om gelukkig te zijn. We komen er niet met een beetje gevoel, zelfmedelijden en nederigheid. We zullen streng moeten zijn. Helder. En hard. We kunnen God als gedachte erkennen, God als voorstelling is een droom. Droom verder, Rembrandt.
Ik droom de werkelijkheid.
Ik wéét de werkelijkheid. Maar blijf dromen, Rembrandt, als 't je gelukkig maakt.
Blijf denken, Spinoza, als je niet anders kunt.
Het is even stil, de stemming is milder geworden.
steekt zijn hand uit.
Ik zal je niet meer zien. Adieu.
Pak m'n pols, er zit verf op m'n hand,
Ze schudden pols en hand.
Je bent werkelijk oud geworden.
Tikt hem op de arm.
Het ga je goed.
| |
| |
Hij draait zich om en gaat af. Rembrandt kijkt hem na, met zijn hand op de plaats waar Spinoza hem tikte. Als hij af is
Het ga je goed. Zo hadden we met elkaar moeten praten. Alleen maar zo.
Hij draait zich om.
Wees nou vriendelijker de volgende keer. Hij kan 't nog een beetje makkelijk voor ons maken.
Hij mag over me heen lopen.
Slaat zijn arm om haar schouder.
Kom eens kijken.
Kom nou.
Ze gaan naar doek.
Hoe vind je dat nou?
Zou je daar in die rechterhoek willen? Met een rode lap om je hoofd?
Daar sta je goed, in die hoek. De Rode Zee wordt voor je gespleten, je loopt maar
| |
| |
achter Moses aan en je komt vanzelf in 't beloofde land.
Ik ben naast je natuurlijk.
Wijst aan.
Daar. Die daar.
lacht
Zo jong ben je niet meer.
Nou ja, bij al die wonderen kan er toch nog wel een kleintje bij?
Hm.
Giechelt
En maak je mij dan ook heel mooi?
Da's goed.
Bijna zonder overgang
Wat zouden we mogen blijven houden? 't Beddegoed wel? 't Servies?
Dat komt later. Later. We blijven nu nog even pootjebaden in de Rode Zee. Als je wilt krijg je je gouden ringen in je oor.
O jee, die worden ook verkocht!
Welnee, dan zijn we al lang aan de andere kant. Achter ons slaan de golven dicht en niemand kan bij ons komen. Niemand. Niemand.
Drukt haar tegen zich aan.
Niemand.
|
|