| |
Derde scène
De torentrans van de Montelbaenstoren. Een verrekijker op statief. Rabbi Morteira, Zacuto en de magistraat, een zestigjarige, intelligente patriciër.
Ik hijg, ik hijg, ik sterf. Deze hoogte. Hoe heb ik het kunnen doen.
Het verbaast me dat u hijgt, waarde rabbi.
Wijst op Zacuto.
Híj heeft u naar boven gedragen.
Zacuto is zo goed geweest m'n oude lijf op z'n rug omhoog te slepen, maar wie heeft m'n ziel gedragen? Ik zelf.
Kijkt over de balustrade.
Nee, het is niet mogelijk. Ik sta op de Montelbaenstoren en Amsterdam ligt voor me te kijk als de bruid van Salomo.
Slaat z'n handen ineen.
Meneer de ma-
| |
| |
gistraat, wat een vreugde schenkt u een oudeman.
wijst met zijn stok.
Ziet u daar? De schepen? Van de Nieuwe Waal tot de Oude Waal? Er liggen er zeker vijfhonderd voor anker. Uit Turkije, Perzië, Indië, Amerika, Brazilië, China.
Zo klein zijn ze, men zou medelijden met ze hebben,
strekt hand uit,
ik zou ze tussen duim en wijsvinger kunnen pakken. Nu begrijp ik de lankmoedigheid van de Almachtige.
met een zekere scherpte
Het zijn de grootste schepen ter wereld, rabbi. Ze liggen voor anker in de grootste haven van de hele wereld.
die ondertussen in de kijker tuurt
Rabbi, u moet hierdoor kijken. Dit vergróót, het is wonderbaarlijk.
Waarom zou ik? Eerst naar boven klimmen om alles klein te zien en dan door een kijker kijken om 't weer groot te zien?
Tegen magistraat die omgelopen is en wijst
Ja?
glimlachend
Dat moet u bekend voorkomen.
Daar wóón ik! Daar is de synagoge! Daar is de Breestraat! De St. Anthonie Sluis! De Houtgracht!
| |
| |
richt zijn kijker er op.
Je kunt de mensen herkennen. Daar gaat dokter Lopes Cardozo.
breidt zijn armen uit.
Gezegend is het Nieuwe Jerusalem! Gelukkig is de jood die 't ziet! Hallelujah, gezegend is het Nieuwe Jerusalem!
met betekenis
Er is ook iets dat u niet ziet.
laat de armen zakken, ernstig, hij heeft zijn kinderlijkheid maar gespeeld.
Komt u maar voor de draad, meneer de magistraat. Men sleept een oude jood niet voor niets een toren op, ik ben geen meeuw, geen engel. Wat zie ik niet?
Een muur.
Beschrijft een kring met zijn stok.
Geprezen zij de Almachtige. Elke dag.
In Polen, Duitsland, Italië, overal staan de getto's, een muur er omheen, 's avonds de poort dicht, de angst méé naar binnen, willekeur, geen recht, beloften op en ván papier.
En wij zijn vrij. Kijk, dáár, de synagoge, als een schip tussen de pieremegoggels, u pronkt ermee, meneer de magistraat, koningen en prinsen komen er kijken.
Wij zijn trots op onze joden, vooral op de geleerden - de dokters, de wiskundigen, de alchemisten. Maar...
| |
| |
hardnekkig
Wáárom kijken wij hier neer op onszelf, meneer de magistraat?
We zijn toch oude vrienden, rabbi, ik wilde weer eens met u praten. Over mijn problemen, onze problemen, over de last die ik met de predikanten heb...
onmiddellijk
Spinoza.
Het is even stil.
Natuurlijk.
Het is even stil.
Daar gaat een Hoorns galjoen, naar West-Indië.
Het nakijkend.
Als we hem zijn gang laten gaan, trekt hij de grond onder onze voeten weg, dan vallen we van hier met een smak naar beneden. Waarom loopt zo'n jongen opeens amok?
Hij heeft te veel nagedacht.
Rabbi ben Eliëzer zaagde een houtblok zo lang tot er alleen nog spaanders waren. Toen riep hij: Heer, waar bent u, in de zaag of in de spaanders? Maar hij kreeg geen antwoord meer.
Dus hij is werkelijk een atheïst?
Zijn God is zo verdund als de kippesoep van Maria de Nunes, een glas water is er puur vet bij.
Ik ben maar een eenvoudig Amster-
| |
| |
dammer, rabbi, ik wil de feiten en niet de vergelijking.
Een omweg is de kortste weg, zei rabbi Menasse aan de rand van het moeras.
Zucht
Ik kan het niet meer anders. Als Amsterdam God was, wie was dan God hier?
Op mijn manier gaat het ook. Wie was dan God? In zekere zin ú, hier op deze torentrans, want u vertegenwoordigt Amsterdam, u bent Amsterdam voor ons, de magistraat, de bestuurder, de schepper van de stad. Maar wat is dat daar beneden dan? Dat is ook Amsterdam, maar het is onderhorig aan de Amsterdammer, het is steen en straat en kade, geschapen, een vorm waarin de Amsterdamse geest zich vertoont. Moeten we nu kiezen? Wie is Amsterdam? Nee, we kiezen niet, dat beneden is Amsterdam en u bent Amsterdam. Maar als er niets anders dan Amsterdam in het heelal was? Waar was Amsterdam dan?
Aha. Als God alles is is hij niets. Als God in elke steen hokt, in elke bloem, in elke daad, in elk uur - stom, oneindig, zonder doel of richting, wat is dat voor een God?
Schudt het hoofd.
Is het waar dat hij zelfs de term gebruikt... Deus sive natura?
| |
| |
God of de natuur. U hebt gelijk, meneer, dat is de kern.
God of de natuur.
Schudt het hoofd.
Maar hij komt erop terug. Ik ken hem, hij was m'n leerling, huppelde achter God aan als een kind achter z'n moeder. Maar kinderen denken soms over iets na, blijven achter, als ze opkijken zijn ze alleen... Eerst hebben ze angst, dan worden ze stoutmoedig, ze lopen waar ze niet mochten, maar 't plezier duurt niet lang.
Mijn predikanten hebben niet zoveel geduld. 't Kind is al te lang van huis.
Amsterdam is een vrije stad.
Maar als de joden vrijdenkers gaan kweken, dan moet de vrijheid zichzelf beschermen.
vriendelijk
Waarde vriend, ik moet helaas eisen dat Spinoza in uw gareel terugkeert.
Wijst met zijn stok.
Er is geen muur daar, ik zou graag willen dat 't zo bleef. Maar als daar goddeloosheid begint te groeien, tja...
Spinoza móét, hij móét, hij móét...
heft zijn hand op.
We zullen met hem praten.
Spoedig. Er is werkelijk ernstige opschudding.
| |
| |
Zeer spoedig.
Het is even stil.
En zullen we nu over iets anders praten?
Kijkt over de balustrade, zuchtend
Over iets vrolijks, zoals dat schip daar, 't komt binnenzeilen als een vrouw in de achtste maand.
Dat is een schip van de Westindische Compagnie uit Nieuw Amsterdam. Rabbi, hoe stelt iemand zich een wereld voor zonder God? Zonder - om uw gedachte te volgen - zonder een magistraat?
Er zijn maar twee manieren.
Je stelt vast dat alles wanorde is. Of dat alles volmaakt is.
Weet ik hoe een dobbelsteen valt?
Zacuto heeft ondertussen weer door de kijker gekeken, slaakt een kreet.
Daar is hij!
De anderen draaien zich om.
Daar is hij! Ik kan hem zien alsof ik God zelf ben, daar staat hij, naast een rijtuig op de hoek van de St. Anthonie Sluis, een hand op het portier, de hoed in de hand, terwijl in de wagen een vrouw...
Laat zien.
Kijkt door de kijker.
Waar?
| |
| |
Dus dat is Spinoza, niet lelijk zo te zien, hupse houding. En die vrouw is...
Laat kijker zakken.
Maar dat is...
Natuurlijk. Ze zien elkaar váák, bij Rembrandt, overal, de hele buurt spreekt er schande van.
tegen rabbi
We zijn heel vrij hier in Amsterdam. Maar dit is toch onduldbaar! Een christelijke gravin!
Laat mij toch ook eens kijken.
Kijkt door kijker.
Waar dan? Waar? O ja, jaja. Jajajajajaja.
Hij begint te lachen.
Wat is er om te lachen, rabbi?
met tranenoverstroomd gezicht van het lachen, laat kijker zakken
Onze brave Spinoza heeft uitgemaakt dat er geen God is die naar hem kijkt. Hij zegt misschien nu net tegen haar: Hoe stelt u zich God voor? Als een oude rabbi met een verrekijker?
Hij buigt dubbel van het lachen.
En wat doet God? Hij zet op de Montelbaenstoren een...
Hij kan niet meer.
streng
Dit is ernstig, rabbi.
Misschien. Maar God lacht.
|
|