Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 466]
| |
Hoofdstuk vijftien(48)Dan wekenlang duurde dat ding: die voorbereide koningin ging komen. Bajai Eén aksie daarzo als een wát! Straat werd gevuld van gaten, rein met asfalt. Zinkschutting mooimooi geverfd, plantjes in bak op straat. Nèks wat vuil was, had nog een reden om getoond te worden, vuilzak, kapotte fiets, dooie-honde ribbekast, alles. Zelfs riool werd gediekt om water af te lozen, in geval de lucht mocht uitbarsten in huilen. Dan ook dat gras, trotwaar overgroenend, werd weggekapt. ‘Hé daarzo! Luiaard! Kom! Sta nie met je dronken hoofd vol zuipselbitter! Kom. ik heb werk fo je! Ga daar en daar! Dan kan je gaan gras snijen met een houwer. En groot geld maken: één gulle vouwenfijftig per dag (f 1,55). Een grote kapitaal no? Gras snijen. Hele hele dag! Ja, op droge grond ook! Want ze had goeie tijden uitgezocht, die koninginne. Droog weder, deze part van het jaar. Dan behalve gras snijen ook trotwaarrand maken. Al honderd jaren nie gerepareerd. Ma' nu, langs die héle roete zo, waar ze ging rijen, die blauwogige Misi, langs hele roete alles schoon gemaakt fo gouden koets. ‘San?! Gouwe koets no? Wilhelma van Nassouwe!, of hoe ze heet! Dan gaat ze komen rijen in ons bos hier? Met gouwe koets? Fo waarom geeft ze me die koets niet? Laat ik 't smelteren bij goudsmit! Me jeje heeft lust om allang een goudketting te dragen! Ma' ik kan niet toch! Ik verdien maar vijftig cent in één dag. Wat zeg ik? Ik bedoel: als mens in lering, krijg ik één gulle vouwenzeventig elke week! Want ik ben leerling stoepschrobster... je weet toch!’ Of ander kommentaar, van mensen, zittend op hun bil, op bankje aan die straat z'n zijtrotwaar, hun brede tori gevend, smalle tori nemend, verhaalpraat dus, met zweetoksel en vrije ademlucht, vol knoflook. | |
[pagina 467]
| |
‘Ija! Die keakte orranse dame met koningsbloed! Ze kaal Koninkrijk fan ons ier maken! Baja, me man! Laat ons een mooi swart kind maken zo, dan sturen we 't na' Hollant! Je weet niet: misschien gaat 't later met een dochter van het koningin trouwen! Swááárte neger zo, met blauwoog prinses! Met een lichaam zo wit, die meid, dat ze lijkt op blond, helemaal van onder tot ondersteboven. Baja! Dan kan een neger uit onse kolonie ook een keertje koning regeren, over die Hollant daarzo. Af en toe gaat hij over water van zee moeten zwemmen, om hier in Kokosland te komen uitrusten! Want die Hollantmensen! Chm! Hoejezeziet! Ze geven een hoofdpersoon van ze geen rust! Een man die LantiGa naar voetnoot1 is van ze, moet met regeren z'n rug vermoeien! Is, zie je, dáárom komt die witte vrouw hierzo! Ze is levensmoe van Hollant zelf! Ze komt fakansie eten in ons land. Als rijst met gare kouseband! Baja, als je d'r ziet: schil je tanden fo d'r hór!’ ‘Me tanden schillen?’ kwam uit borst met kale borstrok, ‘Wáárom niet me tanden pieren fo d'r?’ (‘Tanden schillen of pieren’, varianten met spot voor ‘glimlachen’) ‘Je mag ook die vuile gebit van je laten roest blinken fo d'r!’ ‘Ffffrèk!’ (De spot vraag om een brede glimlach fo de koningin dus afgewezen.) ‘Ija, ma' dan moet je eerst je tanden schoon schuren met Vim en graffe schuur! Want 't lijkt op dat zijrand van achtersloot!’ (Aha! Dáárom geen brede glimlach no?) ‘Frrèk jo, moerskont! La' me je geen m'mapima geven, deze wèry wèry brekfest!’ (De spreker wilde liever dus die ander niet uitschelden. Zei zulks met krachttermen.) Op school, die kindertjes, al maandenlang Wilhelmus repeterend. En dinges ook, makend met roodwitblauwe vlag. Elke week centjes sparend fo oranjekousen, oranje haarlintjes, oranje speldjes, oranje dit oranje dat! ‘Kinderen! Wát gedragen jullie jullie zelf zo dan? En?! Netof jullie met jullie handen waaien! Is een leba-gecst is op jullie no?’ ‘Nee papa! Is repeteren maken wel We leren wuiven papa! Want koningin gaat komen!’ ‘O! Dan is zij die boze geest!’ ‘Deze man! Laat Lanti je nie horen! Want anders krijg je bekeuring, of gevangenis!’ | |
[pagina 468]
| |
‘Wat fo k'ka komt deze vrouw me zeggen dan? Tan! Nu ben ik in me eigen huis! Dan mag ik nie me woord laten rollen als dubbeltjes met kaarten! Tan? A kfalek sani i wani no? J'hebt zeker nie in je ogen, hoelang ze neger onderdrukt hebben en vertrapt! D'r moet ééntje zijn, die durf heeft, die hele koets in brand te steken! Eén fles maar, met petrolie! Dan ga je zien, hoe die witte koningin plotseling zwart gaat worden van aanbranding!’ ‘Hou op Doris! Tapoe baja! Hou op! Ik zeg je! Want kinderen zijn muskieten!: ze zuigen je woorden als bloed van je mond, dan gaan ze 't verder poepen! Dalek hoor je: ze sturen ze van school met wegjagen: ‘Mars! Jullie mogen nooitmeer op school komen! Jullie zeggen anti-Holland dinges! Ma' is wíj, Hollanders, geven jullie jullie opvoeding! Is nie zo? Mars, jo teerpop!’ ‘Ke...! Aaj, deze vrouw! Zolang je leeft met dat haar op je hoofd! Dan begrijp je niet, met één dag nadenken, wat ze ons hebben aangedaan no? Al die negers, met moord, bloed van koffie, suiker, kakao, katoen... honderden jaren lang! Met marteling ook! Z'hebben ons zelfs opgehangen, zwangere vrouwen, aan vleeshaken! Met martelrek om je gebeenderte te breken, ophanging, achtervoetspier snijen, la' je niemeer lopen...’ ‘Dan heeft neger toch ook met hun afgesnejen hoofd gevoetbald? En?’ ‘Deze vrouw! Je begrijpt het wezen van de vrijheid en z'n strijd niet! Je wil laat ik je komen baksen no? Dom als schaap! Je weet toch: 't was vríjheidsoorlog! Marrons, ónze wegloopnegers, die zelfs in hun vrijheid werden in achtervolging gesteld! Dooreen huurlingenleger van alle soorten Europese Europeanen! Allemaal witte koloniaal! Fo dáárom moesten we zelf mensen doodmaken! Dáárom!’ ‘Tan??? Mijjjjn góóóód! Mijn god, fo wie ik deze tranen vrij laat lopen, heel me gezicht met waterogen! Ke! Me man is kommunist geworden! Ke... Here, Masra! Ke! Gij Kristus met Uwen lange haren onder doornenbekroning, daar aan kruis van palissander...! Ke...!’ ‘Aaj deze vrouw! Jij met je onmondige jammerbek! Durf te bukken, dat je fo me gaat bidden! Ik geef je één schop onder je toeteloete!, dat je d'rvan zestigt! Ik swéér fo je!’ (Een bóósboze echtgenoot.) ‘Tan? Een hond kan je nie te vreten geven! Dan is 't míj ga je komen slaan? En?! Deze luie neger die je bent! Hele dag op je mars gaan broeden! Want meneer kent geen werken no? Hij stinkt met luie zweet! Wel, koningin gaat komen! Wroko bari! Er is werk! Mars!... Buurvrouw!! Buurvrouw, pak je strijkbout, kom deze neger op me | |
[pagina 469]
| |
temmen hierzo! Waaaaiiii! Hellep!!’ Alweer een ruzie in een huis. Met vechtpartij van dat soort konkubinaatmensen. Omdat die bakra misi zou gaan komen. De koningin, met gouden koets no? Daar in dat apeland no? Ze kwam zeker ook om apevlees te eten no? Dan díe dag van gepland zijn, kwám ze! Me jeses! Eén woegoe woegoe!, grootste opschudding om haar intocht! Zeeland, Zeeland soet' en kanoe! Motjo bar': a branti! (Het schip Zeeland schoot zijn kanon af. En de hoer riep: er is brand!)Ga naar voetnoot2 ‘Tan? Wie schopt jou! Is geen lied over meneer Zeeland hoor! Met een gebeurtenis met een hoer! Vrijpostigheid van je, om zo te denken! Tan? Wie schopt jou met twee cent? En?’ De schepen vuurden hun kanonschoten. Nabij Fort Zeelandia kwam zij. Hele schip met vlaggen, allemaal, op rivier, kleine, grote, korjaal, met motor. Oranje Nassau ook! Dan muziekband ook, bagadikibow!, speelde z'n spelen. ‘Hoerè! Hoerè! A Misi kon!: de koningin gekomen! Hoera!’ Met militaire kapel, 't speelt op muziek! Dan Goefeneur, hij ging d'r halen. ‘Welkom Uwe Saaie Meid... eh, pardon, Majesteit...!’ (‘Wie zegt dat hij heeft zo geroepen? Je was daar no? Onder z'n stinkende hemdsmouw zeker! Met je jok in je smoel! Mars weg, jo beest! Ik wil nie horen!’) Dan kwam ze aan land, met politie, witte majoors en sersjanten, kapiteinen. Overal: blauwogige bakra's en geen enkel inlands kind. Ja, wel, áchter die hekken daarzo, op Oranje Plein. Zwaai makend met hun vlaggetjes, grootste opwinding: kijk! kijk! Mijn tata!!! Ze is zó wit, net heks uit sprookje...! Ma' dan later ook, mochten bosnegers komen dansen, in wilde bosdracht, met korjaal. Met speer ook, pijl en boog waarmee gevist. En met hun grote navels stekend uit hun buiken. Dan eerstdien, had je indianenreeks: Arowak, Caraïb, Warrau... met draagmand moetete, katoen. Dan weer stadsneger, met mooie kotomisi kleer, gratige rok, springjak, bloemig of strepig, hoofddoek in pauwestaartmodel, met houten bak vol vrucht op hoofd en oranjestok in mond. ‘Wu... wu... wu! Kondre ferjari tide...!’ | |
[pagina 470]
| |
Het land was die dag inderdaad jarig! Met feestgedruis, zolang ze bleven. Ook hindoestanen in parade, liefst van verre plantage, met hoofdsluier: sari, met neusring, enkelring, vol belletjes, slaan op dolek, nagara-dans uitvoerend... ‘Hare!... hare!... hare!... Baapre-baap!’ Dan achterdien, javaan, met sarong, met een springspring paardendans, achter, chinees, met dansende draakgestalte. Dan achter chinees, libanees, hollander, veel meer ook. Iedereen, elke bevolkingsgroep kwam lopen. Met opening van één nieuwnieuw groot standbeeld. Hét grote landsgeschenk: die majesteit: Koningin Wilhelmina! In steen vereeuwigd! Wáárom moest de hongerkolonie geld bij makaar gaan lopen schrapen om aan 't Oranje Huis te schenken? Fo de rest: veel mensen vielen flauw van honger of zakten met een zieke buik weg op een stoep... (‘Brada! Ik bid je no? Geef me één cent voordat ik ga doodgaan! Me mond kookt schuim, van honger! Ik heb al drie dagen met honger niet gegeten!’) Die koningin zelf kreeg duizenden guldens, alleen al aan bloemen en krans.
Dan verderop, ook weggebannen bedelaars, toch weer gekomen, méér: zakrolman, hoere-onder-juffrouw, en kijkloerman, met al die andere roddelende ‘mondradio's’. Allerhande typen zo, daar, 't allerlaagste proletariaat zonder allooi!, bij die amandelbomen dringend in een grote rij. Daar, onder dak van zon, en opening van lucht. ‘Hoera! Hoera! Een driewerf Hoera!’ (‘Wat fo k'ka hoera? Me land is nog nie vrij! Dan moet ik hoera komen staan schreeuwen fo zo'n ellendige vleesvreetster die met gouden rijtuig deze arme bende komt versieren no? Ze hebben ons driehonderd jaar vergeten! Met mars! Dan moet ik hier, me hand staan zwaaien met rood wit blauw, terwijl me land is nie onafhankelijk! Autonomie? La' me nie lachen! Je bedoelt: we zijn een achterpoot geworden van een schande-troon! Is dát! Wel ik zegje: deze hand? Plaats van dat 't gaat staan vlag zwaaien, chm!, is liever kap ik 't! Laat 't neervallen op de grond! Hónd met z'n zeven hersens kan 't komen opvreten met hongerbuik! Of nee, laat ze me afgekapte hand opsturen, net zoals ze vroeger die gebarbekotteGa naar voetnoot3 handen van die weggelopen negers hebben afgesneje in | |
[pagina 471]
| |
het bos en hebben gestuurd als soevenir, na' die goefeneurs, paar eeuw geleden! Enhèn! Is ík heb gezegd! Dasso!’) Wat een verklaring! Om je hand af te snijden, het roken boven een houtvuur. En het dan op te sturen naar de goeverneur! Net zoals dat gebeurde met die wegloopnegers, vroeger! Ach! Die goefeneurs waren altijd superkolonist geweest. Gaven zelfs opdracht tot gruwelijke marteling. Waren hoofdman van dat ellende-systeem. Die goefeneur was altijd wil geweest. Een witte man, altijd uit Holland. Met altijd weer, geweldige intronisatie. Nu dan zo, gaf hij receptie: mensen kwamen. Om koningin te zien, genodigden. Met grootgrote banket! Lange rij tafels, met maar één halfzwarte man daarzo: die grootoom van Brummal. Verder geen enkele enkele neger, of hindoestaan, javaan, of wie dan ook. Nee, díe hadden kans al, om te laten zien, in demonstratie, wat ze te geven hadden aan folklore. Met alle pracht en praal van dress aan lichaam. Een schone dans ook buitendien. Nee, géén afgoderijdans fo die grote Misi. Nee, baja! E'en! Allerlei wilde komedie komen staan maken daarzo? Je wilde laat ze je komen kogeien no? Die soldaten met hun schietgeweer. Want z'hadden gewéren! Z'hadden bajonét! Met pantsertankauto ook! Daar, uit Kampement waar die soldaten bleven. Soldaten, in gemars dwars door die stad! Met overal opstopping, balkezel, hondegeschreeuw, mensen die roepen uit heel hun gekeelte. Míjn god baja! Dan auto's tutteren hun tututúúúút!! En kleine spijbeljonges, áls ze school hadden. Zwervende straatratmensen, met hun zieke ledematen vol ettering hadden nu alles gedaan in een voddigste bandaasje, om niet dat vreselijke te laten zien. Of desnoods een jutezak van rijstinhoud, om hun etterende zweer gedraaid, een soort drapering. (‘Aaj, ze gaat me stank nie zien! Ma' ze gaat ruiken! Vooral die prins daarzo, aan d'r zijbuik!’) Al zag de koninklijke familie die etter niet, ze zóu 't ruiken! Chm! De stoepen van hun fiesterij ontdaan. Wat echt nie weg kon, was die straatplasserij stank, van mannen die in een hoek, zomaar op straat, hun fluitjes lieten leeglopen. Of zelfs, ze lieten één grote bona, grote drol zo, vallen, waar dat ze 't wouwden. Een krasgierige hond zou 't komen opeten toch! Baja! Dan nu, sirene loeiend schreeuwgevend! ‘A misi doro! Z'is | |
[pagina 472]
| |
gekomen!’ Bro! Tampiko bro! Somenlanga m' no jer' a boto bro...! (O, Tempico, stoomschip, blaas op je hoorn! Ik heb je lang geen stoom vanaf de Suriname rivier horen afblazen...!) Poeeeeeeeeee!! Daarzo, alles van die schepen. Met djoeka's hun bosnegertrom spelend op water. Drijvende vaart van allen daar! ‘A misi doro! Ze is gekomen!’ Nu volgde een tocht met gouden koets! Me jéko! Dan ding blonk no hel! Als je een plaats had, om 't snel te stelen, te bewaren... totdat een goudsmit 't fo je kon omsmelteren, echt goedkoop, tegen dagprijs van goud, om kettingen te maken, kettingen, vingerringen, die geliefde ankers... Dan kijk lakei aan zijkant van die koets! Koets met zijkant waarin d'r kaarsen konden branden no? Die lanteri... alles van goud, deur zo, met goudblad aan 't! Dan verder, gouden wielen. (‘Míjn gunst! Míjn goede! Als alle stof dat waait d'rop, fo een arm mensen jeje als ik, kon goud worden! Ja, achterslootstraat, z'n stof wordt goud!’) Ooit had je in geschiedenis gehad, 't sprookje gelanceerd uit kolonistenland, dat een goudmeer leefde, onder de indianen van dat land. Ze baadden met goud, wasten hun bille na poepe-doen met goudvocht, de vrouwen wasten hun onderwerk elke dag in goudsaus, ze dronken zelf goud-kasiri, die indiaanse wijn... Ach! Dan nu, in plaats van goud te komen halen, brácht ze goud, die Misi! De koningin van Blanda! Trons, ná 't leeg roven van alle andere soorten goud, was nèks te halen meer. De kolonie geplunderd. Dus brengen nu, om die bevolking te schijnen. Ja, schijnen, spenki, spenki: laten zien hoe goud zo goudelijk schitterblinkt! Om ze van schijnrijkdom te komen staan overtuigen! Ja, open koets! Met prachtige praal! Hoor hoe koets rond rolde op straatsteen... Tjoklok, tjoklok, tjoklok!, getrokken door paarden! Dan kijk die Hollanse paarden! Zo groot als driemaal het ongevoede Surinaamse paard! Aaj! Dát was paard! Een hele stadswijk kon bij slachting een half jaar leven van één zo'n Hollandras paard! Kijk hoe ze die stenen wegschopten zo tjak, tjak, tjak! Paarden met schudstaart, zo vol haren! Paarden met zweetbast! Dan zweepte die koetsier ze, net zoals ze negers zweepten! Ma' dan kijk, nee, wagen bleef nie steken, zoals altijd die andere zwaar beladen ezelkar, boerikiwagi. Nee, in dit geval: blijven steken zou | |
[pagina 473]
| |
gewoon majesteitsschennis heten! Want hoe ze reden zo, met koningin zittend precies in die richting van dat achtergat van paard, liet dat paard één grote bol los, met een prrrt!, d'rachter! Hmmm! Vies! Ja! Ze konden alles doen, die machthebbers. Maar ze konden niet met beletten voorkomen dat een paard z'n bil liet werken, koninklijk ook! Dan kijk no? Ze was met zakdoek na' die mensen aan 't zwaaien (‘Dak koningin, wij kloeten u! Dak koefeneul, wij kloeten u!’) Snelsnel zakdoek fo d'r neus gezet, toen dat paard begon. Hoor sommige mensen in publiek no: ‘Mijn gunst! Wat gebeurt no? Kijk, dat paard poept! Het heeft geen respekt fo de koningin! Ik geloof, ze zet haar zakdoek voor d'r neus! Niet fo dat paard. Fo deze stinkbuurt! Ze kan nie met onze stank!’ ‘Jettie?’ ‘Ija mamma!’ ‘Had je die po opgeruimd?’ ‘Nee mama!’ ‘Dan ga 't snel doen! Jo luibeest jo! Tot hier kan iemand dat ding ruiken!’ Een ander weer, had klacht, over niet schoon gemaakte erf. Weer een ander over iets anders, ongewassen lichaam met stink-onderhand, dat okselwerk! Of stinkmond zelfs, die moest gehouwen worden! Stinkbuik! Alles van die stankbuurt moest verborgen blijven! Kijk, wat fo mooi ze droegen no? Hij uniform, mannen daar in koets, volgkoets, auto... Ma' vrouwen ook, vooral de koningin, met mooi kostuum van wil en lintjes, goudbrosj (‘Aaj, is zó eentje wil ik bestellen bij me goudsmit! Al heeft 't geen diamant en is 't nie zo groot! Ik laat desnoods valse steen zetten d'rin!’), diamant halsketting, alles, grote waaier, handschoen. ‘Daaag! Dag grote Misi, met je blauwogen!’ ‘Ke! Is jammer dat je kan nie van dichtbij kijken in d'r ogen! Dat Hollandmens! Ze zeggen: ze heeft blauw bloed in d'r aderwerk! Dan als je in d'r oog kon kijken, dan kon je blauw ook zien. En als die zon maakt dat ze nie genoeg blauw heeft, met z'n hete gebrand in een mens z'n ooggat dezer dagen, dan heb ik nog een blokje blauwsel die je fo schone witte laken zet thuis! Dan kan ik d'r geven no, laat ze tóch helemaal hier, ver van d'r thuis, blauwoog krijgen. Want z'is zó mooi! Zo waarachtig! Ke! Een echte Groot-Vrouw!’ Sommigen konden bijna huilen...! Mevrouw Van Lippe Biesterfeld heette ze! Baja! | |
[pagina 474]
| |
Anderen weer, met juich aan mond! Want kijk: ze hadden iets van waarde: aan nek hangend, van jarenlang gespaarde cent: een gouden tiengulderstuk! Met die kop van koningin. (‘Kop no? Je wil een schop op je zitomtrek zeker! Is hóofd van het Hoofd van 't Koninkrijk moetje zeggen! La' me je geen tweede keer horen, hòr! So!!’) Dan verder, reisde ze, de Koningin der Nederlanden. Met rondboren van roete die gepland was. Aaj, ze zag niet, achter mooimachtig geverfde zinkschutting, de met façade gedekte achtererven. Met daarop kranke mensen, brekend uit hun lichamen van honger, armoe, doodse ziekte. Boeboe, malaria, filaria, geelzucht, gele koorts, spoelwormen, ringwormen, kokobe die lepra, krabjasi, negerziekte ook, alles... Alles zo, verborgen achter al dat mensenjuichen. Van eerste straat tot laatste straat, ‘Wuuu...! Wuuuu...! Wuuuu...! Dagoe srefi kan si: fa kownoe lobi wi!’ (‘Hoera...! Hoera...! Hoera...! Een hond zelfs kan zien, hoe de koningin houdt van ons mensen, die haar 't beste wensen...!’) Allen aan straat, gelijken, mens en hond, zelfs doodvallende vogel. ‘Hoerè! Hoera!’ Dan kwam een kranslegging bij monument. Met koto-misi's die hun hoofddoek spreidden. En deze Koninklijke Misi lópend erover...! Wat een goddelijke eer ook, nám ze! Met bakjes beschuitkoek, heerlijke keek in koektrommel, allerhande vruchten, prachtigheden! Baja! Met buigingen van knie. (‘A Majesteit! A moi baja! Ija: ze is een skone Dame!’) Met kransen ook, van koelibloem, om d'r nek, hangend, en priesters met hun band om hoofd, een tulleband, en baba aan hun lichaam, in de plooien. Dansende ritmes, juichensvol. Alles, iedereen zo, kreeg z'n swiet. Vooral toen ze ging lintjes uitdelen. Ja, onderscheidingen, daar op 't paleis. Geweldige sensasiedinges baja! ‘En met waardering, voor al wat U gedaan hebt, Uw bijdrage voor 't Koninkrijk...!’ Brummal z'n grootoom kreeg, mede het hele Kolleesje. Kolleesje van Bestuur wel te verstaan. Nà natuurlijk grote man van hogere orde: de gouverneur, hijzelf. Kijk, hij, glans! Aaj, nu kon hij teruggaan uit dit stinkende broeinest. Ma' dan een der velen... proffessor Gerber Mann! Ija, met onderscheiding voor ‘... al wat u heeft gedaan ter ere van dit volk ook. U hebt uw werk gedaan, voor hen, maar vooral 't Vaderland, waarheen Gij binnenkort ook vaart, terug, alwaar Gij hoort te wezen. Hier, hebt | |
[pagina 475]
| |
Gij in Uw dubbeljaren, Uw ziel gegeven aan de opbouw van dit volk. De Here zegene Uwe verdere arbeid!’ Applaus! Leve de Koningin! Driewerf! Inga, ze huilde! Warme tranen! Zelfs die bediendes huilden, vooral Sisi, met innigste zorg! Dan Nette, terwijl dinges plaats grepen op bordes bij Gouvernementspaleis, Nette zijnd op kantoor van Brummal. Ze was stiekum gekomen daar, om te vertellen van al wat gezien was. Dat Sisi, die ander was getuige ook. Van de aanranding der Mulattin. Dus Brummal nu, met Ronalds (dank aan Niko!), hun plan opzettend, om nog tijdens dat verblijf der koningin, te komen met een openbaring over dat gedrag van een zekere Gerber Professor Mann, ten aanzien van... Ach, ieder zou weten: direkt: een schandgeval, mèt levende getuiges. Dan ondertussen, op bordes bij koningin, diezelfde Mann, z'n ziel uitbijtend. Sjonge de zaak was binnen nu, alles geregeld. Als die Janki maar uit bosland terug kon komen! Als! Dan zou hij vlak nu, thuis gaand, met vertrek in zicht, binnen de zoveel tijd, zijn werkdaad afronden. Nu definitief geen snelkweekplan, ook geen beloning, al was 't beetje beetje om wat hersenwerk, van het uitdokteren van 't plan. 't Schandaal van Brummal zou hij openbaren nu! Dát wou hij! Met Janki, daar in stad, als zijn getuige! Misschien vanavond nog naar het bosland een telegram... ja! Die koningin ging ook naar het binneland. Nou, dan waren er zeker goeie verbindingen. Als hij kon zorgen dat... nee! Hij zag zichzelf niet over de watervallen gaand, in dansend bootje (‘Míjn gunst! Bijna ded-ded verdronken!’), of als een tandeprooi van vleesetende vis, of kaaiman. Noem die bosdinges maar op! Of... Nee, een telegram, gewoon bericht, mee te geven tijdens koningin haar tocht! Terugroepen van Janki, die gegaan was na' plantage! Ergens, weg van de stad, westwaarts. Jazeker! Dan nu, met afgeronde plannen, vertrekken, als een koffer vol met wijsheid, alle ervaringen, gerangschikte werkelijkheid naar zíjn hand, ook al liep nie elk hoofdstuk prisis zoals hij z'n handboek had willen op schrift zetten... haha! Haha! Dikke sigaar aan mondhoek tanden plagend! Sjjjww! Dikke rook geblazen ook. Klappende witte handen die zich rood sloegen. Baja... ‘Wuuu!’ groot geschreeuw met fesa, feest! Want zie: D'r wás een majesteit! Groot-Hoge Vrouwe! Vlees van | |
[pagina 476]
| |
Adelijkheid! (Een kerel lag op de rug, met hoofd omhoog onder een boom; hij trok z'n mond met een gebroken pijp. Hoor 'em, zichzelf vrijpleitend van levendigheid: ‘Baja! Kijk dinges! Loekoe! Die Misi is gekomen no? Dan wanneer ze is weggegaan, wat heeft ze fo me gelaten dan? Nèks! Of 't moet zijn: een tigrip'poe!’ Tigrip'poe: tijgerscheet! Dan draaide hij z'n rug om, ging z'n slaap trekken. Weer elders: ‘San j'bor' tide dan?: wat geeft je eetpot? Tonton? Tomtom heb je gekookt no? Bananesoep? Aaj! Je verwent me...!’ Hoor die vrouw: ‘Kerel! Kom, loop hoor! Je denkt is fo jóu heb ik zo lekker gekookt? Wat heb jíj dat’, gedaan, om zo iets te verdienstig te zijn! En?! Zie je niet, dat is fo die kínderen heb ik dit lekkers klaar gemaakt! Want ze hebben hele dag met de hand staan rood-wit-blauw vlag waaien! Hele dag! Dan van school hebben ze enkel een sinaasappel gekregen, anderen zeggen schaafijs! Ma' ík die hun enigste schoolkleren, gister al heb staan wassen no? En drogen no, op houtskoolvuur? Want dat weer wou niet, 't was te vochtig (‘Foktik!’) fo kleren drogen! Dan vijf uur sochtens heb ik me hoofd opgetild! Ik ben die kleren gaan staan strijken, heet heet! Met duurdure houtskool ook, die ik nie kan betalen bijna! Dan wát ga ik dat', krijgen? Mi? Ik krijg geen nèks hoor! Ma' ik hoef niet ook! Ik sta al op grailengte met me voet onder me buik! Ija! Is gaan ben ik aan 't gaan! Ma' die kinderen! Ik hoop: deze parade fo de konigin komt als een verjaardag fo ze, zie je! Is dát! Dus slorp nie al die soep op hoor, basja, anders gaan jij en ik heftige ruzie krijgen! Desnoods bederven wel Want die kinderen moeten ook plezier maken! Die arme schoolpoppetjes...!) Overdag juichen, stade onrust van plezier, prisiri. Dan savens op konferjari gaan! Konferjari, kermis, met draaiding die je duizend duizeling geeft! 't Heet carrousel! Carrousel no? Beter laten ze 't didibri's kontgat noemen! Met trektouw, heleboel zo! Dan als je trekt, dan kan je winnen, een kado: een stukje blik-krokodil, met een ander stukje blik zonder verf aan die onderkant. Dan kan je drukken en dan krijg je een geluid so plok!, plok!, plok!, totdat je 't na een half uur al weggooit. Of: doppie-pistool winnen, met ronddraaiende reep van kruitkogeltjes in papier. Dan krijg je kruitlucht. Of: pistool met kurk aan touw in loop d'rvan. Met cowboy spelen: ‘Sté! Als je nie blijft staan, schiet ik je m'mars fo je!’ Dan schieten, | |
[pagina 477]
| |
pammm! met echte dood! Want die ander, wegrennend, wordt netnet door een zware autotruk gegrepen, met openrijtende kinderbuik, een speelvriendje... draaiarmen die stukjes maalvlees geworden zijn, bloed, gruwelbloed... Aaj, nee, nie denken aan zulke vreselijke vleesheden! Snelsnel na' huis met pindakoek in handen! Met komen van die majesteit, kwam ook iets anders nu goed vrij: radio! Voordat ze was gekomen, radiostation (met een versterkt bereik) gemaakt, hele boot met toestellen gebracht aan land daar, en verkocht in dat land. Je wéét toch: mensen, zoveel mogelijk, moesten kunnen komen staan of zitten horen, hoe! Hoe dat die gouwe koets knarsetandde met gejuich van mensekeel in flodderige straat. Gelukkig werd zelfs natuur z'n frisstruik daar, met ruisend gesprek van bladeren, óók hoorbaar nu. Al dat soort dinges op de radio. Dan ook, die krèks! van storing. ‘...Krèk, krèk!... Hare majesteit begeeft zich met haar zwevende gewaad uit de gouden koets, nadat ze de vrachtdrijver... eh, koetsrijder... heeft gemaand tot stilstand! Haar hele gouden wagen is van goud! Goud dat goud blinkt! Eh... luisteraars met uw oren! U bent niet doof! Hoor het applaus! 't Klinkt als goud!...’ (Al die afgeknobbelde vingers van wasvrouwen, leprafiguranten in de ziekteloop der vergankelijkheid, Magere Dood z'n figuren die in uitgemergelde toestand van 't doodsbed gekropen met malaria, hun ramen hingen te versieren met hun eigen doodshoofd.) ‘Klap! Klap! Klap!, luisteraars! Nee, u doet geen vergissing! De uit het schip ontpakte wagen, het rijtuig, licht als ganzeveer... het schittert in de zon onder de tropenhemel die wij zelf lijken... O...! O...! Hare Majesteit verwaardigt zich uit haar koets te stijgen en te gaan naar het trotwaar... o, pas op Majesteit! De ratten hebben zulke verradelijke beenbreekgaten in 't zand gegraven! 't Zou zonde zijn haar been te zien, gespalkt door het kromme van twee kokosbomen... ik bedoel... eh... zulk een edel hart gespalkt... eh... prachtig! Prachtig! Hare Majesteit geeft een kleinklein kind een prachtige Hollandse zoen!...’ (Wat een kado no? Ze mocht blij zijn dat ze geen koepok terugkreeg in besmettingsvorm!) ‘... en nóg een, voor 't kleine meisje daar, helemaal gedrapeerd in rood wit blauwe sjerp, oranje lint in 't haar, en een prachtige roos die nooit kan boos kijken... | |
[pagina 478]
| |
Ah! Luisteraars, wat gebeurt nu? Haha! Een hond wil durven om tegen de majesteit te blaffen! Die hond is gek! Hij wil haar bijten ook! Maar zover komt het niet! Want een onderdaan, die redder!, trekt die hond beleefd en beschaafd aan z'n staart! Dan... he... haha!... aan z'n oor sleept hij die onbeschofte hond weg! Wow! Wow! ...u bent getuige... 't Is zó uniek! Zo uniek als zij zelf! Een echte sprookjeskoningin! En dan nu, in deze pauze, voor de tiende maal vandaag, het Wilhelmus...’ Dat ding begon te lijken op een eeuwig feest! De majesteit, mèt reservekroon en reserve koningsmantel, uitgevoerd in tienmalig eenvoud, schitterender dan licht in rimboe gangen. Na' hier, na' daar, openend ziekenhuis, patiënten bekijkend alsof ze een soort Lopende Lourdes was aan 't wezen, wandeling makend in de onvergankelijke Palmentuin vol koningspalmen, die na' d'r woven..., mèt hun door de natuur gekroonde kruin. Dan ging ze vormingscentrum openen, fo huisvrouwen, om beebiekleer te leren naaien fo eigen tiende bevalling, om te kennen, hoe je 'n onderjurk kon naaien tot gordijn met natuurlijk geweven lijkende kantrand, en van een zweefonderbroek van een vader tien luiers kon maken fo die binnenshuis met zuigfles worstelende beebie. Hoe je kon konkurreren met makaar in 't afkweken van vet-heupen en toch vrouw met achtersloot-aanzien kon blijven... Baja! Baja! Een heleboel van dinges meer! Scholing van opvoeding: kultuur no? Dan nu ze was gegaan na' binnenland, om kiek te makenGa naar voetnoot4 hoe een tijger piste van een boomtak af (tijger als boskoning op goeie voet met andere koningen), moest men daar in town een weg zoeken, om spanning te gaan houwen. De koningin in 't binnenland, de rest in de stad. Aaj! Ze hadden 't! Allang gepland ook: nabeschouwing over die gelegde kransen, napraten met doodgaande patiënt aan wiens ziekenhuis ze was komen lopen, vragen aan mensen, hoe ze vonden dat ze kleren droeg of liep. (‘Ze lijkt op pauw met kale bil!’) Of ze goed hadden gezien, met alle oog van ze, hoe die persoonlijkheid van ene majesteit, excellente elegansie had, met vorstelijke uitstraling. Of schoon! Je kon tussen die gebroken stad ma' één ding zeggen: ze leek één schone leba!, de majesteit een voddengeest! | |
[pagina 479]
| |
Dan nu zo, op een van die nadagen om vier uur (zon ging zitten al om weg te scheiden) in grote zaal van radiogebouw één grote bijeenkomst zo! Waarin daar prominenten die met onderscheiding hun stille gelukswenen nog konden laten lopen, ongeziene traan. (‘Z'is goed! Ze geeft ons eermedaille! Hier kijk, op me geweldige kraakgrote borst!’) Voorop, op podium, het zesde handse symfonie orkest, groot van het tropendom, met instrumenten als van vuilnishoop! Kijk ze! Die lamlendige kwekelingen van een maneschijnkultuur! In plaats van één grote gebriGa naar voetnoot5 te schreeuwen uit hun hoofd! ‘Hohohoooooiiiii! Volkeren! Ieder volk is zijn eigen staatshoofd! Koning zijnd is ieder onderdaan van wet! Haal die kroon weg en leef met een wet van eenvoudigheid! Mi na grankownoe foe mi kroboitata! Mi na njoen koenkoeboe foe da njoen djoenta!’ Zij speelden maanlicht melodie. Met zoete oorstrijkende snaarversiddering. En kronkelmond zang, deed je oor vanzelf een regenbui laten basteren, daarzo in 't hoofd. ‘Waar het groene loof der bomen..., schittert in de zonnegloed...’ Alweer! Dan nog een koloniaal lied, dan.... ‘Stilte hier in de zaal! Luisteraars thuis, het uur is bijna om. Ik neem voorlopig goedmoedig afscheid van u. Zo dalek hoort u de wereldse nieuwsberichten. Dan een kort bulletin waarin verslag van Hare Majesteits reis naar de binnenlanden. En dan daarna, vanuit deze zaal rechtstreeks, de tweede huldiging der jubilarissen: Wij hebben ze uitgenodigd, zij die de eer dragen van het gekregen hebben van een medaljon... een onderscheiding! Wie van hen laat niet trots zijn borstkas zien...?’ In de zaal stilte na een mondje rumoerigheid. Een paar mensen waren binnen aan 't komen. Sfeer via radio, maakte zichzelf aan als één geweldigheid! ‘Sjuuu! Stil! Uitzending is aan de gang! Ze zijn 't aan 't maken!’ Op een der voorste rijen - nee, goeverneur was na' de binnenlanden - die ouwe Brummal. Met gevouwen been op ander been. Met zwarte puntschoen, zwart pak. Een mens laten broedend pak in deze tijd. Kijk dan, hoe trots van ouderdom hij z'n medaille zat te dragen, met alle bijkomende verstikkingsgevaar! Z'n hele plooinek danste op en neer, tjoekroe!, tjoekroe, tjoekroe! Bwuhuh! | |
[pagina 480]
| |
Naast hem een paar nauwlichaam hebbende lijders van ouwe hoest! Hele vergrijsgrauwige koloniale top op eerste rij: een uitbeelding van staatsbankroet! Lanti baja, lanti! Dan kwamen die majoor-generalen, die andere anderen, met borgers die hun goeie ding hadden gedaan fo de kolonie. Geheel nog vóór dat laaste rijtje met die paar van inboorlingen naast onderscheiden missiemensen... hé!, Professor Gerber Mann! Met Igna! Lichter dan eerder ooit, van binnen en van buitenkant! Kijk hoe ze zaten! Hij, gedekoreerd! Achterin van die zaal.... (‘Hm???! Fo waarom moet in dit land alles zo rommel rommel gaan? Kijk hoe hun voeten komen storen!’)... een paar figuren bijkomend. Ze bleven staan. Op klokslag van de nieuwsuitzending. ‘.....krèk!... Eh... ummm! Luisteraars, hier volgt onze nieuwsuitzending: Volgens bevestigde berichten is de heer Doktorandus Frederik Brummal, ons allen wederom bekend, door fraude aan zijn titel gekomen. Dit zeer schokkende bericht over deze akkountant werd ons heden van bevoegde zijde medegedeeld. Wij hebben getracht de heer Brummal voor nadere bevestiging te bereiken. Uit het voorlopige verslag van de Kollegiare Justitie is...’ ‘San???’ Een stem sneed vanachter na' voren. Nieuwsman in voorfront van die zaal, brak even af, schoon een sekonde fo je. Wát ging daar gebeuren in die life-uitzending dan? En?! Die oude Brummal was opgesprongen! Op fieve onderbenen, zo te takseren! Hoor 'em, geen mooimalen hebbend aan die achterroeper met z'n schrik, (hij keek tegen die mikrofoon voorop toch!): ‘Wat is dit? Een smet op het blazoen van míjn familienaam? Ik, die het Koloniale Rijk bijna vijftig jaren alreeds dienstig ben? Wát? Dit is een smet op mijn medaljon!’ Hoor hoe die mensentongen begonnen met te roeren daarzo! ‘Wat?’ was een lopende vuurmond! En snel gaand ook, net nieuwerwetse soldaten mitraille! Of hoe die nieuwe vuurbombels van geweren naam hadden gekregen, die kogels konden schietspuwen zo tètètètètè..... Dit was geen nieuws meer! Dit was bomeksplosie! Wie had fo dít verantwoording? ‘Luisteraars, u bent getuige van...’ ‘Híj heeft 't gedaan! Deze geachte zeer gesmeerde Professor Gerber Mann!’ | |
[pagina 481]
| |
Iedereen gooide z'n hoofd na' achterzaal daarzo. Plaats, waar was staand, dezelfde akkountant Brummal, vergezeld van Ronalds, De Moor en El Negro, met nog een paar mensen van Eigen Dinges. Ze waren net van plan om... nee, nie wachten met te zeggen! Nu! Nu roepen! Nu, nu deze onuitschakelbare mikrofoon gericht op stad z'n ganse verspreiding van geluiden, aan stond te zijn met krèk, krèk! ‘Het is de valse beschuldiging van deze professor hier! Deze gever van valse beschuldigingen! Deze aanrander van vrouwen! Mensen! Ik heb een getuige die bewijzen kan dat hij een vrouw heeft aangerand...! Hij! Ja, hij! Deze ellendig koloniale bakra Gerber Mann!’ Een woeste bende tussen top en top nu! In plaats van één schandaal, geheel opeens twee. San na en?! ‘Waar is díe vrouw? Wáárzo zij?’ ‘Ze kan, en wíl niet komen! Ze....’ ‘Ja, schurk Brummal! Jij met je valse titel! Ik zál het je laten ontnemen!’ Wat? Een geleerde had gezegd! En dat telde tienmaal zo zwaar als welke zelfverdediging. Dan buitendien: Gerber was Hollander, hou rekening! ‘Verkrachter! Aanrander! Ik zwéér! Kheb twéé getuigen!’ Armarme jonge Brummal! Om zo te komen roepen in een zaal met mensen van de deftigheid. Met z'n eigen oudoom daaronder. Kon hij nie weten dan? Dat nèks van het beschuldigen zou helpen. Ma' wat about die mensen in het land? Vijftien mensen onder één boom met radio aan kabel op een tafel. Tafel vol met bier! Om elk woord te verteren! Omtrent die wonderkoningin! Dan hóren ze zoiets! In zó'n klein bevolkt land met ieder autonummer in een ieder z'n hersenopslagplaats no? In een land waar het hebben van een titel zoiets betekende als: god zijn boven elke duivel? San?! Sensa!! Baja sensa!! Sensaaaaasie!! Zet radio keihard dat je oor bastert van de ethergolf! ‘Waar zijn je getuigen? Roep ze!’ Gerber, met grote zweet aan 'em. ‘Waar is jóuw getuige!’ De Moor, het opnemend fo Brummal, sneller als je snel kon praten. ‘Dat is een zaak van 't Justitiële Hof! Niet van schooiers waaraan akademische eer is vergooid!’ ‘De onze zijn hier!’ De Moor, Ronalds, hij rende na' die deur, trok 't open, wenkte, wenkte.... | |
[pagina 482]
| |
Ma' Sisi! Ze was niet gekomen! Ze ging gek zijn! Om broodloos verder te moeten leven no? Welke geachte bakra-misi, mevrouw, zou d'r ooit in dienst nemen, wanneer ze als zwarte bediende vinger dorst te steken in richting blank? Fo tegenpleiting tegen d'r eigen inkomensfiguur? Dus dat ze als getuige tegen haar baas zou zijn? Dan moest ze gek bij d'r hoofd zijn! Hoe door De Moor en El Negro nie gesmeekt, hoe nie gevraagd! Ze had uiteindelijk geen poot gestoken bij ze. (‘Libi den! Laat ze! Ze willen hand opnemen tegen bakra! Is met Hóllander maken ze spot! Dan willen ze, dat ik als nederige negerinbediende getuige ga staan zijn no? Dat ik die dag gezien heb hoe meneer z'n dinges heeft gedaan met die mulatte vrouw die op mevrouw hier komt. Ik heb wel gezien ja: hij zette z'n mond op d'r mond. Ze heeft hem geklapt op z'n gezicht. Ma' die cente die ze me beloven. Ik had daar en daar een mooie rok gezien... hmmm! Misschien doe ik het toch... Nee, niet fo die cente, ma' fo de Eigen Dinges.. Nee!!! Ik wil! Ik wil niet! Aaj me god! Is zo geven ze je tweemaal een hart in 't zelfde lijf! Je twijfelt om je mensen te helpen. Je twijfelt om je brood te verliezen. Dit land! Met z'n vervloektese gestrijdigheden! E'en! E'en! E'en!’) Dan had ze dus, ondanks voorlopig toezeggen, geen poot getrapt, naar de studio. Ma' dan Nette no? Was die als tweede getuige wel gekomen? Zus Nette? Ze had laten weten: ze was ziek van kinderen. Ma' reden nie zo sterk, dat ze nie daar wou komen! In tegen, één deel!: waarheid fo d'r was waarheid! Al kon ze tienmaal ontslag krijgen van 't! Ze zou d'r mond gewoon zo laten zeggen wát gezien. Ma' dan, de verradelijke vreselijke borstpijn die d'r klemde! Om Niko! Niko die ze had vertrouwensvol gezegd: ‘Luister man, noem nie me naam in dinges. Ik heb je wel verteld dat ik die aanranding heb gezien. Ma' ik? Is me brood ben ik aan 't maken, met werken bij me baas en elders nu. Ik wil fo negerschap iets doen, doordienjullie hebben gezegd: die bakra doet ons land veel kwaaie dinges. Ma ‘kheb nie gerept van dat ik fo kroetoebakra ga staan roepen: meneer de Rechter, ik had dan en dan gezien! Ik kan geen offisjeel getuigen! Is me brood neem je van me! Is me leven! Als ik me werk verlies eten me kinderen niet. Hoor je Niko? Zelfs me vertrouwen die ik aan je had gegeven ga ik dan moeten terugnemen!’ Toch presste Niko deze zaak, op grond van eigen imborst diepte. Geen redenen te peilen uit z'n lichaam daarzo. Hoogstens, felmanne | |
[pagina 483]
| |
ogen, die zeiden dat z'n leven had een grief. Misschien 't was, die gevangenis. Met die veroordeling van witte rechter. Ma' wie kon zulke dinges weten dan? In elk geval was hij te ver gegaan. Hij had dat van die aanranding verder verteld aan De Moor en El Negro. En had gemaakt dat ze terugval had. Ze voelde zich zo gebruikt, Nette, zichzelf, dat ze nie kon zeggen. Hoogstens zei ze spotvol een: ‘Ik ga komen, hòr! Ija! Ik ga komen getuigen, hòr!’ En ze wou het achteraf echt wel. Ma' ze werd ziek. Ook misschien hij daar, met z'n gevangenis, had oog verloren fo wat mens kan menen, met elk woord, hoe 't is gezegd aan mond. Of, hij was iemand, onbewust lopend op een anders benen! In elk geval: hij seinde dóór: dan en dan, gaat ze zeker zeker komen! Dan om 't woord ruimte te geven: ‘Ze gaat komen, ija! Ze heeft gezegd! Al is ze moe met ziekte, van die kinderen toch, je weet!’ Nu zo, lege gedaantes die de gang vulden met niets. Geen enkele getuige! Geen Sisi! Geen Nette! ‘O! Ze zijn misschien telaat, ma' ze komen! Maar waar is úw getuige dan?’ ‘De mijne? Ah! Hij lééft! Kollega Jan Verwoeven! De zeer achtbare!’ Rumoer! ‘Maar hij is nu net in het binnenland...’ Dan was hij, Gerber, eigen hart aan 't opkoken! Nee, zonder grap en zonder houtskool vuur of net pas ingevoerd soort gas! Verdomme man! Alweer iemand 'em voor geweest! De verschrikkelijke mensen in dit gans vervloekte land gunden hem niets! Werkelijk geen gunst van 't lot zelf! Eerste keer: iemand komt tussen hem en De Moor! Tweede keer: hele bevolking schijnt al te weten wat hij wil onthullen! Een schande! Een verschrikking! Hij had reeds verloren nu! Want niet híj had het gerucht verspreid, maar Doera die sekretaresse. Die zaak de moeite niemeer waard! 't Plan verscheurd! Vertrekken, o wegmarsen uit deze enkelvoudig verdoemde driedubbele helleoord! Versjodemedikke! Hij, eeuwige verliezer, daarzo...! Hoewel, 't leek anders. ‘Wat is dit? Ik laat mijn naam niet zo bederven!’ Die ouwe Brummal, krakend op z'n benen, stille krèk!krèk! ‘Wie schande van mijn naam spreekt zal 't bewijzen! Of anders...!’ Hij trok, hij trok! Driftige ouwe koloniale bok!, z'n onderscheiding trachtte hij te trekken. Weg van zijn borst! Verdienste, ma' dan nie met smet! Hoewel 't hem nie was, die aantijging, bestemd.... fo wie dan? Fo zijn naam toch? Iedereen! Iedereen in 't land had al gehoord: die | |
[pagina 484]
| |
Brummalnaam besmet! Al stond die nieuwsman met dikke doeken fo z'n mond met mikrofoon d'ronder om die thuishoorders aan toestel behalve krèk krèk geen ‘feest’ te laten horen. Dit was een landelijke schande! Jonge! Gingen ze kunnen? Ma' dan: hij inlander, zich kerend tegen de beschuldiger: een bakra! Hoor mompelmompel! Een andere bakra ook, mèt onderscheiding die geen lage drift had om zo'n koninklijk gekregen ding weg te gooien. En metdien, 't hele Oranje Vorstenhuis schandaal in 't blazoen te geven! Blazoen no? Ze bedoelden zeker: het aangezicht des volks door slavernij, kontraktarbeid en lage onderdanigheid besmet... Wat? Dit ging een staart hebben! En dat, terwijl de Majesteit geen vlekje had in d'r geweldige reserve koningsmantel! Zo mooi gespreid, met spikkel spikkel op balkon... En troning, hoger dan de trotse borst der eedle goeverneur.... Sensa baja! Sensa! Sensaaasie! Die muziekband speelde hard om alles weg te laten doodgaan voor de mikrofoon. Dan kwamen die agenten, om die herriemakers weg te slepen. Alom bekend als volksopstokers! Dus grijp hun broekband, sleep ze met je lichaamszwaarte, om ze te laten rubberstok vreten, dalek, bij een gepeperde verhoor. Wachte, heel hun lichamelijk gebied ging duizelen door aandrang van de timmerkracht. Dan liever, ze kromboeien ook, in rattecel smijten, met brood met water. Met alleenzijn ook, totdat ze die hele negorij fo ogen zouden zien gaan dansen! Aaj, eindelijk dan officiële grijpkans! ‘Ze gaan niet! Laat ze! Onmiddellijk!’ Brummal z'n grootoom, met uitgepierde ogen. Een ouwe koloniaal, gewend aan 't geven van bevelen. Al was 't meestens op papier van Het Kollege. Bij Dinges van het Landsbestuur. Ma' hier was anders no? ‘Laat ze! Déze Hollander dient te gaan!’ ‘Wie? Ik? Nooit!’ Kijk 'em, Professor Gerber Mann, ook man van de bevelen, ma' op zijn gebied dan, leidend tot het grootste radgedraai van hersenwerken. ‘Als híj gaat, gaan zij ook!’ Vrouw Igna, razendsnel herinnering opdiepend aan dat bladkant scherpe moment van die klap, daarzo, in huis, op zolder z'n hooggaande trap. Dus tóch! ‘En niemand kan getuigen tegen mijn man! Daar zorg ik voor! Want ik was erbij, toen dat geelkoperen wijf mijn zeer geachte man trachtte in verleiding te brengen! Ik heb het haar uit 't hoofd geslagen, die dag, als dát 't is... en 't is die dag!, met één klap! Mijn vingers doen er nóg | |
[pagina 485]
| |
pijn van!’ Een soort van breekstilte, de breuk der gaande zwerfwolken, die stil razen in volle lucht, niet wetend, waar hun regens uit te schreien. Brummal, hij zakte nu, door grond daarzo, liep door plafond, weekte zichzelf door die muur! Als een geestespersoon uit de gedachtewereld van zwarte kultuur... leba... bakroe... jorka... altijd weer, van overal en niets tegader, kon 't komen: je was jezelf ineens kwijt, verloren als je was, een jeje zonder tegenhouden. Je deinsde op tegen nèks! Je viel, vanuit de laagte! Zwom in muur z'n steen. Alle dinges zo, één verloren persoonsgevoel! Eerloosheid! Eerloosheid! Eerloosheid! Kadami! Want wat hij daar was aan 't beleven! Mi jéko! 't Leek nu of dat híj de dubbele verliezer was! Eerst zaak van De Moor! Nog vóór hij iets kon denken: in 't openbaar verspreid en gegooid fo de lust van de konkelvreters! Iedereen, elke persoon, wist nu: Meneer Walter Ronalds is ontslagen. Hehe, lach je lach fo je! Want hij heeft getracht nieuwe kultuurmensen te maken.... met andersmans losse kinderen! Arme zieltjes, arme kra's! Ze moeten één water gaan wassen om hunzelf te krijgen weer! Baja! Is wat met deze wereld, hòr! Hoe je 't zo denkt! Chm! 't Breekt je hoofd fo je, gansdadig! Dan tweede keer verlies, nóg groter! Behalve verlies van eer in 't openbaar, (ach, welke mens gelooft in eerlijk zijn van aksiefiguur? Zodraas je publiek dient, ben je publiek z'n met gezwollen kakdrab gevulde schijtpispot! Dus fregéét daaromtrent, hòr!) Fraude!! Ma' dat wéér die gewone mensen van Eigen Dinges ze lieten, in de steek! En nu definitief, want niemand kwam. (‘Politie! Laat me los! Ben je gek?’) Geen Nette, geen Sisi, geen partijman die die zaak geregeld had. Alleen een paar andere bakaman, die waren gekomen om getuigen een soort moed fo praten te geven. Allen lieten hun leiders in de steek! (‘Zeg no! Wees nie bang! Meer mensen staan met je op je benen!’) Nu, behalve tegenspraak van Gerber, (alvast gered door die verklaring van die vrouw van 'em, dat bleke mensmonster!), ook dat werk van die vrouwbediendes gezet, ja, gegooid in weegschaal! Want iedereen moest hebben begrepen al: wie anders dan de bediendes kon getuige worden? En? Schaduw van goefeneur zeker, die man daar, ver in binnenland?! Of een door mensenkind z'n fantasie gezonden Boeboelaas? Me m'mars! Huisbediendes! Zij ja, moesten zo'n verklaring hebben afgelegd. Hij zat vast! Wrikmuur vast! KroebaalGa naar voetnoot6 | |
[pagina 486]
| |
kon 'em nie uitbraak geven! Zelfs z'n grootoom niet nu, opstaand en weggaand, met wraak! Ma' één ding was gewonnen, hoe nie hoe!: kondre, land met z'n mensen daar, met luisteroor aan hoofd luisteraar wezend! Ze hadden 't gehoord, begrepen!: deze Hollander had een gefaarlijk vieze rol gespeeld, hoe nie hoe! Een geweldige winst fo de Eigen Dinges, ook al leek dat ding nie zo. Ma' een gefáárlijk hoge Piet was in het openbaar beschuldigd (radio!) van iets, wat bijna elke blanke daar zonder één straf met z'n bediendes kon uithalen: netzoals ouwe tijd altijd al: neerslaan, naaien met alle pompkracht aan onderlijf als boelmasjien! En dan wegjagen, laat ze kinders krijgen! Mulatten! En dan... en dan....! Kompleet negeren! Aaj mi boi! Wát was wat fo die dag daar! Een tori, voorval met een ruime staart. Te zeggen en te zingen, over straat, met mooie schreeuwmond: (zoals straatzangers dat deden met hun aktualiteit) ‘Mi goedoe!
Joe no jere kaba?
Jere kaba?
Jere kaba?
Taki, goedoe goedoe,
joe no jere kaba?
Professor in de
maneskijn!
A teki teki teki wan oema,
dan a bor' en kaba!
bor' en kaba!
bor' en kaba!
A pot' en nain
en zwijnerij!
Nomo, na agoe kon bet' en,
fa a switi da meti!
A trow' en
nain wan schandzaamheid!’
‘Liefje! O, heb je
't reeds gehoord?
Heb je 't gehoord?
Heb je 't vernomen?
O liefje, liefje,
o heb je 't gehoord?
Een professor in de
maneschijn!
Hij pakte een wijf
en prikte in haar!
prikte in haar,
ja prikte in haar!
Ja hij maakte met haar
één zwijnerij!
Maar het varken uit kot,
heeft 'em
ánders gesmaakt!
En schande in publiek kreeg hij!’
| |
[pagina 487]
| |
Dat verhaal zongen grote mensen, kinderen, allemaal zo, met straatorgelman die orgelend z'n hand gooit op handvat, en draait, draait... draaide die dagen, orgel met pop en krul op 't, dwars door die gebroken straten van die stad daarzo. Baja, één grote schaampartij. Over die professor! Dan wát kon groter straf fo zo'n persoon gaan zijn, dan zulk een openbare mondding worden? Professor Gerber Mann in stad en land bezongen. Tori waarmee de ochtend weggespoeld? En savons bij die houtskoolvuur van geroosterd koren eten, je mond ekstra verlekkeren met die historie? Lekker nógeens zingen, dit lied. Net een soort eigentijdse versie van fajasiton. Alleen: de dader met de hete kolen zelf verbrand. Zaal in opruiming met een helemaal gewijzigd program. Terwijl binnen gelederen het pro en tegen koloniaal. Grote praatkabaal van redenasie, overstemd door muziek. ‘Bedankt fo je verdediging!’ riep Brummal tegen z'n grootoom, tussen die schuivelvoeten daar. ‘Wie ik? Ik heb alleen mijn eigen naam verdedigd! Míjn dekorasie! Bedrieger! Mars weg van me! Ik heb je altijd gewaarschuwd voor deze negerachtigheden! Kijk wat een gezelschap! Uit me weg!’ Dan ging hij, krakend ook in ziel. Een ouwe koloniale maaksel, ouder dan hij zelf was. Dat kuchen van 'em, keelbrekend. Ach, toch niet de verstikking van zijn eigen Kollegiale atmosferen? En? Indien zo, was hij ook 't Kollegiale sterven waard, nunu zelfs: een dood die Het Bestuurskollege stierf door autonoom wording van 't land. Leve 't koninkrijk no? Dan ouder alles, ouder dan 't oude! Ouder dan mens was, zelfs hij, ouwouwe Brum! | |
(49)Masra Janki! O, hij in 't bos gegaan, terwijl die troebels in de stad! Dan kijk, hoe hij daar in die oerwouden verhalen zat te luisteren! Alsof hij helemaal kultuur van ze, die bosmensen, wou gaan staan blijven opmaken. Opeten bijna, no? | |
[pagina 488]
| |
Wind waaide zacht z'n windwaai! Blad ruiste zachter onder kracht van wind, z'n bladruis! Dan daarzo was een ouwe neger met z'n mofotori, z'n spraaksels van het door de mond verteld verhaal. Verhaal ook, dat vooral door geest gesproken werd, zó vol negerachtig spreken, dat een mens als hij dat bijna nie verstond! Eerst vloog zijn hoofd, Masra Janki, na' die tori van Aleksi: Aleksi had een ouwe geest uit ouwe tijd gekregen over hem. Een toestand, voorval, een gebeurtenis, op oudouwe plantaasje was gebéurd: die terugkeer van de geschiedenis. Die betekenis van dat verhaal drong nogeens door, diep, dieper bijna dan geest van hem, Janki, kon vatten: negers, lang geleden, hun vlucht voorbereidend op een plantaasje. Ze zongen, bij een opgebaard lijk van vooraf gevluchte, ma' gepakte en vermoorde neger. Dat was hun reden om bij makaar te zijn: een éénheid zijn, voordat ze echtecht vluchtten. Tegelijk hadden ze feest, met dans: dans op een lied: lied met betekenis: dasso, mi kankan krioro.....: o negers, het zij zo! Ze zouden vluchten, vluchten, die nacht! Hún lied was kode-lied, geheime afspraak. Vandaar dat lichaamsdansen met plezier: dasso!, dasso! Ma' dan ineens, klonk ánder lied: er zit een boa, wurgslang onder ons: liboya de na noja so! Verraad! Verraad! Iemand was dus (wonderbaarlijk?) te weten gekomen dat een der negers deze voorbereide vlucht had doorgeseind aan de plantaasjemeester. Deze wachtte dus reeds op ze, met geweer en al! Maar.....die vrouw van de plantaasjemeester, had op haar eigenste beurt, dit verraad weer aan de negers doorgegeven. Ze vond dat hele systeem wreed, onmenselijk. Ook dat beestengedrag van haar man... Hij kreeg het in de gaten. De slaaf, die de verrader (in naam van de goden, ‘goddelijke’ straf, voorzover die in de afgoderij kon bestaan!) had vermoord, werd gemarteld. Slaaf... bleek... die geest die in Aleksi was gevaren! Ma' mooier nog! Die plantaasjemeester heette Janki! En zijn vrouw, de meesteres was.... Nee! Nee! Al was d'r zware overeenkomst met verledentijd in naam en misschien andere gegevens! Dat kon niet! Hij kón niet meemaken wat anderen in andere tijden hadden gedaan! Zelfs bij identieke personen uit dat voorval, lange eeuw terug, konden hij en zijn Floor | |
[pagina 489]
| |
toch niet boeten fo wat tóen was mis gegaan? Het leek alsof die tijd op het heden was getransplanteerd! Magie no? Aleksi had het doodsmoment beleefd van die ene slaaf die dat vonnis op die verrader uitvoerde! Aleksi was een ander z'n dood gestorven, vol met angst. Ma' hij, Janki? En Floor? Plantagemeesters waren altijd al gestraft, gestraft. Hij lachte, ergens angst wegsmoelend. Stel je voor! Fajasiton! Hete kolen langs de dijen van iemand! Nee! Dat kón nietmeer! Ze hadden zelfs geen tangen tegenwoordig. Hij en Floor, waren onschuldig! Hadden nooit een negermens met één drup slechtheid behandeld. Laat staan mishandeld! Nono! ‘A no kan!’ zei Janki, hardop fo zichzelf. Ma' hoe kon dat ding, dat Alex wel degelijk een ooit gestorven tijd uit eeuwen her, opnieuw beleefde? Dingen, de dingen, mèt magie, konden terugkeren. Hij wist! Hij wist! Die tekst, die Alex perfekt kende! Historische tekst, zonder dat Alex lezen kon! En die uitspraak, orakel, van Alex! Over wat Janki had gedaan met Evi! Wat?! San? Wat?! Janki! Z'n geest kon beter voor 'em weten! D'r moest iets zijn gebeurd! Iets! Een ding! Alex, met z'n magische krachten, had weet d'rvan! Hij had het zelf verklaard! Dan Janki had 't verder met de mond gezwegen. Dat ding, tussen Evi en hem, tot dode taal gemaakt! Dan stierf die werkelijkheid wel vanzelf, no? Als een sleutel dat op slot ging, no? Had hij dan iets gedaan met Evi? Wat? Wat precies? Wanneer? Vol met een ongerust hoofd, luisterde hij na' die intro-klanken van die bosman die nu sprak. Nee, eerst een introduksie-lied gezongen, op dat komende verhaal. Dan weer een introduksie-verhaal, een tweede soort voorafje. Dan pas kwam dat grote verhaal. En als 't mooimooi was verteld, dan kwam soms die verklaring, soms niet! ‘Evi! Evi!’ klonk 't ver en dwars en achter in z'n hoofd. Hmmm??? Janki! Masra Janki! Hij was in 't bosland nu! En Evi in de stad! Dan wat had hij te maken met d'r dan? Zij, zij was gewoon een maagdelijke negerinnemeisje no? Een ongeschonden buik van 't negerdom! Negerachtig, misschien zelfs dom. Ma' zuiver zwart van opvoeding, met al wat natuur neger had gegeven. Dan wachtte ze, op wat Mama Natuur onder een bruidegom verstond. Opdat zij weer dat zuiver negerachtige kon geven, het barende van schepping. De Sisi, op plantaasjes, vroeger, had altijd een sleutel. De rol van de vrouw met sleutel. Sleutel van proviandkast, no? Dan leefden allen van dat proviand. Sisi, had als het ware sleutel tot hun leven, no? Dan was ze | |
[pagina 490]
| |
tegelijk aan 't wezen, die kleine minnares van die plantaasjemeester! ‘Ah! Kaba!’ vermande Janki zich, om op te houden met dit soort van parallelgedachtes. Leven was leven (hoor die verteller met dat lied! Als hij nie luisteroor d'rvoor zette, zou hij alles misschien missen! De rijkdom van wat mond te zeggen had! ‘Arki! Jere!’ Luister en hoor!) Evi no? Evi wás nooit sleutelfiguur geweest! Eenvoudig domganzig negeringebuikt meisje! Was mooi, had zelfs geen scholing van het stadspatroon van de moderne tijd. Dan stel je voor! Moest ze gaan worden vergeleken met een hoofdfiguur uit een plantaasjedrama...? Hahaha....!! Lachen bleef ergens van 'em steken, Janki! Hád hij dan iets gedaan? Hij vreesde! De meesteres in dat verhaal was schoon gemarteld! En die meester dan? Plantaasjemeester? Wat was fo hèm gebeurd? Hij, die Sisi uiteraard tot vrouw genomen had, desnoods met dwang van 't blankgeslachtelijke manne-lichaamsdeel tussen haar zwarte heuvels der schaam! Vroeger, ja! Met vroegertijd heerste de wet van de verkrachting! Ma' nu! Nu! Hij, Janki, vond zichzelf een goeie man. Geen slechte bakra. Mens met eerbied fo negers. Had ze lief. Kende hun kultuurdinges. Ze waren met marteling slaaf geweest, en met verkrachting ook, die vrouwen. Maakten mulatten in 't verleden, vol van onvrijwilligheid. Neger verkracht tot in de buik. En buik in neger z'n kultuur, was alles van verwantschap, geheim, liefde, gevoel, alles, alles! Dan was, met alle orde van de dag der slavernij, de penis van de blanke macht, gedrongen met verkrachting, diep, diep tot in de buik der negerin. Iets, leek geankerd daar. Iets, baja! iets.... Een grote sleutel viel op slot! De werkelijkheid leek op aan proviand van fantasie. Waarom was een mens z'n gevoel zelf zo ingewikkeld dan? Nog ingewikkelder dan dinges die gebéurden, nu of toen, veel, veel eerder, een paar eeuwen her! Niets leek op niets, vond hij, elke gebeurtenis, elke situasie was nieuw, onafhankelijk. Ma' toch... elke aparte waarheid, elke werkelijkheid was even gruwelijk als het kon gruwelijk zijn! Misschien zelfs was waarheid van het nu nog vreselijker dan van vroeger.... ‘Masra, joe de arki mi?’ Janki, hij knikte hoofd tegen vertelman op z'n zetel. Nu, nu echt, gaf hij zijn oren aan die ander: ‘Neem, ik luister! Geef mij ze wederom, maar dan met volle teug van het verhaal dat is verteld!’ Is zo dus, kwam dat lied uitbreken. Intro-lied op dat verhaal: | |
[pagina 491]
| |
Tonganosa! Tonganosa...!
Een ouwe negerman met z'n geheim.... tonganosa!
Hij zei tegen z'n zoon: blijf zingen!
Blijf tonganosa zingen wat er ook gebeurt!
Tonganosa! Tonganosa....!
Dan nu zo, maakt die jongen avonturen mee... tonganosa!
Totdat hij Neger z'n geheimnis weet, al zingende!
Tonganosa! Tonganosa...!
De mens is zwervender van geest als tijger!
Dan hoewel tijger blijft bij zijn domein!
Een mensegeest gaat verder, verder....
Tonganosa! Tonganosa...!
De geest van de mens is een objading: magie!
Zwartoude verteller! Man des Woords! Wapendrager der Algemeen Grondig Beleefde Waarheden! Man van zien-achter-de-dingen! Levenservaarder! Hij zei! Hij zei! Met mond, vertelde hij aan Masra Janki! Dat verhaal zou gaan beginnen te komen nu, van Tábu en diens magische omzwerving! Ma' eerst, ná introduksie-zang, ook introduktie verhaal! Aaj! Aaj-o!
‘Wel nu dan zo, Masra Janki, m'bakra! Die je als witte man hier gekomen bent, met voet zetten op dit plantageland, dan ga j'k je iets vertellen. Zit-luister!: harki tori, jere tori!’ (Zwartende verteller aan 't woord.) Dan trok z'n lip even met zuigen na' de mond, in zelfonderbreking. Zal 't verhaal gaan? Ja, 't moet!: ‘Dasso, m'bakra!’ Met even diep de adem trekken, tot in de longenvoegsels, bodem van het ademleven, kwam 't begin beginnen. ‘We, kri mi kra! Jeje, na tor’ a e njan g'a mofo! Dasso, m'bakra...! Dasso!Ga naar voetnoot1 Wel! Lange tijd terug passerend, had je een jongen hier op die plantaas! Die naam, die hij fo leven draagzaam was, was Tábu. Ija, Táááábù! Is zo heette hij, Tábu. Welnu dan, Masra Janki, m'bakra! Die jongen in opgroei zo, hij had | |
[pagina 492]
| |
een ware vader in hut thuis woonzaam. Dat vader van 'em, negerman zoals ik hier, met me grijshaarhoofd, met me fijne voetenGa naar voetnoot2, langlang in dit kleibodem hier aan rivier me ogen laten drijvend op rivier z'n donkerwater, kou van wouden over wind komen waaiend op ons twee hier, deze avondmonding, avond die leegte stroomt van donker bos af... (gooi iets op schouder of je 't koud hebt, m'bakra! Dan geef me zo, me pipa daar met me tabak! Want me mond proeft als dode vis die heeft buik gedraaid, terwijl rivier z'n stroomwater voorwaarts is aan het stromen langs de dinges die geen doodzijn kennen omdat ze nu eenmaal anders zijn dan jou en ik)....ija, m'bakra! Waar was ik met me verhaal gebleven? O ja! Is zo gaat leven! Een tijger op z'n viervoet, gaat somtijds 't beter voelen, dan een jeje zoals wij hierzo! Wíj zitten op onze bil, dan laten wíj hier 't verstand gaan lopen werken fo ons! Ma' tijger dat! Chm! Tijger boortGa naar voetnoot3 met lijf en geest, tegelijk samen!, dwars door alle bossen, om te vinden precies wat 't nodig heeft, om weer te komen en te liggen, net ofdat tijger is nie weg gaan zoeken, no...? Dan gaat 't niet zonder één reden buiten van tijger z'n domein! Chm! Wel dat wat ik daar zeg: is odo! Spreekwoord ja! Eksempel! Een mensegeest in vergelijk met een zwerftijger! Ija, is al een heel verhaal! Ma' is goed! Nu dat ik me mond heb opengemaakt zonder die sleutel van wat ik ga zeggen in z'n geheel te hebben opengedraaid, zodat je nog nie in die deur kan kijken van me hart hier in me borst... Nu zo, dan ga ik verder! Mi sa fring' tor' opo nomo nomo! M'bakra, nu zo volgt dat ware verhaal:
Dan gaf hij ketting, dat ruimte scheppen, touw vieren aan z'n eigen ademing, daar in 't komend verhaal, met opluchting in lied dat opening verschafte: ‘We!, tonganosa noja.... tonganosa!
Tonganosa... tonganosa... tonganosa..! We-hu!-hu!-ho!
Dan dus zo, baja, hóór 't!, had je die jongen Tábu en z'n vader, z'n papa! Dan één dag, vlak onder die grote broodboom-boomGa naar voetnoot4 waar zij | |
[pagina 493]
| |
met hun huis woonden, was die ouwe vader, papa, gaan zieken. Zieken, zieken, ziek worden en ziek blijven! Chm! Hij voelde: e! Is nie lang meer! Hij gaat gebeestte vreet geven, met al zijn lichaam in bederving! Enigste wat hij uit z'n jeje kan weghalen, is zijn rijkdom, zijn laaste koni om te geven! Want anders, vóór je weet: één adem doorgesneje! Dan is alles zo kaba, klaarklaar!, dood! Al gaat een mens na' dodenbotten grond! Hij gaat nie naar een paradijs, zoals witman zegt, m'bakra! Hij gaat! Hij laat z'n negermensen achter! Dan zijn z'n voeten koud! Kaba! Klaar! Uit met hem! Want neger kent geen hemel, hel, of paradijs. A tonganosa! tonganosa...! tonganosa...! Dan, je ziet!, je hoort me mond! Ik zeg je!: sodraas die Tábu-vader zo voelde, hij gaat doodgaan, heeft hij die groot gegroeide zoon daarzo geroepen. Dan h'ft hij gezegd: ‘Mi boi! Kom hier! Jij bent de wortel van de man! PrasaraGa naar voetnoot5 kan je hoofd bedekken tegen zon of regen! Ma' nie tegen die harde levendinges! Een hut heeft geen bescherming tegen levenskwaal. Kom hierzo! Dan zet jezelf op me houten bank hierzo naast me ligplaats! Dan zet je oor nu open! Want ik ga je zeggen! Vandaag voel ik: kri boi!: me afscheid! Ma' dien ik nu ga weggaan, dood, gaj'k je achterlaten, me geheim! Want elke neger heeft minstens zo een koni, één geheim! Is zo hebben we geleerd, sins negerland! Is zo gaan wij 't leren, zonder te vergeten!’ Dan zuchtte hij z'n mond. Dan spuwde hij z'n tori fo die jongen (hij vertelde): ‘Kri boi, kri! San de na mata hini!
Ma' kba dan, tonganosa!: dan j' sa si sani!’Ga naar voetnoot6
Wat? Afscheid neemt hij! En hij meent, ija, m'bakra, dat die jongen moet gaan kijken in die mat waarin ze eten stamp maken! Dan gaat die Tábu zíen. In die mat! Iets! Hijzelf weet nie wat! Ma' dalek baja... e! e!e! e! e!....ke báááááá! Hij weet nie wat hij zien gaat. Ma' één ding moet hij volgens die mondtaal van z'n kennende p'pa blijven maken: tonganosa zingen! | |
[pagina 494]
| |
A!, tonganosa...! tonganosa...!tonganosa... heho!
Mi tonganosa...!tonganosa...!tonganosa....!
Dan trok die p'pa z'n adem weg! Fwuuu! Hij vloog van geest weg, als 'n vogel!, dóód! Weg baja! Leven, dit! Je kan 't nie houwen in je keel! Als wij mensen, 't konden... Wel, sins ik zeg! Tábu ging bij die stampmat daar, in een donkerhoek van die hut. Hij keek, met al z'n oogbol in 't. Dan hoor!, dan luister! Kijk wat hij gaat zien, mm.... mmmm.....! Ke!! Hij zag een bal van gestampte bananen! Wel, bal van bananen, je weet je snijdt banaan van tros... een handGa naar voetnoot7 bananen is teveel fo een persoon op één dag, om te eten... je neemt een paar vingersGa naar voetnoot8 bananen... je schilt ze mooimooi... zet ze in water laat 't gifblauw d'rvan wegwassen.... dan kook je ze op je houtvuur in je zwartpot.... dan wanneer ze zacht zijn, dan gooi je ze, beetje fo beetje in je mat! Dan neem je die matstok! En dan timmer je al die bananen... af en toe een beetje water uit je kalebas om 't te laten glijen, mooimooi... je moet nie in 't midden stampen, ma' opzij, dan draait 't mooimooi tot een bol die je kan gaan later opeten.... Tábu! Tan?! Wachte! Wát zag hij? Een bal gestampte banane in die mat z'n matgat! Ma' dan hij, dacht hij, z'n vader, z'n p'pa had fo 'em gezorgd met dat eten. Dus net langde hij z'n hand zo, om in die mat te grijpen... of pammmm!! A tonganosa...! tonganosa...!tonganosa....! Plotsklaps zo, slóeg, die matstokGa naar voetnoot9, zwaar met twintig kilo!, die mat zo bam! Die hele tomtombol van bananen was direk direk verpletterd! Als z'n hand en z'n hoofd daarzo waren gekomen, hoe hij bukte zo... Nee! Ik moet nie denken wat fo gefaarlijke vreselijkheid zou zijn gebeurd. Nono, m'bakra! Nono! Nee Masra Janki! Vreselijk ding zou zijn gebeurd! A tonganosa....!tonganosa...!tonganosa....! Ma' dan nu, hoorde hij een stem ‘em schreeuwen: “Aaj joe! Mi mis” joe!!: ik heb je schóón gemist om je te pletteren!’ Baja, chm! ‘Wat je ziet hier, (schreeuwde zo die stem! Die stem swáár, baja!) is | |
[pagina 495]
| |
geen bananetomtomGa naar voetnoot10 om op te eten! Kijk om je rondom: je gaat zien dat die bananeschillen die hier in de rondte liggen, geen schillen zijn ma' gewoon gebasterde doodshoofden! Dan kijk nu in die mat: tomtom is hersentomtom...Ga naar voetnoot11! Mars! Ga sito sito bij Basja Poeroe-Lai!' Zo joeg de stem hem.Ga naar voetnoot12 Hij moest dit raadsel dus gaan oplossen.
Wel, sins ik zeg! Tábu! Hij rent! Hij had een vrees gekregen over 'em, dat nie te zeggen! Chchmmmmm! Aji! Kind van de negers hoor! Je ziet wat van den leven! Dan sins ik je zeg....tonganosa! tonganosa!...zingend, liep die jongen met z'n gezicht na' die mat gedraaid, die deur uit daarzo. Dan aan rivier-e!-pakte hij z'n lange boot! Korjaal zeg ik je! Varen, stroomopwaarts! Hij peddelde met al z'n peddelkracht aan lichaam! Al van z'n mond, was tonganosa...!tonganosa...! Dan nu zo, hij begon net te beginnen met vermoeien, toen hij aan die zijkant van die rivier een vrouw zag staan. ‘E!’ dacht Tábu! ‘Baja! Oema: vrouw! Chchmmm!’ Direkt zo, stopte hij met zingen. Hij peddelde na' die zijkant daar, zette z'n boot en ging op die rivierkant. Dan liep zij voor 'em, bos in, totdat hij kwam bij een kamp. Vlak op die zanddrempel van kamp, zij binnen, hij nog buiten, gaf ze hem tabak met lange hand, verleidensvol: ‘Kom halen dan, mi goedoe! Me schat! Kom meer halen binnen hierzo..!’ Wel, voor je wil begrijpen: je gaat nie weten vanwaar vandaan 't gekomen was. Ma' voordat hij tabak kon nemen om te smaken met goed roken en nog dinges van genieten meer, sloeg die tomtomstok 'em vanachter plotsklaps zo, dat hij bijna viel op z'n Tábu-mond! Bammm! Ik zeg je: bijna z'n schouder aan z'n lichaam die je ziet, lam geslagen voor 'em. Die stampstok fo bananen had 'em geslagen met één slag. Bammm!! Hm! Een mensenkind ook hoor! 't Leven slaat je wat! Baja! Ma' dan nu zo, hoorde hij een stem daar zeggen: ‘Boi! I law a j’ ede no?: je bent zeker gek aan je hoofd ja! Dat wat die vrouw je geeft, is géén tabak! Is... frigiti-w'wiri!: vergeetblad! Zij is die | |
[pagina 496]
| |
rivier-leba, riviergeestmoeder die eeuwig ‘tjoeboen!’ zegt, sodraas iemand zichzelf of iets in water dompelt! Owee je gebeentje dat je nóg een keer vergeet te zingen, je tonganosa! Mars! Ga! Snel weer! Je moet je verder reppen tot Basje Poeroe-Lai, die Raadsel Oplosser!
Wel sins ik je nu zeg, dan was die bos daarzo, al dichtgegroeid in die korte korte tijd! Met slangen, tijgers, wilde bosdier! A!!! Als je zag, hoe die zware matstok ze doodsloeg, één voor één!, bos openslaand met alle macht en krachtigheid! Totdat die jongen weer weg vrij had, daar bij die rivier. Dan keek hij om. Wèg matastok. Wel, hij deed niet kwaad, hij deed wel goed!: hij pakte weer zijn boot, begon met weer te varen. Gaand na' dat huis op die plantaas, van Basja Poeroe-Lai, die Raadselman. A...tonganosa...!tonganosa...!tonganosa...! Weldan! Dat Basja Poeroe-Lai dat je hier hoort! 't Is die persoon die oplossing van raadsel geeft. Is daarzo moest hij henen gaan no? Bij Raadsel Oplosman! Man die Weet heeft! Man met Koni! Wel, ah! Hij peddelde, met zingen:
tonganosa..!tonganosa..!tonganosa...!
a tonganosa now ba...!aye...!ayo....!
Dan hele nacht zo, peddelde hij verder. Geen honger, geen slaap! Wie hij? Nono ba! Nee hoor! Hij ging 't nie krijgen! Tonganosa..! tonganosa....! ayeyayo!! Tweede dag zo, bij ochtendbreken, (hóór zijn stem, rivier z'n golven gevend vol van zang!), plotszo, zag hij een boomstam midden dwarsend op rivier aan 't drijven. Dan hij dacht: hmmmm? San a disi dan?: wat is dit ding zo, op een mens z'n waterweg? Wel, dat denken dat hij dacht! Ah! Hij vergeet z'n hele lied! Hij stopt z'n mond netals z'n boot! Ma' nu dat hij direkt weer begint met te peddelpeddelen, voelt hij: ik ga achterwaarts in plaats van vooruit! San? Wat gebeurde daar dan? Hij donderde bijna uit die boot! Zo snel ging hij weer achteruit! Met boomstam, blijvend vlak voor 'em! 't Blokte z'n weg om verdergang! San? Verder kon hij door die dwarsboomstam nie varen! Dan hoorde hij z'n echo nu! Me jeses! Dat lied! Gauwgauw, voor hij verdrinken ging! Tonganosa...! tonganosa...!tonganosa..!haha! Op dat moment begon hij weer met vóór te varen! Tan! Die boomstam ging nie van zijn weg! Nono! Pram! Raakte hij 't en.... boomstam werd ineens | |
[pagina 497]
| |
zo, fo dat mensenkind, (ke! ach, ween voor 'em baja, als hij geen obja, geen magie heeft om 't te keren...) boomstam werd kaaiman! Wuh!! Dan sins ik je zeg: ah! Kaaiman kauwt alles!, rivierkant met z'n wilde boswaterboom en wortel in de lucht, zandmodder, alles, zelfs water daar! Kaaiman, hij kauwt 't en hij eet 't op! Dan kan je rekenen wat met die Tábu zou zijn gaan gebeuren..a'a....!! Chm! Als hij nie snel optijd gezongen had! Precies zoals z'n ware Tábu-p'pa gezegd had. Weldan: derde dag zo, was hij op die plantaas gekomen! Plantaas, met alle huizen, léég. Hij liep met denken: ‘Hmmm? Wel is hier woont Basja Poeroe-Lai toch? Man die alle Raadsel oplost! Dan hoe woont hij zo? Hij heeft geen mensen? Mmmm? Ik kan nie begrijpen hòr! Kom me nie zeggen, dat hij iedereen heeft doodgemaakt, elke keer dat hij antwoord moet geven op een vraag gaat één mens dood! Wel, is nie ík gaat hij doodmaken! Nèbba!! Nooit met nimmer! Mij, Tábu deze, gaat die Raadselman nie doodmaken! We!, tonganosa....! tonganosa....! tonganosa....! E'e!! Ma' dan nu hoorde hij hoe stem 'em riep: ‘Kom mi jonge! Ik had j'allang verwacht!’ Hij volgde die roete van die stem. Pammm! Komt hij bij een groot huis! M'bakra! Wel, je kent die grote huizen! Een huis als waar je blijft, nunu! Net zo: granmasra'sGa naar voetnoot13 huis in slaventijd! Chm! Wel dan, die tori die ik je vertel nu! Deze verhaal is zo swaar, dat je hoofd als je denkt d'rover, gaat nie kunnen blijven staan op je nek! Een vreselijke tori! Als je hebt slaap, m'bakra, ga je hoofd zetten, laat 't verlichten! Want slaap doodt niemand, ma' gedachtes doden je twee keer: eerst storen ze je jeje, verdrijven geest uit je lichaam naar zover, dat je gaat gek worden! Dan nadien, m'bakra, je hóórt me góedgoed met je rode wittemansoor aan je zijhoofd, nadien kan je nie slapen ook d'rvan: je hele jeje blijft gespannen totdat... afen la' me geen zijbuik toriGa naar voetnoot14 maken! Dus ik vertel, van Tábu met tonganosa! Ija! Rechtstreeks vertel ik ook! Luister met oor! Dan m'bakra... tonganosa...! tonganosa...! tonganosa...! Wel, die Tábu ging in 't huis (deur openend!)... hij hoort daar stemmen, mensen schreeuwen zo...! Tonganosa...! tonganosa... nie bang worden! doorgaan met tonganosa...!) ...kettingen maken zware schudklank klaklakla! aan | |
[pagina 498]
| |
z'n hoofd! Z'n oren doven van pijnlawaai uit ketting... donkere binnenhuis zo lijkt op satan z'n dubbele achtergat waaruit hij schijt en plasje loost op één dag met halve wereldleed van mensen... één gedonkerte...!! Whuh!! Weldan nu! Hij loopt, hij zakt die trap, binnen in grote huis daarzo, ze hebben midden in dat huis een kamer onder die grond! Ah! Stemmen schreeuwen, harder... harder... snijen je hart in vierendeling! Ah! Kettingen... al die kettingen die ze ons met ketting hadden gebonden, negers wij, al deze kettinggeluiden zo... tjekre! tjekre...! tjekre! Je adem op je hart in boezem, blijft steken zeg ik je, tot één prop die je wurgt! Van angst en beverij! Van wreedwrakelige ellendenarij daarzo... alles met frotting! Ma' Tábu gáát! Zingt! Ah, baja! Tonganosa...! tonganosa...! tonganosa...! Dan zo: hij ziet: mijn grantata, waar ik uit voortgekomen ben gemaakt uit negermoer!!!... aaj bááááá!!: hij ziet honderd met duizend maal een doodshoofd! Dan zo, hoort hij ineens die stem weer aan z'n hoofd waar hij staat: ‘A sari! Genoeg! Maak je handen open!’ Ah! Hij zet z'n handen naast makaar! Hij krijgt zeg ik je, als hij ze ook openmaakt, (net iemand die bedelt), een tapoen krabasi daarin, ja, een kalabas met deksel, net een soort bewaarbol. Dan hóór die stem weer: ‘So! Draai gerust terug na' je huis! Maak die tapoen nie open, bevoor je thuis gekomen bent! Mars! Hesbiten ga! Want deze plaats is nie om te blijven!’ Hij moest dus snel terug. Deksel van die kalebaspot mocht dus nie open! We!, tonganosa...! tonganosa...! Hij dankte Poeroe-Lai met heel zijn hart! Dan terwijl hij na' die rivier aan 't lopen was, hoorde hij, met een stem die verder kwam te staan, zachter met zacht...: ‘Mi boi! Me jongen! Hier woonde vroeger een plantage-eigenaar! Plantage zo-en-zo! Dan heeft hij een zweer gemaakt, een dag, hij'ft iets gezworen: ga, je zal horen uit een goeie mond hoe 't is gebeurd! Ma' dan, hij'ft op een nacht, na dronkenschap al z'n geslaafde negermensen laten doodmaken. Met mes gestoken, doodgeklapt, gemarteld. Ding wat hij jarenlang al had gedaan: slaafmens doodmaken... met werkzweet en geestverzakkende vernedering! Vooral toen dat ze waren van plan met op de vlucht te gaan! Die nacht, voordat ze weggingen... Aaj dan! Bevoor die slaven dood zijn gaan gaan, nadat hij eentje had mishandeld tot de dood, en eigen huismens ook, dan hebben ze z'n goud gepakt. (Want hij was rijke slavenhoudman, rijkste, dankzij 't geronnen bloed...)... z'hebben dat goud opgegeten! Voordat ze zouden doodgaan. Dan zo: allemaal die slaven dood! Z'n werkmieren was hij verloren! Wie zou gaan | |
[pagina 499]
| |
koffiemalen nu? En plukhand steken fo katoen, z'n suiker. Afèn, ga, je zal horen uit de mond van je grootmensen! Hoe ze zijn gestraft, meester en meesteres. Tijd komt altijd weer terug en straft. Aaj dan! Zo gingen al die slaven dood en mèt ze, alle rijkdom! Ik, Basja Poeroe-Lai!, die Raadsel Oplosman deze! Ik ben de Grantata van 't Negerdom! De Grootgeest Hoedvader van Zwarte Neger. Ga baja ga!... voordat dinges gebeuren, hier op de plantaas!’ A! sins ik je zeg, z'n korjaal nie in 't water, of Tábu ging varen, peddelsnellen! Snel, sito sito, met dubbelspoed terug na' z'n plaats van afkomen weer. Voor toen hij daarzo was gekomen, ija, m'bakra!, maak je ogen nie zo verwonderens breed open fo dit verhaal!, toen... tonganosa...! tonganosa...! Toen is hij gelopen na' die mata, waar ze bananen stampen, je weet. Nomo, nu hoort hij die houten mata praten: ‘Aaj, kom mi boi! Me jongen! Ik had altijd geweten dat je zou terugkeren! Zet je kalabas, dan maak 't open, gooi wat d'rin is hierzo... in deze mat die ik ben!’ ‘Ma' dan wíe ben jij?’ stelde Tábu z'n vraag met alle mond van 'em, want hij was nie aan 't gek geworden zijnd toch? ‘Wie ben jij, me mata?’ ‘Tan? Ik? Ik ben die Grangangan, Moeder van 't Negerdom. Die matastok die je gehoord hebt... kijk 'em hier! Hij is die zweep waarmee dat wij gezweept zijn, heel onze historie! Aaj, dan maak snel! Doe snel! Open dat kalabas, ma' sluit je ogen eerst! Dan gooi wat in 't is... hier in me!’ Tábu hoefde nie na te prakkezeren. Tapoen krabasi, die kalabas met deksel, opgepakt. Deksel genomen... gekanteld boven mata! Inhoud viel uit kalebas in die mata, en... Wat had hij verwacht na alle gang van 'em, met die gevaren en zo heleboel dinges die een mens kunnen doodmaken dan? Cente no? Of goud no? PoepoeGa naar voetnoot15 met ekskuus! D'r kwam een nèks uit 't! Alleen... klein beetje water met een groene blad! Hóór die mata no: ‘Aaj, dan wás je gezicht! Wás je handen! Gooi dat water weg! Want water, negerwater, met z'n kruiden, wast alle zwaarte van je! Mi boi! Me zoon! Vandaag heb je 't geheim van neger gevonden hoor! Je hebt blijven zingen! Daardoor heb je niet je jeje kwijt gemaakt!’ Weldan: ik met vertellen heb ge-tonganosa ook, ja, dat heb ik gedaan! Dus ik ben klaar! Kaba!’Ga naar voetnoot16 | |
[pagina 500]
| |
Tábu z'n vader heeft als elke ouwe negermens uit ouwe tijd een eigen eigen levensgeheim, een koni, voor z'n overdracht. | |
[pagina 501]
| |
Tábu, hijzelf krijgt een kalebas. Hij mag die niet gaan openmaken, voordat hij weer thuis is bij zijn ware vader's hut. Tonganosa, tonganosa! Vertelman klaar, met mond afvegen. Verwondering. ‘M'bakra! M'bakra! Masra Janki! Fo wát zit je te beven zo? Ren nie weg! Kom...! Wat heb ik gezegd dan? Mi jeses...! Hij is bang geworden!’ Janki, ineens opgesprongen en terug rennend, dwars door die plantage daar, na' huis! Geloof de leugen en geen waarheden!: hij rende binnen: ‘Floor! Floor!’ Geen antwoord! Rent na' boven! Gooit deur open, van grote bovenkamer... nee! nee!! Deinst terug... Daarzo: op bed! Die naakt slapende Floor... zo vredig, zó geslapen... dan... o nee! Nie aan te zien! Floor dood! Een slang... liggend tussen d'r benen in, groot, gelig... zwartspikkel-spikkel... met kleine slangetjes... dat moederdier met haar juist gebaarde nest... langs die dij van Floor zaten plekken van beten... Eén grote pappa-slang! Eén slangennest! Blauwe beetplekken langs Floor's dij..., bijna zwart als brandplekken.
Wel hij was bakra, gans uit Holland. Ma' hij'ft, sito sito weer komend na' de stad, z'n hele kist met boeken die hij daar had, van ellendigheid gegooid te water. Wat een gebeurtenis! Geloof de leugen en geen | |
[pagina 502]
| |
waarheden...!: hij wou zichzelf ook te water gooien. Ma' die bosnegers van die boot hebben 'em tegengehouden: ‘Nono, m'bakra! Nono! Nee! Maak uzelf nie dood! Dat die slang uw vrouw heeft gebeten is geen godenstraf om vroegertijd.’ Met in hun hoofd het religieuze weten, dat Moeder van de rivier daarzo, Riviergodin, geen wittemansgeest wilde! Nee, geen verdronken bakra die zwerven zou, over de golven, langs die klippen daarzo. Dan beter lege boot op stap, met tonganosa... Dit was geen zomaarzo verhaal. En ook geen zomaar daad van Janki. Hij vluchtte! Want nu was hij zelf aan de beurt, dacht hij. Om te worden getroffen door de magie van tijd. ‘Beter, dacht hij, ‘in de stad gebleven! Als hij geweten had dat 't was juist precies daarzo... die plantage...! De Raadsel Oplosser had net zo'n huis. Want ondanks dat hij wist hoe 't verhaal afliep, schoon van tevoren... hij had zich in de plaats vergist. Hij had 't in een andere versie gelezen. De meesteres door gif vermoord. De meester zichzelf ophangend. Nee, 't kon niet ook! Hij, levende bakra, van bijna driehonderd aan jaren later. Dan zo te komen in een toestand die al eeuwen eerder was beschreven... Elke keer, hij, de verpersoonlijking van iets verledens. 't Kon niet! Kon niet! Dit... dit... was... negerbegoocheling, of betovering, of wisi, afkodré... afgoderij! Ma' dan: Floor dood! Echt, kist over de golven gaand, één en al treurnis. Aaj. Ding dat dinges recht maakt, omdat ze krom zijn, en dat ze krom doet gaan om ze te laten ophouwen in hun kromme bestaan met recht worden! Hoe kon het dat hij fo zijn leven vreesde, Janki? Altijd weer: slaven gemarteld, gedood. Hun meesters en meesteressen zwaar getroffen. En nu hijzelf uiteindelijk wegvluchtend fo plantage's, fo dit land. Fo die Floorse dood die hij nie kón geloven. O jéko! Vandaar misschien dat hij z'n koffer met z'n boekbestand te water gooide! Een last om vrij te worden daarvan, fri! Net als die negers, no?, met echte draaglast ook! Last die z'n tol kwam eisen. Want 't was nie klaar nog. Stad zat te wachten ook op Masra Janki die hij was! Janki ontredderd, no? Omdat een soort van magische plantage-wraak, dwars door de loop der tijd, getroffen had, z'n Floor. Wraak? Was dat ding wraak? Of was 't gewoon gerechtigheid? Fo wie? Fo hun als in moderne tijd levende blanke? Moesten zij boeten fo iets wat anderen hadden ‘gemistaket?’ Andermans historische fouten dus? En vooral fouten tegen de menselijkheid, de mens, tegen jeje zelf? Tegen zwartemans jeje? Die tonganosa-tori, dat heelhele verhaal rond Tábu toonde juist toch | |
[pagina 503]
| |
dat liefde & moedigheid gepredikt werd, volharding & geloof in eigen zielekracht! Geen wraak ofte vergelding! Ma' dan wat zo, van het lot dat Floor getroffen had? Was 't een toeval zelfs dat ná die hele gebeurtenis met Aleksi (dat verhaal uit vroegertijd, betrekking koesterend tot de hedendaagse werkelijkheid van Floor & Janki) ook nog dit kwam voor te vallen? Dat het gebeuren moest, dat zij binnenland opzoekend, precies op een soortgelijke plaats als het tonganosa-verhaal moesten verblijven? Tan?! Dit was geen toevalligheid meer zo, dit was... dit... Onverklaarbaar! Hij had een ding gevoeld, allang! Reeds bij dat eerste mondaanzetten van die tori! Toen die vertelman uit diezelfde plantage daar begon: een vóórspel als gelijkenis. De tijger gaat op jacht! De geest met een onpeilbaar groot domein gaat óók...! Alleen in de kern beide hetzelfde. Dan verder... echte verhaal, hoopvol, ma' gruwbuikvullend! Fo wie? Hij? Hij bangde zichzelf met geheel en al wat angst heette! Werkelijkheden namen Janki in de tang. Bang fo magie? Ging hij geloven in die nonsenserij? Hij met geleerde boekenhoofd? Hoe meer gedacht, hoe banger werd hij met de angst. Angst fo behoud van eigen lichaam met de jeje die Hijzelf was. Tonganosa-Janki! Wat kwam nu op hem? Aajbaja! Janki, met z'n beefhart in het nauwste nauw der angstdrift, zou een der laatsten zijn die dat koloniale schip verlaten zou. Hij, bakra, met ervaring van zwartemans zieledinges, zou voet weer wegtrekken met gaan. Ma' voordien... Nono! Nee! Nèks moest hem gaan gebeuren. Hij, met Janki-lichaam, Janki-geest. Weder stad opzoekende bosuitkomeling die hij daar speelde. Man zonder macht, deinend in het korjaal dat stroomwater wegvoer. Aajbaja Janki! Bij zijn eenmaal terugkeer daarzo, kwam nieuwe zorg. Schandalen. Aaj boi!, alsof zelf geen mens met hoofdbrekens!
Ma' kwam begrafenis van Floor nie snel, o snel! Bovenaards daar, was zij al in ontbinding aan 't gaan. Tropische warmigheid aan lichaams overblijfsel. 't Maakte snel vervallen ding met je! Dan zij... weg!, weg met slangebeten... ‘Is Kwaaie Ding heeft d'r gebeten! Die Plantaasje-jorka! Hebi's! Lelekoe!’ Alle soort mondverklaring op die Janki. ‘Ija! Is slang met boze geest heeft d'r gebeten! Net hoe je met een tang een houtskool neemt en een ding wegschroeit!, me god deze!, zo heeft slang met kaakwerk haar één beet gebeten! D'r hele leven zo, is weggebrand! | |
[pagina 504]
| |
Baja!’ Dan kwam straf van historie wéér ter sprake aan de lippigheden die men uit te kramen stond in weelde van vroeg-vroege ochtendtijden, stads kabaal: straf no? Gerechtigheid no? Chm! Janki, hij dacht, hij dacht. Hoofdbrekerij om zijn toekomstig lot op 'em. Kon Masra Gerber, die Gebi, Professor Gerber Mann, Hoog Edelkoppige, 'em geen raad staan geven? Wie Gerber? Deze man! Gerber allang zo, op z'n weg gegaan. Masra Gebi weggejaagd! Op mooibekende wijze dat schandaal daar opgelost: gestuurd met buitenlandse spoedopdracht! Hij kon nie op z'n twee Gerberse benen fo ze staan te weigeren, nie zo? Aaj! Behaaglijk en met alle elegansie opgedonderd. Ija! Had hij ze niet gediend! Had hij ze geen opvoeding willen geven? Die kracht van het ontwikkeld brein wou hij ze geven, zelfs al moest 't enkelingen gaan verpletteren. Nee, nee! Zo hard zou 't beslist niet aangekomen zijn. Mensen zoals De Moor & El Negro die met en onder hun volk leefden, konden vanwege hun verkering aan ‘de basis’ toch nie ver-diep vallen. En ja, hij zou ze tóch hebben geholpen als door zijn toedoen iets misging. Als zijn projekt werd goedgekeurd, natuurlijk. Ze zouden excellente medewerkers worden aan zijn grootgrootse projekt van versnelde intellektuele ontwikkeling van dat bushbush-land. Hij vond zichzelf een tragische figuur. Geen slecht mens, misschien ondeugend van aktie-stijl, juist door een tikkeltje verwording van het knappe brein der breedhoofden. Professors die met kleinigheid van zenuw, een klein beetje ontspoorden. Ma' dat ánderen de door hem bedachte vonnissen uitvoerden! Negers zelf die meenden dat ze goed deden. Het volk dat zichzelf ‘redde’. Eerst fo zijn geluk dat manuskript in hand gekregen. Dan ineens zo: De Moor ontslagen, door uitwerking van die aktie van iemand anders. El Negro getroffen, weer door iemand anders toedoen. (Hij kon nie weten dat is Doera, die sekretaresse, had wraak genomen. Omdat die Negro zijn vriend, de ontslagen Moor, in plaats van háár in dienst had genomen. Met argument: ‘Doera, dat ding spijt me! Ik moet me grote vriend redden in deze strijd om volksidealen. Zoveel kan ik nie opbrengen om jullie alletwee in dienst te houden. Jij kan altijd iets anders vinden, hij niet. Dus...’) Hij, Gerber, altijd nog Professor Mann (in zijn spoed-vakansieplaats) vond zich nog tragischer dan tragisch, terwijl hij daar met Igna, in een baai met groothotel dineerde. Zelfs die wijdse blik van echt puur | |
[pagina 505]
| |
zeenatuur aan hun Antillen eiland, kon geen intellektueel voldoende troost brengen. Huis zo, en personeel zo, van ze, ffwt, naar de maan! Ach, kom! Europa waar ze gingen, zou ze beter geven! Is nie zo? Terug bij Janki. Hij zo, peinzend prakkezerend. Man van de denkbrug die 't beklommen had! Om d'r op te gaan staan en zweet uit te breken no? Angstzweet & prakkezeerzweet! Hij rukte z'n gedachtes weg van Gerber. Kon z'n geweldige vriend De Moor 'em niet helpen dan? Of diens geweldiger geweldige vriend, een krasdadig strijdbare volksman, El Negro? Konden ze niet hun handen aan 'em geven, bijna meest letterlijk, met: ‘Janki! Tek' dja! Néém onse hulp als een Eigen Persoonlijke Dinges!’ Tan? Dan kijk!: Moor & Negro. De Moor vooral van geest bedroefd, El Negro met geletterde verbitterdheid. Beide met wrakelgeest, dus woede. Omdat ze in posisie als deze, gekomen waren. Ontslag, belastering. Beroering van hun volks-beweging in verdrukking. Hopeloosheden. Om vanuit zulke zwaargepakte en verzwakte posisies strijd te strijen! Mááááng! Je moet geen tori geven!: je moet geweldig zijn! Dan weer, hun grote vis ontsnapt. Wát ze ook gingen zeggen: 't zou belastering zijn. Vooral in die ‘gesloten’ ogen van die kolonialen. Want een hoge man als Gerber, die eenmaal weg was (met ‘vakansie’) kon zich nu eenmaal nie verdedigen. Dus mocht hij ook niet worden aangevallen. Bakra met status buitendien, die nu eenmaal mede de kolonie was, kolonie van de blanke top der huiden (zie: Waar de blanke top der duinen...) Koninginfeest, konfrijari, zoals dat naam had, moest doorgaan! Hoe dan ook, elke keer bleek koloniale macht te winnen. Macht had ondanks verrottingsdinges, z'n grootplezier! Plezier fo wie? Dan waar ook, was verrotting? Waar die verrottigheid op uitwerkte, dat was bijna zeker, als je keek, na' ‘Dinges, Eigen Dinges’. Dat ding was bijna nie met het hoofd te geloven. Alweer! Alweder! Janki dacht 't na. Rukte gedachtes weg van Moor & Negro met hun Dinges. Eerst zo, z'n gang na' binnenland, gedacht soms ‘vlucht’. Dan daar, met kortheid van die dagen na aankomst, die tonganosa-nacht. Broedslang met slangebroedsel brengt een Floorse dood, al langs die randen van haar witgedijde vrouwenschoot. Dan vlucht terug, met z'n korjaal. Daarzo wachtte, wachtte... nee geen persoonlijke tori hèm betreffende, ma' dat hele dingesgebeuren met die Gerber. Openbaar schandaal.. Alwéér jankte z'n geest dat ding tevoorschijn: | |
[pagina 506]
| |
Gerber het land uitgejaagd! Ja, met spoed gestuurd na' buitenland, laat hij genot gaan trekken van de Caraïbenzee! Ma' eigenlijk door kolonie top verbannen. Want hij had niet alleen schandaal gemaakt, nono. Ook tijdens komst van koningin! En dát was druppel die 't lek kon maken, de emmer, zodat alles leeg ging lopen uit 't onderste gat dat tot nog toe had stand gehouwen... die roestplek... dat aangevreten vat... Een ware verontwaardiging ging door de stad! Baja Sensa! Sensa! Sensááááásie! Vrouw Nette terug. Als bediende. ‘Meneer, ik had gezien. Ma' ik ben geen getuige.’ Wel, beschuldigd, te hebben verklaard dat ze beloofd had tegen haar tijdelijke meester te willen getuigen. Al was 't nie van openbaar! Mensen hun mond! Ze wisten alles! Brummal, Gerber in het openbaar fo leugenaar verklarend. De ene schande na de andere. Dan die begrafenis van Floor. Dat hij zonder haar terug zou moeten gaan. Na' Holland, waar ze huis hadden, hij, en z'n Flamingo. Hij werd bijna gezichtslam, als hij zag, alweer, alweer, nee!, niet alleen die slang, de kleine kronkeldieren kloek gebaard hebbend tussen de benen van die vrouw, een warmbroeiavond... daar... op nachtdonker van die plantage... al die slangebeten... afschuwelijk dat!, verschikkelijk! Ma' iets, zag hij, iets...: de kronkeling van oorlog in een mensenziel! Geen wonder, dat hij bóeken had verdronken. Terug te gaan no? Met wát?, fo wát? Mhm! Gedachtes! Jeje alleen kon ze verstaan, Jeje die mens kon maken, mens kon afbreken, met niet de zwaarte van gemoed, ma' diepe snee, zó diep, dat een spelonk geen licht inliet, licht zonder kracht, om daar te schijnen, dáárzo, waar... ‘Masra Janki! Masra Janki!’ Zus Leida kwam van achterdeur aanrennen. ‘Waar is Nette? Had u d'r gezien fo me?’ ‘Nee, eh... ze is even naar de winkel! Moet je iets van d'r hebben? San joe wani?’ ‘Masra Janki! Miiijjjn God! Ik had al die tijd geweten! Dit vervloektese ongodse didibri-land!Ga naar voetnoot17 Masra Janki...’ ‘Ja! Zég het dan?!’ ‘Mannen! Ze zijn verschrikkelijk! Al deze negers! Hoe je ziet hoe ze rondlopen op twee benen onder hun mars! Chm! Zijn dúívels!’ ‘Nee méns! Niet... eh... niet... zo...,’ ‘Ija! Ik móet d'r waarschouwing geven! Ik móet! Ik moet! Kijkt u me | |
[pagina 507]
| |
nie zo rood aan! Ik heb niets te zeggen over u! Uw beurt komt nog! Is over die andere neger met wie ze gaat! Over hèm wil ik zeggen! Baja!’ Ze wierp d'r handen op d'r hoofd. 't Goeie gebaar fo wie de radeloosheid kende. Wat zo dan? Wat? Wát?! Janki! Hij was geschrokken al! Dacht dat 't ging over hèm, want... ‘Ija! Die neger! Die neger aan wie Zus Nette haar onderste heeft gegeven! Hoe je 'em ziet, je gaat nie denken! Miiijjjn Góóóód! Is levende levende slang is hij! Slang met ontwerp van een mensgedaante! Baja, laat ik geen gekke dinges zeggen, want u wéét: slang is in negerleven geen gemene ding! Is god is in slang! Dagwe: tata: mama foe kondre! Ija! Je kan die god in een slang dienen ook! Ma' dit! Dit soort vervloektese gezelschap! U weet zeker dat ze is nie dood?’ ‘Ja!’ ‘Aaj dan!: Niko, hij's moordenaar...’ |
|