| |
Negende scène
Nacht. De kademuur, Zacuto, gemaskerd, staat in het midden met zijn mes. Spinoza wandelt rond.
rustig, vriendelijk, bijna opgewekt
Je bent te laat, gemaskerde, 't is jammer voor je. Als je gisteren gekomen was, had je me zo bang gevonden als een rat. Ik had dat mes zien glimmen in het licht en ik was bibberend over de stenen gekropen.
| |
| |
hem met de ogen volgend, het mes tot steken gereed, onderdrukte emotie in de stem
Ik heb alle tijd.
Dat lijkt maar zo. Je denkt: ik heb dat mes in m'n hand, ik kan elk moment steken, een flits en het is gebeurd. Maar je hebt een fout gemaakt: je had achter die muur vandaan moeten komen, razend van woede, je had je krijsend op me moeten storten en hakken, hakken, hakken.
Je hebt jezelf veroordeeld. Ik voer dat oordeel uit.
Met of zonder haat, wat doet dat ertoe.
gaat naar hem toe.
Kom op dan! Steek!
zijn hoofd omlaag, loerend, zacht, gekweld
Wat geeft je het recht zo te spotten? Je wéét dat je gaat sterven, schend je dood niet, vraag vergiffenis aan God, krepeer nederig.
schreeuwt
Ik wil niet met je praten! Buig het hoofd, sidder voor het zwaard van de Almachtige, kniel, bid, sterf zoals het hoort!
zacht
Waarom haat je me zo, Zacuto?
| |
| |
Het is even stil. Zacuto wankelt.
schreeuwt
Ik... ik haat je niet! Ik... ik...
Hij draait zich om, de arm met het mes voor de ogen, tegen de muur aan, zijn schouders schokken.
zacht
Ik had je meteen herkend.
Hij kijkt naar Zacuto die zo blijft staan, het duurt even, dan
Doe dat masker af, Zacuto.
draait zich langzaam om, doet het masker af, zijn gezicht trilt.
Waarom treiter je me zo?
Ik kan het niet gemakkelijker voor je maken.
zacht
God, geef me de kracht.
Hij stort zich vooruit, het mes boven Spinoza.
rustig
Je bent te intelligent, Zacuto, je kunt geen weerstand bieden aan de rede.
scherp
Dacht je dat ik het nog duld?
Veegt Zacuto's arm met het mes opzij, draait zich om, doet een paar stappen, draait zich weer om.
Ik wachtte op dat mes, zoals elke nacht, zodra je tevoorschijn kwam wist ik dat ik gewonnen had, gelijk had, voor eens en altijd. Ik wist dat 't niets is wat je daar in je hand hebt, een vod. Dat 't niets is waar je mee dreigt, een leugen. Wat is de dood? Overgaan in iets anders. Hoe vaak zijn we dan al niet gestorven? Ik was als kind een ander en een jaar geleden weer een ander en gisteren nog een ander. Denk na! Hoe durf je te oordelen als je niet eens
| |
| |
weet waarom?
vriendelijk
Kom, Zacuto, denk na. Waarom sta je hier met dat belachelijke dingetje in je hand?
Je wilt ons alles afnemen. Onze God, ons geloof.
Wie zegt dan dat het waar is wat je gelooft?
Wie zegt dat? Kom op, kom op. Als je een mes in je hand hebt, moet je scherp zijn. Wat is waar? De mohammedanen zeggen dit, de Indianen dat, de christenen dit, de joden dat. De cirkel zou zeggen dat God een volmaakte cirkel is, het paard zou zeggen dat God hinnikt, Spinoza zegt dat God dat is wat uit zichzelf bestaat, de kat miauwt, de atheïst zegt dat de wereld een pendule is, de negers likken aan houten beelden. Wie is jouw autoriteit? Waarom geloof je de kat niet, de cirkel niet, mij niet?
Leuter niet. Ik zal je zeggen waar jouw autoriteit is.
Wijst op Zacuto's voorhoofd.
Dáár. Jij beslist wat je gelooft en niet gelooft. Je kunt niet anders.
Ik geloof wat mijn ouders en voorouders geloofden, waar ze voor gestorven zijn, net als de jouwe!
Kom me niet aan met die eeuwige brand-
| |
| |
stapels. Hier was een meisje, ze heeft zesduizend zien afslachten en krepeert aan een illusie.
Fel
Ik wil dat niet meer!
Zacht
Denk na, Zacuto. Je bent niet op de wereld om na te leuteren wat je als kind geleerd hebt. Dan ben je een papegaai, geen mens. We kunnen denken, dat is het enige wat we hebben, ons bewustzijn is ons ik, ons eigen instrument, denken is de ziel in beweging, denk na, Zacuto!
Pakt Zacuto's arm, warm
De mens is een redelijk wezen. Het moet afgelopen zijn, dat zesduizend redelijke wezens afgeslacht worden in Polen en dat Spinoza een mes ziet bij een vroegere vriend. Het is onredelijk, maar het gebeurt, omdat de emoties de rede overboord spoelen. Weg met de emoties! Als ze schaden, ruk ze uit elkaar met het verstand: als je weet waar die drift vandaan komt verdwijnt hij. Jij haat me, Zacuto, omdat je jaloers op mij bent, vanaf vroeger, omdat je bang bent dat ik je alléén laat in een kaal heelal, je bent onzeker, je houdt je vast aan de mantel van de rabbi, aan de baard van God, zie het in! Als je het inziet maak je een kans, als je het niet inziet is Gods baard maar een sabbelaar.
Vriendelijk
We moeten elkaar weer liefhebben, Zacuto, en niet omdat het in een boek staat. Maar omdat het redelijk is dat we elkaar ontzien. Ik mag de mensen niet die in een opwelling van medelijden een bedelaar bedélen, ze zullen ook
| |
| |
in een opwelling iemand opvreten. Alles wat op gevoel drijft is verdacht: goed, het gevoel bestaat, we buigen ons ervoor, maar zetten de teugels van de rede eraan. Laten we dag wuiven tegen God, we hebben hem niet meer nodig als knipperlicht daar boven, hij zit in ons en om ons, we hoeven ons verstand maar te gebruiken en God ziet God. Ik wil je niets afnemen, Zacuto, behalve je haat en die ellendige slavernij. Wees je eigen God, het kan. Het is moeilijk, het is riskant, maar denk aan de uitkomst! Waar anderen slingeren tussen hoop en vrees, tussen hartstocht en berouw, ga jij onverzettelijk en opgewekt je gang - zonder berouw om wat niet meer te veranderen is, zonder medelijden met wat niet te helpen is, zonder hoop op ongegrond geluk, zonder angst voor onafwendbaar gevaar. We moeten veel samen praten, Zacuto, net als vroeger. Ik begin iets te begrijpen, ik zal je leren hoe ik denk, ik zal je vrij maken. En daarna gaan we verder, we steken iedereen aan, we jagen de spinnewebben weg, we zuiveren de straten van afgoden, mompelaars, sprookjesmelkers, we laten iedereen diep adem halen, de frisse adem van de rede. Zullen we, Zacuto, zullen we? We kunnen weer vrienden zijn, ik weet het.
Dat is ook een misverstand. Ik zag je lig-
| |
| |
gen bij de rabbi, in je kabbalistische trance, ik verachtte je, je mag het weten. Dat is nu voorbij. Toen iemand een steen naar me gooide, misschien was jij het, lag ik net zo op de grond. Het is allemaal dezelfde lafheid, Zacuto, we hebben allemaal dezelfde neiging om te vluchten - in een bed, in de modder, in de angst, in de extase. Een Messias, een gravin, een stoot met een mes, het is allemaal springen uit een raam bij brand. Gooi dat mes weg, Zacuto, we zijn weer vrienden. We laten onze rede elkaar de hand geven, die glasheldere broeders. Alle mensen zijn werkelijk gelijk, want hun rede is gelijk: negers kunnen zwart zijn, Chinezen geel, jij kunt denken dat je me haat, maar we zijn het er over eens - twee plus twee is vier. Dat is de ware broederschap der mensen, de broederschap van de rede. We zullen beginnen bij het begin. Eerst de stelling van Pythagoras. En dan klimmen we langs die schuine zijde omhoog tot we, alle mensen als uit één oog, de goddelijke natuur voor ons zien liggen. En dan zal niemand, niemand, niemand meer een reden hebben om zijn broeder kwaad te willen. We zijn allemaal gelijk, wie steekt zichzelf?
Ja, broeder. Er is geen reden meer voor angst. Dat heb ik ontdekt in deze nacht. Dat moe-
| |
| |
ten we duidelijk maken. Aan iedereen. Kom mee, dan beginnen we.
Hij neemt Zacuto bij de arm, ze doen een stap, Zacuto rukt zich los en stoot Spinoza, die zich half afwendt krachtig met het mes in de rug. Spinoza valt tegen de muur, Zacuto heeft het mes nog in de hand, kijkt ernaar, rent dan weg. Spinoza hangt tegen de muur, komt langzaam overeind, zijn gezicht staat star, hij doet zijn mantel af, houdt hem tegen het licht, steekt zijn hand door een grote scheur. Hij zwaait de mantel met een ruk achter zich, draait zich om, schreeuwt
Zacuto! Zacuto!
Geen antwoord, hij draait weer terug, staart naar zijn mantel.
Een gat in mijn mantel.
Hij houdt het gat voor zijn ogen
Je kunt er doorheen kijken. En wat je ziet is verschrikkelijk. Ze willen het niet weten.
Hij laat de mantel zakken.
komt op, ziet Spinoza staan, ze slaakt een verstikte kreet van angst.
ziet haar, zacht
Je hoeft niet weg te lopen. Ik doe je niets.
Er was iemand met een mes. Hij zei: ik heb hem doodgestoken.
M'n mantel is van dikke stof.
Er is een brief gekomen... dat...
haar mondhoeken trekken.
Blijf geloven. Hij komt. Vandaag of mor-
| |
| |
gen. Als deze vals was, komt morgen een andere. En als die vals is, komt overmorgen de echte. Wacht nog even, heb geduld.
heftig
Wat moet ik anders? Omdat ik een gat in m'n mantel heb hoef ik jou niet in de rug te steken. Geloof! Geloof! In Godsnaam!
Hij verbergt het gezicht in de handen.
Ik... ik ga morgen weer in betrekking, denk ik...
verstikt
Doe dat. Ik kan je nog niets anders bieden. Neem wat je krijgen kunt: een paar sneden brood en een plak geloof. Hou het vol, zo lang.
Dus jij zegt nu ook... dat hij komt?
zacht
Ja, meisje, geloof het. Alsjeblieft. En wees zo gelukkig als je kunt.
Wacht niet op mij.
Draait zich om.
|
|