Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 508]
| |
Hoofdstuk zestien(50)Didoedoedoendoen...! Drums!! Nee, géén tamtams! Dat lelijke woord ‘tamtams’, nono!: drums! In volle werking van slagkracht aan een mensenhoofd! Lakoe was uitgebroken, dansfeest Lakoe! Daar achter Janki's huis, waar mensen hun dansding kwamen te houwen voor 'em. Een feest fo Janki ten afscheid, demonstratief ook fo hun eigen kunnen, mensen als Tanta Beki, Vrouw Weeser, Joesoe, Bongo-Leksi... heleboel anderen meer! Vooral van het gezelschap Kopro Beki, Koperen Bekken, daar volop aanwezig. ...A taki, fosi mi ai opo,
dan mi ede jere joe!
Fo'fosi m' ai opo,
dan m' ede bari joe!
...Nomo f' Aisa Goron,
babaloetoe Mama!
...Voordat mijn ogen open gingen
hoorde ik je stem al, o!
Nog voordat mij 't oog openging,
werd ik van jou bezeten!
...O Aisa!, Moeder van alle
Aardse Wezens!
Hoor daar 't openingskoorlied, zingzang fo Aisa, de Aardmoeder! Altijd dit soort liederen ter opening van deze avonden! 't Was daar een gegeven ding! Aisa Goron... Dat spel stond onder leiding van haar, Tanta Beki, gaand op en neer, vol vitamien in 't hele lijf. Met grote lichtbatiken doek. Een ‘jampanési’ kleed. Drie fluitstoten, ter opening, klinkend uit mond van d'r, zo sjjjjrrrrt! Een hele kleine komparsi, avond tevoren, vrijdag, met een soort van inleidings repetitie. Dan nu zo, opo dron, met opening van avond, de echte dansfeestnacht nunu! | |
[pagina 509]
| |
Mi na grankoemba meki mi,
korowa, korowa...
Mi na meki
foe grankoemba beki
Ik ben geschapen
door de Oernavel,
korowa, korowa...
Kind uit de Oernavelstreng!
Didididoendoendoen...! Heel die grond daarzo schudde! Met zang en rondgaan van geachtige Pranasi-oema, de Plantagevrouwen, Plantagevrouw spelen, een mooischone rol, no? Met koper bekkens, vooral Tanta Beki, die ze telkens inleidde. Het was een negerfeest, daar, achter Janki z'n huis. Een feest fo hèm gegeven, zwart afscheid aan deze bakra. Fo al die tijden dat hij was gebleven. Met alle eenvoud van een libisma, een mens. Vooral: mèt hen, hen naderbij. Korowa..., Goron Tata...! Janki, hij was aan 't zitten daar. Op een stukje timmermansbank, hout, in aarde. Met voeten naast makaar, ma' zonder Floor. Ke! ach! hoe dan zo, moest hij d'r vergeten? Al draaide die Boketi Tanta, (die vrouw in de rol van Boekettante) met haar grote pracht als een boeket in rondte. Met dansen, rondgaan in de tent, en inleiding der vrouwelijke wezens. Nee, deze waren geen Sirenen. Eerder, reidanseressen, opkomend en zich opwarmend. Een lange tropennacht vol van gezangen en gefeest. Feest, ook te zien als religieus. Dit rituele rollenspel Lakoe. Waren, waren ze aan 't verzoenen, met hun voorouders. Van lang, lang navelstreng terug, tot een onvindbaar spoor in de historie, groot van schaduw, diepliggend in geest. In feite niets dan mythemachtig ouwe heugenis. En uitgebroken, verder de nacht ervaren. Een mens was, achter 't huis dat z'n geheugen was, niets dan een stukje erf, waarop wankel huis... zelfs zijn naaste buren wist hij niet. Hij zag ze, enkele flambouwen van het verre... Od'o... wi kon bar'o...
Od'e... wi kon bar'e...
Kaba, na wan
banawtoe mofo mi kon ke!
Od'o... wi kon bar'o...
O, wij staan hier en groeten u...
O, gegroet zij u hier met ons...
Het is de mond van de
Benauwenis waar ik mee zing!
O, gegroet...
Poetoem poetoem! didididoemdoemmmmm...! | |
[pagina 510]
| |
De drums, houten rateldingen, kwakwa... (Die kwakwabank! Die houten bank! Muziek met twee stokken daarop getimmerd.) Die danseressen, gaande in het rond. Met alle vrouwelijkheid van ze! Hoe kwam een schip, ja schip, gevaren over land, op wielen? Mooi pronkschip, golvend over land. Odi'o... gegroet... Een boot uit verre land kwam aan. Daarmee, is zo begon dit dansspel nu voorgoed. Met aankomst van die boot deze. Boot wachtte op die achtergrond. Amekisani werd opgeroepen. Amekisani, degene die de zaak in rep en roer kwam brengen. Weer zo'n rol van Aanstichter. De ‘Dinges Maker’!: Amekisani,
joe moe mek' a sani!,
mek' a sani,
kakere...!
O, Aanstichter!
Doe het dan!
Breng hier de boel op stelten!
Doe het dan!
Kijk hoe Amekisani kwam! Met alle showwerk van dien! Haha...! Een heerlijk stuk dansspel! Met ook Boekettante, mede opkomend; Grondpriesteres die die zaak leidde, riep om Komsarsi, de Kommisaris! Dan Kommisaris kwam! Tweemaal in de rondte, exposé... hatsjee...!! Ah! Kommisaris raakte in begroeting met Grondpriesteres. Die rol gespeeld door mis' Tanta Beki. Aaaajjj...! Baja! Geweldigdadige begroet ontmoeting! Kijk dan daarna stoomschip, golf brekend over land, met rijden over tafel in de rondte. (‘Poeeeee!’ Stoom afblazen...) Boot komt z'n waterige komst aan land. Dit was een spel, beginnend met die bootaankomst. Met daarna uitstapmensen. Boot ging dan echtecht rond: boot's expositie! Ah! Baja! Wat een opkomst van personen daarzo! Boekettante, Amekisani, Komsarsi... Allemaal, in de rondte gegaan, fo kennis maken met publiek. 't Was een spel, 't bleef een spel. Al was 't zo, spel met een grond van ernst! Vooral ook openlijke ernst ja! Ma later dát. Dat ding had eerder die afent, tegenslag geleken toch! Stel je voor man: die hoofdpersoon, speelster van Afraw, de rol van Flauwvallende Dame, volgens de traditie, lag thuis met ziekte. Pas laaste moment zo, kwam dat bericht, zelfs dat leek spel. Dat ding leek tegenslag fo ze! Ma' één oplossing: zoek vervanging van de hoofdrolspeelster bij iemand, al kan die nie zingen. Als je een der dames die rol liet overnemen kreeg je | |
[pagina 511]
| |
jaloezie. Afraw was die rol, op laaste moment zo, fo... Evi. Al kon ze nie goed zingen, ze kon leren akteren! 't Was demonstrasie-avond toch? Fo Masra Janki. Dan vroegvroeg op die avond. Hoor Mama Leida: ‘Evi?’ ‘Ija mama!’ ‘Dan wát ben j' aan 't doen? Zo laat dan?’ ‘Ik ben me meisje aan 't wassen, mama!’ ‘Je wast je meisje no? Wel, wás je meisje, dan kom je een stevig soort pak slaag hier halen! Ik zweep je tot je bast aan stukken scheurt fo je! Je bent nie gek! J'had nie die vuile borden moeten wassen no? J'had nie dat huis moeten bezemen no? Rijprijp kind ben je! Dan weet je geen thuiswerk in huis hier te maken! Ik breek je hoofd fo je!’ Evi durfde geen badkamer daar, achter op 't erf uit. Ze keek na' d'r meisje, ze keek na' d'r buik. Hm! Ze flauwde bijna van angst met vrezen! Baja! Nie alleen zomaar fo d'r m'ma! Ma' we gaan zien! Kijk hoe even later, onder maneschijn z'n glorie, Zus Leida weer kwam, fo Evi. Hoor mond daar aan d'r voorhoofd: ‘Evi?’ Ze was zelf een hoofddoek aan 't binden. ‘Meisje maak je mars klaar hoor! Want dalek dalek gaan die mensen komen!’ Evi moest die rol spelen, van Afraw, de Flauwvallende Dame. Pramm!, d'r mond was nie koudGa naar voetnoot1, of iemand kwam aanlopen: ‘Ifrow Leida...’ een lijzige stem, aanborend tussendoor der nachtelijkheden. ‘Ifrow Leida?’ ‘Ija me skat? Kom door dan! Je gooit je stem op me, zodat 't lijkt of je me wil verpletteren met wat je me wil zeggen! Kom, pas op fo gebroken fles op grond daarzo, met je ondervoet waarop je loopt! Hi-j-ja!’Ga naar voetnoot2 Dan kwam, alsof met geheimzinnig spel gespeeld om Evi, 't bericht van ziekte van de hoofdrolspeelster in 't traditionele Lakoespel: Afraw, de Flauwvallende dame. Dan Evi-dochter zou gaan moeten overnemen. Eerst zogenaamde tegenwerping van Evi d'r moeder: ‘Nono me skat! Nee hoor! Me kind is jongk:! 't Kan geen dinges zingen van rijpe mens met levenswijs! Baja! Kijk wat een bederf van die gang van zaken! Iemand ziek no? Ke...!’ Ze deed alsof ze 't erg vond om dat Lakoe-spel door dochter Evi te laten doen. Ma' nog geen tien minuten later, na die | |
[pagina 512]
| |
aankomst van wat dames meer: ‘Evi, mi kind?’ (Moedermond baart taal daar.) ‘Ija Mama Leida? Ija, mi M'ma?’ ‘Ga je kleren dragen, hòr! Want je gaat vanavond, in die Lakoe spelen, hòr! Je móet Afraw gaan staan spelen. Al ben je nie gewend! Die vrouwen hier zeggen: je bent grootkleine meid al! Dus je kan spèlen fo ze, al kan je geen zang maken! Is leren moet je leren ook toch! Ija!’ Dat meisje wou niet. Dóódse bangheid aan d'r. Ma' ze moest. Móest! Dan hoorde Evi, hoe die vrouwen, met zachte mondpraat in gesloten kring, waren aan het allerlei beslissing nemen. Van boven d'r en onder d'r! Om zo te zeggen, alles werd voor Evi in kan en kruik gezet. Wat ze mocht doen en wat nie doen! Ze hadden hun lichaam kaseri gehouwen, die vrouwen, vrij van liefdesbezigheden. Is nu waren ze gekomen om te zingen: vereniging onder makaar. Dat was plezier geven, die ene aan andere, ma' tegelijk ook: kweken van gemeenschapsgeest. Alles zo, in 't spel. Spel van Lakoe. Ma' meer: Lakoe was ook zo, ritueel, gemeenschap hebben met verleden, voorouders, geesten en goden... Lakoe, baja, Lakoe was een soort centrale feest des negers, al eeuwenoud en aangepast aan tijd, aan onderdrukking, met vaste ruimte tot openbare kritiek: krioro dron... bididamboembambam...!! Joesoe no?, hoe was 't met Evi d'r vader, dat moment? Hij zich zorg makend daar, om Evi d'r ziekkleine broertje. Z'n leefgeest wou nie doorbreken in 'em, al geen jaren, sinsdien z'n geboorte! Kijk hoe hij zat, wezenloos onaantastbaar door de dingen van 't besef. Werkelijkheid kon 'em nie slaan. Gebracht na' wonder- en echte dokter! Geen van beide had geholpen. Ziek mens was mens met ziekte. Anderen hun monden zeiden: ‘Wie? Die jonge daar? Is dat hij maar moet zitten op drempel van z'n huis en ogen laten lopen over erfkip die grondworm uit aarde trekt, en kakkerlak die rent, weg fo z'n ogen, en hond die komt schudden met z'n staart en lange hondetong lijkend op mast van zeilschip! Hij? Hij ziet geen nèks! Hij is geboren met een droom - jeje op 'em. Nèks te doen baja! Donkerland mag 'em zegen geven! Ke, ... mensenkind... al heeft hij een gezonde oog, hij ziet geen leven!’ Een jongen, gruwelijk onvatbaar fo licht z'n dag des levens. Tegelijk wreeddadig onaantastbaar fo die drama's der geschiedenissen. Enigste manier tot redding van zijn zielewezen leek.... om 'em na' bos te brengen, en 'em daar te laten: een losse mens, laat hij gaan zwerven! | |
[pagina 513]
| |
Misschien vindt hij 't nieuwe mensdom op zijn pad! En met andere dan stadsmensogen, kijken op dinges die geen ziel zo, ging begrijpen. Een mens, ver van de mens geboren. Een menseschaduw, vol van vlees gegoten. Ke, baja! Hij was 't aanzien van het mensdom waard....... Leloe leloe!, dada, leloe leloe...! Die avond was gekomen, ook fo Dodo! Dodo met granm'ma van Mandwe op stap. Na' lakoe gaand no? ‘Aaj, mi s'sa!Ga naar voetnoot3 We moeten voorbereiden ook! Dus neem je handen uit je mouw! Dan gooi een handje hier en daar! Maak keksiGa naar voetnoot4 om te eten!’ (Jana die nooit Aleksi's liefde zou doorpeilen werd vergeten.) Aan hun was verteld, dat 't ging om echte lakoe. En 't was ook echt! 't Kwam door hoe je 't zag, ofdat 't werd beschouwd als godsdienstig of niet. Nee, nie alleen dat 't spel iets dubbelzinnigs had: dat ding was een doodgewoon spel, vol met rollen. Tegelijk traditioneel (nee, géén toneel!) verborgen godsdienstig spel: verboden door de onderdrukkers om openlijk neger te wezen, no? Met kritiek leveren no? En boze geesten vol van afgoderij te laten aanparaderen, no? Wel, weg! met alle negorij! Dus: in verkapte vorm speelde men z'n godsdienstspel. Met tegelijk in dubbelzinnigheid van lied... leverend, sociale kritiek. Dan buitendien... chm! Eigen positie werd erin verwerkt ook! Een echte kunstspel, waarin ieder z'n mond van dát moment kon stoppen. Om mond te zwijgen, van geschiedenis beschrijving. Met aankomst in die inleiding van schip met immigranten, eerst slaven, dan chinees, hindoestaan, javaan.... nee, de ontwikkeling liep nie zover! Ma' wachte! Dat spel had dit keer nóg een derde bodem buiten godsdienstigheid en sociale kritiek. Afraw vormde bodem drie! Geheim van dit spel. Ma' praatman, zwijg! Want we gaan zien! ‘Aaj, schuur! Schuur me voet fo me!’ Jana, die dochter, de beide bimba's schurend van Dodo! Die bimba's waren olifantsbenen. Míjn God! Die swarte vogel van die ene dag! Nie zo lang terug, in jaren, misschien twee, drie! Jana en Dodo hadden 't gezien. 't Was een téken, had ze nie geroepen dan? ‘Jana! Kijk! Die vogel komt onder dak zichzelf verliezenGa naar voetnoot5 hier! 't Kijkt me aan zo! Baja! Is kwaaie ding, is ín 't! 't Brengt ongeluk op mensen!’ ‘Ach, Mama Dodo! Láát dinges baja! Vergeet die vogel! Vergeet ongeluk! Is op de wereld zijn we toch?’ | |
[pagina 514]
| |
‘Ija me kind! Fo dáárom juist geloof ik zo! Ik wéét: ongeluk gaat vanzelf komen!’ Aajdjakasa! Ongeluk no?! Dan nog geen twee weken nadien, had ze olifantsbeen gekregen, aan beide kanten van d'r voeten, één, twee. Zwaarzware voeten nu, met kilo's vlees! Ze kon nie lopen bijna! Met wrat! Míjn god! Wanneer dat 't zo broeiwarm was, dan moest ze schoongemaakt worden. Voeten in warm water weer, want ze ging stinken. Al die roze wratpartijen, met borstel bewerken, dikdikke zweren aan d'r voet, met etterstukken, scheurhuid, knobbeltenen. Tenen alleen, wogen elk een half pond! Ma' dan, hoor hoe ze schreeuwde! Waaaaaiiiii!! Pijn! Elke dag pijn, van bimba's! 't Slorpte krachten om te lopen. Dan ook weer, baja!, pijn van 't bimba schoonmaken, met wrijfbrostel en wrijfdoek! Dodo kon flauwvallen bijna. ‘Waaiiiii...!’ schreeuwde Dodo bij die hardpotige verzorging. E'en! Een mens had wereldleed op. E'en! Zon brandt? Voet brandt ook van zonnewarm èn wrijfwarmte van schoonmaakborstel. ‘Waaiiiii...!! Ik ga doodgaan!’ scrheeuwde Dodo's geest uit brede mond. Die vogel had dat ongeluk voorspeld. 't Was gekomen ook. ‘Waaiiiii!!!’ Dan die bimba's, olifantsbenen onder d'r, ze sloegen stankdamp uit. Kijk d'r ogen, met ooghoek die aan binnenkant stond, schuins na' beneden als zwartkoperen chinese ogen! Ogen zo, vol met tranen! Elke dag! Ze kon geen schoenen dragen meer. Zelfs geen houten slippers, teptep. Alleen, lopen op blote voeten, door gloeihete zand, of modderploeter....‘Waaaiiii!’ Dat ding leek zelfs, net ofdat d'r benen onder haar, háár droegen, in plaats van het omgekeerde, no? Ke...! Arm zij! In stilte hoopte ze door Lakoe-dans weer op een kans, nee, niet dat ze gezond ging worden! Dat was voorbij! Ma' dat geen enkele god nog boos zou zijn op haar. Geen boze geest, die alles kwam verergeren. Gewoon, mens wezend, met kans op verlichting van een lichaamspijn, die Dodo, zij! ‘Waaaaiiiiii!’ Den poer' mi foet' a mi ondro?
Mi sa waka nanga mi ati!
Ay'o, ay'e! Ay'o, ay'e...!
Mi na denk'o, mi na w'wiriman!
Indien zij mij de benen weghalen onder
't lichaam, zal ik lopen met m'n hart!
| |
[pagina 515]
| |
O ja! O jé! O ja! Ik ben het denken,
dat het geneeskruid zoekt en vindt...!
Dan nu kwam Mandwe's grootmoeder, één dag al, voor de Lakoe, een klacht geven als klácht, zo onophoudelijk. Met praten over breuk tussen haar zelf en Mandwe z'n granp'pa. Voor en te na, een ander voorwerp fo de lakoe, om te bezingen. Dagenlang, wekenlang, leven dat nog restte lang.... Een breuk tussen granm'ma en granp'pa om de dinges van het negerschap. K'abasi miti beg'o, hé!
K'abasi miti beg'o, hé!
foe sani de na pas'o,
kaba mi ati
ninini nekro wan mofo-jij!!
Een plengoffer gebracht met
water uit een kalebas!
O zie dit negerzwarte mens
met woord
het ontij keren!
Koeli en Snési, Hindoestaan en Chinees, met boot aankomend, met telkens, onder 't oog van Komarsi, hun test afleggend. Konden, ja, hadden ze het kunnen, het vermogen, om aan te passen aan de eisen van landkant? Hun nieuwe immigratieland, zoals dat spel voorschreef? ‘Snési! Wat heb je meegebracht dan?’ werd aan de neger die Chinees speelde gevraagd. Hóór zwarte chinees: ‘Tjin-kwa-kwa-chin-jang-jong-tjoe!!’ ‘Haha! Hoor die Chinees! Hij zegt, hij heeft geen kontrabande rijkdom in z'n boot die aan land komt verborgen! Chinees? Je jokt! Dans la' me zien!’ Chinees schudt in aanpassingstest, heftig z'n buik. ‘Jak-tja-tjek! Choein! Choein!’ ‘Hahaha! Hehehe! Woi!! Ik lach me buik een aardebol rond! Hóór en kijk hoe Snési draait met z'n buik! En met z'n mond z'n Hong Kong dinges maakt.... okee! Ik keur je goed en waardig om aan land te komen hierzo! Welkom, tjinees, welkom Hong Kong!’ En wie staat naast Snési, de Chinees? Koeli toch, de Hindoestaan! Klaar om in het spel als volgende z'n beurt te spelen. Een neger als hindoestaan. ‘Koeli?’ werd hem gevraagd. Hij speelde: | |
[pagina 516]
| |
‘Hare, hare, baaprebaap!’ Komsarsi lacht z'n buik tot flarden! Om het ‘vadertje lief’ van die zwartnegerige hindoestaan. ‘Koelie, dan wat heb je met die boot gebracht dan?’ ‘Eek, doei... tin..(hij telt)....’ ‘Stop! Kakere! Kakere! Ik wil horen of je goud het land in brengt! Kontrabande! Ja verborgen goud op mensen hierzo!’ Ah! Koelie geeft geen antwoord! Danst, heerlijke slangendans, met slang op buik, 't geeft plezier! Elke keer, tot driemaal toe, een test, fo beide die personen, Snési en ook Koeli. Want al is 't maar Lakoe-spel, 't blijft dat harde spel der aanpassing... wreedwrede koloniale tijd, met kontraktarbeid! (‘Vanwaar kom je Koeli?’ ‘India kere...’ ‘Hah?’) Dan Koeli dansend, met rinkelding aan enkel, buik draaiend nog geweldiger als Snési.... Hele publiek bastert van lachen. Dit, is een nabeschouwing van 't leven, no? Dit is een spel als een historisch ritueel! Nagespeelde immigrantentijd. Dan wan boto kon, a tjari lobi kon!
Dan di sipi lai, dan a fara gwe!
Ma' di boto légi, lobi soengoe kon!
Er kwam een boot, die liefde bracht!
Een volgeladen schip voer weg.
Mijn lege boot van liefde zonk....!
Janki! Hij was aan 't zitten, vol verwachtingen. Eerst geen feest meer. Dan wel, juist om vergeten. Vergeten? Wát vergeten? Floor? Die slang, tussen die eeuwig slapende Flamingo... slang had ter plaatse, vóór of na de beet, een slangennest gebaard! Dan kleine slangen, bijtend in het warme vrouwvlees, liggend daar, haar overkruipend, hele nest! Zwart, spikkelspikkel gelig..... 't Leek een soort vloek uit verleden dag. Precies zoals door 't verhaal in algemene mond verteld: granmasra, de slavenhouder, vluchtend, z'n vrouw door rampdood overleden en.... behalve ruïnasie van die hele hele plantaasje.... die Sisi, jonge meid nu? Ach! Hoe kon verleden gebeurtenis (stel: 't was geen zinsbegoocheling, toevalligheid, of.... zelfs negermagie!) opnieuw volmaakte uitvoering gaan vinden? In hedendaagse werkelijkheid, terwijl 't al eeuwen terug echt was | |
[pagina 517]
| |
gebeurd? 't Kon niet! 't Kon niet! Als 't zó was.... Hij was vreselijk bezig met opletten wat gebeuren ging. Wachte, wachte.... 't spel toch, met al die dansende en zingende figuren, door makaar hun dinges makend. En dan 't verhaal voltooiing gevend, met een bewuste daad van wijziging in werkelijkheid aanbrengen. Bewust: je steekt hand uit, je doet! Zelfs door op te staan en weg te gaan.... je wijzigt leven! ‘Meneer Janki! Je voelt nie goed no?’ ‘Eh... gaat wel!’ ‘O! Want anders had ik negerhuismedicijn gemaakt fo u! U weet toch: niemand kan hier weggaan! En ook geen witte meneer Janki! Kijk: Koeli & Snési, ze moeten ook blijven! Is netals van uw komst en verblijf hier, met die andere Hollandmeneer, u weet, uwe professor: u en hij bent ook twee mensen! Ma' u gaat weg, alletwee! Weer na' Holland! Ook met testerij van Lanti! Net zoals Komsarsi die twee mensen vraagt om iets te doen, no? (Ze bedoelde dat hij ook op aandringen van officiële zijde een test moest ondergaan.) Baja, mensen! Kijken jullie Masra Janki hoe hij zit hier! Van verlegendom wil hij ons alleen laten! Schreeuw één hoerá-hoerá fo hem! Want hij is man, fo wie we dit feest houwen! Hij's die eerste Hollander, die heeft negerzaak zodanig bekeken, dat ons hart is vastgegroeid met 'em. Want hij'ft rispekt toch! Nie allenig fo onse kultuur, ma' ook fo ons. Is niewaar Masra Janki? Zit nie zo op mensen te loeren als een verlegen awari!Ga naar voetnoot6 Is beter drinkt u een stevige janever op uwe lever...!’ ‘Hiepiepiepiep...!’ Zus Nette kwam áán! Baja, kijk d'r! Schoonheid des aanschijns! Als een pawprodo!, pauwemooi! Met een javaanGa naar voetnoot7 aan lichaam. En gemaakte gezicht! Met stevige voorband hoofddoek ook. San?! ‘Hiepiepiepiep....!’ Zij zelf had gewouwen dat ze hiephiep in d'r hart kon lachen, no? En met geluk aan komen breken ook, liefdespersoon! Want die verhouding die ze was gaan beginnen met die Niko! Ke! Leven gaf nooit je alles, no? Hij was wel goed, goed man, met stevige ‘koro’ in z'n modelbroek aan z'n mars! Ma' die jokmond van 'em, vond ze, vol van vertwijfelhart!: | |
[pagina 518]
| |
Mi lobi taigi mi: a soekoe mi!
Mi lobi sweri mi: a lobi mi!
We, di mi toeka en, dan ai fadon
a mi tapoe...
We wenke, o.... doe na doe foe
lobi kon baster lobi gi joe sote!
Kwetkweti, mi no gi en lowe!
Ma' loekoe no?:
(singi)
Sébi joeroe, na dé foe ati!
Dan aiti joeroe, na' neti f' en!
Mi lobi, joe moe waka urentijd!
Mijn lief zei me: ik zoek naar je! Ik wil je!
Mijn lief bezwoer mij dat hij van me hield!
En toen wij elkaar ontmoetten, viel
zijn oog op mij....
O, lieve meid, o.... doe wat je moet doen,
opdat de liefde aan komt breken voor je open!
Ik ging díe liefde gans niet uit de weg!
Maar kijk:
(gezongen)
De dag van het hart telt maar zeven uren!
Het achtste uur, maakt dag tot nacht!
Mijn lief, wandel optijd op d' uren.....!
Nette! Nette! Verlies niet, baja, de vertrouwensliefde! Een vrouw, - kijk hoe ze kwam - net met vertrouwen van een pauw op pronk. Dan toch, van binnen, met de twijfeling des levens. Misschien was dát in díe kondisie van de levensdag, een schoon gegeven om erin te blijven. En wegen zoekend, vóór 't achtste uur, de nacht, om thuis te zijn. Thuis, onder dat zinkdak, dat plankenhuis. En zingend uur verbergend, onder nachtdak! Welnu dan! Pauze kwam aanbreken. Die introduksie-part van 't spel (met zelf een pauze dáárin, in 't midden) was voorbij aan 't gaan nu. Nacht was aan 't glimmen, in een soort met duisternis gevuld opleven. Die koperbekkens, boeket, boot, spel, kostuum, met publiek z'n veelheid daarzo. Lachen, praten, mensen met al hun plezier aan ze. | |
[pagina 519]
| |
In huis, achter bij tent, zo vlakbij erfput die dicht gemaakt was door de kakkerlakpolitieGa naar voetnoot8, dicht gemetseld, hoelang al, in huis was Evi aan 't kleden. ‘Meisje maak dan! Dalek is tijd voorbij om op te komen!’ (Evi moest opschieten fo weggelegde rol, Afraw.) ‘Ik vóel niet mama!’ (Ze meende: ze wou niet, voelde er niets voor.) ‘Wat? Je wil niet? Durf me te zeggen!! Je móet! Is góed, dat je deze kans nu van die mensen hier verkrijgt! Kijk hoe dik-rijp je wordt, rondom je buik! Al je jurk gespannen! Aaj, 'kzie: je bent een volle vrouwmens nu! Ga! Is góed geval om te laten zien dat je bent niemeer njempi njempi een wenke, ma' een vrouw als een volle maan! Ga baja! Is goed om te laten zien hoe rijp je bent!’ ‘Ma' ik kan nie zingen mama!’ ‘Meisje hou op hòr! So! Want is juist nú heb je die leeftijd! Om negerdinges te leren! Nu! Nu dat je verstand lang genoeg is! Lang genoeg om verborgenheid van zwarte man goed te verstaan! Ija... want lakoe is geen zomaarzo spel! Mensen denken zo, ma' is nie zó! Is drama van Negerjeje, ónse ziel, is daarzo! Chm!’ Dan zuchtte Zus Leida een zucht fo d'r. Plukte een haar weg, dwars van d'r Leida-gezicht, d'r moeilijkend met kittelen, daar op d'r óndervoorhoofd. ‘Ija meisje! Maak snel nu, voordat ik op je kom reppen! Dan buitendien: wees wijs! Want zó misschien vind je een man! Ik ga loeren, wie na' je te loeren is aan 't staan! Koeloe van Achterweg, misschien, daarzo! Khad 'em gezien zonet! Hij'ft zes vrouw al, ma' hij heeft geld! Of Langa Boko, van twee straaterven verderop, met sjinese winkel naast z'n huis, waar politieke podium was laast! Hij's ook hierzo, met z'n ogen als fajaworon!Ga naar voetnoot9 ...Baja, waarom is neger zo krasGa naar voetnoot10....? Afèn! Laa'n ze je loeren! Als ze je nie gaan staan moeilijken met hun handtammigheidGa naar voetnoot11! Wie wil, kan aanzoek komen maken. Aaj dan! Iemand gaat fo je staan zingen hoor, een bakaman! Dus jijzelf hoeft nie je keel te rekken. Ma' je weet wat we je gezegd hadden toch? Laat ons nog even repeteren... meisje dóe snel no?....La' me je zeggen, terwijl ik je jurkachter dichtknoop fo je...! Hmmmmm??? Je buik is dik gaan vetten hoor...! Je gaat toch geen grote baarmoeder hebben toch, d'rin? Of.... nono! Geen luchtzwangerschap met boze geest in 't!...’ (Zus Leida rook een soort van zwangerbuik bij Evi.) | |
[pagina 520]
| |
Dan kwam die hele uitleg van dat spel, alweer: ‘...Ija! Dus dalek, ga je, in dit tweede deel van na die kleine pauze (onze voorouders hebben dit spel altijd zó gespeeld), flauwvallen! Hoor? Evi, jij wordt Afraw! Wel, Afraw wil zeggen: Vrouw die flauw valt! Want ze is zwanger, zo blijkt helderhelder uit die openbare ondervraging... míjn god! Tijd is d'r niemeer.... hoor: lakoe-trom slaat al z'n aanlooptoon..... Ija! Dus dan komt dokter.... iemand moet die schuld hebben van die buik....je wijst iemand, die vader van dat kind in buik van je, aan! Wijs nie te snel wie 't is, want spanning moet komen. Dan wil 't spel ook, eeuwlang al, dat dokter komt, zuster, advokaat, rechter.....afèn! Je gaat zien! Kom meisje! We moeten gaan gaan! Ija...!’ Mi, na wan brokobana mi de!
Anoe teki mi, efi anoe teki bromki,
kaba rowsoe i no man njan'o!
Ik ben maar een stukje gekookte banaan!
Wie míj kiest, heeft een waar genot,
want een bloem in plaats van mij in
de hand, bevredigt niet de zinnen gans!
Ah! Openingsliederen door de Pranasi-oema!, de Plantagevrouwen. Kijk ze dan fo je: rok schuddend, draaidraai makend, en op en neer, publiek toezwaaiend! Hm! Baja, d'r is zoveel leven dat.... Afraw! Ze komt eraan! Afraw, de hoofdrolspeelster, een figuur die al het hoogstaande verbeelding geeft, van wat de mens is: hooggeachte wezen. 't Is Evi, in werkelijkheid, met al d'r pranpran kleren aan! Ze nadert, goed op schreden, kijk d'r voet! Ze weet waar dat ze 't zet no?! Dan haren van d'r, met zulke dikke moten gevlochten! Kijk... in klein waaien van wind daarzo, ónder d'r hoofddoek en ónder d'r rok... heeft ze rooie kleren aan. Dit.... is geen spel meer! Dit is ernst! Míjn god baja... dus zó no? Onder 't spel, verborgen, de afgoderij die altijd, een historie lang, verboden was, no? Vandaar die rooie kleren! Bovenste kleren waren om 't mooie spel: Afraw, het zinnebeeld der Schone Mens, de Zuiverheid van het Mensdom, alles wat goed was aan personen. Dan ónderkleren, vuurrooie katoen, waren om te laten blijken dat ze negergodsdienst aan 't beoefenen waren! Geraffineerd: spel in een spel. | |
[pagina 521]
| |
Met misschien nóg een derde spel in 't spel. Ma' dát fo straks! Nu, zoals die gewoonte was, schoonheidsmooie Evi, komend naar onder die tent. Baja! Wat een welkom zou ze geheten worden! Faja leti, mi no bron!
Ma' mi ati lala nanga sweti!
Yobo!, na mi so bar'o, Yaba!
Het opgestookte vuur verteert mij niet!
Maar heel mijn hart is rauw van 't zweet!
Blanke man!, ik ben het die schreeuwt, Yaba!
Yaba kon iedereen zijn no? Iedereen die geknecht was, in z'n slavernij! Baja, spel! Pré! Dansen! Een volksdans van volmaakte eenheid tussen zang, dans en spel, alledrie samen.... Kijk Vrouw Weeser daarzo, lopend achter Evi aan! Tanta Beki, vriendin in de liefde, tjekt Vrouw Weeser! Wachte! Zó openbaar, achter een jong ding aan... bomerijp no? Dus met jaloezie, zodanig dat al 't wit van d'r ogen, in hun hoofdhol draaide! Net opende Pranasi-oema rol spelende Vrouw Weeser d'r mond om tegen Afraw te sissen: ‘Doe snel! Je gaat flauwvallen nu! Ik sta achter, om je op te vangen!’, toen Evi in die rol van Afraw, blijk gaf van krisistoestand: ze greep opeens, heel echt gespeeld, Vrouw Weeser. (Tanta Beki loerde!) ‘Me j'jé! Wat krijgt ze weer!’ 't Was zó echt gespeeld!, zó echt, dat alle konsternatie daarzo hoog uitbasterde. Precies zoals tradisie wou: iedereen in konsternasie! Want kijk Afraw, daar, helemaal omlaag glijdend, flauwvalllend, in die armen van Pranasi-oema Weeser! Mi na Abeni Tanta, pikin, mi kari joe...! Abeni Tanta nu, ook rol, met ondervraging! Publieke ondervraging ook! ‘Poeroe lai! Poeroe lai! Wie lost 't raadsel op?’ ‘Wat scheelt die Misi dan?’ Ah! Bochtesnijer van naast, ook daarzo! Met z'n lachmond publiek z'n buikkramperende lach gevend: ‘Haha....! Kijk die jongbout liggen, zó smakelijke liefdes boterham..!’ ‘Afraw?’ ‘Ija? Kondre, taki kon: iedereen, zeg op no?’ (Abeni Tanta stimu- | |
[pagina 522]
| |
leert Afraw tot een bekentenis toch!) Vrouw Weeser, haha....! ‘Z'heeft iets gegeten wat d'r buik doet draaien!’ ‘Hahaha...! Hehehe...!’ ‘Nono! Ze heeft... geldschuld! Ze heeft.... haar diamant verloren..! Als ík 't vind!’ Mondradio! Ook zo'n bek werkgever! Publiek in lach, met grote smaak! Zou ze dáárom flauwvallen? Zus Leida loerend na' een jongeman daarzo, die misschien schoonzoon zou gaan worden van d'r! Die ene met die kroeshaarkuif..! Nono, die licht gekleurde daar, om de zwarte kleur op te halen: omhoog.... lichter maken na' de blanke toe... Of Monimasra, die Rijkaard, daarzo.....(Mis' Elena, mis' Elena, gringrangrin.... ik ben een ware rijkaard, gringrangrin..!) Afraw brak zweet uit! Benauwd no? 't Leek ofdat ze echt iets had! Ma' 't kwam - zo oordeelden de ogen rondom, alle mensen zo, minstens de veertig paar ogen! - doordien ze geen gewenning had van zulke dinges! Arme maagd in een volwassenwordingsritueel! Dan wordt ze zo hardhandig met de mond ondervraagd! Baja! ‘Afraw?!’ ‘Ija? Zeg-kom!, la' me horen! Mond van je moet práten! Anders gaat publiek je lachen!’ (Abeni Tanta... Vrouw Weeser...) ‘Had je krab gegeten, Afraw?, dat je zo flauwt met val?’ ‘Kraboe? Is je oog gaan ze openkrabben met hun vingers, die wijven die je achter hun bille rent!’ ‘Hahahaha.... kwekwekwe...! Hehehehe...!’ Grote lachtpartij om spitse opmerking! ‘Woooiii... Aaj! Jullie gaan mensen dóód maken van lach in mensenbuik!’ ‘Afraw, met je flauwvallen, mi goedoe!’ ‘Ija me schat? Kom me zeggen, no?’ ‘Had je een vrijer op een nacht?’ ‘Is te vroeg! Is te vroeg!’ Publiek wou déze vraag nie horen! Later pas, na ondervraging over manier van leven (kuis), manier van doen (braaf), manier van opvoeden (gehoorzaam) en manier van openbaar gedrag (minzaam, evenwichtig, nèt zo evenwichtig als de Banja-danseres in het zelfde speltype als de Lakoe, maar waarin Afraw een danseres is! Dus blijvende mensvisie: hoog, edelmoedigheid, evenwichtigheid, in 't zelfde soort van volksspel, beide lakoe en banja, één soort, met zelfs winti-pré waar mensen echt bezeten raakten en vielen, nie flauw, ma' toch, bezeten...! Het centrale gegeven van de neger: een MENS, gerakend in een krisissituasie. En dan: zoekend na' evenwicht, d'ruit | |
[pagina 523]
| |
komend, hoewel nie altijd vol van glorie, teruggrijpend op de gemeenschapsjeje en de vooroudergeest als jeje-erfenis! Dit was het ware wezen van de neger, 't spel! Dít, pré disi.....En ook hierin de weergave van neger z'n geschiedenis.... komst van die boot en later.... immigranten, na eerst de slavenkomst in ver verleden... AisaGa naar voetnoot12 oproeping, de begroeting van die nieuwe bodems...'t eerste in 't spel, 't Grote Begin...) ‘Zijn we zover al? Baja! Stel je vraag dan! Mofo!!’ Met iedereen vraag schreeuwend: ‘Ben je zwanger?’ ‘Ija!’ Nu niet geantwoord fo Afraw, ma' Evi zelf, als door iets, met schreeuw ‘Ija!’ ‘Ija, publiek, ija! Ik ben swanger!’ Evi!! Zó echt spel spelend, dat 't leek op echt! Met uitbarsten in huilbui..... Met Vrouw Weeser d'r vertroosting gevend: ‘Huil niet me kind...! Ke, kijk hoe goed je die rol speelt! Mensen! Geef d'r een big handGa naar voetnoot13 no? Ze is zó zenuwachtig dat nie te zeggen! Dan Tanta Beki, kwaad no hel! Die vrouwelijke ploert! ‘Wese,’ dacht ze, met spook aan hoofd, ‘Wese! Ik ga je lering geven! Ik ga manieren fo je zetten! Om zó met een jonkmeisje om te gaan! Krasbeestigheid van je!’ Krasbeestigheid was dan de hitsigheid van Weeser. Zó dicht bij Evi, Afraw daarzo, lang liggend op anjisa's, van die hoofddoeken met fajalobi, vurige liefdebloem als hoofdmotief. Dan hoe nie andere bedrukte hoofddoeken rondom: motief van sleutel, Fort Zeelandia waar die Hollanders regeerden en 't land innamen, kanonnen, andere bloemen, Toren van Financie, Goeveneurshuis! 't Was echt historisch spel, met alle motieven op alle mogelijke manieren open en bloot gesteld. Met historische inhoud op een andere wijze ook. Want.... Janki zat met hoofd in haren! Zó geboeid... zó gebonden! Hij wou weggaan, hij kón nie weg! Z'n voeten weigerden! Z'n hele lichaam aan 'em, weigerde! Alle figuren daar, met hun gezamenlijke jeje weigerden vanuit een soort totale geestdruk, om hem te laten gaan. Blijf! Blijf! Liboya de na noja so......Een slang, géén wurgslang en geen verráád, ma' gifslang, met een nest vol van gifbroedsels, slangen, die over 't Floorse vrouwenlichaam kropen... die beten van de kleine slangetjes... vanuit een paar meter afstand in 't oog, net soort van stempels.....die plekken blauwzwart op 't witvrouwenlichaam...fajasiton, no bron mi so! Hete stempel, brand me niet.....hittige steen... o brand me niet... hete kloot, o neuk me niet zo gloeiheet... Evi! Evi! Ze was zwanger! Zus Leida, oog met scherp, houdend op d'r buik! Die knopen achter, | |
[pagina 524]
| |
áchter Evi's jurk, die nie konden dichtgaan! O soort ‘dik worden’ van jonge meid? (‘Ja, als ze rijpe leeftijd hebben, dan gaan ze heup maken. Hun lijf wordt rond. En buikvlees ook, krijgen deze rijpe meisjes, met grootgrote baarmoeder. Dan krijgen ze pépa-borst, net zo groot als papajavruchten aan tros hangend! Dan later worden ze weer mager van ellendige verdrietigheid! Ija me skat! Is zo gaan dinges! Ke, als ik een dokter had...’ ‘Een dochter meen je, me skat!’ Afraw was echt echt zwanger no? Van wíe dan zo? Zus Leida had vermoeden, ma' geen absolute zekerheid! Althans, ze liet, net als die andere levensrijpe negerinnen nèks merken. Afraw opstaand, nu, onder 't kruisvuur van publieke vragen! Zoals 't hoorde ook, in 't spel. ‘Afraw?’ ‘Ija?’ ‘So! Dan gaan we nú een vraag vragen! Wie is die dader dan? W'heeft je gezwangerd?’ Nu maar! Evi draaide d'r gezicht een heel andere kant op dan tot nu toe! Nee, nono, nie kijken na' die kant waar d'r moeder, Zus Leida stond, met Janki, met d'r p'pa Joesoe en veel anderen meer. Ze keek na' Bochtesnijerhoek, met Mondradio. ‘Ik geloof, ze is echt zwangerbuik aan 't hebben!’ fluisterde Mondradio. ‘Is nie waar man! A no kan!’ ‘Geloof leugen, geloof geen wáár!’ Dan schakelde, om deze weigering, Mondradio over op een ander nieuws: ‘Heb je gehoord, mi mati? Z'hebben brand gezet fo Eigen Dinges? Regering wil 't nie hebben, om kommunist! Baja! Dit land hòr...’ ‘Kijk! Kijk met je eige eige ogen aan je hoofd, met open oog ook!: zíe je niet dan?’ ‘Is... eh.... Bochtesnijer is die vader! Verwekker van dat kind in Evi's buik!’ Ah! Dokter, Blauwjapon-sostri, en hele publiek, stellen hun diagnose! ‘Wie? Ik? Dan is met me loopstok heb ik d'r die buik gegeven!’ Een zwangerschapsbuikje, veroorzaakt met een wandelstok? Door Bochtesnijer bij Jongmaagd Evi? Om te bom-baster-buiken van grote pretscheurende lach! Hahaha....! Hehehehe....! Waai.....! Wooooiiiiiii! Kwekwekwekwe.....! Kwakwakwa.....! Grootgrote kolossale lach! Dat | |
[pagina 525]
| |
kon natuurlijk niet! Ma' wíe had 't dan wel gedaan? Dan daarnaast, weer een ander: van Snési no? Een zeemansbuikje zeker! Uit Hong Kong! Nee, Chinees had niet deze krisis veroorzaakt. En ook al werd die rol van Chinees vertolkt door een zwarte speler, die met die boot aan land gekomen was: zoals de dubbele bodem van 't spel 't wou, precies naar historische waarheid: Snési was te kort aan land! Snési, zo luidde z'n persoonsverweer, was niet die maker van de krisis bij de zwarte mens. Nee baja! Hij werd méégesleept ook, die immigrant! Net als die andere, Koeli, Hindoestaan, in werkelijkheid gehaald uit India, nu in een boot op tafel (boot golft over land, met allerlei versierselen, de immigranten aangekomen, niet met materiële rijkdom, maar met geestelijke, in verbazende aanpassingskunst.....) Nee, niet Snési, noch Koeli, maakten die grap. Om zo'n maagd te zwangerbuiken. Dan wie? 't Móest een blanke worden. Komsarsi dan? Chm! Een zwarte man, spelend de rol van witte Kommisaris! Beter zo'n rol fo iemand als.... ‘Masra Janki!’ schreeuwde Bochtesnijer! Met loopstok wijzend in Janki's richting. Vanuit een soort overmatige gevoeligheid, (kijk hoe kwaad mensen die feestverstoorder aankeken, mensen als Dodo, Mandwe's granm'ma, anderen), had hij de dader aangewezen. Wat een dommiteit! Hij, al was hij zenuwachtig, hij was toch geen speler? En ook al liet tradisie alle ruimte om zo een mee-akterend iemand in te lassen, je kon geen eregast als Janki gaan laten meespelen. Althans niet in die rol van zwangermaker die het geluk van Afraw aantast! Vooral hoe nu z'n Floor.....
‘Kom dan, Masra Janki! Zit nie zo met zielsverdriet!’ Janki, hij zag, langs dat gezicht van Nette voorbij, hoe, heel in verte... Zus Leida hem aankeek. O.....! Nú begreep ze! Ija! Nú nu pas wist ze alles zeker! Hij! Hij die moordenaar! Hij had zijn vrouw, die Ifrow Floor, zeker vermoord! Dáárom was hij na' binnenland gegaan no? Waar niemand was no? Die slang! Die slang was een gewerkte slang! Een medicijnman had een geest gezet om 't te laten bijten! Dan hadden ze die gifslang, nee geen worgslang, bij wijze van hún verraad gezet in 't bed, waar díe vrouw naakt zo, van de broeinacht, lag te slapen op d'r rug! Slang lag zó echt daar no, dat niemand kon vermoeden hebben, no? Een meesterstreek! Jeses! Ergere moordenaar dan Nette's vrijer!! Aaj, vandaar die schrik van 'em, Janki, toen en toen...! Dan had meneertje Evi honderd procent zeker gezwangerd no? | |
[pagina 526]
| |
Wel, 't ging voor 'em komen...Ga naar voetnoot14 Ze twijfelde... ja... nee... ja.. Evi, onschuldig kind, zó vlakbij wonend, achter bij Masra Janki, nee, geen jongens op 't erf.... Masra Janki, zo vlakbij, dat hij Evi elke dag kon aanraken! Dan was hij zelf een paar keer thuis bij d'r gekomen..... laaste keer, heel lang terug! Hij had nadien alle soort van smoes gezocht: ‘Eh... Vrouw Leida?’ ‘Ija, Masra Janki. Hebt u een vraag fo me meegebracht in uw broekzak?’ Broekzak hardhard, met iets d'rin, z'n ‘manschap’ daar in 't kruis zo stijf no? Omdat hij tijdens 't praten met Leida, oogje had op Evi no?..... ‘Ja, ik wil u vragen: k'heb een ketting gevonden op me stoep! Met anker! Kán 't wisi zijn? Wisi, kwade geestesinvloed ja. Beheksing. Toverij. Anderen zeggen.....’ Wisi! Ja, 't was DE GROTE wisi! Ma' dan geen heksernij, met zwarte magie: 't was weggehaalde sieraad des lichaams van een negermens! Net zoals alle gestolen eer van Evi..... Wat kon ze tegen 'em doen, Zus Leida? Bakra die weer zou gaan na' Holland? Dat komende kind, een mulat, gaan aksepteren no? Net zoals altijd weer, 't hele verkrachte negerdom! Altijd weer, alles aksepteren! En 't was nie dát alleen: machthebbende vernedert machteloze, zoveel zat ook in die situasie. Kijk na' dat werk van Brummal, openbaar verkracht! Dat werk van Ronalds, ook in publieke opspraak gebracht dezer dagen. Alles leek tegen de gekolonialiseerde mens te werken. Een soort van universele vernietigingskracht op alles wat bij 'em leefde, z'n bestaanskracht, z'n zuiver materiële bestaan....! Enigste wapen was dat éne krachtmoment van Jeje, Jeje disi..... Geestdom...... Ach, als ze werkelijk aan álle dinges denken moest, Zus Leida! Als ze moest prakkezeren hóe nie hoe oplossing te maken fo deze gelegenheid! Nú iets proberen, nú, daarzo, met alle publiek d'rbij, als d'r getuige! Nú de smaad uitwissen, desnoods dat spel daarzo met tiendubbele bodem laten basteren! Basteren in een mensengemoed! Basteren in een mensenhoofd! Brrááááááámmm!!! Hoor hoe daar geroepen, tijdens spanning van dat spel: ‘Wel! Plezier van neger is toch lichaamspijn? Meisje! Néém pijn hoor! Slik 't leven!’ Met lach d'rop: haha.... hohoi! Heerlijke spel fo publiek daar, no? Met alle plezier van schone leven! Met koek eten en drinken van bieren, sopi van rum, janever! 't Leek gewoon een huwelijksdag! Of huwelijksnacht, | |
[pagina 527]
| |
symbolischer, van zwarte mens en witte mens, die ene vróuw, die andere met power, mán; dan na verkrachting huwelijksaanzoek no? Liefde achteraf no? In konkreto: Janki, die man, en wit, met jonge meisje, zwarte Evi no? Allebei zó perfekt van rol, dat ze met hun twee het spel van 't dagelijkse globe-leven konden máken...... ‘Nono! Nee!’ Janki eerst heftig ontkennend, zoals 't spel vereiste ook. Dan daarna, met steeds minder weerstand...‘Jawel! IK heb 't gedaan! Wat nu?’ Applaus! Dít was de man! Hij kon 't zo goed spelen, dacht publiek, net bijna echt! Ze hadden nog nooit zo'n schitterende voorstelling gezien! Meestal was blanke man, geziene gast toch, met een troonzitbil op verre afstand. Hij deed nie mee. 't Was negerspel. Ma' nu speelde deze geëerd-geachte Janki zelfs mee als sleutelfiguur... Toedoedoemmm.... toetoem.... toedoem..... drum ratelend, dat hele speciale ritme van de lakoe drum! Van verre afstand schreeuwend na' de werelden! Hierzo, op dit moment had wit zich wezenlijk verenigd met zwart....! Als kind in buik, buikkind in worteling van groei fo wereld. Een mulatkindje no? Janki wenste nie zo. En Evi ook niet, zeker niet d'r moeder. Wie? Nee, nie in deze tijd meer. Nie dat ze waren ongewenst, ze waren mooi een soort fijne roestbruin huid hebbende mensen, mooi gladde haar op hoofd, en negertrekken soms bijna. Malata geworden no, zo heette dat: malata, met blanke trek en tevens dat geheimzinnige van neger-inboorling... Net zo geheimenisvol, als een mulatinne... Met dat aantrekkelijke, tegelijk afstotend. Een vrouw als een heilslot, tegelijk.....verdoemenis en val brengend. Een soort van mensheidslot verkondigend..... Ach man! Dat ding was spel! Pré! Spel en geen diepbuikige gefilosofidéér dinges! ‘Janki, soekoe wan fa! Probeer oplossing....!’ werd uit publiek geroepen. Dan nu, ineens, Zus Leida opspringend en gaand na' die Pranasi oema, vrouwen van 't spel, die daar ook stonden, als soort van koor van meedoeners: Taki,
dondowa! dondowe!
Seneki njan pikin!
A swari!
Dondowa!
Dondowe! (uitroep)
Er zijn slangen
die hun broedsel opeten!
| |
[pagina 528]
| |
Wat wou dat zeggen dan, zulk een singi? Of was 't odo? (‘A e koti odo: hij of zij snijdt odo!’ zeiden mensen. En mensen meenden: hij of zij gebruikt een spreekwoord. Ma' dan om heel duidelijk iets te bedoelen. En in geval van zingen, was de odo tekst een singi: zang! Dus nu:)... een gezongen odo! een toespeling in vorm van een lied. Ma' wát was die beduidenis d'rvan? En? Ze zouden zien! Iets, wat fo Janki misschien nie direkt hèm treffen ging, z'n lichaam niet, misschien, ma' jeje... Méér dan wanneer ze werkelijk die ware zaak daar openbaar ging maken. Trons; 't wás openbaar! Alleen: publiek wist niet dat echte van die ene ware werkelijkheid, perfekt in toedekking door ándere... spel! Spel met zoveeldubbele bodem! ‘Wwwaaaiii..! 't Zevende wachtuur met praten is doorgebracht nu! Achtste uur hier, wil slaan! Dan achtste uur is nacht! Laat ons zo, gaan beraadslaag voeren! Afraw! Kongowe!’ Kongowe: kom mee! In alle feestgedruis, opnieuw bekentenis van Evi (zó was spel,) over die nacht, waarop Janki haar had gebroken... een maannacht, voller als 't achtste uur van nu. Acht? Fo wáárom acht? Ach! Een soort magie in volksgeloof gaf zeven: oneven getal en... ja, misschien ook oud, wie wist... de zeven hemelen... zeven geesten (de essences: geuren die je kon krijgen bij de apotheek, vanille..., rozengeur...), dan zeven echte geesten winti, kon iemand hebben, niet méér. Dus iemand kon hoogstens bestaan uit zeven persoonlijkheden: zeven jeje had je volgens dát natuurgeloof van winti. (‘Sébi joeroe mamanten, masra p'pa foefoer’ a kaw... Zeven, nogeens zeven, al ging 't lied over gestolen koe.) Je wachtte op de liefde en 't duurde zeven uren. Achtste uur, was je een onliefhebbare mens geworden, indien je nog geen liefde vond. Net zoals doden nog zeven dagen hadden geleefd, nadat ze acht dagen ervoor in 't dodenrijk al waren bijgezet. Dan achtste dag, ook ná de dood, herdenking. Achtste dag, met zeven dagen eerste, om uit te rouwen. Acht... acht... acht... Sébi wortoe mi mofo tjari!
Nanga sébi ai mi loekoe!
Ma' mi lobi, wán ati nomo:
san m' kan tjari? Boit' joe?
Joe! Joe!
Ait' dé mena!
Zeven woorden heb ik in de mond!
Met zeven ogen staar ik jou ook aan!
Maar lief, dit enkele hart:
wat kan 't dragen? Behalve jóu dan?
Jou, ja, jóu...!
Acht dagen minnerij per week!
| |
[pagina 529]
| |
Zus Leida! Ze trok met één ruk Evi na' achter. Met tekengeving aan de drumman: nee, geen pauze! Ma' doorgaan! Doorgaan met de zangen! ‘Nette,’ fluisterde ze, ‘zing fo me no? Zing fo me, tot je doodvalt desnoods, hóu ze bezig! Lakoe moe djompo! Baka foetoe! A moe banja sote...! Dáns, dans!: dansss!!’ Ma' Weeser, ze liet Evi ook nie los. Ik kóm met je! Twee vrouwen mèt Afraw, verdwijnend na' die badkamer! Achterop! ‘Wachte! Deze bruid moet prepareren! Ik heb een water fo d'r klaar staan!’ (De bruid moest dus worden klaar gemaakt.) Publiek lachte, kwekwekwe! Ze dachten: echt! Daarzo gebeurt iets. Iets respektabels! Ze nemen Afraw mee. Een negerbad, met toespreken van een persoon. Dat gaan ze haar geven. Door oudere mensen, bigisma, twee. Die doen 't. Dit, was iets zeer speciaals, nie gewoon fo Lakoe. Ma' ze begrepen: Evi is nu jonge vróuw! Vandaar die wassing: vrij van menstruasie, reiniging. Een feest dus! Fesa! Tanta Beki, zingend met Zus Nette! En heel dat feestgedruis gericht op hen! (Ma' ondertussen...) Zus Leida, met d'r dochter Evi slepend na' die badkamer, met aan één kant meelopend, Vrouw Weeser. Abeni Tanta, taki dan! Zeg op! Afraw! Afraw! Joe jere no? Hoor je me? Zeg op Afraw! ‘Wat is aan 't gebeuren hier?’ ‘Mama wat is dit?’ ‘Hou je smoel! Loop met me!’ Voor je dacht, helemaal achterop, in badkamer, met brandende kokoslampje wachtend! En? Je meent dat...! Dáárzo! (‘Hou Evi vast, Vrouw Weeser! Jij bent negermoeder ook! En jij, Evi, als je durft je mond te laten schreeuwen! Je ziet dit herdersmes in me hand hier? Ik steek je dood! Chm!!’) Ze grepen Evi! Grote en forse vrouw, Vrouw Weeser, drukten Evi d'r handen op d'r rug! Nú gaat ze echt de rol van Flauwvalster goed spelen! Want met lange naald in kokend water, d'r uit gehaald, met alle soorten ruikkruid d'rbij... steekt Zus Leida die naald in buik van Evi. Even, heel even, die naald, die eigenlijk een fietsspaak was... Bloed! Dit zo, wás bloed! Ma' nie van menstruasie! Owaar? Dit was klinkklaar een abortus! Met Evi in gillende stilte aan mond, één kramp op d'r gezicht, één schok! Mi Gado!!! Bloed! Die hele grond daarzo, met bloed! Bloedproppen! Evi, met wankeling op benen. Nee! Ze had 't nie gedacht en nie gewild. Ze had liever dat ‘poppetje’ gebaard, al ging die Janki weggaan, goed, fo eeuwig... Dan nu Zus Leida! Denkend aan het feit dat ze allang vermoeden | |
[pagina 530]
| |
had! Over Evi met buik van Janki! Met aangrijpen van dít feest, een perfekte gebeurtenis, om mogelijk abortusdaad te plegen: poer'bere! Als 't kind van iemand anders was geweest, misschien, iemand die zelfs echtecht belangstelling fo d'r had, al was 't nu geen grondigheid van liefde die z'n borst daar vulde voor 'em. Ma' iemand, negerhuisjongen. Ma' geen eeuwig aanrandende bakra die ging weggaan! Leida ze was bigi sma, mens met lééftijd, jaren genoeg, die haar gerijpt hadden in maatschappij die zo verpest was... aangerande negerbediendes die met alle laagheid van hun wezen de vruchten konden dragen van hun heren, meesters... de eeuwige herhaling, zo leek 't! Maannacht no? Dan dat krasse witte beest achter z'n jaloezieën no? ‘Floor! Ik ben er niet!’ ‘Waar ga je heen?’ ‘Och, ik weet het niet! Het is zo benauwd hier! Ik denk dat ik op 't Oranje Plein eens ga kijken. Er is een nieuw schip aangekomen, vol van matrozen. Ik denk dat ik daar eens een kijkje ga nemen. Dat geeft een prachtig gezicht tenslotte! En 't ontspant!’ Een vreemde soort van glans op z'n gezicht, vooral in ogen. Janki! Janki had z'n plan! Al hoorde ze als vrouw, iets in z'n stem, ze liet 'em gaan: wat ver weg was, was ver. Ma' geen vermoeden had ze, dat hij dat huis uit ging en even later... via die negerdeur, 't huisnaast langs sloop. Geen hond die 'em blaft (hij's bekend toch) en dan... ‘Evi! Evi! Ik ben 't Evi, doe open!’ ‘Ik mag nie openmaken meneer! Is al bijna acht uur safens! Me moeder is nie thuis! Me vader Joesoe is gaan dinges doen bij...’ ‘Gauw doe open! Ik heb je wat te schenken! Hier! Ik heb een gouden ketting voor je gebracht! Mooi kado! Met een prachtig anker! Echt iets fo een mens z'n jeje...’ ‘En me broertje...!’ ‘Je broertje slaapt niet, ma' hij ziet nèks van de wereld, toch...’ Gans vóór je dacht: Evi bij achtervenster, opende 't 'n tet, kijk hoe olielamplicht opflikflakkert... ‘Wat zegt Masra Janki?’ Ze beeft met grootmensen ontzag fo blauwe oog en witte lichaam. Wapps! Daar dompelde hij zich midden in 't negerhuis met één sprong. ‘Kijk, meisje, kijk...!’ Ondertussen zo, één zwelling, daar, onder z'n buik, van het begerig loeren na' d'r: dat jonge kind, mooie glanshuid, verse geur van helder lichaam! Prachtige haarmoten en warme tint, heerlijke onderneus net | |
[pagina 531]
| |
zwak gespannen lippen. O godganse naak-naakt naaibare hemeldom! ‘Masra... ga weg! Ik ben bang! Bang!’ ‘Eh! Eeehhh...! Oh, Evi! Je bent zo verraderlijk mooi! Je lijkt, net op een zwarte parel. Kom laat ik met je spelen! Kom, kom m'n duifje, m'n zoetlekkere djamoevrucht, m'n geurappel, m'n liefdesbloem, m'n...’ Hij naaide d'r, zo hartverscheurend, dat ze nie wist in welke hoek van haar lichaam 't gebeurde! 't Was net zoals in het kinderliedje: kom halen! kom halen! kom halen! 't is hier! 't is hier en daar en overal...! ‘Hier,’ zei hij hijgend, weggaand achteraf, ‘bewaar die ketting! Niemand mag 't ooit te zien krijgen! Je moeder niet, je vader niet! Nóóit iemand...! Misschien dat je 't zelf later kan dragen, of...’ Hij kon z'n woorden niet afmaken! Geluid als stepstap! Weggaan! Weer door achterraam? ‘Evi? Evi? Meisje! Zó vroeg op avond! Dan slaapje al op je mars! Meisje kom openmaken fo mensen!’ Al was 't nie geroepen, 't klonk. Evi zo, had die ketting begraven, vlak daarna. Met mondgezwijg. Met gruwelijke overeenkomst van de lotbestemmingen! Want, terwijl ze daarzo, op die planken vloer van badkamer (gewoon paar losse planken op die grond met alle modder) haar bloed uit dat zwangerbuik weghalen, die abortus, lieten druppelen, viel 't, op juist die plek, waar d'r geschonken ketting lag begraven. Alsof 't werd gewassen, schoon, met bloed... Liefde, haat, leven, dood, bloed, alles leek daar aanwezig, in een korte tijd, zó kort dat... ‘Hmmm? Wáár is die Afraw nou?’ Janki, zittend no? Suffend no? Met zoveel vrouwen voor z'n ogen, dat hij kon nie begrijpen wat ze waren aan het doen. Eén grote dansscène fo afleiding. Rokken wapperend voor z'n aangelaat, dames na dames. Daarzo, eentje, z'n aandacht met woordpraat komen afleidend, Zus Nette: ‘Aaj, Masra Janki! Dan gaat u weggaan! U bent een goed mens fo ons, negers! U hebt een goeie nieuwe werkkring fo me geregeld! Ik moet nie jokken. Ik had me twijfel, als kleren aan me lichaam zo, een hele tijd. Vooral doordien 't met Masra Gerber nie was goed gegaan. U weet toch. Ma' nu heb ik gezegd, fo definitief definitief: ik kan nie meegaan met u, als bediende, na' Holland. Kijk rondom, dan gaat u begrijpen wáárom! Al deze mensen, míjn mensen! Zonder kou van sneeuw-karakter...!’ Dan opeens! Eén flits maar! En hij wist! Dat soort van gedachte laten | |
[pagina 532]
| |
openbreken in je hersenpan: Evi! Evi was weg! Waar? Meegenomen! Misschien na' in huis! Misschien na' achterop! Fo behandeling! Misschien wassing? Poepoe! Evi was zwanger! Eén mogelijkheid maar bleef... ‘Laat haar! Mijn god! Laat haar asjeblieft los! Nee, geen moord van ongeboren kind! Kind dat ik heb verwekt! Evi..! Evi...!!’ Hij stond te trillen. Te beven, te krampeneren in zijn ziel. Dit... dit... dit... was... ‘Tan?! Kijk hoe Masra Janki beeft! Mensen! Gaan jullie op een kant! Hij wil ook Lakoe dansen! Agen, Masra Janki e kiri soema pikin! Agen masra Janki e kiri soema pikin! Ah! Tanta Beki, de lekkere! Zo'n vrouw op leeftijd al, met alle medewerking van gevoel van d'r, verleidingsscène makend, met dans fo Janki! Dan hoor 't deelrefrein dat ze aan 't zingen was! Uit het fajasitonlied!: O... brand me niet!, O, hete gloeisteen, brand me niet! Alweer wordt een mensenkind vermoord door toedoen van Masra Janki! O prachtig! Gefáárlijk mooi man! San?! Dit was zo wreeddadig mooi, dat publiek nie kon laten om herhaling te vragen! ‘Doblit! Doblit!’ Herhaling no? Agen, Masra Janki...! Agen Masra Janki...! Fajasiton no bron mi so...! Op dát wèry wèry moment, raakte de hete priem, de spaak, diep, dieper dan buikmoer diepte, doorgedrongen tot de heilige kontreien van Vrouw Evi! En Evi, barstend, stil uit, in d'r huilen fo d'r! 't Leek ofdat alles kwam spatten uit haar met een geluid zo: platttsss!!! Janki, hij kon nie schreeuwen! Hij kon nie huilen! Hij wíst niet eerder, dat ze zwanger was! Fo één keertje maar gesnoept. En dan... ach, Floor was gaan razen voor 'em, die dag, vanaf toen. Voelde iets aan, ma' wist niet. Kontroleerde 'em. En hij met groot vermoeden dat 't had geen gevolg gehad fo dat jonge meisje. Eén keertje maar. Behalve dat ze was gebroken, nèks meer bovendien! Zijn basislust bevredigd. ‘Evi! Evi!’ kreunde hij, met mondkromte. ‘Eèèèvvvi-i-i!’ ‘Aaj! Aaj! Hij krijgt een lakoe-winti!!’ schreeuwden ze, die mensen, allemaal, om hem verenigd. Want naar hun zeggen raakte hij bevlogen. Kon hij schreeuwen wat hij gedaan had? Kon hij zeggen dat wat nu gebeurde? Nu? Ze zouden 'em allemaal wurgen, stuk fo stuk, als negermens hem afmaken, vooral die mannen, met felogen hem aanstarend, bakra man die daar fo hun aan 't zitten was. Als ze 't te weten kwamen! O, als deze zwarte mannen met hun spel wisten! (Die vrouwspersonen wisten 't allang!) ‘Mensen! Hier op 't erf gebeurt een moord! Moord! Moordenaar! | |
[pagina 533]
| |
Afraw is Evi! Evi is echt zwanger! Ik zweer het! Jullie geloven het niet? Ik heb het gedaan! Zoals een slavenmeester een Sisi pakt! Ik! Ik als blanke man heb haar verkracht! Maar voorkom in godsnaam dat het nieuwe leventje wordt uitgepulkt...!!’ Hij zei 't niet, vanzelf toch! Hij zweeg! Met woedetaal aan lippen! Kijk, dundunne bakralip dat trilde! Dit was zijn straf! Dit was zijn ware grote straf! Jezus! Dat hij verdwijning hebben zou, van deze bodem! Met ervaringen als deze! Hij was gekomen, vol van de ontgoocheling! De oorlog, strijd, immense strijd daar in Europa! Een krisis als een krisis in zijn blanke jeje. Dan nu, met alle woede van onderzoeksvermogen en alle onderwerping, had hij zich gegeven, aan zwartemans kultuur. (‘Hij heeft gevóel fo ons hòr! Ik zeg je, nee, ik swéér fo je!: als hij nie was van witte lichaam, witte jeje, dan was hij een grote Gran Basja geworden bij ons! Hij zou zelfs een neger met negerziekte aan z'n jeje, (ke!, kijk die kleine broer van Evi,) gemakkelijk alle genezing geven! Hij met een Grote Meestersgeest! Hij zou de Grote Medicijnman kunnen zijn!’) Toegeving, aan alle kant d'rvoor! Want hij was Janki, met doorgronding van de negerman, en met een zicht op negerdom, die geen persoon bereikt had, in geen duizend jaren. Dan nu dit! Dit enkele ding: door eigen eigen, diepgewortelde mensedrift, nie alleen Afraw, de hoogstaande en zuivere verbeelding van de mens, ma' ook Evi, Evi d'r Zelf, al d'r Jeje, hij had 't aangetast! Hij verwachtte enkel dat nog iemand op 'em afkwam met een grote houwer. En z'n nek afkapte met één slag! Ook zo, baja!, met één schreeuw van z'n mond: ‘Sterf jo! Ellendige broedslang die verderf uitbroedt over mensen! Dede...!!!’ Dan z'n hoofd, vallend, met alle mogelijke vreselijkheid, grond kauwend als die vroegernegers die hun slavernij trachtten te ontvluchten. Míjn god! Grond etend, bodemgrond, die grond waarop hun bloed geronnen had... ‘E? Wat? Is Masra Janki bang?: I frede? U bent bang fo geest no? Dat u een koenoe op u gaat krijgen no? Een koenoe met verderfenis! Een verdoemenis brenger! Kijk hoe hij rood is, mensen, net awaratros...!’ Dan lachen, lach- uitbasterende vulkaan. Ze lachten zo, publiek, vermaak om Janki. ‘Mars! Snel! We moeten weer teruggaan, vóór ze zien! Stop dit in je broek!’ Eén grote prop kleren in Evi's ondergoed. Dalek zouden ze d'r verschonen, nu geen tijd of tempo meer fo iets! Badkamerdeur vloog open... krrrèk! Dan werd ze weer teruggebracht. | |
[pagina 534]
| |
Opo na doro, mi goedoe, jolijt!
A misi de kon nanga bréti!
Loek' fa' a switi! Loek'fa a blijt!
Open de deuren, met blijheid en vreugd!
De Grote Dame komt eraan!
Kijk, kijk! Een en al heerlijkheid...!
‘Mi jeses! San m'e si? Mi bri: den poer' a bere kaba! K'kado pres' mi!’ (O jezus! Wat zie ik nou? Ik denk dat ze haar de baarmoeder reeds hebben geplukt! God bless me!!) Mondradio, met sisstem, net soort slang ook, tegen Bochtesnijer. Ma' dan nu hóór fo je Bochtesnijer, in z'n grootste geesteskronkeling hem toefluistering laten toeschietend: ‘Hou je smoel! Brada! Jij bent neger hoor! Wéét je om wát fo reden? Je wil zeker fiskariGa naar voetnoot15 hebben hier om ons allemaal op te pakken no? Gaddemi!!Ga naar voetnoot16 Als je nog één woord zegt d'rvan, vecht ik hier met je, tot ik doodga!’ In alle lof fo die terugkeer van Afraw, met alle handgeklap van juichmensen, Evi, zijzelf nauwlijks tot stand op staan in staat, aan komend waaiend. Met Abeni Tanta aan d'r zij, Vrouw Weeser: ‘Hiepiepiepiepiepiep...!! Jongmeisjestijd van d'r voorbij...!!’ En ze bedoelden: Ja hoor! Ze is nu rijp voor menstruasie. We hebben 't gekrontroleerd. Ze menstruéért! Baja! Eén grote spelerij! Zus Leida: ‘Hiepiepiepiepiep...!’ Mondradio: ‘Laat ze die komedie ophouwen! Mis' Evi is al meer dan rijp!’ En Bochtesnijer: ‘Tapoe! Dit is een spel, mi boi! Wat buitendien al rijp was, ma' bedorven is, moet weer gegroend worden, om wéér te rijpen! Haha... fo óns!’ Evi, van binnen, woeling van een traanvallei. Aaj mi boi! Levens lijdenstijd!
‘Meisje! Jij en ik kunnen 't nie vinden! Loop je weg fo je hòr! En moeilijk mensen niet! So! Want eenmaal ben je met me zoon geweest, één van | |
[pagina 535]
| |
die drie! Dan heb je kind gemaakt met 'em! Ma' kom me geen frottigheid zeggen, deze wèry zaterdagavond...!’ ‘Nee me schat! Maak geen mekoenoeGa naar voetnoot17 hierzo! Jij bent al grootmens! Láát dinges! Vergeet!’ Dodo, die weg ging halen, dus arbitreren, uit twist, tussen die twee. Twee daarzo met hun ruzie aan mond, waren Mandwe z'n granm'ma en Zus Nette. Geen vijand ma' geen vriendmens ook. Een mens moest vijand hebben in 't leven, no? al was 't eentje, toch, om goed te kunnen voelen! Baja! ‘Niko! Tan??? Wát ben je komen maken op mensen?’ Zus Nette met froewondroe, één verwondering van d'r. Ze had 'em nie verwacht meer, na hun ruzie over 't misbruiken! Dat hij verklaring had verklaard dat ze pertinent had willen getuige zijn, in de Gerberkwestie. Zij zelf had verklaring geven in 't midden gelaten. Hoor hoe ze scheldpartij had dan: ‘Ija! Is zo zijn mannen als jullie! Jullie vinden vrouw. Vrouw geeft alles. En dan... Kon mars! Weg! Moef out! Je hoeft geen póót te trappen meer hier! Eerst kom je zeggen: je wil gaan met me! Dan dit, dan dat, alle soortes beloftes! Je maakt jezelf zó gedienstig dat je lijkt op satan z'n dansende adamsappel! Dan misbruik je me! 't Was nie genoeg dat ik fo jóu allenig in me diensttrouw een spion fo je gespeeld had! Om dinges te zien, bij die bakra z'n huis! Hoe hij aanranding maakte. Dan nóg wi'je me dwingen om te komen staan getuigen! Nono! Wie denkt aan míjn bestaan! Wanneer ik werk verlies en nèks kan krijgen meer, bij geen enkele bakrahuis, want ze weten: ik ga hun privédinges openbaar konkelen! Dan láát je me no? Dan kan ik me kinderen hier in huis slootwater geven wanneer dag open gaat no? Wel man, kom loop hoor!’ Brammm! Met deur dichtgooien! Je denkt is spot no? Dan hijzelf Niko! Kijk 'em, hij kwam terug, hij kwám, gedreven toch! Saaan??? Hiephiephiephiephiep...!! ‘A k'ka-olo oema disi!: Dit rotwijf ook hòr! Is nie genoeg dat ik je heb gezegd dat ik je wil, no? Hoe je staat zo, met je twee borsten, hoog als hemelheuvel, z'n toptoppetjes! Ik sla je één vuistslag hoor, laat je flauwen! Misschien zo, dat je daarvan jezelf krijgt! Want kijk hoe ik doe! Kijk hoe ik werk! Netnet begin ik weer bij te komen van me leven! Dan kom je me zulke m'mapima dinges zeggen no? Je gaat nie willen begrijpen, dat ik me wil wraken! Op dinges zoals dinges zijn gebeurd! Ik | |
[pagina 536]
| |
heb je maar één deel gezegd, jo! Eén part d'r van maar! Want die moordpartij... afèn! Ze veroordelen me! Iedereen veroordeelt me, nog voordat ze willen horen doe die dinges zijn! Ik neem die schuld? Ze roepen: moordenaar! Ik neem die schuld niet op me schouders met z'n draagstuk achter me kraag? Toch blijven ze roepen: “Jo beest jo! I kiri sma no?: j'hebt gedood!” Nergens één rust op me! Is net of ik uit zwerfte van mensdom ben geboren! Nette! Nette, jep' mi no? Kom, help, mèt me! Kom laat ons verledendinges overwinnen!’ Brammm! Deur met dichtgegooi! Dan was die zaak gesloten tussen twee, een opening die ver leek, meer op scheur, met afstand. Baja? Chchmmm!! Ke! Libisoema!: o mensen! Wat hebben jullie zo, gemaakt, dat lichaam moet verscheurd zijn van lichaam, en ziel van ziel, een mens, gescheiden door de mensheid zelve?! Tan??? Wachte hòr! Andere zaak daar op dat feest. Tanta Beki met ‘gebroken oog’, brok'ai,Ga naar voetnoot18 fo die Vrouw Weeser! Wachte! Ze gingen 't uitvechten later! Met renning van bloed, ik swéér fo je! Want ze draaide zeer verwijtvol d'r ogen, toen Vrouw Weeser was aan 't terugkomen. Je kan verstaan toch: ze had gedachte, dat die Vrouw Weeser hand gezet had, op dat mooie lijf van Evi... met alle liefdesvoordelen vandien... ‘Chechééé...!! Wwwoiii!! Hiephiephiep!’ Vrouw Weeser lachend, met mooimalendheid! 't Kon d'r geen niets (om zo te zeggen) geen Abrabroki schelen! Wat d'r vriendin dacht van haarzelf. Als die maar geen direkt werkelijke gedachte had, met prakkezeren, van wát daarzo was gaand geweest. Want als haar vriendin nie jaloers zou zijn, ma' zou weten wat met Evi was gedaan... Hoewel, als soort natuurlijke verbintenis, hadden die vrouwen daarzo, allemaal, iets van geheimigheid geroken. Ze wísten, diep in hun vrouweziel! Al was 't geen tien keer uitgesproken: er was een nood van neger daar geweest. Dan wie kon helpen, híelp, onvoorwaardelijk... Ah! Sins ik je sweer jonge! Lakoe ging verder spelen! Fesa! Feest! Met opkomen van Bakaman, de Medestaanders. Zij pleitten in het spel voor rechtdoening aan Afraw. En aanbieding van rekening door Dokter en door Apotheker. De rekening moest betaald worden. Ma' Evi, als Afraw, mocht nooit dat kind van de rekening worden. Pleit! Pleit! Zang, zang, zang, daar leefde 't! 't Bedierf fo je, zeg ik je! Die grond daar schudde van de pleitgezangen. Apteker no? Met rekening no? Ja, Afraw was vooraf veroordeeld het | |
[pagina 537]
| |
gelag te betalen! Betalen fo wát precies zo dan? Hoor publiek, 't spel spelend, met rustig verder gaan: ‘Pai dan! Betaal!’ Ze kon 't zelf niet! Al leek ze, in een andere werkelijkheid de rekening volledig te hebben betaald! Niemand kon duidelijk zuiver weten van publiek. Ah! Ze kon nie betalen? Dan: konflikt. Met mensen tegen d'r. En mensen aan d'r kant, Afraw! Dat spel van pro en kontra. Touwtrekken om Afraw: Afraw? Ija! Afraw? Nono, nono baja! ‘Wat heeft ze gedaan dan?, dat ze moet betalen?’ werd geschreeuwd. 't Was publieke ‘pré’ toch, met een echtecht spel!: ‘Ze heeft nog geen enkele verzorging gehad! Kijk, dat bloed van d'r verwonding druipt zo uit d'r hart...!’ Ke, als ze zagen, zoals Mondradio daar, loeroog kwekend fo aanschouwing van het spel! Hij zag een weinig bloed daar blinken. Vanaf achterdij langs achterknie over d'r kuit. Bij achterhiel van Afraw! Met glinstering! 't Liep! 't Bloedde! Evi bloedde echt! San?! Hij wou... hij wou aan Bochtesnijer iets gaan zeggen. Ma' Bochtesnijer hield z'n mond op, sneed z'n mond met: ‘Tantiri! Blijf stil! Hóór na' die mensen, wat ze zeggen!’ ‘Ma' luister! Ma' luister!...’ (Dat algemene twistgesprek om schuld of onschuld duurde voort.) ‘Ik zeg: hóu je kapa,Ga naar voetnoot19 of we gaan uitvechten! Je weet wat ik je heb gezegd: dit wordt geheim fo heel je leven! Want anders word ik moordenaar!’ Hij was kwaad, Bochtesnijer! Hij pret makend, uit zelfbescherming! Jeje van 'em had weg gevonden. Om te leven. Om nie te worden afgerammeld op straat. ‘Bochtesnijer...!’ Die lastige koebeestjonges! Wachte! Hij ging ze snelsnel iets pleziergrappigs vertellen! Dan lachten ze, met al hun zeven magen in hun buik! Dan... had hij weer ongeluk van ze, zo, afgewend... ‘Ma' luister...!’ (Mondradio wou vertellen over Evi, hij zag bloed.) ‘Ik zeg: hóu je mond man! Beter kijk je na' dáárzo!’ Dan toen die Bochtesnijer nie op algemeen spel wou opletten of luisteren, stond Mondradio op.
‘Waar ga je? Hier! Je blijft hier! Ik pin je vast! Met al me jeje van me!’ riep Bochtesnijer. ‘Nono, nono! Ik verraad niets! Ik wil juist dat 't goed | |
[pagina 538]
| |
moet gaan! Kijk zelf daarzo...! Zie je niet? Bloed langs d'r achterhiel! Míjn god! Als 't fo eenmaal druppelt op die dansgrond hier krijgen we grootste schande: want dan krijgen we die straf van Aisa zelf! Aisa, Godin, Grondmoeder, Aardmoeder, Avanaisa... wajjaaa...! Wowoooiii!’ Paniek! ‘Sjjuuu! Blijf stil, blijf koudkoud zitten! Ik kom!’ Ah! Voor je had gedacht, duwde die Bochtesnijer met z'n loopstok mensen op een kant. Krom als hij was, sneed hij de bochten moeiteloos om, van die hoeken van die tent. Rende na' Zus Leida, gooide dat bericht fo d'r in d'r oormoederGa naar voetnoot20 met snelle fluistering van keelse stem. ‘Zo-zo-zo-zo-zo is geval!’ Aaj, dinges van de wereld! Soms, is leven zelf eigen drama! Want alsof 't geschenk was van een Jeje, zoals mensen zeggen met al hun gezegdes: 't spel, was in een fase nu, van overleg. Zich terugtrekken, gaan praten, en raadplegen. Na eerst dat dreigen: ‘Wachte! Je gaat dalek zien...! Chchmmm! 't Gaat fo je komen!’ Ma' d'r kwam niets, geen ongeluk van openbare zien van 't bloed, of zelfs, erger, 't geheim van Aisa's straf op ze! Want... Aisa was zelf Moeder no? (‘Aisa goron... mi mando ja... na wan dagwe e lolo...!’): het was geen slange-zinnebeeld die daar rolde fo Godin Aisa! Moeder Aisa, altijd gesmeekt door de mens als een rechtvaardige moeder die de fouten van haar kinderen niet afstraft. Aisa die vergeeft. Snel werd een andere scène ingezet. Die strompeldansende Afraw (Evi met bloed) werd weggeleid. Publiek afgeleid. Kaalkale grond, gevuld door Snési, met z'n draaibuik. En Koeli, met z'n slangendans, geheel anders bedoeld. Nunu, geen spel van dinges in de geestesdiepte. Nu gewoon plezierspel op ze. Ze dansten, hielden 't volk bezig. Met alle dinges zo, uit mond geroepen. ‘Snési! Tjak-tjaw! Ping-jong-jen-hok-law-fjek-wánnng... hahaha...!’ ‘Koeli? Kakere... kakere... kakere... tu pagla he nah? Hahaha...!’ Lachen, om alle gekke aanpassingskunstjes in ‘chinees’ en ‘hindoestaans’. Met echt geleende woorden uit die taal (‘Harami!’ of ‘Eet me ping-a-tjaw!’). Ma' dan, geen belachelijkmaking van die mensen zelf! Lakoe? 't Was geschiedenis: belachelijkmaking van de moeite die men zich getroosten moest om aan te passen. Dát was dat ding! Dan hoe die negerkwestie in z'n krisis op te lossen no? Daarover | |
[pagina 539]
| |
viel geen enkele lach, of 't moest komen van de Sostri. Sostri, die Zuster daar, rondhuppelend met een indjeksienaald... om te prikken in bille van Snési of Koeli, wie ze kon gaan pakken! Kamoeflaasje! Terwijl, ándere naald, ook om genezing... Afraw, snelsnel gereinigd, kwam d'r komst terug. Nee! Evi was vervangen! Iemand anders speelde nu. Met glans en al: ‘Hiepiepiepiep...’ Mama, mi bere de hat' mi!
Kari wan datra kon gi mi!
Datra e go gi m' wan indjèksi!
Indjèksi e go poer' mi a infèksi!
Moeder, m'n buik doet me pijn!
Ga, en haal gauw een dokter voor mij!
De dokter zal mij een indjektie geven!
En dan zal ik van mijn infektie af zijn!
Aaj! Hoor daarzo, lied van Afraw! Afraw no? Ija, Afraw! In lied, hopend op een genezing van haar infeksie. Infeksie no? Regelrechte negerdinges, negertrauma, negerziekte! Dát scheelde haar! Geen wonder dat dit hele spel was parodie: op alle kwaaltjes, zoekend na' oplossing die werd aangegeven door de blanke! Hij met z'n kennis no? Beter gooide hij 't uit boot! Ija! Menselijkheid genas. Liefde genas. Dát hielp pas. Nèks anders. Alleen... 't besef daarover ging verloren, zo verloren, met alle diepte van het geestesgoed... Janki, die nu als redder van hun geest was gekomen! Tan? Is mensen moesten hèm gaan staan redden nu! Hij was verloren, verloren! Dat boekenhoofd van 'em werd bijna gek. Dan kwam 't spelen verder, met het niet betalen van die rekening. Met tussenkomst van Rechter zelf! (‘Kroetoe bakra? Rechter? Nie hierzo! Is Onse Eigen Dinges hòr! Laat óns 't tot oplossing maken! Ija! Zelf die krisis oplossen.’) Nu zo aan beurt in 't spel Afkati, Advokaat. Dan weer Basja, de Bastiaan, ook speler, allemaal zo, hun bijdrage leverend. Met Rechter en Afkati hard hun woordelijk duel aanleverend! Of Afraw nu Evi was of iemand anders: rol was rol. Met wetsartikel ook! Dan hóór wet van | |
[pagina 540]
| |
ze! Wát ze aan 't zeggen waren, leek soms bijna zwarte dinges van magie, kromanti! Toch in 't spel, magie, het geestesdiep van deze negers, schoon resterend na drie eeuwen! 't Leek een wassingsritueel van oorsprong! Dit hele spel. Met woord van p'pa en m'ma op kind, ter zuivering! Om 't te vrijmaken van fjofjo, de onheilserfenis. Of zoals nu, te zien als een soort rijpingsfeest! Alles, alles wat fo ze mensdiepte van jeje kon uitdrukken was erin! 't Was historie. Ma' dan nadien, (rechter veróórdeelt toch), optreden van de Konsul, Konsro. Weer grote rol van koloniaal figuur. Tenslotte: geldgestrooi, de rijkdommen! Met boot vertrekgang zoekend weer. Boot weg met rijkdom. Ke! Ke! Wan Boto kon, a boto gwe! Dan mi wan ware libisma, ofa mi légi tan noja? O, o! Een schip gekomen en weer weggevaren! En ik, zowaar een mens, achtergebleven! Met niets anders dan menselijke leegte! (Taal om d'r van te zinken, no? desnoods op land!) | |
(51)Dan zondag brak dat zonlicht uit de bomen! Zoetwatertranen, zij zo, dauwden aan 't bloemenhoofd. Dag die een doodsnacht leek te gaan willen lopen passeren, met al dat komen aanvluchten van... Sanctus!! Sanctus!! Heilig...!! ‘Mandwe?’ ‘Ija mi granp'pa?’Ga naar voetnoot1 Praat Hollans met me! Je gaat toch daar op school bij witte mensen? Leren ze je niet hoe je beschaafd moet zijn? Je hoofd heeft een gat no? Met uitrekking van je verstand, tot waar ze je nie kunnen begrijpen zeker no? Deze jonge! Is fo nèks nèks kweken ze je groot, tot mens in deze maatschappij!’ Dan trok hij z'n rug. Maakte zo, dat z'n ademborst kwam tot een vakuüm in 'em, granp'pa. Hij was op bed aan 't liggen, met een kussen naast z'n hoofd daarzo. | |
[pagina 541]
| |
‘Oup'pa...! Is al bijna de helft van zeven uur...!’ Zeven uren telt die dag, me lief! Dan achtste uur is nacht, op woord begrensd met tralies van de mond, waar duister met z'n oog 't hart komt vangen... ‘Ke! Kijk hoe ik aan 't liggen ben! Me lijf met leden is zo moe... Zo moe dat ik verloren lijk als kuddeschaap zonder voorgaande man...!’ Granp'pa, hij zuchtte vol met rijkdom van emosie. ‘Granp'pa... eh, oup'pa wil ik zeggen! Oup'pa?’ ‘Ija?’ Hij hijgde keel daarzo. Met baardstreek haren, in z'n rimpelkakoembe.Ga naar voetnoot2 Hij had geen tijd gehad om op z'n voet te komen. Met oogpoepe in z'n ooghoek. Met ouwe slijm gelopen langs z'n ongewassen mond. Met beef-arm langs ligplaats, hangend zo opzij, dat je ging denken dat hij dood weggorgelde, toen hij wou spuwen: ‘Kom, jongen! Schuif die po van onder bed, la' me me slijm weglozen no?’ Mandwe, hij keek, tien jaar oud kind. Hij nam geen stap na' voren, hoewel willend. ‘Granp'pa! Kom no? Hoogmis gaat gaan beginnen, daar, om half acht! Dan nu is granp'pa nog nie met z'n voet uit bed geloften!’ Een kwaad kind, ongerustheid woedend met z'n zwarte oogkralen. ‘Granp'pa?’ Geen antwoord! Mandwe's oup'pa blééf die zondagmorgen liggen. ‘Oup'pa dan?’ ‘Ija?’ Chm! D'r was een soort van ketting in die woorden, met een ongelijke afstand tussen ogen van die ketting in, ma' toch zo dan wel, woorden van dat gesprek één smeedgeheel, bijeengesmolten door de stilten. ‘Granp'pa, ik heb me schoen al schoongemaakt!’ Granp'pa wou kuch loslaten op 'em, Mandwe dan daarzo. Ma' hij draaide z'n gezicht fo die muur, kuchte z'n brochhò!! tegen al die houtplanken. ‘Dan is me broek al aan me lichaam, oup'pa!’ Zzzzjjjnnn kwam muskiet, met z'n geweldige instinkt. Uit nacht kwam 't, van donker hoek. Iets had 't weggejaagd van daar. Misschien een luchtbeweging no? Misschien granp'pa z'n kuchmond, brrochhóuché-ochhúwww!! ‘Oup'pa maak snel no? Ik ga me schoene dragen! Water is aan 't koken daarzo! Als granganganGa naar voetnoot3 hier was, kon ze je komen helpen, | |
[pagina 542]
| |
oup'pa!’ Geen antwoord. Granp'pa zag ineens hoe hij keer na keer een boom aan 't schoppen was. Dan ineens zo: boom weg. Dan nu, schopte hij voet in die lucht, met: auw! Z'n voet verzweekt!Ga naar voetnoot4 Hij heeft niets meer om tegenaan te schoppen. ‘Mi granp'pa, waar is grangangan? Ze blijft zolang weg, dat...’ Granp'pa z'n ogen waren aan 't natten. Mandwe, met ongeduldigheid van mondplaat, ging zo verder: ‘Granp'pa, hoor no?! Die kerk is aan 't slaan! We gaan laat komen fo hoogmis!’ Uit kerkklokken luidden paaskonijnen! Met grote ogen, rood met zwart bedekt, daar op pupilleplaats, tussen die hoeken van 't kijken uit de ramen van de Gloria-gezangen... ‘Hoe voel ik of ik dood ga gaan? Jonge zo, breng een beetje water fo me, laat ik me nekGa naar voetnoot5 natmaken no?’ ‘Granp'pa!’ Mandwe stond een drie meter van z'n ligplaats weg. Met blauwe kakhibroek en kous aan voet, wit en gezakte verlepte! Met ongekreukeld hemd daarzo, nog netnet klaar gestrijkbout door granm'ma, voordat ze weg was gaande. Weg, na' Lakoe! Weg!, om negerdinges! ‘Ke!Ga naar voetnoot6 Kijk hoe ik aan het liggen ben! Dan zondagmorgen, kan ik me god nie gaan dienen!... Soort weer is 't, mi boi, daarbuiten dan? Schijnt zon? Of wordt die lucht goed donker?’ Geen antwoord! Mandwe, hij was kwaad gaan zitten voor 'em. Met vastmaken van schoeneveter. Hij had met tucht geleerd: op godse zondag, onherroepelijk na' kerk gaan! Ma' nu dan, als hij nie snel maakte, kon ook hij 't vergeten. Want grootvader kon nie weg. ‘Tan?! Je bent nie van plan om mij alleen te laten hierzo toch? Antwoord me dan?!’ Dan voor Mandwe kon gaan iets zeggen, wentelde granp'pa z'n praatstem verder: ‘Is nie ik heb deze dag gemaakt! Als regen komt d'rin, wel!, wat ga ik moeten doen? Fo mij is 't om paraplu te zoeken, om me hoofd te dekken! Nat moet ik nie gaan nat worden, hier op me ademplaats, midden op dit gedoopte hoofd! Want dáár is doopwater vroegvroeg terecht gekomen. Ma' nu, met regenweer: wie nat wordt krijgt verkoude borst! Bruchché!! Bwóchhh!! | |
[pagina 543]
| |
Als zon komt, deze dag die breekt, wel!, dan is schijnlicht van die zon, ga ik ontvangen! Met al me ogen in me hoofd zo, over die drempel tot hier... je oum'ma gaat niemeer komen Mandwe! Ze is d'r negerdiensten gaan regeren! Sla die kist open: je gaat zien: leeg! Geen enkele hoofddoek heeft ze gelaten, zelfs om geen tafelnaakt te dekken... Alles, al d'r kleren heeft ze meegenomen!’ Dan zuchtte hij, benauwd van zenuw. ‘Wel, wat komt, komt!, net zoals mensen zeggen! Wanneer boot vol is, dan moet boot z'n onderste, varen op 't water, met een kracht die sterker is dan wanneer boot is leeg! Jongen, je hoort me no? Je geeft geen stem aan geest die jeje is, noch van je hart, noch weder van je mond aan je!... (hij stamelde met prevelmond alsof 't praten wankelde.) ...Ik geloof hij is z'n tee aan 't slorpen... sjjruuu sjjjrrruuu... sjjjrrruuu ...dan laat meneer geen enkele druppel over om een ander z'n keel te laten drinken. Ke! Ach! Deze kamer is zo droog, dat 't gaat scheuren uit z'n hout!’ ‘Wat is me granp'pa aan 't zeggen dan?’ dacht Mandwe. Hij wou opstaan, om stuk gebroken spiegel te gaan nemen, om z'n haar te kammen. Misschien dat op 't laast tóch granp'pa... De absolute dwang der goddelijke eredienst, 't riep, 't schreeuwde zielsdiep! ‘Me lichaam kan niemeer! 't Lijkt of iets me kwienst en perst rondom me nek! Eén worgenspartij! Ik weet nie wat! Nono! Didibri, duivel kan z'n hel nie laten, om een arme zondaarsbok als ik te komen brandmerken met sterf-kraperen. Wat wurgt me? Nono! Is nie dát! Is engelhaar voel ik, dwars badend over me gelaat die me gezicht is! Iets.....iets..... Me jonge, lang je handGa naar voetnoot7, dan neem een kaars, dan brand 't fo die wezens die me nie goed dorsten los te laten! Brand 't, met ziel en al! Geef mij die rook! Ze zeggen 't jaagt boze geeste weg no? Wel, deze geest is geen afgodische jorka! Is ik ben 't, met jeje van tata!: Ik, die met Ademwil Geest leef, aloud!’ Een hele tijd bleef stilte stilte komen aanbrengen, als zware taal, vol van de middelen des doods, zonder bederf vooraf, aankondigend de slierten doodshoofdmist die nevels geven, aan de kontreien van de rode morgen, vlak onder dak bij hart en ziel te gast nemen zij aan, dat elk hoofd geboren, hen zal toelaten om toe te slaan, opdat de ware rozen niet vergaan, onder de druk van zonlicht, hoog en groot, zo machtig | |
[pagina 544]
| |
boordevol gegoten met de levensangst en..... ‘Mandwe?’ ‘Ija, mi tata? Ija, me grantata, oup'pa?’ Hij liet z'n spraak van binnen woelen als een regenworm, als een konijn die z'n gang graaft door de moddergronden, vol met vetklei, plokko!, plokko!, één doel maar najagend: het veilige hol als huis als tempel! Als kerk ook, van hart z'n diensten. Een mens was god van liefde door z'n hart. ‘Aaj-o! Efi neti ben kan kaba foe e blaka so!’ zei hij, doelend op nacht z'n zwart-dramatische kledij, met dracht van altaren vol schaduwdienaren in eredienst van leegte! Hij leek, net ofdat in plaats van met stem, met steen hij adem uitbrokkelde. Mandwe keek die kamer, z'n wanden, z'n weinigheid van rijkdom als bezitting: een bekken, een bank, nog eentje, slaapding met grond als matras. Binnen leek geen verhouding te willen tot buiten! Kijk dat plafont, nie hoog, ma' met een soort van koepeldrang. Om datgene te vangen wat ruimte gelegenheid geeft om huis te zijn. En ruimte eindigend met hoofd vol hersens no?: het bovenste van het bovenste van het gedachtendom, wat weer het binnenste is van de mens. ‘I boi! Jonge! Je hoort geen mense meer no? Je zit, net hoe ze poppen zetten: waar 't zit, dan blijft 't zo! Met kunstposisie! Enkel een waaiwind kan 't komen waaien! Wel, wanneer die deur moet openwaaien, dan krijgt regen kans ook, sidderregen, beef op beef aan lichaam, wilderheid van al des krachtens! Ija! IJA!’ De laatste drie van letters, liet hij op: ze waren vliegers, hoog in lucht, met scheermes aan hun staart: een wedstrijd waarin ze elkaar weer na' omlaag zochten te snijen. Dan, met dat woord vallend geheel uit eenander, waren zij los, losvallend, over al de werkelijke erven, over de levende struiken, bloembedden, schutting en hond z'n rug, z'n staart, z'n kop die keek met loeren, over vogeltje die opvluchtte, over de putdeksels en over erfgat, met alle fiesterij vandien. Dan over daken ook, van al die andere bewoners. Elk van de drie letters, had een staart die omkrulde 't hoofd van iemand, een totaalbandaasje over z'n gezicht. Als een soort wrange denkgrap, een verweergedicht! IJA hield in: die zucht des levens. ‘A dé kroewa kaba, no?: de dag is wrang! Dan weet ik zelf niemeer hoelaat het is! 't Is tijd om na' Hoogmis te gaan, weet ik! Ke! Ach! Ik kan horen, hoe hier pater z'n latijn is aan 't zingen: het agnus dei....! qui | |
[pagina 545]
| |
tollis peccata mundi.....miserere nobis....Ga naar voetnoot8 Aaj, aaj! Heb medelijden met ons, here!!’ Z'n hele borstkas vloog omhoog! Eén siddering van levenslijden! Mandwe, hij zat, hij keek zo zonder aanraking, naar z'n grootvader. 't Leek ofdat deze met de adem des doods in zijn lijf verkeerde. ‘Hmmm? Wat mankeert me granp'pa dan, vandaag?’ Hij kon geen weet hebben d'rvan. Misschien wou hij niet na' de kerk vandaag. Ma' dát kon hij nie weten of granp'pa wilde. Enkel, wist hij, dat hij oog gooide over drempel van dat bed. Keek hoe granp'pa bleef liggen. 't Was een zaak van mensen met slaap in hun lichaam no? Met liggen, uitgestrekt, van minder dan de voet tot meer dan voorbij hoofd gelegen. Van adem trekken, en van 't ronken van de ziel. Slaap met tijd, slaap zonder tijd..... ‘.....dan zie ik zo: ze vallen op hun knie! Ke, Tata, ke, Heer in den hoge! Is nie zíj hebben dág gemaakt ook! Dan hoezo kunnen zij geloven, dat ze dag maken met regen; regen met dag; dag zonder zonneschijn of zonder licht! Is van hoogmoedigheid in al hun leden! Wel, deze wonden aan me knie zijn me getuigen: ik ben hun knielvriend op de planken hier, met handen die vergroeiend zijn, tegen aan met elkaar! Ik heb ze ooit gegooid ook, als tjasnetGa naar voetnoot9! Ma' z'hadden nèks gevangen fo me!: lege vis! Dan toen ik thuis kwam fo kassavebrood, heb ik gegeten zonder toespijs! Ma' ik heb gegeten wel, dankzij het brood!’ (Granp'pa, hij prevelde.....prevelde, prevelmompelde....) ‘Hoor! Hoor met je jesim'ma, je oormoeder, hoe een handvol bananebekvogels, gegrepen met me hand uit de zijbuik van me lichaam, opgefladderd met hun vogelvleugel, reppen van zand in de woestijnen! Ze eten adem weg no?, in plaats van de boomkruinen waarin ze huis hebben, met hun geveerte! Ze vechten met makaar, zo snel met kwiek zijn ook, dat je gaat nie die kleine onwil zien, tussen die vogelharen van ze, zo piepkleinig... een wil om meer te zijn dan banabekivogel! Misschien willen ze zijn, een grote roofvogel, een aka!, of gonini, of... duif, spikkelduif met band van rood om nek, of een roodborstje, die gaan baden is in bloedrivieren... Dan hoor ze hoe ze vogelzangbek zingen: tjotjotjo-tjowtjow....!!! Ke...! Ach! Vogel met z'n bekmond vóór van z'n hoofd! 't Kan praten no? 't Kan zang weghalen uit z'n vogelnek no? Ik deze, hierzo... Wat fo noten kan ik voor het leven gans nog zingen?, dan | |
[pagina 546]
| |
taal van dodelijk wegsterven! Wanhoop van me ziel.’ Hij zweeg Spaans, Italiaans, Sanskriet! Mandwe met wanhoop: kerkuur nadert! Dan wacht hij op z'n granp'pa, granp'pa lijkt een dronken sopihoofd die wandelt! Ma' waarheen? ‘....Is nie ik zo, had die eerste horloosje ketting gegevenGa naar voetnoot10! Nie ik had eerste steen gebouwd met werkmanshand! Wie ik? Nie ik had als eerste dat stof staan wegblazen met vuurmondadem die de rest verteert van me omgeving! Is ook nie ik, had wagen wiel gegeven laat 't draailopen! Wie ik? Konijn sprong gegeven? Preekstoel hoogte? Dambord vak? Of losse ring aan vinger goudglans no? Niets daarvan heb ik teweeg gebracht. Is nie ik! Is nie ik! Is nie ik hier deze! Mi dati!: is zo-zo ben ik geweest fo leven! Geen enkele gordijn heb ik z'n zoom gegeven! Laat staan die broodboom pit in vrucht gezet! Dan praat ik niet over die sprinkhaan die met z'n gierigheid z'n kaak werk geeft. Nono baja, is nie ik! Niet ik gaf deze wereld aan zichzelf! Ija!’ Weer joeg de kerk een groot konijn lucht in. Ditmaal van lofgezangen, hoog vol prijs. ‘....Als je beschoftheid hebt, dan draag je goud in al je porie van je lichaam! Met goeie leefkracht ga je, vol met jeje! Vol met geest! Dan heb je ook vol leven vlijt. Al je huis waar je woont: 't schittert diamantenplankwand fo je! Met licht van kandelvet, zó mooi van schijning, dat 't mensen blind gaat maken als ze zien! Dat blinde huis no?, groter dan waarachtigheid!...’ (Ach! Ke! Ach! Grootvader, wist hij wat hij zei?) Dan kreeg hij eensklaps weer zichzelf. Zei god-zij-dank geen dinges zomaarzo meer, als bij openbare biecht. Hoor 'em, tegen die zitkijkende Mandwe: ‘Jonge! Sta op van je bille! Ga een kan met water halen fo me, laat ik me nek nat maken!’ Mandwe gaf geen antwoord. Water halen om granp'pa te laten drinken. Hij was nieteens aan 't kijken. Leek wachtend op die kerkse gang, gevallen, in een slaap. Dan grootvader, vervolgend met gesproken mondtaal deze zondagmorgen: ‘Ma' ke! La' me nie teveel gaan praten no? Misschien dat hij gaat willen weggaan, wegmoeten, geheel als één persoon die weg daar kruisend...! Dan láát 'em gaan baja! Met groot verstand aan hoofd daarzo! Hij is een kind, die niet de wegen heeft ervaren...’ | |
[pagina 547]
| |
(Dan rechtstreeks:) ‘Jonge, je had gehoord no? Pasi, na waka a e waka! Zonder omweg gaan met die bedoeling om nie te verdwalen met verliezing van je weg! Mhm!, hoor hoej'k me zucht zucht fo me! Een ouwe granp'pa, enkel nog begaanbaar door z'n lichaam heen! Me lichaam beeft hier aan me, dat 't lijkt op kerk vol kapotte orgelen...! Ma' dan met valse koren die hun kroppen zingen in 't lege lied van een gebroken agnus dei...! Ga! Ga fo je...! Nono! Ga niet....! Ahhhh, me hoofd is moe van een soort praatlikdoorn aan me strot hier die je ziet! Ga, ga baja, ga....! Ma' verlies geen weg fo woestenij! Ga nie vallen op je mond, in swamp of achterwei met koeiegaten om je nek te breken! Ga! Loop met je voeten langlang over straat z'n weg... langlang, en door en door je gang verwerkend... totdat je gaat komen, daar waar je moet zijn. Hang niet onder balkon, daarzo, met grote lachschreeuw van ellendige duivelskinderen van mensen, die geen ander leven kennen, dan hun zaterdagzpip-zondag-radbraak! Dan trekken ze hun lichaam lang met rug, hun slaap uitsnurkend als die wilde p'pa van je bijvoorbeeld zo... Aaj, aaj,....dat ding lijkt of ik weer mezelf ga krijgen: één helderheid van geest die nu terugkeert aan me, openbraak van ogen no? Tan, lijkend op schijnspel, is die zon z'n schijnsel net een afgevaardigde van god z'n spel, die lijnen van de lichtigheden... ik val! Ik val... aaj, ik ben aan 't vallen van een trap af die omhoog draait met dan vallen, dieper dan die trap z'n fundament is... trap! E'e! Jij brengt verwondering aan me: jij bent... ah! Ik schrik mezelf zonder bloed! Is jij bent trap van kerkgang no? Aj-o, ik begrijp: verstand is net als kleine mond met eten, je eet, klein beetje, tot je buik vol is met... waiiii! Ik heb makka gegeten! Een doornenmaal rondom me buik in binnenste... ik laat me poepe los... prrrtt... aaj, ga jo! Buikverlossing... ppprrrtt! pprrrrt! Aaj jo buik, ga ledig! Ahh! Aahhhh! Het werpt verlichting die je lichaam op laat staan, vrij van de deernissen... aahh! Aaahhhh! Eeh....... ...Kijk hoej'k 't lichte snurken aankweek! Jonge, ga, ga baja! Snij die hoek met wedervaring van hoe straatbreed je kan laten zien dat je moet oversteken! Ga' na' de overkant. Dan loop je, je gaat mensen zien in pak: geen papierkleren, of geen zwaar gebroken kleren aan hun lijf! Ma' goeie pak, met ware snijdershand gesnejen! 't Ware pak fo 't ware lichaam no? Oog is d'r, en je gaat zien! 't Is een pak door witteman gemaakt! En netheid van dat pak past iedereen! Dan ga je daar, langs | |
[pagina 548]
| |
balkonhuis, langs grote-voet vrouw, dan langs loslós-huis waar ze dobbelen, drijf jezelf langs die armemense huizen verderop, met hoerballustrade, dief- & steelman daar aanwezig, ze gaan je roepen... ga niet, nie daarzo, ma' ga... ga verder, drijf jezelf in 't gat dat morgenlicht maakt als een open dood waarachter leven is, zonder één zielsverdriet... je gaat die kerk horen zingen, kerk onder leiding van een witte man met blauwe oog, je gaat z'n preek horen en mensenstem vol van latijnen zangnoten en hoge missen die daar hemelwaarts op gaan... ahhh... aahhh... 't zevende morgenuur is gaan passeren, wat nie zwijgt brengt na vond nu op mij op ligplaats hierzo... Mandwe! Mandwe...!’ Hij lag en trok een stuip, sloot ogen, weggezakt in hun bewaarkassen. Even zo, rochelde hij. Dan trok die stem van dood door hem: ‘Ahhhaaa.... aw-o! Dan wat is bijnaam van vermoeienis aan lijf en lichaam dat jij niets mag zijn of worden ook om wat fo wil... lepra!! Lepra, gwasi, hoe witte dokter je ook roept met naam! Kom me halen! Kom me hier laten dood verfrotten met alle bederfzweer en waterontbindende loslating van me lijf! Boeboe! Ziekte met uitscheuren van me huid! Kom me loslaten, alles, lichaam los, dat uitbreekt uit mezelf, hatelijke frotting van de doodsgang langs die kerkweg na' buiten en na' boven... aj... kíjk! Spinnegaren is van donker engelharen no? 't Weeft een harenbos aan een hoofd dat allenig ik kan zien! Ik, mi, ik, mij.... de Ik-Mij-Ik persoon die ik ben no? Ke... wapper je golf, richting mij! Dan stik me! Me neus met haren, oog met haren, overal, haar van die witte engel bovengronds daarzo...’ (Hij stak z'n kromhand nu na' boven, granpapa.) ‘'t Hoort niet! Engel van witte huid met witte kleren onderaan z'n witte haren, witte ogen zo, 't maakt z'n haast na' daar waar zonlicht breekt met glans, onder een blad, zonder een wind, boven die grond hier, waar met zachte slippers voeten lopen van het schapendom no? Eén kudde zo! Nono!, die kudde is nie zwart, ze zijn nie zwart... zwart zijn die bokken fo de hel, waar neger ook stoet maakt met al z'n afkodré, afgoderij met wisi, obja... ahhh... laat ik me mond met water wassen no?, fo uitzeggen van dit soort woord! Is nie fo een beschofte mond! Is fo die kwaaie donkerziel, met krentehaar op hoofd en brede lip aan mond... met ach! osan den vloek oen so?: fo wáárom deze negervloek, met zwartdonkere huid die geen licht vasthoudt...’ (Hij wroegde, wrakelwroegde.) ‘Is nie genoeg! Is nie genoeg, wand, hoor je met je houtwerkplank? Is | |
[pagina 549]
| |
nie genoeg fo mens, gezegd! Licht maakt geen vrouw met schone schijn! Is donker maakt 't, donker van je bloed! Dan wemelt 't met waterkoking van je binnenste! Dan maakt 't je kapot, je binnenkant wordt net een varkensmond die openwroet achter een ongesloten omgevallen schijtvat... míjn god! míjn god! La' me geen zuurvrucht wrijven op me ziel! Vandaag, zondag vandaag, waarin geen woord dat hoger is dan preek. Preek niet als muur, ma' golfvloed van mijn gedogenis. Alle leven dat ik had geleefd... alle dinges die ik had gedaan!’ (Hij wou opstaan met zitten, ma' hij kon niemeer. Wroegde, wroegde!) ‘Ke... zelfs me mond verliest z'n pad en gaat over een slootrand balancerend verder op z'n weg, met voetenwond die nie geneest, en arm met hand die zwaait.... me lichaam en me hele lijf heb ik verzweekt met gansganse beweging vol met kraakgeluid. Is zo dus, wentel ik mezelf uit gewricht en kantel al mijn krachten in de handen van een pindaschil daar op de grond die verder schommelt op de vloer hier als een golfslag... Nee! Nono! Rivier daar! Slib niet dicht met stikwater! Dan kraan! Was niet deze zondaar die ik ben, met kokend water uit die aarde waarvan stoom alleen je huid loslaat.... los... dan druip je als gevild ma' vrij van huid z'n kleur ook... weg... weg... totdat je één klein stofje wordt in één luchtverschuiving...’ (Hij kwam alweer tot positief.) ‘Ik geloof, die jonge hoort me niet! Z'n oor is van me praat verzweekt. Boi! Bar' wan mofo kongowe! Mandwe? Mandwe... ooooo...!’ (Zo riep hij Mandwe op tot antwoorden.) ‘Hans-je gans-je deed niet wijs! Hij wou lo-pen op het ijs...... nono! Zo was 't niet!’ Dan weer: ‘Hans-je's moe-der deed niet wijs! Zij ging lo-pen op zwart ijs! Va-der zei je mag dat niet! Hans-je zei ik snap dat niet! Klappe handjes! Klappe handjes! Kwèkwè kwè...! Mooi zing ik no? Meester, ik krijg een tien fo Hollans no?...’ (Ke! Ach! Kijk no? Granp'pa leek helemaal kins geworden.) ‘Ik ga dood gaan nu! Me eigen lichaam van me, gaat me moord maken! Die huid van neger die ik ben geboren, gaat me doodmaken! Een groot dierenbast van zwarte panter!, zwarte diepbostijger met z'n nagel me komt openscheuren! Wrrrawww! Kijk hoe die dinges me verscheuren no? Dinges van negerheid waarin fo mij geen tedere gevoel dan wrange adem als een ziel die losgeslagen is.... ik lijk een kind gewurgd door z'n baddoek tijdens schoonwassing, met zwarte moeder | |
[pagina 550]
| |
met een hoofd vol krentenhaar die handen in d'r haren slaat, zonder een greep na' mij die kind is, stikmond als een vis op droog, zo open... óóóó óóóó óóóó...! Dan is die baddoek donker met die vuil van lichaam.... Jonge! Ben je gewassen al? Gaan drogen al? Je kleren al? Je schoenen al? Met kous aan voet no? Haar in kammerij gemaakt tot een beschaafde hoofddracht? Dan ga, ga als een afgevaardigde van deze jeje die ik ben! Ga baja! Neem jezelf mee! Vergeet die last, lelekoe, van een granp'pa hier op je! Want elk ding heeft z'n kaba, z'n eind! Als je nie wegmaakt, snelsnel weggaat, je voet gaat vastklemmen hier in huis! Ga! Ga weg! Kerk met klok gaat slaan! Zondag bederfdag zonder één mis! Zonder die zielevreugd die witteman ons heeft gebracht! Zonder één enkele enkele.... A libi las' en bro noja! Na mi nomo, de e ari en ...tan... ik was vergeten dat je geen verdomde taal mag spreken...: leven heeft z'n adem kwijt, me jonge! Ma' ik, ik deze persoon van geest gewassen tot het mensdom onder blanke handen: ik trek me adem laveloos...’
Een hele tijd zo, bleef hij stil met stilte. Licht buiten, vocht een strijdgevecht om dag lang, daglicht te mogen zijn. Mandwe z'n granp'pa lag te praten uit z'n kaken. Z'n inborst had gezwoegd met uiting geven aan wat in hem was. Nu rustte z'n gewricht. Hij lag en met het kijken van de dode dingen bleef hij, heel onbewegelijk. Toch kon die jongen zien: granp'pa was nog nie weggegaan. Iets hield hem levend, kleine hoop misschien. Als Mandwe opstond maar, en in die emmer water haalde. En met die kan vol water bij 'em gaan. Dan water geven aan 'em, laat hij drinken. Zoals ouwe gewoonte was, water te geven aan een stervende. De laaste dronk, als een verzoening en verlossing. Zoals ouwe mensen zeiden: z'n nek natmaken. Hem de keel natmaken, door hem nu te laten drinken. Verzoening en verlossing no? Was dit een kristelijk gebaar? Of was dit juist een oud gebruik van heidendom en negerheid? Wie wist! Wie had de juiste weet d'rvan! Mandwe, hij zat, hij zweeg, hij keek. Hij gaf geen water aan granp'pa. Een hele tijd bleef niets dan stille rust aangroeien. Dan ineens zo, begon hij weer, granp'pa met al z'n praatziel die opnieuw begon. Hoe hij nie sprak! Hoe het nie duurde: ‘Dan me jonge, ga! en leef! Dan breek die boeien van zo alles wat | |
[pagina 551]
| |
blijft plakken aan je ziel z'n geest, van ver terug tot aan 't nu, zonder één litteken op je gezicht, je rug, je wegen die je daar gaat doen..., je Zelf, al je Wezen, al je Kinddom, al je doen ma' ook je laten doen met je, je droom, je buik, je hand, eetmond, alles, alles zo, vol van gedaante door 't licht gedoopt dat paden slaat door deze wanden van 't oerbos binnensdrempels met 't vretende wilddier dat 't licht weg-opeet uit me oog hier midden in 't gezicht dat met me tranen is gaan breken, waterweg van schoot door 't geschudde leven..... Ma' dan wees wijs, mi boi!, want alle liefde is als kind uit nood!: 't wordt geboren en gekweekt als mensenplant, pransoen, met alle kans om te verstikken... ija!, ija! Kijk hoe ik dinges zeg, netals wis'man, de medicijnman, gebonden aan een touw ter openbare opbiechting van wandaden.... Wel, ik heb nèks gedaan! Nèks! Hoor je, met al je oor door míjn geluid verbijsterd? Nèks, nèks, nèks! En neger die nooit ‘negerdinges’ heeft gedaan, kan nóóit voor eeuwigheid vervloekt worden! Want met de doop ben ik gedoopt! 't Kan niet!! A no kan! Ik ben gedoopt! O....! Is bloem groeit daar op no? Zo grootgroot dat je blád d'rvan kan zien met oogaanschouwing van de doornen! Makkabromki! O doornenbloem! Groeiliaan, met wurglengte....'t groeit....'t groeit en draait heen om een mensennek, die worstelt, worsteling maakt met de slingerloop van deze liaan.... liaan waarvan afgoderij zegt dat een bosgeest zweeft erop... Santa! Hoor mij! Ik sla een kruisteken zo hard dat me hele hand wegvliegt van me lichaam! Dit is geen angst meer! Dit is bloed uitbroeden! En in ontbinding gaan, met woekerende stoet van losse bast en los geraamte.... Ach wie gaat zeggen dat hij is gekomen om steenvoet te worden van zijn woonplaats? Om daar te blijven, eeuw aan eeuw, en dan... Hoe kan ik blijven dan? Zonder me schaduw die me besef geeft van licht geworpen op me, met de gulle hand van buitenlicht? Is ongezien onder één wakend oog, zal ik die weg moeten doorlopen no? Me eigen kerkweg no? Met al die stokpunten en mensen klaarklaar om in negerdans me dood te steken no? En dan die kerktoren: één lange puntstok die me gaat doorboren no? Ik ga nie gaan! Wie? Ik mezelf laten steken met uitrenning van me bloed, dwars op trotwaar? Dan gaat hond komen, hond zo, gaat 't drinken no, met lep!, lep!, lep!, oplikking van z'n hondetong! Dan komt voetzool, voetzool gaat lopen over 't! Voetzool gaat hardgeworden bloed - je gaat geen enkele verschil meer | |
[pagina 552]
| |
zien met bloed of zand - voetzool gaat lopen over 't! De straf van doop op heiden! Dan vlees! Eigen eigen mensenlichaamsvlees! Vlees gaat gegeten worden door een kaakpartij van wie nie weet ben ik! Míjn god! Zweet laat me baden, zweet is nieteens bloed en ook geen lichaamswater meer! Zweet is gesprongen ader waaruit etter loost.... etter, míjn god van alle jeje die gaan rotten is in binnenborst en nu met alle heftigheid de buitenborst z'n stank laat uitpussen... Aaj, pori, njan mi no?: bederf!!, kom me opeten! Stinkvogel met een drakenkaak! Kom me verteren vlugvlugsnel no? Dan platwalsende straatmaakding met grote ronde wiel van duizendhonderd kilo! Kom, kom rollen no? Laat deze ligman op z'n bed geen lichaam hebben meer, ma' eens een dunne vlek op grond, grond die je wast met dweil, dweil die je uitknijpt, dan vergeet je en je kijkt, hoe schoon dat húis, volop voldoening voeding gevend aan je werkziel?... Chmchm...! Ophouding van bestaan!, totaal!, totaal! 't Is laat! Ik ben ouderdoms telaat... La' me hier liggen no?, met liggen! La' me hier blijven no?, met zijn! Dan la' me smoren, gaar van jeje worden! Misschien dat ik na loslaten van mijn besef ga kunnen oog teruggooien, op iets, dat was, de volle leegte van mijn ziel!’ (Tan? Stilte daar nu, torenhoog!) ‘....Ik geloof: die jonge wil nie horen wat een grootmens aan z'n hoofd vertelt. Of is hij bidden aan 't bidden...? Hij's zó vroeg ook, opgestaan! Hij met z'n lighoofd!..... Mandwe....? Mandwe....? Je granp'pa praat tot je! Geef antwoord dan? Breng water fo je grantata!’ (Dan, tijdlang bleef hij stil alweer. Begon ineens met sprookje). ‘Kri-kra! Wan kownoe ben de...!:Ga naar voetnoot11 Een koning had je ooit! Dan had hij al zijn dienaren. Maar nu een dag, dan riep hij ze tegader. Hij zei: ‘Horen jullie hierzo! Ik ben de parabel van me koninkrijk! Wie na mij koning zijn wil, moet gaan die draak verslaan. Deze draak woont in de toren van die instorting van Babel!’ Dan hóe te doen? Want Babel was 't verste land. Babel was tot z'n stof wedergekeerd, daarzo, op grond liggende ruïnasie! Land van de mens z'n ondergang. Wie zou daar kunnen gaan om deze draak te doden? Ah! Sins ik je zeg: de Ruiter die des Doods is, met zijn paard van het | |
[pagina 553]
| |
Verlangen gooide, voet aan wal! Hij won van Babel, won die draak! Hij deed het met maar één paardemaan, één haar die hij geplukt had van die achternek van 't paard! Met dát, heeft hij viool gespeeld op paard z'n rugbot! Spelend met die paardehaar als een vioolsnaar is hij daar gegaan. Dan is die draak gestorven van muziek! Dus heeft die Ruiter met muziek gesproken! Hij die de Doodsman zelf was, heeft een hele requiem fo ze gespeeld daarzo... Mandwe?! Mandwe? Jonge, je hebt geen ore no? Je wil laat ik opstaan en je met hand & tand komen aframmelen no? Of moet ik je een waar verhaal uit slaventijd komen vertellen, voordat je gaat opstaan fo me? Waterdorst pijnigt me nek hier van binnen, zodanig dat ik met geweld spraak wurg! Mandwe....???? ....Een hart laat lichtschijn los op mij! Een hart met vuurmond zeker no? Is geen kanon die schoten schiet! Is mond van zonnestraal die net zo hard is afgeschoten, dat 't hier komt vallen op me borst! Ma' me borst, 't gaat nie breken! M-mmm! 't Gaat grondvesting worden, als een Fort Zeelandia! 't Gaat.... pra! pra! pra!, zo stevig trekken, dat 't als een steenmuur adem vast gaan metselen, hierzo in mij! Dan is 't fo me, om me vlag te laten stijgen, hoog op dak: vlag waait en vreet kracht van die wind daarzo, (wind wráákt! Hij kan nie met die tegenstand van vaste burcht toch!) Hij had gedacht: is negerhuis staat daar, met palmpalm, pina-blad met droge stukken en met paar bosbladeren die 't bij makaar hebben gevlochten! Dan hoe 't staat, dan hangt 't al, schuins no? Nono ba!: nee hoor! Hoe kan dit krotje staan in midstuk van een moddergrond waar zelfs voet wegzinkt? Voet? Voet is: een aardsgetuige, voetafdruk drukt mens af, die daar lopend is... Die dag, dat een schoondroge voet kan voetspoor achterlaten,... kom help me dan! Me voet zakt in die modder weg! Mandwe! Mandwe! Ma' dan tan? Waar blijft die waterval? Ik me hoofd gezet, dat ik zou gaan met denken, naar de waterval. Fo man die hulp zoeken gaat, bovenriviers! Om te roeien na' daarzo? Waterval moet nie ver zijn toch? Ik voel al stroomversnelling, kolkwater! Mijn boot roeit voort... Straks komt die waterval... dan daarachter ligt die plaats waar... Hmmm? Hoe kan die bootsman die ik ben met me pagaai, zoveel van slaaphoofd krijgen, dat... dat... 't lijkt net ofdat... Ah! Míjn god! Kijk hoe ik pis laat, aan me lichaam! Hele slaapplaats zo, lijkt pispot. Dan niemand die me dor en droog verzorging geeft in deze watersnood no?... ...waar blijft die jonge? Hij moet gaan kerk bidden toch! Met Onze | |
[pagina 554]
| |
Vader en Maria... En met een ganserhart zo groot, zo vol van levenslof dat... santa! Santa...!! Is jij bent daar aan 't komen no? Jij met je levensboot no?’ Zijn adem, adem van 'em, daalde, zachter dan hemel die op weg was te verzinken, in hel en diepe vuur die brandde ondergronds. Uít granp'pa steeg een damp van dooie angst. Vergiffenis, hij vroeg 't met geen mond van hart, of spraak van buik die diepte was in neger z'n gedachte. Gordijn, even 't waaide daar aan raam in wind met z'n beroering. Dat vuilwit van gescheurd gordijn.... ‘Engel met wit, engel met wit van lichaam, witte jurk zo! Engel, hij gaat me komen halen no? Engel met gouden krans van goud op goud! Engel op witste wolken gaat me komen redden hier! Ach, engel van Den Heer! Scharrel niet bij dit gat hier in die grond, waar navelstreng van me begraven is vlak na me worden geboren hier, zo lang geleden! Ik was eens minder nog dan slavenbuik, een heiden in de worteling van het menswordendom! Dan zo ben ik gekomen, op de grond geworpen en verlost! Eerst uit een swarte buik, ke!, ke, mi gado!, ke...! Dan van me heidenheid! Gedoopt! Gedoopt! Santa! Verlost van zwarte ketenen aan ziel! Ke, mijn tijd! Bonjogron n'e mek' boen dede no?: dood schept alleen maar dood van ziel fo eeuwig! Nu, vóór ik ga, geef mij...!’ Hij vróeg niet om vergiffenis! Ope? Wie? Hij? Aan wie dan zo? Aan granm'ma die 'em had gediend? Hij die d'r had vernederd, gebokt met snauwen, onder de voet gezet en platgelopen? Granm'ma die nie terug ging komen? Vergiffenis te vragen aan een mens was sowieso geen ding fo deze grani papa! Laat staan aan granm'ma, met d'r negerachtig afgodisch-heid! Nono baja! E'en! Nee! Nee! Nee! Een ‘nee’ nog levender dan vlees en bloed! Even ademde diep alweer, hij adem. Schoon geen wind iets in die kamer kon verroeren, dan vieswit van gordijn alleen, aan zoom, voelde Mandwe hoe iets voorbij was aan het gaan. Dat ding leek net, of iets uit deze tijd verdween, verdreven werd na' toekomsttijd. Net zoals ooit persoon uit andere tijd kon komen (een mens werd door vooroudergeest bezet, bezeten), ging nu iets aan z'n kindergeest vooruit. Iets, wat hij met z'n jeje nie begrijpen kon. Misschien, omdat 't was, jeje, Jeje, zèlf! Dan al dat andere, viel tot het niets van ledigheid. Kijk granp'pa daar, met rochelbrochelborst! Ademtrekkend als een felore paard dat kracht nie heeft om lichaam te doen draven. Een mens, | |
[pagina 555]
| |
was paard fo ruiter no? Ruiter die geest was op 'em. Jeje, had een mens als paard te ruiter no? ‘O, waarom slaat dat uur zichzelf niet? Het slaat die toren, 't slaat stad en mij! Mij hier, ik moet gaan kerk gaan! Aajbaja! Aaj! Aaj, mi gado! Aaj! Aahhaajaajaajjah!!’ Hoe zuchtend diepe zucht kon zijn, door zelfversterking als 't leek, uit keel z'n praatse kracht gewonnen, één wreeddadige verpletterende werkelijkheid! Werkelijkheid die de ogen aan kan tasten met de traan des doods! Granp'pa, hij huilde geen verdriet, hij zuchtte van een innerlijk gezang. Dan kijk, Mandwe, met kleine droge ogen kijkzaam. Kamer, kamer fo hem was met een aangewaaide schoeneschoonmaakding geur, netals een schone bidprent, vers van smaak, nieuw van gelofte; het geloof dat simpel uitgedrukt is in figuur: bovenste kant der prent de hemelen. In meervoud, door de bisschoppen en heiligen bevolkt. Kijk, kijk met opgeworpen ogen no?: blankblanke mannen met hun mijters! Allen in hemelen met hun versierlichaam. Aan god's rechterhand zetelend, hun zielen gebeiteld in geluk tot in de eeuwigheden. Dan dááronder op danswolk, tussen de wieroken, Maria, moeder en maagd! De bemiddelaarster, 't vleesmedium Gods! Dan ónder dien, de uitgeteerde heidenen en zondaren, zwarter geblakerd dan dat negerkind Mandwe. Duivel was zwart, neger was zwart, heiden zwart en zondaar zwart. Zwart, met geweeklaag en geknars van tanden. Alles wat zwarter was dan 't heilige van wit, vermoordde z'n granp'pa! ‘De tijd moet altijd weer terugkomen, om zich met herbezinnendheid te wreken! 't Komt, komt 't optijd! Haaj! Ik kauw me tanden hier in me gebit! Santa! Santa! Heiligheid der hemelen! Mama Maria! Kaba, gi pardon! O, geef vergiffenis, Gij die...’ Dan wante so, eensklaps vervreemdde heel granp'pa z'n adem van z'n borst met long! Hij stak de lucht die hij had ingeademd in één groot geworpen blik op diepte! Kijk... kijk die wolk daar aan hemelboog z'n ingang zweefzaam! Wasdat Maria?...Tan?! De hemel, was een stinkend hok, een negerkrot die hut was, dieper dan 't oerwoud ruimte knoeide! Gevlochten bladeren omarmden een interieur. Bij binnenste van die hut, op grond, op bed van droogdorre bananebladeren... daar... daarzo lag die Maria uitgespreid van benen: een zwarte negeres, met dikke haren aan haar middengat, dit, als dat vuildikste weefsel der Tarantula's! Trommen, met wildheid sloegen! | |
[pagina 556]
| |
Bonoevrouw, die medicijnvrouw die voor hem Maria lag te zijn, kronkelde met haar hele onderbuik in slangendans: ‘Kwoekoekoekwoen kúúúkoekwè! Kom dan, mijn swarte luipaard! Scheur deze prooi dan! Whán!!’ Haar maagdevel, Maria's, lag daar tussen schoot en blootopen! Zwart, zwarte spinnegat, bedekt met dik kokende mos. Met middenin, een huid van een of ander mensebeest. Vel, met een dikke soort van olieachtigheid! Dampende hitte uit haar onderbuik, terwijl die ratels ratelslagmaat sloegen in d'r handen. Haar borsten draafden harder dan die golven van de zee in schudding. ‘Koekoekoenkoen kwùùùù!’ Granp'pa! Hij voelde hoe z'n onderbuik zwol als een stam van zwartzwart hout en taai en dik en wrikkend door de ruimte gaand, stam met swaarsware omkantelingdrift des lichaams, stam die de poel des huids vertroebelde... Diep, dieper dan diep, drong hij daar in Maria's voorgeborchte... en drukte zielestempel uit (onder verscheurende verscheurendheid) in alles, alles wat ooit de klap der vleeswording had overleefd. Hemel en hel, zij scheurden wee uit met gedaante! Dan keek hij, ziensoog werpend in 't buikmidden-oog der allerzwartste vrouw vol medicijnmagie... Maria, de door hem ontmaagde! Bonoevrouw! ‘Huuuuhhhh!!’ kon granp'pa fo enkele sekondenhalfjes uitbrengen. Dan viel hij in gedachten dieper dan zijn in de kerk versleten mishandelknie hem dragen kon op aardse godsbodem: ‘Santa! Ho! Santa! Hosanna Santa ho... jjjjj! Duivelse zinsbegoocheling! Vergeef deze mij hierzo!’ Net of hij winti kreeg, een negergeest in 'em. Ma' Mandwe keek, nooit echt hebbend geleerd verschijnsels zoals deze goed en beter te gaan schatten. Hoe kon hij weten wat die waarde van dit uiterlijk gedragen was? Vergetend vergat hij hele bidprentding. Keek, gooide oog op z'n granp'pa. Was deze in hemelse verrijzenis aan 't herboren worden? Zo'n ding zo, innerlijke emosie, van buiten uitgestraald.... Dat ding bleef stil. Koudstil zelfs. Granp'pa, met ligging vertikaal stond geestelijk op benen die hem wegenwaarts opschrompelden tot verten. Want kerk riep. Want kerk gilde. Ma' was z'n lichaam zieker om te gaan dan om te sterven binnenshuis en -huid? ‘Mandwe,’ pakte hij woorden op en wierp ze spreekzaam die knaap fo de voet. ‘Geef je granp'pa een mondje water te drinken no? Ga-kom-breng water, la' mij die hier ligt me nek natmaken.’ Dan, antwoord kwam niemeer, eerder met vlucht van jeje vlood de rust de kamer binnen her. | |
[pagina 557]
| |
Totdat het woord kwam weer uitbreken. En elk ding, reëel of niet, aan stukken viel. Dat knaagdier met z'n slagtand knaagde. Knaagde met mond zelfs illusie van de heiligheid kapot. ‘Mi boi o...’ Dan kwam dat woord dat viel zonder dat spraak vervallen kon... ‘...die wand is kaal! Zo kaal dat als je 't streling geeft, je hand vonk slaat! Want 't is warm ook, van buitenzon! Is daar begint die dag no? Ooooo...! In plankenwand hier no? Houtskoolhuis dat nachtlang gloeit tot morgenrood! Ma' dan, wanneer gaat middag komen? Wanneer den avond? Met vuur en vlam en licht en lood, lood om die slaap aan hoofd, des nachts, met dromen te verzwaren. Zodat een mens kan rusten. Alsof hij in een put is, zo ondergronds dat daarzo geen enkele vreetworm kan komen storen, met tanden zetten in z'n goed verstand. Of met bijtmond van grondworm, die nie fo nèks is aan 't kruipdwarsen zo diep! Een worm die de grond doordwarst! Daar, voorschot opetend van aardse schoot! Met kauwen ook aan ziel z'n nood! Jeje disi?! Jeje, geestdom van ons mensen, chm! 't Geeft me, om me béd te laten schreeuwen, dat 't moet worden bijgeschroefd tussen vergane dekens over mesthoop! Mesthoop die is toegedekt fo broeikoorts, broeikoorts met z'n energie die tijd geeft om 't woord te kauwen, te herkauwen, zeven malen te verwisselen van magen... en dan te worden, buikloze blubberhol, met schreeuwmondwoord die talen slaat met zweep van dikwordende takken van de zangplant, zanggetijde, jubeljaar, daar onder hemel's platte dak met goudkettingen aan de rand d'rvan, waarin de tranen zijn geloodsd van mensen die nie wisten wat ze wenend huilden... om dán te mogen sterven, puur van zieledorst en droog...! Mandwe! I boi! Kom me nek fo me nat maken no? Ik breek een zweet uit dat 't nie te zeggen is! Ik denk me tijd! Ik doe me nèks! Dan weef ik met gebaren van me handen, een kathedraal die hoger is dan toren van de paus z'n doodskapel! Relekwie! Relekwie! Jij bent geen doodse rest fo me! Jij bent... jij bent... jonge! Mandwe! Zit nie zo met je aanwezigheid op mensen hierzo! Je zit, je kijkt, je kijkt... Sooo!! Is nie dood zijn ze aan 't kraperen! Is... is... míjn god! Koenkoenwatra rent over me onder-achterste! Ik loos een waterpoep die uitbreekt uit me bille! Nee! Roep geen zwarte grootmoeder om op te | |
[pagina 558]
| |
komen lopen ruimen fo me! Zij moet wegblijven!, weg!, weg, ver van me lichaamsspoor gehuld in kleren van de stonden van mijn slaap aan sponde van Den Heer! Het zal een kreet uitbasteren aan lucht: binnen de keer van de getijden vindt men wezens! Zij zijn de makers van de nachten! De nachten druisen in tegen de dood! Dede na koenkoedoe: de dood is de almachtige in al zijn schijnsels die géén mens komt halen hierzo. Ke! Ach! Als 't dak kon lekken, no? Al was 't lekkend licht, een roestplaats, gat in 't dak, met doordruipen van zon z'n afgevaardigde, wat schijnsel is! Een tweede zonnestraal, niet vallend op me oog, zoals die daarzo, die ik zie!..... ma' lichtschijnsels als vuurstenen, fajasiton, die binnendruipen in me mond! En die me adem geven, zó branddorstig, dat ik voel, de natheid van mijn nekgat. Licht dat voor mij als water dient... In plaats van dat ik woorden afvaardig, die nooit genegen zijn om meer terug te komen! Zal die brandhaard van me hart hierzo gekoeld raken...? Wat zeg ik dan? En?! Ik geloof, me hoofd is groot aan 't worden, zo groot als keisteen die geen niemand op gaat kunnen tillen! Ik verwonder met me groeiende verstand, hoe ze gaan dinges doen, wanneer... wanneer... Kijk: bloed en traan en zweet no? Al me kleren aan me lichaam, laten me van nattige soort vuilheid drijven! Dan me nek hierzo, net vuursteen, zó droog is 't, dat 't spuwsel maakt van bloedgedikte stolsteen! Aaj, aaj, me vinger aan me hand, 't wil zweten, dat ik 't even wou gaan oplichten en brengen na' me gezicht, om hier in me mond te steken en een vingertop te zetten op me kleine tong, hier, achter in me mond, om heel even die droogheidsgrens te breken no?.... Nono, 't gaat nie wensen! Vinger wil niet! Hand wil niet! Me beweging wil ook niet! Kracht wil niet no? Ma' ik wéét! Chchnnn! Ik wéét! Me kracht gaat wensen dat ik vinger ín me nek steek, diep achter in me mond, om uit te spuwen, zeven magen lang, één buiktori, alles wat ik me hele leven lang heb opgekropt! Of 't gaat willen, dat ik vingerwurging pleeg, met vinger in me nekgat gestoken no? Dan ben ik gekker dan een gek konijn die rond springt op twee benen maar! Konijn die een mens nie kan begrijpen! Kijk hond! Kijk kat! Vooral van hond: hond is zó ontroerig slim, dat 't loopt op vier z'n poten! En 't bedelt: ‘Baas, geef me no? Je eet, je eet! | |
[pagina 559]
| |
Dan laat je geen enkele rijstoogGa naar voetnoot12 zo, op je kale bord fo me! Laat een botje fo me achter hoor! So! Want is nie fo nèks heb ik me hondebek hoor, so! Tel me, wanneer je je maagvuldinges doet! Want ik ben hónd en ik bewaak! Ik zorg me leven lang fo je! Ma' ik heb zeven magen ook, al zijn ze nie zo groot als die van jij! Ik heb me grote tand, achterin me mond, speciaal om botjes te kraken! En buitendien: ik geef me trouw altijd! Dus nú moet jíj me geven wederom! Geef eten baas! Eet niet alleen! Anders kunnen we zo nie leven, hoor je? So!’ Dan baas kijkt hond aan no? ‘Aaj! Deze hond is wijs hoor! Hond is met wijsdom geschapen! Ma' dan ik no? Moet ik me hond van me eigen bord met eten geven? En?’ Grootmoeder was geen trouwe hond. Mandwe ook niet. Jeje misschien? Stilte zweette, stilte hoestte, stilte braakte z'n braken daarzo. Een lange dag kwam schroeiend aanzonnen. Jangose, na mi dé tide!Ga naar voetnoot13 Een negerlied vol van behagen!: vandaag een dag van vrije drang! Met zang ook, zielse drift en vrij geuit! Want zelfs brandmerken in je huid, ze vallen af, wanneer een lichaam in ontbinding gaat. En ziel ook, die geen sporen achter wenst te laten. Jeje, jeje disi! Vrij van de marki, tekenen van het geschroeide wezen, in kudde, langer aandravend dan dagen lang zijn, kudde in het zicht van mensen, donkerzwarte kudde, dravend na' de vertes, vol stof en zweet en vol geluiden die de schreeuwen zijn van wat geweest is: de ware klanken van de klokken! De ware zweepzwoei van de slagen!, sjjjwippi!! Dan ook, de ware schreeuw aan ziel! Jeje, jeje disi... Tata, Zwerver van Alles, Overal en Iedereen! Jij die het Zelf, Jeje hebt gemaakt, en Jeje was, en Jeje is! Is Jou bid ik, om vrijwording van heden! Netals die man die nie kan varen, omdat zijn korjaal geankerd is aan ankersteen op bodemgrond, visbodem, alwaar hij op z'n vangstgang een liaan gegooid had, om die boot met steen d'raan te gaan vast maken!, ankersteen! Boot die hij net zo lief heeft, als Zichzelf! Dan stroom daarzo, in Kreek, 't rukt aan Hem, met levenskracht.... Laat mij die visman zijn, met volle vangst! Ma' dan ook, zónder ongeschubde vangst van geen vis in mijn boot, boot die moet vol zijn fo het Hongerige Huis, daar, op mijn enigste Plantaasje! Dan keert die boot, met ketting wordende liaan van visman die in een verkeerde tij gaat vissen, niemeer terug.... daarzo.... vastblijven zittend.... | |
[pagina 560]
| |
Sla mij niet uit de praat van iemand, die met verloren geest in brabra wartaal uitspuwt met z'n mond! Ma' vorm Mij tot de mond die is, sprekend gelijk zijn Zelf, de Mens, zijn Kra, zijn Jeje, die getuigenis afgeeft van teken: sprekende stroomversneller.... waterval...'t breekt liaan, 't voert z'n boot terug.... korjaal op snelle grote drift... en visman die kan verder gaan, terug... Amen-oooooo....! Amen.....! Aaaaaaamen! Met bevende hand gaf Mandwe z'n granp'pa dat water aan. Dan deze dronk... glok! glok! Maakte z'n nekgat met dorst lessen nat. Mandwe, hijzelf, keerde na' die deur. ‘Waar ga je dan?’ ‘Is tijd, ik moet weggaan granp'pa!’ Knie schuddend, en met huis-uitkomend-gevoel, liep hij, óver die drempel van dat huis daar springend, na' verder, buiten, weg..... Granp'pa, nie wetend of hij ooit terug ging komen. Ma' dan, hij Mandwe, ook nie wetend waar te gaan. Misschien misschien, telaat fo kerkmis op zó een dag! Misschien telaat ook om te kijken waar dat negerspel Lakoe was. Misschien, tijd fo een eigen soort van eredienst, daar zittend op die grote steen. Totdat hij goed besef had, dat die steen was weggehaald, allang, één groot wijd grondgat gapend latend...
A KABA: UIT
Edgar Cairo, Amsterdam 16 maart 1979 - 28 mei 1979 |
|