van te lenen, zei hij tegen de Almachtige: Almachtige, oneindige God, zei hij, voor u zijn duizend jaren als één minuut en duizend gulden als één cent. Almachtige, vroeg Isaac Lebedosso, ik vraag niet veel, geef me een cent. En toen antwoordde de Almachtige: dat is goed, Isaac Lebedosso, zei hij, maar wacht een minuut.
Hij buigt zich krom van het lachen, richt zich weer op.
Lach jij niet, Zacuto?
sluit de ogen weer.
Ik denk na.
zacuto Ik zou ook de ogen willen sluiten zoals u. De tweeëntwintig brandende tekens zien, de gloed van de Sefiroth. Maar mijn ogen blijven opengesperd. Er is gevaar, rabbi!
Zacuto, je moeder heeft je in koud water laten vallen, je bent zo nerveus.
zuchtend
Ik wéét het, ik wéét het.
Hij viert de sabbat niet meer. Hij komt niet meer in de synagoge. Hij bouwt de loofhut niet. Hij schendt de wet. Hij...
Je vertelt me wat de mussen weten.
Hij loochent de Schrift! Hij hokt met goise libertijnen, dikke plakken ham op tafel, de Bijbel onder hun voeten, als goddeloze varkens...
heft zijn hand op, Zacuto zwijgt.
Tegen wie spreek je, Zacuto?