Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 434]
| |
Hoofdstuk veertien(46)En???????? Eén langgerekte vraag in teken, met zware neusklank van de n, zodat 't klonk als èèèèèèng???? Dan nogd'rbij, gerold uit mond van zo'n inlandse figuur, vol met dat melodieuze, een hele notenbalk op en neer dansend, verwonderingsgevoel geuit. Met nóg zo'n woord, een táááááángggg???!!! Tan!, wachte hoor.......! Wat had dit ding te zeggen fo mensen dan? En?! Baja! Hij was geen inlandman, Gerber professor die hij was, een bakra, opmakend zijn laaste maanden. Hij, hij was - ach, wist een ieder in het land toch - díe en díe Europeaan, daar in dat groothuis, met alle geweldige dinges d'raan. Een huispaleis om zo te zeggen! Dan nu stond hij, met alle menselijks van zijn verwondering. Fo wát dan zo? Hij had 't nieuws gehoord ook, daarzo, op radio. De val van Brummal's vriend, De Moor. Een val, die hij nie zelf had veroorzaakt, wèl gezocht..... Hij wraakte. Die van Janki geleende kookster, nu Mai was weg gaan blijven, kwam 'em een glas koffie brengen. Koffie gebracht, in hete zon. Nee, geen anders, wou hij drinken. Ben je belazerd? Met zo'n gemoed zo vol in borst? Dan liever basterde hij van kwaaie zenuw! Ze hadden hèm te pakken genomen, vond hij. Daarzo, dat bericht! 't Kon eenvoudigweg niet toch? En?..... De Moor ontslagen, met al die opgeroepen spanning in Ons Eigen Dinges! En hij, de enigste Gerber Mann, was niet de man geweest die dat gedaan had! Wacht! Hij brak z'n hoofd, hij dacht! Hij peinsde vlot. Dit... kwam misschien zelfs neer op een geraffineerd komplot! Stel: ze hadden dat ekspres gedaan: hem die papieren gezonden, die | |
[pagina 435]
| |
middag, via die domme Floor, en via een onbekende vrouw! Ah! Een onbekende vrouw no? Dan zeker iemand van wie nooit en te niet, die naam mocht worden gekend! Een stille getuige van hun kant! Om hem met deze zaak te kunnen treffen! Hem fo gerecht te slepen met valse beschuldiging van stelen van andersman privé! Zomaarzo, hem klem te zetten met een pakket. Juist dat, wat hij zo fel had gelust om in handen te krijgen! Deze papieren: Máááááááánggg..! Ik geef geen tori! Ik ben gefáárlijk toch! Wat? Dat vervloektese geschrift uit handen van die Moor! Alles zo goed en echt! Een val, fo hem, echte professor, opgezet! Dan had hij 't nie gezien! Wachte! Voor hij zijn vrienden bij justisie en anderen ging kontakten, om zich alvast in te dekken tegen polisie, gooide hij weer oog op dat papier.... ‘...Jullie letten nie op no?’, schreeuwde meester Bandai z'n schreeuw voor 'em. ‘Dalek gaan jullie hanepotenmensebenen schrijven! Alles zo krom krom, als met apevingers! Dan gaan jullie zien wat gaat gebeuren! Die vervloekte verminking van zijn blanke taal! Hoe durfden ze, met hun kwaaie mond! Die ellendelingen! Ze mochten blij zijn, dat ze ooit door toedoen van Europeanen hadden leren schrijven! Ja, zo was dat! En zo bleef dat ook! Hij, man met perfekt hoge graad van onderwijs kon weten! Tenslotte was 't nie fo nèks dat hij geroepen was. Fo verbetering van de onderwijsstruktuur no? Die apen! Dat vijfentachtig procent van ze bleef zitten, door toedoen van een diepe onvoldoende fo taal! Rekenen konden ze niet, al hield je ze twee bananen voor en vroeg welke van die twee ze wilden eten! Dan nog durfden ze je te zeggen: ‘Allebei meneer!’ Konstante zondeval, zo noemde hij 't, hun gebroken hersens! Dan was hij hier gekomen. Had een snelkweekplan opgesteld. Kostbaar, dat | |
[pagina 436]
| |
toegegeven. Ma' eenvoudig fo 't welzijn van de natie! En dan toch, niemand wilde hem onderhand bijstaan d'rin, niemand. Zelfs die Janki niet! Wacht, die lafaard! Hij zou 'em treffen! Z'n proefschrift lag klaar toch? Hij zou zulke dinges zeggen, dat Janki kon afreizen met het vooruitzicht op nog minstens een jaar werk! Dan kon hij levenslang fluiten na' de kwalifikasie van ‘eksellent’, ‘briljant’, ‘cum laude’. Wat? Hij mocht blij zijn, dat hij niet teniet zou worden gedaan, in al zijn arbeid. Ma' Gerber dacht, hij kon dat ding nie maken, om Janki's werk te verwerpen. Want dat zou al te duidelijk reden geven fo praat, over hem, hij, Gerber, zelf. Hoe slecht hij als leermeester zou zijn geweest. Nee. Dat kon niet. ....Senikolaas kwam weer op school..... Wat? Stop! Stop die nonsens! Hij duwde dat boek van zich af, dat manuskript. Gooide per ongeluk koffie d'rover. Ma' ergens was hij blij, te morsen met 't. Nee, geen vloek uit mond, of 't moest zijn dat zijn kristus diens god in de steek kon laten! Ellendig gewoon. Dan zat hij. Zonlicht leek 'em schaars te benaderen. Z'n lichaam hing een beetje; alleen, je kon nie weten aan wát. Kijk, hoe hij was, bezig gedachten te produceren, daar, in de zolder van z'n gezicht, met rattenesten misschien, duivepoep, uile-koenkoen, ander luisgedierte... alles zo, huizend in dat nooit verschoonde zolderstuk van dát stuk woning, zwaar en vervallen. Een grote blankbleke façade... 't Kon toch niet? 't Moest bluf zijn! Bluf.... of bedrog! D'r was maar één persoon, die hij gevraagd had, om advies. Na 't krijgen van dat manuskript, liet hij met spoed een kollega van Ronalds halen. Neger | |
[pagina 437]
| |
no? Zo'n neger ook! Ma' die wilde de volkstaal. Hij was vuurvlamvaster aanhanger van een zeker Papa Koendar. Volkstaal als landstaal! Die idioot! Afèn! Die was tenminste zó echt kristelijk, dat je van z'n blanke ziel (hij lachte, Gerber,) kon verwachten dat hij tenminste de waarheid sprak. Een man ook, met erkende weten van wat gaande was bij armen. Zo dan had hij 'em geroepen. ‘Gaat u zitten, ja deze stoel hier is goed.’ Dan gooide hij z'n oog op 'em: een neger in spierwit pak. Hij lachte, Gerber, dwarsdiep door zijn goeie gemoed. Ach, dat ze nu zó aapachtig alles imiteerden! ‘Eh ja! Ik heb u laten roepen, voor iets zeer vertrouwelijks. Dit... is een manuskript.... ik kan u helaas niet vertellen van wie. Maar wat ik van u zou willen weten, is alleen of 't authentiek is. Ja, echt, of 't echt is! En misschien dat u een idee hebt van wíe. Dat vraag ik, maar ik geef géén reaktie op uw antwoord, begrepen?’ 't Was begrepen, met in no time antwoord: ‘Dit.... is écht Surinaams-Nederlands! Zo als 't leeft! Ik kan 't echter nie goed keuren. Mi abi mi Sranan-tongo foe taki...’ ‘Jaja, geen geklets nu! Van wie is 't denkt u?’ Een denkmoment. Fronsend voorhoofd, met zwarte plekken, de rimpels als ribbels dik vlees onder dat loshangerige zachtkroese haar. ‘Wachte! Maar één man kan zo'n ding hebben: Ronalds! De Moor!’ Dan herhaalde hij zich: ‘De Moor! De Moor! De Moor!’ Net of hij vloekte: ‘Die M'moer!’ Ma' zo kon híj nie zeggen toch. Zeker nie vanuit z'n blankbeschaafde opvoeding ondanks negerafkomst, met zachte zeden vol van gedienstig godsdienstig handelen, overschrijdend de echte schaapsheid van rechtschapenheid en zelfs puur onderdanigheid betekenis gevend... Van Gerber, geen enkele enkele reaksie, zelfs geen rose worden in plaats van rood. ‘Mag ik vragen hoe u eraan komt?’ ‘Ik? Ik heb je niets te vertellen, goeie zwarte!’ ‘En wat u gaat doen d'rmee? Ik bedoel: 't is een goed middel om die man aan te klagen! Wegens schending van onderwijsbevoegdheden, wat zeg ik?, wetten! Onderwijswet trapt hij aan zijn schoenvoet! Want kijk.... hij heeft twee kinderen die hij les geeft in zijn soort Surinaamse taal. Iedereen praat van grote schande d'rover! Die vent heeft een bananebakoveschil moraal.’ (Alwéér was 't een neger zelf die die negerzaak z'n nek omdraaide.) | |
[pagina 438]
| |
‘Een wat?’ Gerber, hij veerde op. ‘Laat me nog even zien, meneer, danki danki! Ik kan nie geloven dat 't komt van iemand anders! Chm!’ Dan loerde hij, terwijl Gerber 't wegtrok onder z'n ogen. ‘Mi tata! Dus u hebt 't in handen gekregen no? Dat werk dat hij doet, op schrift? San??????? Puur matriaal om 'em...!’ Dan zweeg hij, net ofdat hij iets wou kwaads zeggen, ma' dan heel snel z'n mond kwam hij te houwen. Nee, nu geen uitspraak meer die hem kon kompromitteren! Gerber, hij zat. Hij dacht nu, aan juist dat gesprek van toen. 't Kon nie waar zijn toch, dat met groot bluffen die kollega daar op school van De Moor, hem had laten wegjagen? Met weten, dat elders wel degelijk bewijs in handen was van iemand anders? Ongelofelijk! Met hem, professor Gerber Mann, als levend bewijs no? In dat geval was hij dus puur slachtoffer! Wat? 't Slachtoffer van zijn eigen opzet? 't Kon gewoonweg niet! Nee, 't was een echte val! Die Brummal vooral, hield iets voor 'em in petto, fo dat papier juist! Hij voelde 't, met alle intelligentie van 'em! Dan als die kollega van De Moor had geweten, wat hij, Gerber, verder van plan geweest was.... Om die kinderen van De Moor, die kwekelingen, thuis te lokken, na' Janki. En dan, bij toeval ook daar zijnd, met getuigen, Gerber, ze te overhoren. Dan wanneer tekst van manuskript en tekst van hun gesproken les opbiechten overeenkwam, was het bewijs geleverd dat die enorme ploert van een Ronalds daadwerkelijk ze lessen gaf. Een bewering, elke, in deze zaak, kon hij doen nu, met bewijs gestaafd. Dán pas, kon hij 'em zetten onder dubbele druk. En daarna.... die zaak Brummal.... Haha! Janki had gedacht! Hij zou gaan vakantie nemen in het binnenland? Die alles ontvluchtende ellendeling! Hij mocht gaan ja, bang en lafaard van hoofdrol! Als hij had gedacht dat men hem kwijt was, voor die zaak De Moor... dan zou hij, levend bewijs zijn, juist in konservatie.... voor die zaak El Negro. Want die zou groter zijn, een goed schandaal! Dan hij, tevoorschijn zichzelf makend - op bevel natuurlijk, met telegram uit stad: direkt komen. Punt. Het Kollege van Landsbestuur heeft je dringend nodig. Punt. Dan, in het openbaar, een verhoor. Kijk, die ouwe Brummal zitten met geknarste tanden! Toeziend hoe die kleinzoon van z'n broer in het | |
[pagina 439]
| |
openbaar van zijn titel vervallen zou worden verklaard. Een goed groot schandaal ging 't geven! ‘Hm,’ dacht hij, ‘hm! Ik heb toch wel geprobeerd om goed te wezen voor ze, allemaal, stuk voor stuk! Jan heb ik nooit laten vallen op het punt van wetenschap. Hoewel hij zich vergooit aan negerijen! Zonder één schaamtegevoel doet hij de vreselijkste dingen met ze: afgoderij...... Ik heb er zelfs foto's van gehad! Van Floor, die onnozele Flamingo! Je kan zien dat ze meestal op één poot staat in 't leven... hm! Als ik dit vertel, sjonge!, daar in Europa.... hij krijgt nog geen jodenstoel om z'n onderste erop te leggen! Die heidensbarbaarse idioot! Kijk nou maar: zelfs die Moor, heb ik trachten te sparen. Ik heb gewacht.... gewacht verdere stappen te ondernemen. Niet direkt iets gaan doen, kinderen laten komen, nee. Maar overwogen of 't niet anders kon, ook al kreeg ik eerlijk gezegd 't kwade gevoel dat ik de schijn van lafheid op mij begon te laden! Maar gelukkig! Met moed heb ik besloten om de volgende stap te doen! En nu... nu dit! Ik kan er werkelijk geen zier van geloven! Igna! Igna!!’ ‘Eh.. ja!’ Iemand kwam aanzetten. ‘Ik wil m'n vrouw zien! Geen bediende! Nette! Ga en roep m'n vrouw voor me!’ Mevrouw kwam, met d'r looppas aan d'r voet. ‘Wat scheelt je Igna? Je hinkt! .... kan je die vrouw niet leren om eens wat goeie koffie te zetten? 't Is pure prut!’ ‘Maar lieve man!’ Ze protesteerde. ‘Dit is toch geen tijd voor koffie?’ ‘Wacht even! Wie is hier de baas! Jij of ik? Schiet op! Ga een doos lucifers halen voor me! Ik moet met spoed iets doen!’ Ze ging, kwaad om zo'n ordinaire terechtwijzing. En dat notabene niet in slaapvertrek, maar met bediende vlak op ze! Kon hij besef hebben van wat hij deed? Hun hooggeachtheid te lande ondermijnen! Ze hoopte dat die Nette geen praat-maar-raak was, die buiten ging lopen vertellen wat ze zag! Want anders....! Ach, die Verwoeven konden van zulke ordinaire voorvalletjes beter niets weten. Ze hadden zulke lage omgang met negers... Dan kwam Zus Nette, met een doos van lucifers: ‘Asjeblieft meneer!’ Hij keek. Hij zag níet dat ze knie boog voor 'em, zoals die andere, bijvoorbeeld Sisi. ‘Waarom geen buiging?’ vroeg hij terstond met alle mond. ‘Eh, met permissie, ma' m'neer Janki zelf heeft me afgeleerd! Hij'ft gezegd: dien de mens in de bakra, ma' dien geen blanken!’ Gerber werd vuurrood. | |
[pagina 440]
| |
‘Wat? Jij bent zeker ook al verpest door die ellendige beweging van hoe heet 't......’ ‘Ons Eigen Dinges’. ‘Juist! En sta dat niet te zeggen hier! Je maakt me zenuwachtig! Wie heeft jou toestemming gegeven om je daar te mogen vertonen?’ Ze had een lichte aarzeling, als een bochtje in een straat, om bocht te snijen en dan fullspeed door te reesen. ‘Eh... ikzelf! Ik ben een waardige vrouw, meneer! En buitendien: ik heb een negerman gevonden, die me na' dat soort bijeenkomst dorst te brengen ook. Is mensengeluk zoeken we.’ Hij stond perpleks, waar hij aan 't zitten was. Wat? Als... als ze zijn eigen bediende was geweest en geen geleende, door Janki betaalde voor hèm, ook in die tussentijd, zou hij haar op vliegende poot ontslag verlenen. Als een kaakslag, laat ze op straatsteen gaan platten! Dat wijf! ‘Ga weg! Ik wil alleen zijn! Nee, ga, maak maar een kop koffie!’ Dan ging ze, Nette, rokschudderig. Vijf kinderen, nie minder moeder, als zij vrouw was nu, dienst doende. Vorige dag had ze geklaag geslikt. Jonge! Meneer had losse buikGa naar voetnoot1 gekregen, vond hij. Hele dag na' w.c.! En dat door haar, vond hij! Ze wist nie te koken! Had uit negorij een infeksie fo ze meegesleept! Met buikpijn! Geen wonder dat hij nie was op kantoor, ma' nu was aan het zitten op beneden z'n terras. Dan nu, ging ze na' binnen, koffie maken. Fo nóg meer losse buik, je ging 't zien! Net, toen meneer die lucifer uit doos pakte, met overwegen of hij 't manuskript nie beter kon verbranden, kwam die suffe bol, Aleksi aanlopen. Ja, hij kon 't beter verbranden, de zaak was toch al openbaar... nee, is beter deed hij 't niet nu, want, een stille getuige.... Aleksi! ‘Aleksi!!’ ‘Ija masra? Masra roept me no?’ Die dommeling! Hij hóórde toch dat zijn meester hem riep? En? ‘Ja natuurlijk roep ik je niet! Maar ik spreek wel tot je!’ ‘Ija masra! Grantangi masra! A dé moi sote....’ (Dan herhaalde hij z'n eigen woord:) ‘...Die dag is mooi, Meester! En ik geef u dank, fodat u aan me mond u oor wil zetten met horen wat ik heb te zeggen!’ Die ellendig ongeschoolde aardworm! Dat geen wilde lokvogel, | |
[pagina 441]
| |
vallend uit luchtruim, hem kwam opslokken! Zo'n worm, die fo niets dient, niets, nutteloze figuur! Goed alleen om de wortels te verzorgen van het plantaardig woekerdom! Hij lachte, met scherpe professors intelligentie, om z'n vondst: een aardworm en tuinman, beide wortels verzorgend... ‘Alex!’ ‘Ija masra?’ ‘Keer je onmiddellijk om! Nee, niet op je kop gaan staan! Asjeblieft! Die stommiteiten van jullie hangen me allang de keel uit! Je moet.... je moet je lichaam van voor naar achter omdraaien... goed zo...!’ Dan toen Aleksi omdraaide, griste Masra Gerber met de vlugste hand het manuskript van tafel, stopte 't onder z'n mooi gebreide Europese mouwborstrok, waarin hij zat te zweten, met z'n koffiedrinkersmond. ‘Zo! Dan keer je je direkt weer om... nee niet.... hèhè!’ Hij keerde, loerde, of Alex had gezien. Die dommeling, met strohoed en driekwartspijp, had nèks gemerkt van papiers verdwijning. Zo! Eén oerstomme getuige minder. Je wist nooit wat je had aan 't personeel, nietwaar? ‘Alex? Hoe vaak heb ik je niet gezegd, dat je een lange broek moet dragen? Deze, dit... zwembroekje! Het is geen gezicht voor nette mensen! We zijn hier in een deftig huis, weet je dat? 't Is niet voor mevrouw of de dames binnen alleen dat ik het eis (op dat moment kwam iemand aanlopen), maar voor al mijn bezoekers! Nette mensen zijn het! En aangezien je zelf ook netjes bent, nietwaar? verwacht ik niet dat jij hier rondloopt als een aap gekleed! Kijk eens, al die vieze rotharen op je benen! Bah!’ ‘Masra! Ik heb geen cente fo een nieuwe broek.... dus draag ik een gebrokende. En als ik aan het bukken ben ook, krijg ik scheuren. Prietbille meneer. Scheurbroek! Is daarom draag ik lapding deze!’ ‘Scheuren? Nog erger!’ Op dat moment, Aleksi, wie ging weten of 't was ekspres, draaide zich om nu, (ómkeren) en toonde het gapende gat van zijn bille, zonder onderbroek eraan! Zo met z'n tollie en z'n plooibal! Broek helemaal gescheurd, vanachter, vanonder tot boven, alles wat daar reette. Míjn god! Als je zág! Gerber, hij schrok zijn lebbers af. Jeses en antikrist! Wat was dít fo iets nieuws? ‘Is zonet zonet gebeurd meneer! Ik wou net zeggen...’ Dan bleef z'n stem stil steken. Hij, hij slokte. Meneer keek schuins | |
[pagina 442]
| |
opzij, na' waar Aleksi ogen gooide. Daarzo, stond geheel ineens en al, volle aanwezigheid, in bloemdress, fleur zijnd met natuurvol overvloedig alle charmes... Gravin Guyave! De Mulattin! Wat deed zij daar? Fo jesesfaam? Wat had ze daar te zoeken dan? ‘Ekskuus!’ Bliksemsnel trok ze zich terug na' in huis. Als ze gedacht had: mevrouw is daar en daar... sorry, verkeerd gegaan. Ze ging nu boven. Boren in dat huispaleis, lachzaam om Alex. ‘Ik wou net zeggen, meneer, dat ik... nie kan doen met me maandgeld. Ik heb meer kinderen gekregen en...’ Alex liet mondpraat uit zichzelf praatzaam spreken. ‘Eh... wat zeg je?’ Gerber, in opperste wát! ‘... genoeg! Genoeg! Ik zal de staat om kledinggeld vragen voor je! Je ziet er tegenwoordig weer gezond uit, en dat is op de eerste plaats voldoende! Ga aan 't werk daar! Dát gazon! En daar, die bladeren! Ik vind datje pas de laatste tijdje werk weer naar behoren doet! Mevrouw klaagt dat ze te weinig bloemen in huis krijgt. De grond te slap gemest! Pas op, Alex!’ Dan zat hij, Gerber Mann, tronend in stoel. Hij was zichzelve, groot van wezen. Een man met een groot hoofd, die veel kon weten, hij. Ma' dan? Met geen gevoel fo dinges, sommige. Zoals de tekenen des tijds. Ja, hij zag ze wel, ma' kon geen van dat alles beginnen te begrijpen. Die Eigen Dinges...! Taaldinges...! Autonomiedinges...! Godweet wat fo dinges meer! Die kleine zielen, als nachtkaarsen brandend, zonder besef dat ze deel waren van een pudding. Eén slag maar, zelfs even schudden, en ze verdwenen erin. Dat dus, kon met ze gebeuren, die koloniekinderen! Nu met een grote mond! Als ze geweten hadden. Hoe groots gedachten levend, in Europa. Hoe geweldige kultuur, kultuurtempels, kultuurpaleizen! Geweldige boulevards, rijkdommen, alles, alles, tot aan fabriek met afval toe! Dan deze stommelingen! Menend dat zíj het leven zelfwaren! Met... haha... enig kultuurbesef. Zongen, haha, ‘Waar Het Groene LoofDer Bomen...’ En dan van ‘Trotse Stromen’ ook! Zelfs dat gerijmel hadden ze overgenomen! En dan eis eisend van autonomie! In Koninkrijksverband! Dat die lui in dat Hollandje toch tijd hadden voor zulke nonsens! Hadden ze hun fieters dan niet genoeg vol met de wederopbouw van de eigen landen? Die oorlog, helaas, een smet op wittemans blazoen! En toch: 't kon snel snel vergeten worden. Aldus zijn oordeel, hij, professor Gerber Mann, rasechte Europeaan, wiens bloed ging stromen zwellen bij het horen van de Schönen Blauen | |
[pagina 443]
| |
Donau. Dát waren pas de trotse stromen! Zeker en waarlijk ja, dat! Hij stond op om na' binnen te gaan, Zus Nette, die van Masra Janki geleende bediende, kwam zichzelf aangooiend, tot spoed gemaand door Vrouw Igna binnen. Igna, mevrouw Igna. ‘Doe 't snel! M'n man is kwaad! Hij heeft geen zin in trage gang van zaken! Het land hangt hem de keel uit hier! Vooral nadat hij brieven heeft ontvangen, van onze kinderen! Dat ze ontaarden! Meedoen met rode beweging! Een en al schande!’ Wat? San? Wat was ze aan het zeggen? En? Hm? Zus Nette kon d'r nie verstaan. Begreep alleen dat ze nerveus was, vol met zenuwachtigheid. Dan kijk: die andere mevrouw zo, kwam voorbij. Hoe heette deze? Ze zag uit als een Mulat. O, dat zou ze tegen die man die ze gevonden had gaan zeggen. Want hij had d'r gevraagd om te kijken toch. Wie en wie kwamen, daarzo, thuis. Ze moest goed horen om weer goed verder te zeggen. Nee, geen konkelkarakter zoals Mondradio. Ma' juist vanuit vertrouwen met d'r Niko. (Hij had gezegd: ‘Is zeker zeker fo goeie doel!’) Dan rende ze, om koffie te komen brengen en terug te draaien na' in huis. Toen Gerber d'r terug joeg met: ‘Nee, hier niet! Breng maar boven!’ Na' boven? Ma' daar waren net mevrouw gegaan met die mulatte meid. Net geen Brand 21,Ga naar voetnoot2 met d'r prachtige rooie haren! En geen boomkool ook, nee, mooibronstig bruin. Ferradelijk mooie inlandsvrouw, zelfs Nette moest zoiets gaan denken. ‘Ija meneer, ik breng 't dalek boven! Ma' 't heeft gemorst! En 't is geloof ik nie goed gekomen. Ach, ekskuus!’ (Ze bedoelde dat volgens haar de koffie opnieuw gezet moest.) Dan rende ze, om nieuwe te gaan maken, wat ze had, ekspres droppend fo de helft. Om reden te hebben, dalek ook omhoog te gaan. Zien wat ze waren aan het doen. 't Spande, no? M'neer Gerber! Hij was z'n trap aan 't lopen, na' boven, ónder voorbij na' omhoog, dat wapen in z'n driehoek. Wapen van kolonie, met letters, fruit, kanonnen, vlag & wimpelarij. Hij deed nieteens 't kijken d'rnaar. Had wel een ander ding in hoofd, dan eigen huis, al was 't net zo geweldig als een goeverneurspaleis, te komen staan bewonderen dagelijks. Nono, hij moest fo iets gaan boven | |
[pagina 444]
| |
zijn, Baja, kijk 'em fo je! Onder aan trap, in vazen, grote en zo duurduur dat je jezelf beter dood kon droppen dan ze kapot te breken! Rozen in vazen zo roosrood, zo groot ook, met bloembladen krullend fel en kras, dat ze bijna een soort van mensvijandigheid uitstraalden. Ondanks hun ferradelijk wilddadig heerlijke geurenreuk. Geweldige natuurdinges waren ze, met alle macht van praalpranpran! En bloeiend ook, vanaf hun eerste dag aan huis tot aan hun geslagen verwijderingsuur. Dan eventjes latertjes, hees hij zichzelf op, op trap, tapijt begaand en schredenmaker spelend, die Gerber Mann, professor. Bijna symbool gelijkend daarop, op de mens die was aan 't omhoogklimmen. Dit echter, was geen Ladder des Kultuurs. 't Was trap, grootbrede en met geweldige zijkant van mooiglansvolle zwarthout, met hand gewerkt, gespikkeld, allerduurste soorten. Hij leek ongeleid gaande figuur, alsof bewegend door dinges van het diepste woud. Diepe gedachten in 't hoofd, terwijl hij juist weer voetstap ondernam, naar hoger, hoog... hoogste verdieping. Dan nu zo was bij boven, met verschillende gedeeltes, slaapvleugel, wasvleugel in 't middendeel en dan werk-met-plezier vleugel, achter, dus uiteindelijk de mens afvoerend na' dat bovenbalkon. Om gans met glorie aan te zien, uit open deel met open lucht, lichtschijnsels, hoe zij de ogen voeren, met een prachtig kabaalloos kijkgezicht; daarzo, die kweek van tuinman, een natuur zo hoog als bomen, boomtop, hangende liaan, met wilde ananas, en parkstuk met kronkelpad, voerend tot áchter struik een konfrontasie met een nu niet zichtbare geweldigheid. Ma' dan, als je staande d'rvoor ging lopen, één groot bed, waarin bloemen hun krioel hadden. Geweldig gefaarlijk geweldige dingesnaturen. Met groei van groei en ademing. De dingen van altijd, al zou hij sterven. Ze zouden hèm gedenken, vanuit elk bloemenoog, elke oksel aan blad, elke opstekende boomwortel, aarde opduwend met vertraagde kracht. En vereend, zo onomstotelijk als mogelijk, de aardkorst-revolutie makend. Het langste lied! De zang van de kreasie... Wat fo p'poe? Hij? Hij met z'n denken aan werkelijk andere dinges! Draaide die bocht om, ving voorbij die slaapgang sterke reuk. Hij langde z'n nek, snoof in! Hmmmm! Nee, geen guyavevrucht! Dit was een lekkerbad-geur! Van jamponica's of wist hij veel hoe inlands die bloemen! In elk geval, meer dan exotisch! Ma' dan nu, liep hij na' z'n werkkamer, om iets met dat manuskript | |
[pagina 445]
| |
te gaan doen, toen, bij die bocht in gang, bocht die met alle staande macht tracht mensen tegen te houden van de enkele stap dwars door de muur daarzo, op tócht naar het geheime zweven, dáár, buitenshuis geraakzaam, blijven hangen in de lucht en doorlopen... na' waar of niet... de geweldige velden van de zweefmoerassen, zweefzee-kant, met zweefgolvende razernij, en wolken, zwaar, zwaarder van zwaartekracht als aarde, met ongelofelijke wroeternijen daarzo.... daar.. waar het oog z'n teelt heeft van geheimenissen, een teelt die meer is dan 't gezicht.... ‘Ach? Jij ook hier?’ ‘Eh, ja! Mevrouw is gaan baden. Ma' dan moet ik na' dat andere twalet gaan, bij beneden.’ De Mulattin! Díe Mulattin! Kijk hoe ze schitterde van wezen! Míjn god! Als je die vrouw kon zien! Vrouw die je zelf hebt gemaakt, god! Met een lichaam als een lichaam! De Mulattin vol bloem en bloei! De Mulattin vol wezensvreugde! Met loeiende aanwezigheid! ‘Eh.. pardon!’ Dan schudde ze d'r lijfelijkheid langs hem, die Gerber Mann, daarzo staand stáánd! Zo'n wezentje! En dat, zo vlakbij die kamers.... Voelen voelde meneer, hoe iets van dat exotische, net of hij door een gangmuur gestapt, gekomen was in de papavervelden van de indianen, met rood en geel, grootbloemig hem verwelkomend. Pjara! Pjara! - Pjara! Pjara.... toté..... Zingende indiaanse kelen! Bibberslag trom, tot schoklichaamse dans oproeping gevend. Pjara.... Hahajjjjjj..... olele....!!! Dan verder als die velden, wouden, wouden, woekering.... het handlianen bos! De slangekruipvoet-wegen! De stede van de djikdjakleven kwetterende knettervogels! De Ditten! En de Datten! Met helmen van een vreemd soort schitterleger, als canapéën, waarop de slaap ronkende gedaantes van Wie en Wat, onderhuids de heuvelen der aarde, waar mijnen kwamen goud geven en diamant, alles van lucht en schittering opvangend, van de Vluchtweglucht, plavei-gezangen..... olele... hóóóó.... Waar? Ah! Waar was hij? Om verkeerde deur op te zoeken! Bah! Wat een mistake, en dat nog wel in zijn eigen huis! Chrrm! Hij knorde. Dan opende hij kamer van zijn werkruimte, met overschrijding van zijn drempel. Dan deur weer dicht gaan maken. Blams! Even zo, later, hoorde hij op deur, getik. Gooide 't open met een | |
[pagina 446]
| |
fladda! Dan wie stond daarzo, verwondering plukkend van Gerber z'n gezicht, en ook die onontkoombare teleurstelling dat 't was zij? Zus Nette, koffie komen brengend! Of ze niet dat inzicht kon verkrijgen, dat hij zeer was teleurgesteld, dat 't was zíj. Wie moest 't anders zijn geworden dan? Ze prakkezeerde. ‘Ah...! Wachte hoor!’ ‘Sta nie zo als een makakoe te kijken! Ja zo noemen jullie die apen toch? Ik beledig je niet, maar je staat me zó raar aan te staren! Nee, ik wil helemaal geen koffie meer! Spoel 't maar door de gootsteen beneden!’ Dan Nette, met een teleurgezicht, aan wie zulks gezegd, ze zocht met koffie weer 't gangpad na' beneden. Met grote ruzie in haar Huis des Harten. Ija! Want zo boos was ze aan 't zijn! Diep beledigd, van buiten, ma' vooral van binnen! Eerst boos op Sisi, beneden, nu in ander bovendeel. Hoor Sisi no: ‘A meid disi! Deze vrouw! Je moeilijkt! Je doet onhandige dinges! Je weet geen enkele dinges te doen hierzo! Kijk hoe je koffie gooit! 't Kost vijftig cent één kop! Ik en al me elfendertig kindGa naar voetnoot3, kunnen één dag eten van dat geld! Dan gooi je zomaar de waarde weg! Dan paspas, met eten, had je meneer ziekig gemaakt! Dan weetje niet hoe je moet patatte's koken om aan deze ‘patatte's’ te geven! Dan gewassen dinges vuil! Dan geschrobde dinges onschoon! Is beter jagen ze je weer naar daar, vanwaar je hebt je staart weggehaald om 't hier te komen gooien!’ Dan sloeg een deur net niet dicht zo blam! Sisi jaloers op d'r, vond Nette. Zie je: is zo waren negers met negers! Want van die Mai had ze geen woord gezegd, hoorde Zus Nette van een andere bediende, nunu weg. Ma' omdat zij als negerin daar in de keuken kwam te werken, had Sisi ineens alle mogelijke kritiek op haar, Zus Nette. Is zo waren ze toch: negers makaar altijd vertrapping gevend! Een schop dieken ja, achter je hiele-touw, daarzo, die pees achter je kuit. Dan wie nie stevig stond op voet, kon vallen als een boom in waaiwind. ‘Aaj mijn god! Fo waarom zijn we zo?’ Ma' nie alleen dat dacht ze. Ze wou die meid uitschuren ook! Flink waarheid langs d'r dijen schrobben fo d'rGa naar voetnoot4, vechten desnoods met d'r, wachte. Die k'ka s'sa Sisi! | |
[pagina 447]
| |
Wat had ze gedacht no? Met d'r bleekogen, zonder opheldering door vitamien! Ze zou, net hoe chinees vecht, met twee vingers d'r ogen uitsteken, vol nagel, zo tjèp! En dan d'r m'moer fo d'r laten bloeden! Met mars! Die ellendige vervloektese m'mapima! (Nette wraakte.) Dan nu, voelde ze, moest ze schoon kalmeren. Want andere ding was daar toch. Eerst beneden een blaka, een blunder. Dan nu boven weer. Ma' toch mèt iets! Want: hoe had ze, gevoeld als vrouw niet, dat meneer had verwacht dat..... afèn! Dat ding was een teveel vermoeden. Zo draaide ze d'rzelf om. Met dienblad, vol van koffie damp slaand tot plafond. Een hongerbuik, gaf 't een mens, al was 't geen direkt maaghonger. Chmmmmmm!!! Baja! Dan zo, nam ze d'r stappen met d'r ondervoet. Beneden gaand. Waar wachtend vol jaloersheid Sisi. Met denken dat kookwerk was veels teveel lichter dan schoonmakerij. Vandaar 't gedurig opdringen van werk aan Nette. En vragen aan mevrouw weer, elke keer: ‘Mevrouw, vindt Mevrouw niet, dat dat huis is nie helemaal schoon dan? En?’ En: ‘Ija Ifrow! Khep een schoon schaal gezet, ma' 't lijkt zo vuil! La' me ruiken..... chmm! 't Ruikt na' eten van gister....’ Afèn! Afèn! Een aanwijzing alweer om Nette aan 't werk te zetten.
Mevrouw was boven, zorg aan het maken. Met zitten in d'r stoel, en Miss Guyave in d'r haar. Dus hielp de Mulattin mevrouw Igna met d'r haren. ‘Oh’, zuchtte ze een mond leeg, ‘oh! Ik ben zo moe! Zo moe....!’ Dan klaagde ze d'r klachtreeks. Over recepties die gingen nie goed. Laast, morserij met wijn op kleren. Dan laat komen van roddelgasten, konkelarij. Dan wie moest staanplaats hebben, wáárzo! Ja, hoe die vrouwen zochten, d'r man! Allerlei klacht van mevrouw Igna. Die ander stond te horen, deed d'r werk. ‘Ja, zorg vooral dat m'n haar niet te donker wordt! Dit klimaat maakt zelfs een blanke als ik na een paar jaar reeds bruin! Ik moet er niet aan denken!’ Vooral nu dat die koningin ging komen, uit Holland, zoals daar d'r mond 't zat te zeggen. Met groot plezier aan d'r, (‘Schenk me wat wijn uit de karaf, wil je?’), speciaal zo leek 't, om haar man te dekoreren. Fo al 't gedane dankbare werk voor 't land. Vertrek in zicht en dan nu dát! Geweldig toch, niet? | |
[pagina 448]
| |
‘Mhm!’ Gravin beaamde, jazegging gevend. ‘Mhm, ija!’ Is zo was dat! Dan mevrouw verder hoor! Als je hoorde! Hoe dinges liepen, auto te verkopen, zonde, zonde van zoveel kapitaalverlies. Huis was gegroeid met waarde, baan ook, met die dubbelmaandse tropenjaren. Dan ook verlies aan andere kant van oceaan, met kinderen, rood aanlopend van ideeën, ma' vooral poging tot verloving van een hunner met kind uit arbeidersmilieu! Je denkt is grap no?, dinges die ze riep. Alsof hoe langer blijvend, hoe vermoeider, hoemeer diepbuikigeGa naar voetnoot5 dinges los kwamen drijven, na' boven. Ja, ook d'r man geraakte snel vermoeid tijdens de liefde. Een echt bederfklimaat, dat land, ze vond 't. Enigste lichtpuntje was het zonneschijnen. Of ze 't erg zou vinden als ze weg was. Beslist niet! Veel, veel dinges meer, een zwaailiaan, terecht komend op elke plant in buurt. En dan uitzuigend, dan sappen weer, die even snel uitdropen. Zo waren dinges, zo was zij. Terwijl terwijl! Chm! Masra Gerber in zijn kamer was aan 't zitten. Handen in 't haar op hoofd, daar aan buro. Kamerdeur was hij gaan dichten. Als een konijn, konkoni, die z'n hol dichtmaakt met blad, gordijn geschoven fo de deuren. Soooo!! Die kamer hield 'em in gevang no? Hij eerder verblijf hebbend in eigen hersenholte, dan daarzo, in kamer in huis. Hij zat, hij dacht. Wat was dit eigenlijk voor een land? Hm? Net een... eh... vrouw! Je kon 't zó beminning geven, liefde krijgen voor 't, en wellicht onafscheidelijk ook worden d'rvan. Ma' tegelijk met vreemd gevaar! Iets onwezenlijks, dreigend, ver, onbekend. Toch, zó verleidensvol, ondanks gebreken die je wist aan 't! En hij kende ze: organisatiegebrek, luiheid, ongeïnteresseerdheid, nietsweterij, eeuwige danslust, diefstallige afzetterige karakters, ongelofelijke domheid die schitterende natuurbeesten van ze schiep, vooral zieke labakken ook, met zweren lopend, alle mogelijke koortsen. Eigenlijk in levende lijve gods vervloekte hellegangers! Dan toch! Iets zó vivendi..... dat je 't gewoonweg niet kon definitie geven! Vooral hun lach, als een wolkbrekende zon! Lichaam en lach! Dát hadden ze! Om glans te poetsen op hun verdere niets! Zo'n totaalvrouw, wou, kón hij niet liefhebben, vond hij. Ma' dan, die geur: | |
[pagina 449]
| |
blozegeur & zonneschijn! Verzaliging nogantoe! Zij! Zij, die Gravin! Een onweerstaanbaar wezen! Of ze nu ver weg geweest zou zijn, of daar, vlak onder dak, vlak binnen handbereik... 't maakte geen verschil voor 'em. Want, ah... nee! Kantoorzaken wachtten! Officiële ontvangst van nieuw komende delegatie fo ontwikkelingszaken, ook betreffende het onderwijs, wachtte. De minimale afrekening (hij hád nu eenmaal werk verricht) in 't plan, wachtte! Alles zo, wachtte, net ofdat ook hemel wachtte. Want die oema daarzo, zoals die inlandse vrouwen zichzelf heetten.... vróuw, buitendien ook dát! Hm!...... Hij zuchtte een lange zucht. Schoof z'n papieren papieren, daar op z'n echt notenhout buro weg van z'n lichaam. 't Was net ofdat hij alles weg wou hebben, weg in aanwezigheid. Alleen hij blijvend. Met misschien ma' één gordijn, witte, wappering gevend, kamer leeg. Een soort super alleen zijn, net ofdat hij was met puur! Dan wát zo, deed gordijn de golving geven? Geen wappering van wind, want deuren dicht. Dan achter, achter 'em..... in de holte, vol van de verlangens die verleiden en verliezen doen... nee, niemand. Geen vrouw, met de allure van gravinnen, niemand, niets. Ah! 't Was enkel zo, baja, gedachte, die gordijn bewegen liet. Het moevement alweer, van alle dingen buitendien. Geheel vanzelf no? Ma' dan nie merkbaar toch? Of wel, dit keer? Wat eenmaal, zo gaf hij visie, in oordeel was genomen door een mens, had een verandering ondergaan. 't Was... 't was... ach, ja... eh... bekeken, bezien, beschouwd... ehm... Hij kreeg keeldorst, grote keeldorst ook. Met knijpende nekgat daar, onder zijn kin. Water moest drinken! Anders zou hij slepen! Over de grond, één woestenij, waarin de aderen der ruimte kaktusnaald gingen doen opsteken. Zo lang, zo lichaaminstekend dat ook z'n hart doorboring kreeg. ‘Water... waaa... ter.... wa.... ter!!’ Met kruipen na' die deur, een uitgedorste ziel! Dan, zonder kracht tot openen via handvat aan deur, vanonderen met nagelwerk, één groot gat krabbend. Als een soort krabkonijn, krèb! krèb!, net zolang tot aan die andere kant de gang. Daarzo opkruipend... hét zien! Het! Ja, mi boi!, het! Me Jeses: het grote snakding! Alles zo, in begeerlijke ontmoeting. Het wezen, van dát vrouwelijke ding..... Beneden, aan die kraan, terwijl d'r werk doend, was Nette. Ze vroeg zich af, wat fo dinges gebeurden. Nono, nee, hier beneden. Dit kon toch niet? Sisi gooit water op die steengrond. Dan zegt ze: ‘Geef me ekskuus!’ | |
[pagina 450]
| |
Dan laat ze vijf minuut al, water rustig liggen, zonder wegstroming. Dan nadien, komt ze zeggen, met die satanse kaaimansmoel van d'r: ‘Is jíj moet 't gaan staan schoonmaken! Is jij ja, want is nie mijn schuld! Dan buitendien: ik kan nie bukken! Me lever is me pijn aan 't geven! Met nierkramperij!’ Alle soort leugens! Gewoon haternij! Ze rende op Sisi. ‘Sisi hoor hierzo! We zijn blakaman! Laat ons als neger nie vechten, hier, in bakrahuis, hoor je? Want is allebei ons negers gaan ze d'ruit gooien! So!’ Dan heeft ze 't schoon gedweild, naast schoonmaakwerk in keuken, met één grote oliemorserij van onbekende persoon. Behalve dat! Dalek ging mevrouw zeggen, dat ze hadden d'r duurdure olie gestolen. Vooral hoe Sisi's mond was aan 't lopen! Ija, ze kon d'r mond goedgoed werk geven! Die tajer! Chm! Pasop met d'r! Ze heeft twee handen, heeft twee voeten onder buik, ma' die enkele enkele mond van d'r bestrijkt de hele ganse wereld met roddels die geen deur gaan kunnen openlaten in geen huis! Baja! Chm! Ke... ke... ke! Is zoals ze zeggen: prit'pangi! Gescheurde lenderok ja! Met doorkijk opening aan vrouwslichaam, waarin werkelijk alles bloot! Dus geen nèks zo, verborgen meer! Baja! Pasopoe! Opgepast met Sisi! Dan nu, had Sisi vuur zó hoog gezet, dat aardappels gaan branden! Je denkt is spot! Hele keuken stankvol! Sins Zus Nette bediende was aan 't spelen fo mensen, nie zoiets gebeurd met d'r. Jonge! Ga je kunnen?! Nette kwaad! Sisi kwaad! Met d'r: ‘Ija! J'hebt jok in je mond! Want is nie ik heb 't gedaan! Is jij! Jij met je luie bast! Als je wil hoef je nie op te ruimen! Laat mevrouw je komen krijgen! Dan ga je zien hoe je in nonsensuurtje, straattegel gaat lopen te tellen, ik swéér!... Want mevrouw gaatje wegjagen! Als een hond!’ Toen Zus Nette bleef beweren dat Sisi het vuur opzettelijk hoog had gezet: ‘San? Je blijft volhouwen? Wel luister me skat! Ik ga je zeggen wie 't heeft gedaan: is die hond! Ija! Die hond heeft z'n poot onder z'n buik genomen! Dan is die hond gaan komen! Dan h'ft die hond alle vuur met gas d'ronder hemelhoog gezet, laat alles branden! Míjn god! Die stank! Hmmm! Ik blijf nie hierzo! Ik ga boven!’ Sisi op stap al. Vrouwspersoon, met zoveel kinderen, thuis om te zorgen fo ze, moeder. Dan moest ze wijsheid hebben toch. Ma' een soort blinde haternij had ze fo Nette, die in een rustige keukenplaats gekomen was, 't kwelde d'r. Ze kon nie zien baja! Ja, ze kon gewoon nie met dat | |
[pagina 451]
| |
ding! Ze kon als schoonmaakster niet hebben dat Vrouw Nette kookte. ‘Ija! Is jíj bent paspas hier gekomen! Dan denk je: is míjn huis hier no? Wel hier is nie je váárkenskooi! Hòr! Joe d'dibri joe!’ Ze schold Zus Nette uit fo duivelin, die het huis van Vrouw Igna als haar eigen domein beschouwde. Ze vond keukenwerk duidelijk veel schoner! Dus..... Ah! Sins ik je zeg! Zus Nette wou d'r bijna dood gaan maken! ‘Jo vervloektese beest jo! Ellendige gootslootwatertamp! Ik sla je tomtom met deze bezem, laat je verplettering krijgen in je mars! Saka saka!’ Vervloekte ze dat lafhartig lage wezen. Ze hief die keukebezem al. Dan razendsnel bedenken. Wachte, nee! Dit was roepen om straf no? Weetjewat? Ze ging mevrouw, nunu, waarschouwing geven! Laat mevrouw een oogje schillen fo Sisi. Al dat betekende dat Vrouw Igna aan Sisi een standje gaf. Want z'had d'r kinderen, baja! Om mond te voeden, dag op dag! Z'had d'r lichaam, om kleer te zetten aan 't, jaarop jaar, met hele leven! Is nie om grap te maken, laat ander je werk fo je zomaarzo komen verpestigen! Nono! Was al genoeg ellendigheid, dat ze gezegd had aan die Janki, dat ze nie kon meegaan. Na' Holland, wanneer dat ze gingen. Genoeg dat zij, Vrouw Nette, nie mee kon. Om daar ze te gaan dienen, hoe nie hoe! Misschien bediende spelen op een grachtenhuis met moorkop. Misschien.... ach, nee geen twijfel meer! Laaste oplossing: Janki zou zorgen dat andere bakra, andere blanke, d'r kon ovememen. Zo had ze tóch een kale cent. Dan misschien hier zelfs, in dit geweldige bakrapaleis, dienst komen doen... ma' dan nie met zo'n gewijfte als die Sisi. ‘Nono me schat! E'en!’ verzuchtte Vrouw Nette fo d'r zielse onzaligheid uit. Ze zou na' boven gaan nu! Komen lopen boven. Traptree nam ze, fo één twee drie... Dan.... Sisi, rennend achter d'r: ‘Mi no wani! Ik wil niet! Nette, blijf hier beneden! Wát ga je mevrouw gaan konkelen? Ik wil horen, wat fojokkerij je gaat doen met zeggen! Jo ellendige kikkerslang jo!’ Sisi met snerpstem, zacht, scherp met een snijmes karakter. Die twee, makaar duw gevend op trap. Je denkt is spot no? Grote grote mensen! Allebei met groeikind thuis! Dan maakten ze zo (pas op! Míjn god! Bijna eeuwig dure vaas aan stuk tot scherf gegooid! 't Ging fo ze komenGa naar voetnoot6!), als kinderen.... kleinkinderen gedroegen ze zich zelfs! Baja!. | |
[pagina 452]
| |
Dan in die kamer van Ifrow, Vrouw Igna, Mevrouw Mann, zoveel geheten, enkel vrouwenmens, was deze verder gang aan 't gaan. ‘Ja, schenk nog wat voor me, één glas maar. 't Is net of iets, een soort onheilspellend iets uit binnenlanden, met een heel rare wind hier naartoe waait. Echt, ik heb zo'n gevoel dat er iets gebeuren zal, wat....’ (Vrouw Mann tegen die Mulattin.) Dan zweeg ze. Voelde hoe nat d'r haren waren. Ah! Dat gevoel kwam van die onzegbaar heerlijke shampo. 't Had iets verradelijks geweldigs! Dan bovenal: 't hield d'r blond. Blond, fo aantrekkingskracht op heel d'r man, zo meende zij. Zij, volop Europese mens, meer, mensheid voor 'em zijnd, die Gerber Mann. Ma' hoor verder: ‘Ah, je weet nie hoe moe mensen kunnen zijn! Dit ligt niet meer aan 't land! Dit ligt aan... elders! Waar? Hah!, dat zou ik ook niet weten. Het antiparadijs, misschien...’ Met lichte praattaal konkelde Mevrouw aan deze Mulattinne: ‘Aaaah! Ik denk dat ik vermoeider ben van 't denken, dan van een daad die ik verricht zou hebben! Al die bedienden die voor een mens als ik klaar staan! 't Is echt geen lukse! Je wordt gewoon moe van.... ja, nog steeds weet ik niet waarvan! Aaahaahaaahah!! Het lijkt zo makkelijk om in de zon te zitten, elke dag, en dan mooi bruin te worden. Wat zeg ik? Bruin? Ik zei zojuist dat ik het verafschuw! Maar misschien verafgood ik dat juist.’ (Ze keek of ze die Mulattin kon vangen met haar oogblikdom, daar in die spiegel. Ma' Mulattin trok weer d'r hoofd na' achter.) Dan hoor Vrouw Igna wederom: ‘Ach! Zo bruin als jij word ik ook nooit! Jij lijkt mij het geheim van de ware schoonheid te hebben: wel uit blank en zwart geboren, maar niet zwart en niet blank! Als de geheimste eenheid van natuur, en van kuituur....’ Dan kreeg ze weer opeens d'rzelf. Vermande zich dus! Half heidens was nu eenmaal heiden! En owee als haar Mann ooit een dergelijk lichaam met een zo verdomd ras als het zwarte dorst te kreëren! Al was 't maar bij wijze van puur buitenechtelijke vuilzaadspuiterij! Zelfs maar die gedachte dat een halfbloed ooit door hen als witte persoon zou worden aangeraakt met begeerte! ‘Whuh!’ Gruwelijk gewoon! Vandaar dat ze snelsnel op iets anders overschakelde. Ma' dan toch, met in verradelijk Freudiaanse diepte, belangstelling fo de Gravin: ‘Ben jij wel kristelijk opgevoed? Met goed gevoel voor waarheid en werkelijkheid?’ Gravin Guyave gaf geen antwoord. Ze rekte d'r vingers terug, | |
[pagina 453]
| |
ontkrampte ze. Dan stelde ze een wedervraag: ‘Mevrouw, kan ik even weggaan?’ ‘Hoezo weggaan? Je bent nog niet klaar! Als je denkt dat ik zó betaal....’ ‘Nee, is nie dat! Ik heb iets verloren. Een brosj. Ik geloof, in beneden w.c.!’ Dan vóór mevrouw kon zeggen hoe ze dacht over 't geval, had ze al stap genomen na' die deur: ‘Hang uw hoofd precies zo na' achter, net gebroken nek. Ik kom dalek!’ Met niet geheel en al sluiten van deur, deur openlatend dus, een tèt, een kierrekiertje. Dan ging ze, gang borend, hoek om en.... Die trap had altijd al liggen wachten. Een leven zonder drama's. Ma' met lopers, óndervoetzolen, wapperende onderrokken, onderkant van blote bal en blote bil, daar, onder kamerjas of wasdoek. Dan weer bezeming, tot in de eeuwigheden, schoonmaakdinges. Of sjouwerij van dienblad. Of zelfs rolwiel van bedieningswagen. Glansschenkende geurwas, of prachtigsoortig hout. Hm! Kostbare aanwezigheden dus, op trap of gans d'rover. Dan gang z'n boven, eindigend in trapmond. Ook duur aangekleed, net of 't was, aparte soort persoonlijkheid. Met licht en luister, zijraam open af en toe, zelfs ook ven, met schilderij, met verf met diepte tevens zegening gevend van lange loop aan gang. Gangbovenste sfeer ademend van huiselijkheid. Gang daar, had alles van alle personen. Ze gingen en ze kwamen. Dan opeens, na alle leegte, nu, ja, nu, iets wat daar aan 't gebeuren was! Nunu, die Gerber die na' buiten kwam. Om te gaan drinkdorst weg laten ebben no? Kijk, hoe tegelijk bediendes trap opkalefaterend. Met duw geven aan twee makaar! Wie eerste klacht gaf aan hun mevrouw, Sisi of Nette, dié was winnares toch! Want ja, wie klacht maakt, die heeft zorg om gelijk! Dus..... ‘Ik ga!’ ‘Nono!’ Nee, geen praattaal, ma' makaar vasthoudend, met een stil gehijg, prisis daar boven, als twee slangen in één kronkelende omwikkeling, slang wikkelt slang, slang wikkelt slang, dan wikkelen zij beide, elkaar, als een ‘omstrengeling’ van twee paar voeten, nee niet op de wijze zoals een bosneger meent met zeggen dat ‘omstrengeling’ is geslachtsdaad... Ma' net iets verderop, waar Gerber precies de Gravin Mulat Guyave grijpt en in | |
[pagina 454]
| |
zijn armen knelt en zoent en zoent, diep op de mond, één lange lustkus, zonder één geluid... Die twee, zus Nette en die Sisi, ongewild getuige. Waar ze daar stonden, koud en kil. Míjn god! Als meneer ze zag! Snel weg! Achteruit lichaam trekkend, gingen ze, stil... stil.... om weer na' die grond te gaan... desnoods geen ruzie meer vandaag. Ma' fo hun ongeluk, zitten ze vast aan makaar, één geps van Nette vast aan jurkzak van Sisi. Is zo trekken ze makaar na' omlaag. Nee, z'hebben geen ‘jorka’ van die zaak gezien, al weten ze: we zijn getuige! Ze hebben echt geen ‘schim’ van deze zaak vernomen! Weten van níets! Dan mevrouw, in kamer, met drank aan hoofd! Hoort door die deur, één tèt geopend, iets. Wat? Een smoorzucht? Lipklak? Handwrijf? Wat? Was ze al nóu aan 't fantaseren dat d'r man d'r naaide? Een lustprik aan d'r, midden zo op dag! Ach nee, dat ding kwam van 't wassen! Lust! Die vingers aan d'r hoofdhaar, maakt ook ‘dat andere haar, aan schaam’ natnat. Dit, dit was leven teugen geven! Verdriet, ook in het bakrahuis aanwezigheid weggevend, in je gedachtentaai. Los, los.... als die haren die languit kunnen zweven in de lucht.... de dingen vrij, vrijheid tot losse ziel was zó zweefgraag, zo licht.... lichter dan de gedachtes vol van klank, hoe echt ook ze begonnen daar te klinken! Dan hóórde ze, hoe zwaar één klap viel: pats!!! ‘Wat gebeurt er?’ riep ze, nuchterder ineens zo, Igna! ‘Eh... niets mevrouw! Niets!’ Gravin Guyave weer binnen komen rennend in die deur, gooide die deur op dicht. Broche verloren! Haar eigen sieraad! Ze kon zichzelf een tweede klap geven d'rom. Ma' verder nèks. ‘Hm!’ zuchtte Inga, ‘hm! Uit met de pretdroom!’ | |
(47)‘Mandwe?’ (Zijn grootmoeder daarzo sprak hem aan. Hoor hoe hij antwoord smoel uit koerste:) ‘Ija gran-gangan!’ ‘I klari kaba?’ (Of hij al klaar was, klaar fo gaan.) | |
[pagina 455]
| |
‘Ija, mi gran-gangan!’ Dan, na dit bevestigen van het gereed zijn tot school gaan, klaarklaar, kon Mandwe zijn tas pakken, en met een vrolijkheid op zijn gezicht, van binnenuit het Zelf polijsten, kon hij gaan na' die school van 'em. Hoe moest hij weten van hun ruzie om ‘negerdinges?’ Dan verder zwegen zij, granm'ma en granp'pa, onder elkaar, met een mond vol graf. Tot ineens: ‘...ija, 'kheb j' al gezegd: vanavond vanavond ga ik gaan! En niemand gaat me kunnen stoppen! Geen enkele persoon dati! Dus jíj ook niet! (Grootmoeder viel uit tegen granp'pa.) Morgen pas houwen ze dat ding! Ma' ik moet gaan, om vóór te helpen! Heb je gehoord?’ ‘Wel dat horen dat ik je heb gehoord: is de lááste keer! Ga' ma' kom nooit weer! Want ik beloof je, sowáár als ik haren heb op me hoofd: je trapt geen poot terug hier!’ (Grootvader kwaad toch nu dan). ‘Hoe moet ik doen dan? En? Negerzaak heeft z'n nood! Fade, zoals ik je zeg!, z'hebben die Hollander die gaat komen kijken daar, net gezegd dat 't gaat ècht spel zijn, voor 't goed zetten van een kwaaie geest! Die mensen hebben noodzaak! Hoe, kan ik je toch nie zeggen, want je luistert nie na' negerdinges! Ma' als ik nie kan terugkomen, dan blijf ik fo eeuwig fo je weg! Hoor je me? Wèg, als een stof in waaiwind! Je gaat me met káárs zoeken en me nie vinden! Ik swéér fo je!’ (Grootmoeder haar gang naar de geplande Lakoe verdedigend.) ‘Wacht! Wie ogen in z'n hoofd heeft hangen, gaat zien! Biten biten! Chm! Mensen gaan zeggen: is kwaaddadigheid van me! Ma' ze gaan nie weten dat ik heb je gewaarschuwd wanneer ik je uit huis ga jagen, wanneer dat je probeert één poot te trappen hierzo! Hoor je? Een enkele poot maar! Jij met je swáár heidense negerachtige afgoderijdinges! M'ma m'ma weekend! Vrijdag met zaterdag en zondag navolging! In plaats van je ziel aan god met reinheid te gaan offeren, dan ga je negerdinges doen? Je wil aan Lakoespel meedansen? Stinkdinges bedoel je! Aaj, Herehoog aan hemelboog! Lakoe? Wat fo heidens ritueel heet zo?! Granm'ma laat d'r man, laat d'r kleinkind die ze moet zorgen ook, dan gaat ze álles van d'rzelf geven aan didibri! Met alle satanse vloek d'rop! Lakoe no? Lakoespel? Lakoe ga je dansen? Met verborgen rooie kleren onder je mooie rok no? Is duivelse gedaante onder wereldse rok! Verholen negorij! Wel is goed dan! Ga je plezier nemen! Míjn plezier gaat hier wraak worden!’ (Dan toen Mandwe voor z'n gang na' school bij dat geruzie stond | |
[pagina 456]
| |
met kijken:) ‘.....jonge, sta nie na' je grootmensen te kijken! Ga jezelf baden! Zeep is daar achterop al met water in dat bekken! Was je voeten schoon en borstel je nekgat...!’ (Dat ding was vroegvroeg nog.) ‘Moeilijk die jonge niet! Die hele praterij heeft gemaakt: 't is gaan laat komen worden! Jonge kom hier!, laat ik je kleren dragen fo je! Dan mars je snel snel na' school! Hier, neem deze vijfcent uit me jurkband.... of nee, uit me hare hier op me hoofd! Snel! Gooi je schoen aan voet! Hilo hilo, sito sito... maak snelheid! Ga na' school fo je!’ Dan nu zo, met de graven vol zwijgtaal van innerlijk doorknede ruziën, verdween hij, 't erf latend achter zijn staaft. Hoe kon hij die essensie, die jeje van zo'n grotemensen ruzie goed met z'n kinderhoofd begrijpen dan? Het was een morgenvroeg, een dag, vrijdag geheten. Met wolkenlucht en weg gerekt. ‘Mandwe!’ ‘Ija, mi gran-gangan!’ ‘Word wakker no? Laat je jeje bijkomen!’ ‘Ija, mi granpapa!’ (Is zo was hij wakker gaan worden, stem van grootvader met ochtendvroegte!) Dan fo zich uit gemijmerd, net of haar gedachten lekten, die grootmoeder: ‘Ik weet nie wáárom dat die jonge, die ring verloren heeft eerst. Dan zo, alweer, is hij z'n ketting met die goudanker kwijt! Ik geloof dat is me goudboei of die goudgeld van fouwentwintig-gulleGa naar voetnoot1, ga j'k dit keer moeten laten smelteren voor 'em! Want meer geld is nie fo ons. We zijn nie rijk! Baja! Wat een ellendigheid! Ke, na foe bar' kré: is om te huilen zo, alles zo, weg! Die jongen verliest alle sieraad zo! Net ofdat een kwaaie geest die mooie dinges van zo'n kind z'n lichaam met z'n nek d'rop, heeft weggetrokken! Om 't ergens te gooien waar 't is ver onbereikbaar! Alsof z'n geest wraak heeft! Aaj, als ik een hand kon lang maken, om 't te gaan oproepen weer daar! Om 't met twee zegwoordenGa naar voetnoot2 weer, te hangen aan z'n nek, ketting, of z'n vinger te ronden met 't, ring! Ke!, ach! Wat is felore, is nog nie felore! Ma' als ik iets fo deze kind kon laten, voordat ik wegga en niemeer hier ga komen......’ Dan kwam apart die granp'pa's stem, vroegvroeg, bij wakker maken | |
[pagina 457]
| |
van Mandwe, aanwekkeren: ‘San j'e doe dan? En?! Vrouw! Je praat, je praat! Bijna spuw je met praten op dat kind! Jonge, sta op! Kom je vuurwater drinken fo je! Die granm'ma van je, d'r hoofd maalt al! Weet je niet! Ze is zo gek als een dronken aap! Arme ellendigheid dat ik zulke dinges moet staan zeggen met die mond van me! Ma' die zorgen die ze in d'r hoofd gooit, fo negerdinges, kwaaie dinges, met duivelse gedaante! Negerdinges wil ze dit weekend gaan dansen no? Wel, afgoderij! Afgoderij van Lakoe! En deze zielsberooiing komt eeuwig voor den val, ik swéér! Laat d'r...! Wij gaan komende zondag in die kerk fo d'r moeten bidden! Jonge, spam je borstGa naar voetnoot3, want je gaat verder missen! Chm!’ Een lange kreet, emotievol herhaald, herhaald alweer, herhaald: ‘Mhm!’ Een hart was als een huis, somtijds. Met tweetal kamers, één fo haat en één fo liefde. Dan in die beide, woonden allebei, granm'ma en granp'pa, vond Mandwe. Hij, met tienjarig kinderhoofd, oordeelde dat... ‘Wáárom praat je zo op die jonge? Zie je niet dat hij is nie wakker nog? En? Deze domkoppige negerin! Z'n géést in z'n lichaam gaat een keertje van boosheid fo je schudden! Ding die je maakt! Wachte!’ Dan granm'ma, onweerstuitbaar in d'r mompeling: ‘Dit! Míjn god baja! Dit gaat fjofjo worden op kind. Deze ruzie zal dit kind treffen als kwaaie ouder-erfenis! Mandwe! Baja kind, blijf liggen, laat je granm'ma één goed woord van groot verzoenendheid zeggen over je hoor! Wel....: alle Winden die blazen door de plaatsen, waar Geest is en waar neger is... Alle Jeje's, kom, zegen dit kind! Laat 't geen prooi gaan worden fo z'n eigen onrust! Kwaad moet nie komen om 'em dood te maken! Ija, Grondgeest en Aisa, Grondmoeder, is júllie bid ik: neem 'em, me kleinkind, als beschermkind! Is ik, deze nederwaardige negerin, bid jullie met al wat is aan me! Verzoen hem met het heil van morgen!’ Mandwe z'n granp'pa kwam aanrennen, swaar op drift. Hoor 'em, granm'ma wegtrekkend: ‘Wat doe je dan? En? Raak die jongen nie aan met je afgodische nonsenserij! Die fiesterij wat je bent aan 't maken! Negerafgoderij! Me ieses! Heilige Geest in den Hemel! Vergeef deze houtskoolzwarte ziel! Want dat zwart d'rvan verduistert alle dagen, al onze wegen! Laat deze negorij niet aan tasten, dit kind, dit mensenkind.... Jonge!! Geef me je hand! Kom hierzo! Voordat | |
[pagina 458]
| |
negerdinges je gaan doodmaken! Hopo!’ Mandwe, z'n dag opengerukt, door woordtaal en door zwijgzaamheid van alle schichten licht die dansten. Buiten, de ochtend kali kali, zo kaal dat je kon geen weg nog zien, waar dat ooit gisteren geweest was. Dan behalve dat, zon wou nie komen. Al die verschrikkelijke ruziedinges tussen grantata en gran-gangan, grootvader en grootmoeder die hem kweekten! Ruzie om ‘negerdinges’ tussen negers. Fjofjo? Wat was fjofjo? Fjofjo was toch een stinkluis die je doodmaakte onder je schoene? Pas op dan, dat je nie die fjofjo sloeg, met prisis die versleten onderzoolgat in je schoen, want anders kwam die fjofjo-luis in je schoen onder je voet.... en dan ging je de hele dag lopen met 't, d'ronder. En dan, al trapte je die fjofjo dood... je hád 't met je. Droeg 't heel lang met je, misschien je hele leven, meer dan lang je leven.... Ach! Grootmoeder had iets anders bedoeld: fjofjo als geërfd zielsonheil... Fjojo was grootgroot: het konflikt. ‘Jonge, sta niet zo te hoofdbreken! Neem je baddoek! Ga jezelf baden! Míjn god! Kijk hoelaat is die tijd! Hij gaat telaat op school komen! Die hele vechten die we aan het vechten zijn...!’ Het vechten van de grote mensen, ouders, gaf volgens de kultuur een kind ‘fjofjo’. Kultuurkonflikt, zielskonflikt, levenskonflikt. Hij stond op straat nu. Straat wou huilen voor 'em. Zo snel. alles gegaan, ma' zo geladen, van gisteravond af al, eergister, hele week. Datzelfde ding: lakoe, lakoe, lakoe! Alles wat neger was, negerkultuur, was een soort haatopwekkende benijerij! Iets wat met storm woedde! Met zielmoordende onbehagens. Want kijk: die dagen van Alex, masra Arreksi.... (‘Mars jo! Vrijpostige kind, met snuit die lijkt op hond z'n wroeten! Is zwarte mensen nood is hier! Ma' jij hoeft nèks te weten! Mars!’) Dan weer, die andere keren, opnieuw en opnieuw weggejaagd, tot hij zelfs z'n ketting had verloren.... (‘Ija, masra Janki! Ija! Ik ben blij, u als witman zoekt glorie fo onze negerdinges! Want wijzelf hebben alleen verachting voor 't, wijzelf negermens, u weet toch!’) Hij was nergens binnengelaten. Nergens. Met verlies van ketting ook, die dag. In een soort bloed snijdende zielewondsvraag, die ketting afgerukt. Al kon hij nie begrijpen zelf, wat was dat. Nee, zeker géén fjofjo, dat ziele-onheil! Wat kon hij weten d'rvan dan? En?! Negerkind! Dan nu zo, was hij na' school aan 't gaan, met achterlating van iets | |
[pagina 459]
| |
moois. In ochtendvroegte, dat repeteren van wat hij op die school moest doen: Hansje Gansje deed niet wijs! Punt. Hij wou lopen op het ijs. Punt. Vader zei: dat wáág je niet. Punt. Moeder zei: dat wáág je niet. Komma, nee, punt. Punt toch? Boek zegt 't. Okee, punt. Maar toch..... (Mandwe z'n negergeest, verkeerde kompleet in Holland.) Ach! Een versje, één maar, voorbij dat hoofdstuk over hyacinten, dahlia's, krokussen, narcissen, margrietjes, tulpen, vergeetmenietjes, rododendrons.... (Hóllanse bloemen!) Hijzelf, jonge Surinaamse bloem, kind, kleinkind, van inlandse bodem... onbekend met de vele vele namen, die men aan eigen bloemen geven kon, zoals de faja-lobi, vurige liefde bloem, de franchepane, de angalampoe, bijna honderdduizend namen... Ze hadden 'em een stuiver mee gegeven, granm'ma en granp'pa. Met een bakove, die banaansoort. En een fles met kurk met thee in 't. Waterthee, met een badje melk. Om op te drinken later. Dan nu al, voelde hij een dorst. Hmmm? Zeker een komende hete dag no? Met broeiwarm! Hij zag die bomen, lopende voet, die goot naast, met krioeldieren, spinnen, insekto, zwervende marbonsoe die wesp, zag de duizendogige witwittige bloem, die zoveel zaad uitzaaide dat de lucht besproeid leek, met gods eigen adem. Zag daar 't zand, zo naakt van ziel, dat 't kon neks zeggen of ooit bewegen. Hoogstens als een symbool van helledinges, bleef 't daar liggen knarsetanden onder voet. Dan savons zeker, stond zand op. 't Waaide weg. De nacht kende gans geen wegen meer. (O! Vandaar dat hij die dag met Konferjari, Kermis, z'n weg niemeer kon vinden! Met huilen, tenslotte weer gevonden door granp'pa!) Dan pas zo, was nacht nacht! (Nu niet!) Dan had je dus geen wegen meer... maar alles zo, een gapend gat, waarin de dingen stroomden. Dingen dat! Ze hadden nacht als een verschuilkast toch? Kleedden zich aan met donker toch? Baadden met donker, zwommen buiten licht! Nacht was dat zwarte nat, dat vloeide door je ogen... net zeep bij baden (‘Béééé! 't Brandt!!’ ‘Je denkt dat zeep is iets om op te eten met je ogen no? Hierzo! Neem nat water! Was 't!’ Ja, dan nóg zag je zwart...) Daarzo...! Vriendjes van 'em, met wie hij lopend elke dag, Boenkoe, Seeko en Leslie... ze waren weg aan 't gaan al. Kijk ze, verrig, hoor ze: ‘Mandwe...!!! Rèèèèèn!! Ren en kom hiééééér lopen!!’ Ze waren laat al, fo school. Hadden hun dralen gedraald. Tijd had gevlogen. Sirene had al geschreeuwd fo ze: wiwijóennnnnnn! Half | |
[pagina 460]
| |
aaaaaaacht! ‘Mandwe, ga!’ zei iets in 'em. ‘Je hebt je huiswerk gemaakt toch? Achterop op erf? Ga, laat meester je strelen op je hoofd met: ‘Kijk deze jongen kent z'n dingen goed! Hij maakt zijn huiswerk optijd. Ik ga frater zeggen uit die andere klas, laat hij 'em extra beloning geven. Want hij is goed, geduldig en rijp al, daarvoor. Een voorbeeld voor jullie apen, vooral wat betreft táál!’ (Hansje Gansje, deed niet wijs! Hij wou lopen op het ijs...! Punt) IJs! IJs? De ochtendzon begon te branden al, daar in dat tropenland, de stad, niet méér als een gehucht tussen de bossen, bosoerwouden die hun adem strekten van grens tot grens, taaie natuur, gesterkt door weelde van water, wolken, woeste stromen, een land van de hitte, kwijt uit dromen van degene die de energie wou scheppen, brandstapel van de liefde die naturen schept. Dan daarin, pieper dan piepklein, een kind, langzaam in wandeling, van innerlijke stem bekomend. Kijk, vriendjes waren weg al. En al ging je je hoofd breken met gedachten, tot je zelfs zeven magen kreeg d'rvan. Chm! Wat moest zo'n kind gaan denken dan? Met nu een kleine ‘verrader’, zo'n grassoort die bleef kleven aan zijn kous. Even weghalen dat groene ding... hij bukte, viel bijna over steen. ‘Mandwe! Ga niet! Je hele sieraad van je ziel, trekken ze weg, met openscheuren van je jeje! Ga niet! Ga nie na' school! Al gaat meester of frater wraken met je! Is hún zaak! Je mag nie praten, taal als thuis! Je mag nie dit! Je mag nie dat! Al wat je maakt tot kind, horend bij jouw natuur, negerkind met je negerlijf aan je, dat alles, slaan ze! Laast hebben ze je op straf gezet toch? Omdat je Fajasiton hebt gezongen, met nog meer negerliedjes, Owroekoekoe, Skapoe, Peroen Peroen... Ze hebben aan je ore getrokken toch? Ze hebben gezégd: ‘Kijk hier kinderen! Een neger die zo vernegerd is, dat als je goed kijkt je hem niet ziet staan hier! Want hij's zwart van buiten! Zwart van binnen!’ (‘Pater, ik ben komen biechten!’ ‘Ja, mijn zoon!’ Een witte man, met zwarte zoon! ‘Pater, ik heb gezondigd tegen de Mens, de Kerk en bovenal, mijn God, de Vader de Zoon en de Heilige geest.’ ‘Goed, mijn zoon, vertel op. Dan krijg jij van mij de absolutie!’ Hij kón 't, vergeving schenken. Hij was in staat een zwarte ziel wit te maken, wit mens ook, vrij van alle zwartheden! ‘Pater... ik... heb de Winti een God genoemd, de Zoon heb ik een Jorka genoemd. En een Vodoe heb ik Heilige geest geroepen... vergeef | |
[pagina 461]
| |
me! Vergeef!’ ‘Wat?’ ‘Ik weet niet wat zulke vieze woorden betekenen pater! Ik heb ze alleen van mijn speelvriendjes gehoord pater. Hun ouders maken negerafgoderij met Winti, Banja en Lakoe.’ ‘Onvergeeflijk! Zonde! Zonde! Diepe zonde! Dit kán niet zomaar vergeven worden!’) Mandwe! Hij viel, bijna over die steen, alweer, opbukkend om verder te gaan met lopen. Kijk, vroegvroeg al, die jongens in die wel al opkomend om met hun beenwerk te gaan voetbal schoppen, zó vroeg! Echt wilderkinderen, met scheurhemd, baba-mofo,Ga naar voetnoot4 grootwrangige lip, dompelneus, staande oren, en een hongerbuik, gevuld misschien misschien zonet met stuk gestolen suikerriet. ‘E Boi!’ Een verdwaalde eerste bal kwam aan al. Geschopt, met de bedoeling fo een zitbal.Ga naar voetnoot5 Dan, in die wind, geheel verkeerde kant gekomen. Hij schopte 't terug, dat ding, dat was uit koers. Zelf, wilde hij dit keer niet erachter gaan boren. Schoppen schopte hij, toen hij merkte, dat die grotere steen, die vlak gelegen had daarzo, was weg gaan halen. Mensen hadden 't gewoon met hun schoppen gediekt, in misschien een laadbak gezet en meegenomen. Weg steen! Trans: hij voelde niet om te zitten. Hij, zeker met dat onprettige gevoel aan'em, wetend dat hij nu was aan 't spijbelen. Want meesteer sloeg die bel al, deze tijd, pingelingelingelinggggg...!!! ‘Wie is vandaag nie gekomen dan?’ ‘Mandwe meester!’ ‘Fo wáárom niet dan?’ ‘Ik weet niet meester... Hij had buikpijn meester. Want hij was gister nie gekomen om te spelen meester!’ ‘Meneer, hij jokt! Mandwe is gaan spijbelen meneer! Ik had gezien meneer, hoe hij's gaan boren om manje te stelen! Wachte, 't gaat voor 'em komen!’ ‘Goed zo kinderen! Wie niet gehoorzaamt wordt gestraft! En wie liegt ook! Honderd strafregels: leugenaars worden niet geboren! Ze worden gemaakt!’ Meester! Z'n hele leven, ook daar op die fraterschool, was één grote geheime leugen! | |
[pagina 462]
| |
Dan keek hij, Mandwe, na' dat gat daarzo. Hij zag hoe-waar steen had gelegen: hoe die onderkant prisis z'n vorm gelaten had, alle lichamelijke woestheid van die steen. Met kruipwormgang ónder die steen z'n huid, met kleinmierennest daarzo ook, een beetje rommelzand daar, waar een zandkakkerlak had huis gehad. Al deze dieren, insekten, vlucht hebbend na die ontbloting. Er was een kolossale wereld opengegaan fo ze, na 't weghalen van steen no? Zó groot, met wolk hoog en boom hoog, mens met graafschop hoog, hoger dan welk ding ook, zó vlakbij, met vallende blikken op het naakte dierbestaan, vlucht! Vlucht aardworm die nie kruipt fo nèks! Vlucht kakkerlak die scharrelwroetelt om een stukje brood, vlucht! Elk insekt, o mier, te vluchten! Hier lag die aarde, vrij uit schoot! Hier lagen alle wegen, kapot, kapot en open, verheven tot iets wonderbaarlijks groots! Hier... hier ademde een opening, zó groot, zo allemachtig in omvatting van een kleine wereld en tóch weer gevangen in één enkel mensenoog... Dan waren ze weg gaan gaan. Na dat graven Iets, iets geblevens, iets speciaals leek losgegraven met die steen. Een stuk belemmering ook, daar op weg. Hijzelf, Mandwe verder weg nemend. Want wat hij weer besloten had: ja, toch, gaan na' z'n m'ma en zeggen dat hij nie na' school gegaan was, met buikpijn. Ma' dan, hij kon daarzo (net als in die twee kamer van 't hart) thuis zijn. Of anders gaan bij die winkelruimte, waar z'n p'pa gezopen had, die dag. Misschien dat hij daar was. Een mens kon ook nie weten toch. Hij liep, hij liep, hij liep, met tas als sjouwtas nu, achter op rug. Voorbij die ezelskarren, met gras, zakken, of houten paald'rop, voorbij stootkar-duwer, voorbij vroeg dronken straatman, langs een stoep met hondenaaipartij, langs een stuk groennatte met lekke dakgoot balkon. Hij sprong over een stukje brug, met pijp d'ronder fo lozing van rioolwater. Dan ging hij verder, langs knepa-vrouw, die vruchten aan die straatlangs verkocht met grote opgezette benen. ‘Dak mi boi! Kom je nie kopen dan?’ Fo vijf cent was met pommesitèr zijn zakcent op. Tanden wrakelzettend in zo'n vrucht aan mond - hhhmmm mooi lekker zuurzoet uit azijn gediepte pommesitèr! Dan liep hij weer, met voeten die hem verder droegen. Hij kwam voorbij een paar groene vlaggen, wist niet dat ze hadden te maken met polletiek. Dan een prent aan muur, geel, met een olifant. Ze hadden 't half verscheurd. Afkortingsletters d'rvan: V.H. ... Eén letter weg, verscheurd, met inkt d'rop, weer verder, met vingers rabbelend | |
[pagina 463]
| |
op een zinken schutting zo blublubblubblu!, totdat bij tralie-opening tussen een poortvooraan, z'n hand bijna werd weggebeten door een krasse hond, met slagtanden! Dan verderop, hij plukte koto-misi bloemetjes. Draaide ze, gooiend in de wind, na ze als een soort ruimteklok op te winden tussen twee vingers. Ze waren zwaar en vielen op die grond, op straat ook, met asfalt, pasopoe! Motor met zijspan! Wrrroenjjj! Politie! Aaj! Hij dook weg achter angalampoestruik, vlakbij een hoek met een chinese winkel. Als z'em gezien hadden, jonge, mi boi! Is geen klein stukje straf zouden ze 'em geven! Met gefaarlijk veel zweep d'rbij, vlak op z'n bille, grote paipai! Om tranen als traliepijpen zo dik, te huilen. Want spijbelen werd streng gestraft. Of kwam die huilneiging, een drang, doordat een wolk aan lucht daar was gekomen? Of door iets anders? Ach, nee, niets... kijk! Lollipopman! Met z'n kleine driewielfiets! Ke! Z'n cent was op, die stuiver, vierkant! Jammer fo Mandwe no? Hij kon nie kopen! Dan liep hij weer, hij draafde zelfs op de voet! Hoorde als het ware kinderen uit de eerste klas: ‘Eén en één is twéé! Twéé en één is drie! Drie en één is...’ De berekenbare optelsom der dingen. Fo kindverstand begrensd met schok. ‘Negen en één is tien!’ De wereld was niet groter dan dat gevoel dat je als enkele mens met tien jaar twee handen had aan je tien vingers, no? ‘Is niemeer juffrouw?’ ‘Ach, kleine lachaap van me! Nee, hoor! Volgend jaar, of later, dan mag je echt wel verder dan tien tellen. Hmmm...? Wat ruik je? J'hebt gepuft no? Of gepoept? Bah! Je kan je bil nie houwen! En dan wil je verder leren! Ah! Kinderverstand!’ Dan kwam een lach, een schoon zonbrekende alles doorschijnende verraderlijk zoetlekkere sapotilje lach! Van die juffrouw, een zwarte, met d'r tanden, schoon wit, groot, open, lekker lucht in ademing wegzuigend. ‘Ja, kinderen, de wereld is nu eenmaal een heel groot en een heel vreemd ding!’ Mandwe! Hij kwam daar aan, waar z'n m'ma werkte. Die stofstraat, met kabaal en lopende mensen, blafTende honden. Dan daarzo, onder raam, ging hij staan schreeuwen. Ma' raam bleef dicht. Deur ook, na kloppen. Stoep, waarop ooit goudketting gezet, bleef kaal. Niemand daarzo. | |
[pagina 464]
| |
Hm? Vandaag was werkdag toch? Nee, geen stem van Nette, ma' ook geen andere stem van onbekende negers, (Tanta Beki, Bongo-Leksi, Vrouw Weeser...), of Janki met zijn Hollandse diepdraai tong. Nèks! Dat hele huis was dicht, als een gesloten hart. Hoe moest hij weten dat Masra Janki met Floor na' bosland was gegaan? En dat z'n moeder op interimwijze als bediende werk werkte in die keuken van Masra Gerber? Hij begreep nèks d'rvan. Nèks! Nèks! Hm? Dit was die plaats toch? Ija! Groot herenhuis met deftige ingang fo blanke bewoners. Met die zijpoort, die negerdeur daarzo toch? Ija, prisis diezelfde. Dan hoe kon 't? Even gaan wachten, op die steenstoep. Misschien waren ze dinges gaan kopen, nie thuis. Nee, zo nam hij oordeel, naast bij z'n m'ma d'r huis hoefde hij nie te gaan. Want toch, die anderen waren na' school. Wachten, wachten, wachten. Hij wachtte uur op uur en tijd op tijd. Z'n hele hoofd brak zweet, met opdrinken van thee, broodstukje met één milligram boter op 't, en een stukje kaas zo dun als een schéermes. Dan zette hij z'n bil neer weer, na even opstaan om die pijn van z'n kinderbilletje te laten weglopen. Hond kwam, hond blafte'em. Hond pierde ook z'n honde-oog op 'em. Hond keek! Hond keek! Was dit nou een mensenkind? O! Dan had 't kuit of bil om in te bijten, no? Hond hapte sjappa!! Mandwe sloeg schoon terug met tas. Dan kwam weer hagedis, in spelen in 't zand, vlak naast die stoep daar rennen. Hagedis had fo die vent wel geen belangstelling, ma' toen Mandwe z'n tas gooide op hagedis z'n staart om 't te halen, brak hij hagedis z'n poot. Dat beest sleepte nu. Keek om, met z'n groene draainek. ‘Wat heb je gedaan, mensbeest, jo, wat heb je me gedaan dan? En?’ Met fonkelogen die geen liegkracht hadden. Een hagedissehart opengebroken. Wat moest hij doen? 't Was telaat. Ach, kwajongensmakerij! Dan nu weer: kip kwam, van een erf aan die overkant (een huis met groen geverfde ramen, hangend zo boomhoutgroot uit hun kozijn, en een drempel, breed en groot, het huis met inhotid verenigend tot één geheel). Een kip kwam aanrennen. Mandwe sprong op. Hij trachtte kip te vangen. Kip rende zo, wèkèkèkèkèkè, ogen met veren die vlogen van angst! Dan ging hij, kip gemist, bijna geklaauwd!, weer zitten op z'n bille | |
[pagina 465]
| |
op die stoep. ‘Pjjoennn!’ Hoorde hij. San? 't Was al twaalf uur. Met honger nu, stond hij op. Twaalf uur no? Hongertijd voor 'em. School ging pas uit om één uur. Ma' voorlopig was 't warm genoeg om te gaan drinken. Nie fo hem, ma' fo z'n p'pa die hij gevonden had, die dag, op die plaats daarzo. Hij wist precies ook! Begon te lopen en te lopen, totdat hij kwam in die chinese winkel.. Dan daarzo, aaj mi boi! Geen niemand te zien. Wachten, wachten wachten! Zittend aan biertafel, viel hij in slaap. ‘San doe a boi dati dan?’ ‘Ik geloof, hij's ziek! Geef 'em een soft fo me!’ Een gans en al andere persoon liet een drank brengen fo Mandwe. Chinees hem wakker makend met: ‘Meki! Meki! Bakadina go!’ Om snel te doen, want de dag vloog, de middag henen. Dan toen hij goed zichzelf kreeg was 't al drie uur. Met zware sjouwta§, zwaar net als een steen, die fles, die boeken, bakove allang door z'n keel gevlogen, ging hij terug, nee, nie na' granm'ma en granp'pa. Hij zocht zijn vrienden op. En pas veel later, na omzwerving, kwam hij bij die buurt van Eigen Dinges. Daarzo, zag hij al dat geweld. Protest horend van negermensenmond. San? Wat was aan 't gebeuren dan? Een Zwarte Man's Beweging, geblokt? Geblokt, dus tegengewerkt? O, wat was 't tegenwerken dan? Al dat slaan van die mensen, na eerst ondervragen, onderzoeken met geweer en rubberstok. Kijk, wat je doen kon, als je uniform had, koloniale machtskledij. 't Leek of een geklede jeje hem bleef volgen. Tot laat, later, in vallen van de nacht hij door politieman werd opgepakt. Teruggebracht! Alleen nog granp'pa thuis die nacht. |