| |
| |
| |
Tweede scène
Het atelier van Rembrandt. Uit de kap is een achterwand van curiosa gezakt, een barokke verzameling van koper, Turkse zwaarden, Indische beelden, opgezette dieren, Vlaamse en Italiaanse schilderijen, porselein, helmen, lappen, tin, goud, zilver. Een groot doek is op een raam gespannen. We zien de achterkant van het doek en onder het raam de benen van Rembrandt. Op de voorgrond staat Spinoza, een temperamentvolle, Portugees aandoende jongeman, eenvoudig maar elegant in het zwart.
Ik heb alle tijd. Ik kan rustig wachten.
Een blik naar het doek.
U hebt een doek nodig en kilo's verf om te werken, ik heb niets nodig. Ik werk waar ik sta.
Draait zijn hoofd.
Daarom heb ik er geen bezwaar tegen te zijner tijd voor u te poseren. Voor mij is 't geen verloren tijd. U schildert, ik denk na. U beweegt, ik sta stil. 't Is alleen de vraag wie harder werkt. En wat gezien mag worden... Hij lacht. Uw verzameling is curieus. Ik heb er veel over gehoord. 't Is een kapitaal waard zeker, meneer Rembrandt!?
gromt vanachter het doek.
Ah, u praat liever niet als u werkt. Ik zal mijn mond houden.
Dus u hebt géén last van mijn gewauwel.
| |
| |
U werkt met uw handen, niet met uw geest. Dat wil zeggen: uw geest hééft al gewerkt, nu voeren uw handen het uit. Is het niet zo?
Natuurlijk. Toch zou ik m'n mond moeten houden - zo nu en dan. Ik praat te veel, dat is gevaarlijk. Maar praten is verleidelijk voor iemand die denkt, want woorden zijn de verf van de geest. Je kunt ze ook neerschrijven, maar dat blijft hetzelfde, je wilt tenslotte dat iemand het leest.
Kijkt om.
U hebt mij gevraagd hier te komen, meneer Rembrandt, en ik sta hier al een kwartier. Als u mij zegt dat het nòg een half uur duurt, dan weet ik waar ik aan toe ben. Dan attakeer ik een probleem.
Kijkt weer om.
Meneer Rembrandt?
vanachter het doek
Ik kom, Ik kom al.
Er is een gedruis achter het doek, geruis van zijde en brokaat, dan verschijnt Rembrandt terzijde van het doek. Hij is een uitgezakte, breed gebouwde, vroeg oud geworden man met een gezicht als van stopverf, het lijf nu gehuld in een fantastisch samenraapsel van brokaten lappen, een gouden halsplaat, zijde, met op het hoofd een tulband met juweel en pauweveer.
Meneer Spinoza.
Hij heeft iets afwezigs, de ogen half dichtgeknepen, de stem rauw, grommerig.
Meneer Rembrandt.
Hij steekt zijn hand uit.
| |
| |
Pak m'n pols, 'k heb verf op m'n handen.
Ze schudden pols en hand.
'k Heb je vaak gezien natuurlijk, op straat, je woont hierachter.
Bijna zonder pauze
Draai je hoofd eens opzij.
Spinoza doet het.
Mmm. Mmm. Mooi koppetje. Heb je nooit gesproken, weet van je af, dat wel. Mm.
Sloft naar achterwand.
Als ik nou eens zo'n helmpje op je test zet...
Pakt helm van de wand.
Het spijt me. Ik wil best poseren maar dan zonder poppekasterij.
draait zich om.
Huh? Waarom niet? Ik doe 't zelf toch ook?
Hangt helm terug, komt naar voren.
Dacht je dat dit m'n werkpak was? Ik ben Moses nu,
heft de armen op, de ene omhoog, de andere naar voren wijzend, de wateren van de Rode Zee splijten, een groot man,
laat armen zakken, mompelt
kunnen jullie trots op zijn...
Zoals ik zei. Poppenkasterij.
Ah. Dus 't is waar wat ze zeggen.
Een logge blik.
Je gelooft niet aan wonderen.
Ik geloof dat ik beter kan gaan.
Draait zich om.
pakt zijn arm.
Waarom? Wat heb ik gezegd?
U bent heel goed met rabbi Morteira. Ik heb pas al last gehad van twee zogenaamde vrien-
| |
| |
den. Ik flapte er weer van alles uit natuurlijk, ze holden ermee naar de synagoge. Vandaag of morgen krijg ik 't op mijn boterham.
kijkt hem aan met dichtgeknepen ogen.
Bang?
haalt z'n schouders op.
Bang zijn is voor de dommen.
Het is even dom je over te leveren aan de domheid.
Een haantje, hè? Een kemphaantje. Wat we in Amsterdam een lefgozer noemen. Of je kunt ook 't woord gebruiken dat ik van de Poolse joden geleerd heb. Je hebt chotspe. Weet je wat dat is? Chotspe?
Ik ben een Portugese jood.
Trots. Bij jullie is het trots.
Kijkt hem aan.
Mooi koppetje. Heel mooi koppetje.
ongeduldig, grommend
Blijf toch, meneer Spinoza! Ik ben geen wauwelaar. Ik interesseer me niet voor...
honend
orde. Orde. Of die van de rabbijnen is, van de predikanten of van de magistraten. Ze hebben me al zo vaak getrapt, ik kan op ze schijten, drie keer per dag. Waarom ben je hier gekomen?
U hebt me laten vragen of...
een handgebaar.
Jaja. Maar waarom
| |
| |
ben je gekomen? Uit nieuwsgierigheid. Waar of niet?
Ah.
Grijnst.
En daarom heb ik je ook gevraagd. Eigenlijk. En ik hou m'n bek.
Wijst op stoel.
Ga toch zitten jongen. Ik wou weten wat voor een snaakje zo hondsbrutaal is om God de wereld uit te schoppen. Ik zal je schilderen misschien als de ongelovige Thomas, dat moet ook een slim mannetje geweest zijn, de slimmerds geloven nooit wat ze zien.
Ongeduldig.
Ga toch zitten!
Spinoza doet het.
Vreemd koppetje heb je.
Lacht, draait om hem heen.
Dus jij bent de jongen die tegen God zegt: meneer, ik geloof dat u niet bestaat, lazer op.
Hij lacht niet meer, kijkt scherp naar Spinoza.
Wat wil jij eigenlijk? Hè? Wil je mij m'n wonderen afnemen? Huh? De Rode Zee is niet door Gods woord gespleten, huh? Wat ik daar schilder is onzin, huh?
vriendelijk
Wat u daar schildert is verf.
Draai er niet omheen. Ik ben een boerenjongen, maar ik ben niet op m'n achterhoofd gevallen.
Als u gelukkig bent met uw gespleten zee, waarom zou u 't dan niet blijven?
boos
Doe niet zo bescheten, jongen. Is-ie gespleten of niet?
Het is even stil.
| |
| |
met tegenzin
Het was misschien erg laag water die dag.
Het is even stil. Dan begint Rembrandt te bulderen van het lachen, hij buigt dubbel van het lachen.
Hij is goed! Hij is geweldig! God redt al z'n voorvaderen met een oorverdovend wonder en meneer verklaart dat 't toevallig, héél toevallig...
Veegt z'n ogen af.
Je valt me tegen, meneer Spinoza. Ze hadden me verteld dat je zo geleerd was. Als dat je wijsheid is!
Hij buldert weer van het lachen. Ziet dan het gezicht van Spinoza dat wit is van drift. Hij houdt op met lachen, Spinoza staat half uit zijn stoel op, Rembrandt heft zijn hand, grommend
Blijf kalm, hè. Je ziet eruit alsof je me naar de keel wilt. We praten gewoon, nietwaar?
Spinoza gaat weer zitten, het is even stil, dan begint Spinoza zacht te praten met een stem die beeft van ingehouden drift.
Is het niet een beetje miezerig, meneer Rembrandt, dat we een God nodig hebben die zich gedraagt als een slecht soort kermisgoochelaar? Die nu en dan een truc moet uithalen, omdat we anders niet in hem geloven? Als ik u zeg dat de zon een wonder is dan lacht u, want de zon ziet u elke dag. Maar als de zon morgen stilstaat of een hoed op heeft of opeens de vorm aanneemt van een draak, een theekop of een windmolen - dan roept u: hee, da's God! Weet u wat een wonder
| |
| |
is? Dat is iets waar we geen verklaring voor hebben, nietwaar? Waar is uw verklaring voor de zon dan, meneer Rembrandt? Maar u bent net zo dom als iedereen: U gelooft dat u iets voldoende begrijpt als u zich er niet meer over verbaast. Maar u wilt verbaasd zijn, God moet zich tonen met getrompetter, met signalen - hij moet op z'n minst een braambos laten branden of water in wijn veranderen, dan zakt u pas op uw knieën.
Hij beheerst zich, zwaar ademend.
Het spijt me, meneer Rembrandt. Ik had dit niet zo willen zeggen. Ik beheers me slecht, dat is m'n fout, ik werk eraan maar 't lukt me nog niet.
Het is even stil.
kijkt hem met dichtgeknepen ogen aan, gaat dan naar het doek.
Hm. Kom eens even hier kijken.
Kom nou.
Spinoza gaat naar hem toe, ze staan allebei achter het doek.
Zie je? Zie je dat?
Spinoza blijft staan, Rembrandt komt achter het doek vandaan en naar voren.
Da's het volk Israël, jouw volk, voor mijn part ieder volk, 't is allemaal hetzelfde. Een miezerig stelletje, op de vlucht, uitgeput, getrapt, ellendig. En daar splijt de Rode Zee open, da's de redding, da's een teken. God zij dank voor dat teken! 't Is misschien miezerig dat we 't nodig hebben, maar heb jij een andere re-
| |
| |
medie tegen verzuipen? Als we niet zo nu en dan een teken kregen...
Hij haalt z'n schouders op.
Ik heb die wonderen hard nodig, jongen.
Spinoza komt achter het doek vandaan, Rembrandt kijkt hem aan.
Kun jij 't alleen af?
Kijk 'm daar staan, drie turven hoog. Dus de Bijbel is niet Gods woord?
tikt op zijn voorhoofd.
Hier.
Allemaal in dat kleine koppetje?
Lacht, wordt dan ernstig.
Ze hebben voor minder iemand in repen gesneden.
Ik heb nog nooit zo'n rare jood gezien.
't Wordt tijd dat we ophouden te leven als luizen.
Wat een lefgozer! We zijn maar een stuk drek in Gods hand, jongen.
Geleuter. God heeft geen hand. Die drek is een stuk van God en dus God. U bent lui, meneer Rembrandt, zoals iedereen - u praat zinnetjes na in plaats van na te denken.
Strekt zijn arm uit, fel
Ik háát dat schilderij. U maakt het lijden majesteitelijk - maar dat is het vergulden van een zweer, het opverven van ellende. Ik wil niet dat
| |
| |
mensen kapotgaan ter wille van een verre koekebakker.
Wijst voor zich uit, met uiterste felheid.
God is hier!
Wijst op zijn voorhoofd.
En God is hier! We hebben een instrument waarmee we hem kunnen zien, onmiddellijk, altijd, vlakbij.
Het verstand. Weg met die vervloekte mystiek! Da's een verrekijker, je ziet een kaars en je denkt dat 't de zon is. Maar de rede! Da's het blote oog van de geest.
Niet die oude man met de baard!
Dat wat er is! Voor mijn part een vierkant: elke hoek telt negentig graden. Dàt is God.
Wie leutert er nou? Wat moet ik dan schilderen? Lijnen, vierkanten, strepen?!
Je bent ziek, jongen, je bent overspannen. Ze zullen je doodslaan waarschijnlijk, maar ik weet beter.
Lacht. Wat je nodig hebt is een pak op je sodemieter - of een wijf in bed. Kom je nooit eens aan die mooie jodinnen van jullie?
beheerst zich
Ik moet me niet opwinden. Of ik gelijk heb of niet, dat is fout.
ook zachter
Je hebt last van hoogmoed. Da's een jeugdkwaal, net als puisten. Heb ik ook gehad, gaat over.
| |
| |
Het is even stil. Hendrickje loopt in de achtergrond over, een negenentwintigjarige boerenvrouw, fors, niet onknap maar grof, ze blijft halverwege staan.
kwaaiig
Nou, 't is weer gebeurd, hoor. 't Is weer gebeurd. Je hebt je zin.
Ze loopt door en af.
O, verdomme.
Roept
Hendrickje! Hee!
Gaat naar achteren, roept
Hendrickje! Verdomme! Kom hier!
Geen antwoord, hij beheerst zich, grommig, smekend
Hendrickje? Alsjeblieft. Kom even hier.
Hij komt naar voren, Hendrickje komt achter op, hij draait zich om.
En?
Wat dacht je? De bekende preek. En de bekende straf.
Hm. Nou ja. 't Kon erger zijn.
Als jij er maar geen last van hebt.
Ziet Spinoza.
Meneer...
Da's meneer Spinoza, hij gooit de glazen in bij God.
nukkig
Ik dacht al dat 't een klant was.
Wees nou niet zo bokkig.
Tegen Spinoza
Da's mijn vrouw.
tegen Spinoza
Hij hoort eigenlijk te zeggen da's de hoer waarmee ik leef.
boos
Nou is 't afgelopen. Ik ben de Kerkeraad niet, ik heb m'n eigen zorgen, lazer op. Ga naar de keuken.
| |
| |
Ik ken m'n plaats.
Ze draait zich om en gaat af.
schreeuwt haar na
Ik méén het niet. Dat wéét je.
Knorrig, zacht
Verdomme...
Tegen Spinoza
Ik kàn niet met d'r trouwen, dat weet de hele wereld. Dan vervalt de erfenis van m'n eerste vrouw, heb ik helemaal geen cent meer, zit toch al in schulden tot m'n strot.
Loopt naar achteren, schreeuwt
Straks komt een klant, uit Italië, ik doe wat ik kan!
Vragend
Hendrickje?
Geen antwoord, hij gaat terug naar Spinoza.
De Kerkeraad gaat tegen d'r te keer omdat ze zo onchristelijk met me samenleeft. Ik zeg tegen d'r: ga nou maar, laat je maar op je lazer geven, hebben we rust tenminste. 't Heeft geen zin om te vechten. Maar ze neemt 't me kwalijk.
Ziet Spinoza's blik, knorrig
't Heeft echt geen zin om te vechten...
Niemand zegt dat u 't doen moet.
Nee, nee. Ik denk er ook niet aan. Ik ben niet zo'n eigengereide hemelbestormer als jij. Vroeger had ik ook chotspe, maar ze hebben me afgedroogd.
Gaat naar het doek.
Pas maar op.
Hij verdwijnt achter het doek.
Ik ben veel minder zeker dan u denkt. Daarom wind ik me zo op.
Glimlacht, wandelt over het toneel.
Weet u, ik ben hier geboren, midden in Amsterdam, ik ben hier opgegroeid, op school
| |
| |
gegaan, u kwam hier wonen toen ik zeven jaar was, denk ik - elke dag kwam ik met m'n vriendjes uw huis voorbij, daar woont de grote Rembrandt, we gokten hoeveel u wel verdiende. U weet hoe 't leven hier is, gezellig, allemaal joden op een kluit, de grote synagoge middenin, de wijzen op straat, rabbi Morteira, rabbi Ben Israël, de godsdienst in je oren, de Torah onder je neus, bolussen in je zak, de Almachtige in je hoofd. En als je dan op een dag dat allemaal moet... opzij zetten, moet, moet, moet, als je merkt dat je vrienden je mijden, dat ze je gaan haten, dat niemand meer met je praten wil, als je alleen nog bij die paar christenvrienden komt die denken als je zelf doet, maar anders praten, met hun handen in de zak, naar de zee ruiken, geel haar hebben, blauwe ogen - wat is blauw toch voor een kleur voor ogen? - dan... Als kind was ik eens 's nachts buiten, stond op de kade bij het IJ, er was geen hond op straat, ik was helemaal alleen, een galjoen lag op 't water, de zeilen klapperden, er scheen licht uit de raampjes, toen kwam er mist opzetten, ik wou 't schip blijven zien, maar 't vervaagde in 't zwart en... ik wist niet meer of 't een schip was of een monster. Ik keek om me heen of ik 't iemand kon vragen: is dat een schip of een monster? Maar er was niemand, de zeilen klapperden en ik was zo ontzettend bang. Ik ben naar huis gerend
| |
| |
en tegen m'n moeder aangekropen. Ze is al lang dood. Mijn vader ook. Denkt u dat ik niet graag weer eens vrijdagsavonds in de synagoge zou willen zitten, lekker warm, de lucht van uien en knoflook, de Ark goudglanzend voor je ogen, op zo'n mooie, winterse avond in Amsterdam?
Zacht.
Ik hou van gezelligheid. U zou daar op dat schilderij die joden niet zo verdrietig moeten schilderen. Ze waren met z'n allen, dat is zo kwaad nog niet.
Het is een lange tijd stil, dan komt Rembrandt achter het doek vandaan, kijkt peinzend naar Spinoza.
Toch moeten we vaker met elkaar praten. Je bent een rare sodemieter. God sta me bij, maar ik hou van rare sodemieters.
Knijpt een oog dicht.
Lekker koppetje, een lichie van links boven...
op.
Rembrandt? Er is iemand voor je.
O ja. Laat binnen. En blijf toch even...
Ze heeft gelijk dat ze kwaad is. Maar wat kan ik doen?
De Italiaanse gravin komt op, een mooie vrouw van ruim veertig, een beetje fanée, kostbaar gekleed, ze ruist binnen.
| |
| |
naar hem toe, pakt zijn arm.
Zo blij je weer te zien, mijn man laat zich excuseren, zoals altijd, wordt onze Moses mooi?
Zacht
Wie is die jood?
zacht
Een dolle jongen.
Hardop
Meneer Spinoza, een geleerde.
Tegen Spinoza.
De gravin komt uit Italië, ze weten daar nog niet dat Rembrandt uit de mode is.
naar Spinoza kijkend, zacht
Wat is er zo dol aan hem?
|
|