Spinoza
(1964)–Dimitri Frenkel Frank–
[pagina 95]
| |
rabbi
tot de zaal gericht
Gaan we er dan toe over.
Leest uit het boek, zonder pathetiek, met een ondertoon van weemoed.
Volgens het raadsbesluit der engelen en uitspraak der heiligen verbannen wij, stoten wij uit, verwerpen en vervloeken wij naar de wil van God en zijn Kerk, door dit wetboek met zijn 613 geboden daarin opgetekend, deze zoon van Israël. Hij zij vervloekt voor de Heer, de God Israëls, zittende boven de Cherubijnen. Hij zij vervloekt in de hemel en op de aarde. Hij zij vervloekt uit de mond van de zeven engelen die over de zeven dagen van de week gesteld zijn. Hij zij vervloekt uit de mond van de vier engelen, die over de vier beurtwisselingen van het jaar gesteld zijn. Hij zij vervloekt uit de mond van de zeven krachten, hij zij vervloekt uit de mond van de vorsten der wet, hij zij vervloekt uit de mond van de grote, sterke en vreselijke God. Wij bidden, dat hij verbroken worde, dat zijn val haastelijk geschiede. God, de God der Goden, wil hem voor al het vlees verderven, verdelgen, vernederen, onderdrukken en uitroeien. De verbolgenheid van de Heer en een smartelijke stormwind moeten vallen op het hoofd van de goddeloze. De wurgengelen moeten op hem neerstrijken. Hij zij vervloekt waar hij zich keert of wendt, zijn ziel moet in verschrikking van hem gaan. God sla hem met hete koortsen, met brand, met vurigheid, met het
| |
[pagina 96]
| |
zwaard, met droogte, met schurft, en hij vervolge hem tot hij hem ganselijk verdelgd heeft, zijn zwaard moet hem door zijn hart varen en zijn boog verbroken worden, hij moet worden gelijk het kaf voor de wind, en de Engel des Heren drijve hem weg; zijn weg zij duister en glad, en de Engel des Heren vervolge hem; zijn verwoesting moet hem onvoorzien overkomen; zijn net, dat hij in het verborgene gelegd heeft, moet hem verstrikken. God verstote hem uit het licht in de duisternis, en hij verdrijve hem van de aardbodem; angst en benauwdheid moeten hem omgeven; zijn ogen moeten zijn ballingschap zien, en hij moet de grimmigheid van de Almachtige drinken. Hij zij bekleed met de vloek als met zijn kleed, zijn huid moet opgevreten worden, en God roeie hem uit voor eeuwig en stote hem uit zijn huis. De Heer vergeve hem zijn zonden niet; maar de toorn en ijver van de Heer moeten roken over die man, en op hem moeten rusten alle vloeken, die in dit wetboek geschreven zijn, en de Heer delge zijn naam uit onder de hemel, en scheide hem af van alle stammen Israëls na alle vloeken des Verbonds in dit wetboek opgetekend.
Hij wacht even, kijkt op.
Maar gij, die nog heden in leven zijt, hangt de Here uw God aan. Hij die Abraham, Isaac, Jacob, Moses, Aaron, David, Salomo, de profeten | |
[pagina 97]
| |
Israëls en godvruchtigen onder de heidenen gezegend heeft, die zegene ook deze ganse heilige gemeente. God wil haar in zijn barmhartigheid bewaren, behouden en uit alle benauwdheid en ellende verlossen; hij wil haar dagen en jaren verlengen en zijn zegen en gedijen zenden voor al haar werken; hij verlosse haar samen met het hele Israël. En aldus geschiede zijn wil en welbehagen. Amen.
Het is even stil, hij sluit het boek.
Blaas.
De ramshoorn klinkt.
Doof uit.
Zacuto dooft de kaars, de hoorn verstomt.
Tot de zaal
En zo is dit ene licht voor ons verloren gegaan. Hij die een zoon voor ons was is nu vreemder dan een vreemde, wij zullen niet meer met hem spreken, niet binnen een meter afstand van hem komen, hem niet voeden, verplegen of liefhebben, geen handel met hem drijven, hij zal doder dan dood voor ons zijn. Dit is een verschrikkelijke vloek en het past u te huiveren, we hebben deze zoon van ons overgeleverd aan het verderf en aan de eenzaamheid.
Heft de hand.
Gaat stil naar huis, verheft u niet, er is geen reden voor zelfgenoegzaamheid: de vervloeking is rechtvaardig - niet wij die hem vervloeken.
Hij draait zich half om, Zacuto komt naar hem toe, neemt hem het boek uit handen, zacht
En hoe is het met de stad?
| |
[pagina 98]
| |
zacuto
Er is bericht van de magistraat. Amsterdam verbant hem ook.
rabbi
Waar gaat hij heen?
zacuto
Naar Ouderkerk. Bij vrienden.
rabbi
Het is jammer. We hadden een heilige kunnen hebben, nu hebben we rust.
Hij heft de handen ten hemel, haalt zijn schouders op, gaat af.
zacuto
roept hem vertwijfeld na
En ik, rabbi? En ik?
Hij strekt zijn handen uit.
|
|