Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 396]
| |
Hoofdstuk dertien(44)Die grootte van de poort, bedroeg een afstand van drie meter. Dan hoog houtwerk, zink met schutting. Een aantal open mensen, met: ‘Kom binnen dan? Biddag gaat dalek beginnen! Maak gauw! Doe snel!’ Ons Eigen Dinges, bedeplaats geworden? Zeker een tempel vol met afkodré, ‘afgoderij’ no? Met tempelhoer vol torenhoge borstpartij! Met tempelschurk, tofzaam loerend op een zakrol kans no? Dan met die tempelpriester, een bonoeman zeker, vol Medicijn, loerend op onderdanige tempelbidgangers no? Het zwarte Jeruzalem, goudblinkig, rond van lichaam (iedereen was eigen te dienen kalf, met z'n pret aan wezen), palmtakken in de rondte, vuur in grote koolpot brandend, klaarklaar staand fo een tempel-vuurdans: hohoi! hehé! Vlammende adem der aanbidding! De rookziel die opstijgt tussen de zweetbast en het zwoegende gemoed, ehe! ehe!, gods eigen Daad van Aanwezigheid tussen de zwarte kalveren die daar geofferd werden. De blakaman, neger in kultus, met z'n eeuwigdurige offerbereidheid... Of was 't pure demonstrasie tegen iets? Politiek geladen altegader in protest: ‘Mannen, we zijn gekomen om te protesteren tegen dat ontslag! Van onze voorman, daar in de gelederen. Hij staat, hoewel hij aan het knielen is: De Moor! Hoor, met je eige oren, wat z'hebben aangedaan tot 'em! Al je jeje schrikt om deze daad van onrechtvaardigheid! Grijp eerst na' de wapenen van jullie zielen! Dan daarna, om te komen tot één grote oplossing, één grote KABA, andere wapenen, zoals...’ Een fajalobi, bloem der vurigste liefde die kon bestaan, hing in de zon te smelteren. Neenee, geen bloei. Zó warm was dat ding, dat al 't rood d'rvan, smolt... smelterde.... Op straat, buiten, hoorde je hoe de wielen grond wegkrabden. Mijn god! Hoe op verschillende manier gediend! ‘Skowtoe! Polisie is aan 't komen! Hilo hilo!: een heleboel! Als je | |
[pagina 397]
| |
zíeeeet!! Die weg is gesloten! Ze zijn ons komen opsluiten! Fiskari!Ga naar voetnoot1 Met stok en met pistool! Ze gaan onze buik weghalen! Míjjjjjjn góóóóód!’ Met grote rollende ogen, waarvan 't wit gelijk was aan de diepte verte, van niemeer dinges zien en adem blazen: ‘Wuuu! Wuuu!’ Radeloosheid, armen op hoofd, in de lucht geworpen! Met voeten stof wegkalefaterend! ‘Is dóód gaat vallen hierzo!’ Dit was DE eredienst: de strijd om een stuk goed bestaan. Aan de ene zijkant: de bijeengekomenen. Opzettelijk in stilte, om geen aanleiding tot beschuldiging van opstoot, babari, wildwoeste razernij. ‘Komen jullie, dan ga zachjes zitten. Kijk, plaats is vrij daar. Zet je rustig neer, daarzo! We gaan net ‘'t geval' gaan mediteren! Want 't kan nie voorbij gaan zomaar zo! Wat zegje dan?... eh, is instruksie! Ija!’ Aan de andere zijkant: zij, polisie. Gestuurd van koloniale hogerhand. En nooit als eerder, machtdadig, buiten paraderend. ‘Zo! Zij met hun verdommerij! Láát ze komen! Kommandant? Paraat! Eén overtreding van de wet, en we schieten ze neer! Als een vlucht ara's zeg ik je! Die wilde papegaaien!’ Aldus polisieman's grootmondig wrakelkommentaar op die menigte daar op dat erf van Ons Eigen Dinges. Menigte protesterend tegen De Moor's ontslag. Of je 't toeval ging vinden, ofte niet, aan buitenkant, langs schutting daar op straat z'n stof en steen, met breedlange trotwaarband, groeide papegaaietong. Bloem zo, aan steel, net opkomend en ongeplukt, krulde van de zinderende zonhemel! Het ongeschiede kwaad schoot op in tekens! Nadien, dan kwam alleen nog dood. Gansganse nacht, zonder één teken! De macht der dingen, had iets onvergelijkbaars! Dan binnen, op dat erf dus zo dan, opx'ndc El Negro 't woord. Hij, Frederik Brummal, sprak, als een geheiligde advokaat der negeren. Zijn handen zweefden van emosie. Zijn blikken richtten zich tot alle koppen. Dan zijn houding, als uit de grond opstaande, zweefgeest, is zó leek hij. ‘Kondreman....! We zijn hier gekomen, om het een en ander, te overdenken! Laat niet een daad die niet is welgedacht, ons dit stuk vrijheid kosten, wat we, nunu, hebben! Dit, met bewaking buiten, ongevraagd en onverzocht, vráágt ons om stil te blijven. We wisten al! Koloniale macht bedreigt ons met geweer buiten! Vandaar, we doen het zo vandaag: geen optenbare diskussie... geen dansi-dansi, met een kleine onenigheid of vechtpartij... iemand z'n hand | |
[pagina 398]
| |
slaat fo één glas bier een klap en... Ik hoef nie verder te zeggen, wát met ons gebeuren kan. Want een geweerloop liegt niet! Een kogel uit pistool, hij wijkt niet uit! (Gezucht!) En een mensenhart op zoek na' rechtvaardigheid van dinges... heeft wel zijn eeuwig vaststaande konklusie: wat nie goed gaat, gaat nie goed! Is dáárin geloven wij! Vandaar deze negerbiddag: ónze religie! Wie wil kan komen, om 't verstaan uit onze hoofd hier weg te dieken! (Hij, bijna, bijna, zei: schieten. Z'n tong rekte al, daarvoor, toen hij inslikte, om geen provokasie.) Vandaar dat ik u bid, kondreman, allemaal hier, ouwe mensen, jonge ook, met kracht op ieders lever: het is durf die ons hier gebracht heeft, ondanks voordien 't kwaaie gerucht dat als we kwamen, we zouden worden uitgeroeid!, en neergeknald! (Hij zei 't tóch.) Welnu, eenmaal hierzo, dit is mijn preek, of als je wil, volgens de regels van de bonoe: dit is míjn tak'mofo, míjn bezweringstongval: laat ons 't hoofd buigen, te beginnen met dat. En overdenken, de dingen die we hebben gedaan, vanaf begin begin! Tot aan nu. Een stuk gevecht om de bevrijding van kultuur. En dan pas, wat we zullen moeten doen! Om nie beroofd te raken, door schurkse karaktertrekken van hen, zij die het leven menen te beheersen, met ...koloniaal geweld, no?’ (Adem op adem woedde, zweet brak uit. Je hoorde laarzen lopen, schoenen zand wegkauwen met geknars. En op daarzo z'n zinkplaten, geweerkolf z'n bram!, slaan. Aaj, aaj, de dag des oordeels over zwarte man, leek nu gekomen. Wat ging gebeuren dan?, me jé! Wat zou gaan komen te gebeuren als polisiemacht daar buiten ingreep? En?! ‘Dus, verzoek ik nu eenieder van ons, om zonder enige krèk kalm te blijven, te zitten waar hij zit, of desnoods te knielen. En met z'n hoofd te buigen, even maar, totdat ik geef een teken. Dan is het echte teken, van onze solidariteit, Ons Eigen Dinges, wel naar ik hoop, klaarklaar en helder, gebleken! A tan so!’ Die vrouw van Ronalds, was gekomen. Ondanks des waarschuwings! Met zwangerschap aan buik! Was d'r hoofd aan 't breken nu, vol met gedachtes. Stel je voor, mi ba! Z'had ruzie gemaakt met Ronalds z'n m'ma, groot feest leek 't. ‘Ija! Ik als z'n moeder zegje: je moet die twee kinderen wegjagen nu! Laat ze na' weeshuis gaan, op Lanti's kosten! Is nie genoeg, dat hij ze eten heeft gegeven no? Dan nu hebben ze gemaakt, dat hij heeft al zijn werk verloren! Kijk wat een monddiskussie, over joegoe joegoe, onrust! | |
[pagina 399]
| |
Mensen willen nu bijna dat 't gaat moeten vloeien, bloed! Ma' van wie dan zo? Nie van me mamboi hoor! Nee! Niet mijn zoon z'n bloed gaat offerbloed worden! Is andermans bloed gaat rennen op straat daar, ik zegje!’ Dan later viel ze aan, op eigen woord: ‘Ija! Is geen hardvochtigheid van mij! Is gewoon zorg maken, dat alles moet goedkomen! Want is nie fo nèks kruipt een grondworm!’ Met grondworm bedoelde ze: een regenworm, kruipend over grond: ieder z'n eigen doel, is nie zo? Dan weigerde ze, diep weg, achter die abomastruiken, liaanvol en vol met bosananas, wilde spinnen, schorpioenen, diep boswater langs de wortels van een kankantrie: haar eigen persoonlijkheid!...om toegeven aan de idee, dat daar iets schoons verrot was, boom die uitholling vertoonde. Eén leugen, één jonkding! Want wie had eigenlijk de ondergang veroorzaakt van haar zoon? Die grootgrote idealist? Nee, is nie zíj! 't Waren die kinderen! Nie zij, die d'rvoor had gezorgd, dat hij gered werd! Gered, doordien zij 't manuskript had meegenomen en ergens had afgegeven. En hoe 't verder was gegaan, langs duistere weg, niemand kon weten, niemand hoefde ook, geen lichtstraal in een hoofd die 't pad verlichtte waarlangs haar daad gang had naar... ‘Láát dinges, meisje! Je bent zwanger van me kleinkind! En draag't, want ook ík bemin 't!’ Ronalds z'n vrouw, ze boog 't hoofd. Dacht aan dat ene gedicht maar, dat hij verteld had, toen ze waren aan het liggen in hun bed, hij & zij, vlak onder het licht. Dan ogen opglanzend, die vleermuis buiten vliegend vla-vla-vladdervliegvlugvlug-flllllll... wèg. ‘Ben je bang, me schat?’ ‘N'no mang! Fo wát moet ik bang zijn?’ ‘Ik weet niet! Zomaarzo! Fo mensen misschien...’ ‘Fo je m'ma, die vindt en nie kan laten met te zeggen, dat jij je leven hebt verlaagd door een negervrouw te nemen? N'no man! Die vrouw verdient ook rust!’ Hij liet een leegte door zich heengaan, toen. Dan kalmde hij z'n stem in strot en sprak manmoedig: ‘Ik heb d'r al die dinges vergeven, net zoals ik doe met iedereen, die vanuit ouwe zucht verkeerd doet. Je weet: wij hebben ons hoofd gehangen over gevolgen van het oud-koloniale systeem dat nog volop doorwerkt. Dus je weet watje kan verwachten van zo iemand.’ | |
[pagina 400]
| |
Een paar van sterren trokken door de nacht. Dat raam was open, opener dan vierkant gemeten in centimeters. Het was dat meest geopend raam ter wereld, daarzo, terwijl 't zicht gaf zwart op nacht. Met konkelsterren, flonkerrond, die dinges zeiden, die geen mens kon weten. Zoals het hoe en of bestaan van adem, hoe van leven. Teerteer en kwinkeling gevend, zo even, dat als je nie zag, je nooitmeer zag, eenvoudig omdat het zo snel ging, over wegen, die emosies aan de mens langzamer volgden dan ruimteschip.... En ogen waren 't schip... zonder terugkeer soms, van dromen, droomidealen, uitgevoerde. ‘Dat werk wat je doet, geloof je zelf dat 't kan? Ik bedoel, niet of 't goed is. Ma' om tegen alle wil in van mensen, ook van mij hoor, dat je 't mag weten... om zó opvoeding aan een kind te geven! Weet je? 't Is één brok verantwoordelijkheid! Ik voel gewoon fo je!’ Zijn mond was open met zijn tanden. Zijn handen hadden palmen, zwaaiden zacht, heel zacht, op ritme en beweging. Zij, waren ook lichaam dwalend door dat grote Ruim. De klok! De klok...! ‘Ik geloof in alles wat ik ben aan 't doen! En 't is goed ook! Ach, je weet niet hoeveel twijfels me slaan, hoeveel innerlijk zweet uitbreekt aan me bast! Soms is 't net of ik vuurdoop hou! Daar: me eigen ziel gaan dopen! En dan ontdekken dat het kind in mij, mijn eigen kinderziel, een dwerg zal blijven! Want de weerbarstigheid maakt je niet groot! Hoogstens..... hoogstens.....’ Kijk daar! Dat ding leek een komeet. Ver ver verspreid over de duinen van niets, de daken van de nadering, de oorlogen die woedden in de lucht, de verhelende boomtoppen waartussen hutten van de Bosse Mensen, wenend elke dag een bladerdroom..., daar, daar, verspreid het Grote Gruis, ontstaan uit Al's-vernietiging! Het gruis, dat waargenomen werd als stralende komeet. Voor ver met ver z'n ogen, was het één ding, een enkel ding, van kosmoskracht. Net, netzoals je enigste enkele lichaam die je zelf was. Aaj, hoe, hóe de afstand te overbruggen tot Jezelf? Het vroeg om wereldreizen, ruimtegang en hemelse vlucht, dwars door de gelederen van de Ademlozen, de Eerstelingen van het Grote Vuur, door de Mytische Waterslang der Indiaanse Oerbroeder's Hut zonder Bodem, door de smaak te proeven van de ontboden Dode, daar, hangend in ongeschonden lucht, door de wijsheid af te tappen, uit onbekende stralen, die met koude broedden, heel heel emosie lang, van Nijd tot Spijt, van doornen gang tot de geweekte hersens van een niet geworden lichaam, spelend in het anti- | |
[pagina 401]
| |
tuig, en gooiend met de grollen van zijn stede, bestaand uit zanden aan de stranden van de zee, zee zonder nacht, maar met de grootgrote betoverende schittering, van al wat leefde: één basterende oog, oog delende stralen, in straal en in straals trefpunt, daar, in mens in z'n hart. Daar, waar de wegen van de toekomst dieper lijken, dan de dalen die je nie kan zien, omdat zij schuttingen opwerpen, tegen het eigen menselijk tekort. Hoor, hoor hoe de oeroerwolf juichte: een grauwe keel uit grijze mond, in groene bast een modderhond, een ware wezensvreter, hangend uit de lucht zijn stem geplukt. Hij was.... alweer... nee, nee! Geen prooi!, ma' jager des geluks! ‘'t Kan nie falen, dit!’ zei hij, een mondjevol overtuiging. Ma' wel genoeg om te gaan rusten met 't. En dan te worden, morgen, weer een mens. Je wist nooit wat uit jezelf los kon komen. En wat, heel, heel misschien op lange duur, anderen, kon laten losankeren. En dan op drift laten gaan, met daarna vangst. In juist die ene visgat, vol van de door jou gekweekte vis. Hij lachte, met een lach, vol van een offervaardige soort van glans. ‘Laat ons gaan slapen.’ zei hij. ‘Nee, ik wil iets horen van je!’ ‘Hm? Wat dan? ‘Kheb slaap man! Morgen heeft veel balans nodig.... uhhh....’ ‘Jij met jezelf! Zeg iets! La' me luisteren en zelf ook in slaap vallen! Iets, fo dat kind in buik hier. Een tori, of nee, een klein gedichtje maar. Iets wat je hebt... uhhh... gehoord op je bijeenkomst bij, je weet toch! Doe no?’ Met al dat gesmeek juist, èn die slaap aan hoofd, kon hij zich niets herinneren. Niets, geen enkele alinea, geen tori, geen gezang... wachte! Iets! Dat ene zelfgemaakte gedicht. Over z'n m'ma. Hij schaamde even. Ma' ach! Wat gaf dat ding aan spijt ofte respijt van schaamte? Zij, daarzo aan zijn zij, zou begrijpen, dat 't ging, over de moeders. Dan zei hij 't. En dan, terwijl zijn: ‘Mi m'ma...’ woorden deed overlopen, vanuit zijn hoofd na' dat van die andere persoon daar, vrouw met kind, werd wakker in 'em, dat hij woorden had gestolen. Oh, dát gedicht, 't was gemaakt door een ander. Ah, met z'n slaaphoofd! Een mens was eigenlijk net zo, in 't leven: alles, alles wat je deed, 't kwam, doordien een ander d'r allang aan was begonnen, ook al wist je niet met je verstand. Dinges? Hm! Dinges! ‘Ahhhhh!’ Eigen Dinges no? Met een zwaar slaaphoofd, hield hij op, in slaap gevallen bij dat open raam. Het hele gedachte gedicht dat hij aan 't zeggen was, 't klonk | |
[pagina 402]
| |
gelogen, vertrokken uit z'n woordelijke voegen. En echt gelogen ook, door hem! Met wegslapende stem. ‘Míjn god!’ dacht ze, bevend van een soort opgewonden angst, tot in haar levensput, troebel van ondergrondse wateren die geen begreep! Míjn god! Als hij maar niet wegzakte, zó een mens, vol, vol van ideaal! Morgen, zou ze gaan opletten, hoe fit hij zijn zou. Ma' dat was laterzaak. ‘Aaahhh!’ Met een korte gaap, viel toen ook zij, diep in de put der slaap. Dan nu zo, keek ze op. Zag, hoe de rest, de ogenblikken wegmediteerden. Brummal! Hij was aan 't denken aan zijn grootoom. En met wraak ook, die ouwe man. Had 'em weggejaagd toch! ‘Ija? Wat ben je komen doen? Zie je niet dat een stel deftige heren hier op mij zit te wachten? Denk je dat dit land te redden valt zonder één staatsbesluit? Zeg op!’ ‘Ik... ben komen vragen wat 't is! Ik bedoel: vanwaar dat bittere genoegen, om mij te boykotten. Of zelfs mijn voornaamste medewerker daar in onze Beweging, te trachten te breken! Als je maar weet, meneer de Brummal!, dat ik zijn voornaamste steun ben en blijf! Goed, we opereren niet politiek! En dat weten jullie, deftige heren hier, in goed kostuum, waaronder groot sersjant, met officiersuniform, kijk z'n goudlijn langs z'n vetlichaam, daar in die grote zaal hiernaast! Over me lijk ga je me krijgen om díe drempel daar te passeren en ze één groet te geven!’ ‘Genoeg! Als je nie weggaat nu, dan ga ik een paar schildwachten moeten sturen om die nazaat van me eigen familie in die rattegevangenis te laten gooien! Want zoals platte monden zeggen in dit land: ik geef geen tori!: ik laat geen druppel spot over me gaan, begrepen? En ook: ah! Ik ben maar een oude man met een hoofd vol staatsbesluiten! Mijn zoon, je vader was een goeie man. Jammer, dat hij met heel veel geld na' ergens is verdwenen, je moeder achterlatend en onze hoge familie in oneer. Ma' jij, die van hem hebt geërfd, nee, ik bedoel: het Brummalse bloed, met maar een heel klein beetje negersmet erin, kijk hoe mooibronstig bruin je bent....! Hm! De zon kan niet lichter! Jij! Jij dient de toekomst hoog te houden, van volk, familie en... vaderland! En daarom, hoor je hier! Hier in dit herenhuis! Dit huis, met twintig kamers! Hoor je me?, god nogantoe! M'n stem wordt veels te luid! | |
[pagina 403]
| |
Ik beef ook, van emotie! Om jou die hier staat voor me, eindelijk eens, en leeft, ja, leeft! Hoe is 't met je? Vertel!’ ‘Ik heb niets te vertellen! Ik ben alleen maar komen horen, het waarom en het hoe! Want grootoom... je veracht me als familielid! Om mijn gewillige inzet! Juist voor het echte volk!’ ‘Donder op! Eh... nee...! Ja: ga weg! Weg uit mijn ogen! Weg! Vaag! Schim! Weg! Verdwijn! En voorgoed ook! Met al je Eigen Dinges!’ De ouwe man! Hij speelde zelf schildwacht. Rumoer in zaal naast, met de houten stoelen van 't antieke Holland, de praalluchters, de Kollegelieden, hooggeachten,.... wèg! wèg! Ja, weg! Dat witte pak en witte baard, ook witwordend gezicht, allemaal één in woede! Dan wist hij nóg niet wie dat ding gedaan had. Hij Brummal, broedend op gedachten. ‘Gerber, professor, Mann? N'no man! 't Kan niet! No, no, no!’ Hij had de middelen niet toch? Of wel? Handlangende dief? N'no! Gerber was karakterloos, vond hij, ma' hij zou niet een risiko gaan nemen met dief gaan sturen. Dan als iemand zo'n dief ontdekte no? En greep? Dan wat? Dan had hij die hele strijd op slag verloren! ‘Nee, hij gaat 't nie doen zo! Eerder speelt hij fo Anansi, met slimme afwachting van goudblakende kans!’ Dan wie kon 't hebben gedaan? ‘Soema?’ Toch niet die ene man daar (gooide hij oog op) ....hoe heette die eh, ja: Marius? Jongjonge Marius! Man ook, van het onderwijs! Een idealist ook, volksvechter! De Moor's nu ekskollega! 't Kon niet man! ‘Dan gaat hij helemaal hier komen no? Zonder konsensi? N'no man!’ Ma' wie bleef over dan? Als geen herkenbare vijand, dan toch in naam van alle negerbijbel die bestond uit opgelezen preveling!! geen géést die een manuskript kon meenemen! En manuskript ook, kon geen voeten krijgen! ‘San na en?! Wat?!’ En dan, El Negro, flitsdenkend nu, weer aan die buiten staande wakers. Met hun loerogen, wachtend op een soort opstandigheid. Om toe te slaan! Om kogels toe te werpen! Kogels met dood, in lijf! Wie moest in godsnaam dat eerste slachtdier zijn? Hijzelf? Hij, hij voorman? Of misschien 't tweede! Want die ontslagen Moor wàs eerste slachtoffer! Een enkel trefogenblik, oog in oog, met een nadergekomen dood! Dood treft 't 'em zwart, met spatmoment: hij vliegt uiteen! Hij is een bastermens nu, met z'n Zelf aan flarden! Vliegt alle kanten uit! Hij spat | |
[pagina 404]
| |
van leven! Spattert tegen een stukje zink aan, een begrenzing! Spatspettert, bloedvol, tegen onder kant van dak. Dak houdt hem tegen om de lucht te kiezen. Hij sprint tegen een knie aan, spat het met z'n bloed. Bloed op bloed, met mensbloed tegen het mensenvlees aan in een ongewoon wordende soort vereniging. Dit soort, veroorzaakt diepe leed dat smeekt om een vergeving. Van wie? Van moordenaars daarbuiten zeker no? Met dood in aanslag no? Met handlangersgeest die slag gaat slaan! Dat wraakmoment, lang, en wreed, veeleisend, babari makend, tot diep achter in een mens z'n hoofd! Pamm!, schieten. Pampam!, schot! Hij ploft in een onding uiteen, het losse lichaam, stervenderwijs uit elkaar gebroken. Vanaf zijn zenuwtoppen voelt hij hoe hij wordt uiteengerekt. Zo wijd, zo open, dat hij nog maar niet zichzelf bij elkaar kan grijpen, al zijn z'n handen nog zo lang gerekt, dat zij wel net op 'tzelfde moment een ander kunnen raken. ‘Jep’ mi no? O, help mij! Ik ben uit me bestaan z'n baan geslingerd!’ Dan draaihoofd aan 't, verstand lekt, verstand dat lekt van alle soort gedachten. Gedachten die vervliegen gaan. ‘Ze zijn gek! Ze zijn echt lawmangek! Om zo te staan ook, met die loop van hun geweer omhoog! Om zo hun schot te schieten, pam!!’ Dan ineens is hij vuurwerk. Eén grote man, verpletterd en verspat tot fijnfijne regennat van kleur, rood spat uiteen: ontleed is hij, tot groen en geel! Dan verder reikend, snelontbinding, ...paars.... violet... rood.... zwart... grijs.... wit..... Hoog, hoog, en tegelijk reeds vallend om vanaf lanceerplaats, te worden opgevangen in de kleden van de dood. Nee, nee, geen doodslakens, maar hij! Zijn kleren zelf! Nette hemd, en broek en weggelaten das... Is beter kwam hij, sito sito, tot zichzelf. Een halve meter verderop, misschien driekwart, misschien ééntje zo maar, twee ellebogen zowat ver, had je De Moor, in afstand tot El Negro. Hij was aan 't zitten, handen die z'n gezicht vingen, ma' 't toch nie geheel en al toedekking van met vingers, gaven. Hij was gedressed in zwart, die maakte, net of hij wou wegverdwijnen. Mensen schijnenGa naar voetnoot2 in het oog, dat hij een soort van nee, geen engel was, ma' vodoegeeste: het Grote Verdwijnwezen, nunu, in aanblik aan te zien. Met een soort diepte in zijn aanblik van niets wat voor 'em staande was, met alle | |
[pagina 405]
| |
bewustzijnkwellende aanwezigheid: de stoelvoeten, de onderlichamen, de bovenlijven, de hoofden van degenen zittend met hun negermeditasie; net ofdat deze hoofden van de mensen met makaar hadden gewisseld, één grote leeftruck! Dan nèks anders, dan ruimte, stof... stof... stof. Langs achterschutting, vanaf podium bezichtigd, dus voorschutting eigenlijk, áchter voorschutting op straat, de mondkabalen van de eerste schrik verstild nu. Met iemand, in een wijdsheid openrekkende lach. Hij keek, keek een soort diepte in. De ruimte voor voor 'em, plotseling met iets onnatuurlijks bochtigs, net of die ruimte een soort reesbaan was geworden. Ma dan zo, eentje, met een heuvel van volstrekte Als een heuvel, die je, aan de voorkant staand, tegelijk ook vanachteren kon zien. Je zag, hoe tegenkomende mensen op je kwamen. Zag, hoe tegenkomende beesten, hun kant opklimmend na' hem. Wanneer, wanneer precies en juist de voorberekende baan der ontmoeting zelf? Welk punt zo, op die baan en hoelang durend, welke hoogte, gemeten vanaf grond z'n allerdiepste punt? ‘Tan?! Ik had nie geweten, dat je van zulke dinges houdt! Kijk no: hij doet iets en dan denkt hij: ik kan zover en zover raken. Verder hoef ik niet! Nee, jonge! Je moet netnet gaan, over dat punt waar jíj niet gaan kan! Dat is vér! Heb je gehoord no? Baja zeg wat dan? Je gaat toch nie staan verwachten met je doodshoofd daarzo, dat mensen je met dinges tegemoet gaan komen? Dat ze zelfs meegaand zullen zijn? Ontmoeting? Is tegenwerking meen je! Ija! Als je nie hoort, ga je zien! Wie nie hoort met wil, moet voelen! Verlaat die hele k'ka pasiGa naar voetnoot3 die je wandelt! Ren weg, achter een struik, birbiri, grangran desnoods met dorre tak waarachter je nieteens je lijf ma' wel je hele hele gezicht kan schuilen! Dan laat die opkomende satans! Ze gaan zeggen kijk: wat daar is, is geen mens! Want hij schuilt en heeft geen gezicht! Dan ben je direkt af van pesterij! Want als ze je vinden, hoor, ze drinken je bloed op met opslorpen! Dan mishandelen ze je lichaam, al moeten ze je timmeren met schemering of nevel in hun hand! Ze gáán wat vinden! Luchtstok desnoods! Ma' dan, wie geen kwaad heeft dat glinstering uitbreekt in ogen, met donkere geschitter van de zielloosheid, een jeje die nie zwemt, nie zinkt, maar drijft op een soort zware ketting op azijn van dode wateren..... chm! Wie nie kwaad in ogen heeft, die hem het zwarte zicht | |
[pagina 406]
| |
geven... díe pas, gaat struik doorzien en ziet direkt ook je gezicht. Tan? Kom dan? Wat ben je bang? Deze man! Kijk: ik kan zien dat je meer bent dan een stuk vreesverberging. Je bent een soort geboren ding dat nie kan laten om te lopen no? Wandeling is programma van je benen! Kijk hoe je voeten bloed lopen! Dan je handen, ze zijn richtingzoeker! Dan waar ik je zie hier, mang!, je bent al mooimooi ver gekomen. Kom, ik ga met je lopen na' thuis. Dan kunnen we gewoon de dingen zeggen, die de tong maken tot wagen van de vracht die harttaal is! Zie je niet, hoe ik een ezelskar vol zakken waarin geheime aren, uitspreek? Ik kan 't uitlachen fo je. Of de loodzware zaden van mijn eigen historie fo je uitgillen. Ma' ik ben bang dat hier een krachtveld uitgroeit, dat maken gaat, dat wij die hier staan, met pratende gezichten, twee nullen zullen worden en verdwijnzaam zijn. Want dat soort krachtvelden, laat mensen binnen alle landschappen vereenzamen, tot minder dan de ogen van een bewiesteGa naar voetnoot4 vogel, die kijkt, en kijkt, en ziet, hoe rijstvelden worden bevloeid met bloed, hoe kleine planten opkomen van adem, hoe ze nie waaien in de winden van de zee die bruist onder de voet! Hoe regens van het gezuiverde woord ze de top wast, en de manen van nèkse nachten, leger dan holle aar, ze beschijnen. Dan, wanneer die dag komt van hun oogst, zijn ze geworden tot gezicht! Ja, gezicht van degene die niet de moed gehad heeft om te breken, doorheen 't krachtveld dat hem teistert. En één stap verder te gaan dan hem is toegestaan. En wat hem toegelaten is, zijn enkel dromen van een woede-oogst! Kijk zelf man! Zie je niet? Die achterkant van wat ik zeg: deze woordheuvel, dit bed, waarin het slapende bewustzijn van je jeje die je zelf bent: is het door jou betreden? En getjapt met je landbouwwerktuig? Of met een schop of schoffel, hark, bestreden? Of is 't gewoon gebleven wat je wil ontginnen? Een stukje veld zonder één goeie glans? Dan kijk hoever dat je gekomen bent, met voeten, benen, smelterend onder je lichaam, laat je nietmeer kunnen gaan, terug. Aaj, dan nu pas begint de donkering aan lucht! Met honderd miljoen zwarte vogels! Zij vliegen zonder ogen! Jóuw adem is hun kompas. Jij bent de pool waarnaar ze komen! Vogels van luchtgezicht met droom als kroost.... hoehoehoeiiiii! hoei! hoeiiii!’ Hij tilde zijn handen op, de hoogte in. Teken dat 't was afgelopen, | |
[pagina 407]
| |
pasa, kaba, voorbij. Dat uur van verder spreken was gekomen. Een taal die handeling inhield. Handeling met voorzichtigheid. Want zolang alles bleef, ‘religieus’ kon nèks gebeuren. Aan alle kant was dat verdedigbaar. Kijk: we maken, al is 't vergooidverguisde religie, onze eigen godsdienst dinges. Niemand kan eredienst stoor geven toch? Al komt een winti op, geest die de trillingen van de aderen der kosmossen doorgroeft! Dat diepste van het diepgeheimig negerwezen. De Aanvliegende Dans, en het Bezongen Lichaam. Konkondoe! Konkodoewa! Mi na koemanti... hehuwe! wehuwe! hehu! Dit was het zwarte sanctus, daar, die stilte, gebroken door het teken met de zwarte handen, alletwee. Want zonder een van hen, dat vingerding, was 't nog geen volledig teken. Twee handen, tussenin, een daad. De daad van het herzien van 't ogenblik. Zo kreeg de tijd zijn status en cachet: de versierde handeling, de menselijke daad die hij verricht, uit noodzaak tot bewegen. Dan ankert hij daarmee de dingen los, die gaan gebeuren, los van wat net gebeurde, achterliggend, ma' in feite in hem tot wezen makend. Je diende ruimtekind te zijn, en alles om je heen, dat kleine kom-en-zie, dat maakte jou tot waar je was. En daar was daar. ‘Genoeg!’ klonk buiten. Blijkbaar, voelden ze, hoe 't was, om te worden misleid. Door wat? Een opstand van de mensen daar verwacht? En nu, in plaats van politiek, met volvette mogelijkheid tot ingrijpen en met genoegdoening (de zegening van het eigen moment) de opstand neer te slaan, geest tegen geest, lichaam tegen lichamelijkheden! Een bevel kwam van buiten, dat dat terrein moest worden ontruimd. Vanwege blijvend gevaar op onlust. Spanningen buiten, waren zeker te groot. Hoor hoe waarschuwingsschoten, nog voordat ze werkelijkheid schoten te maken. Er had dus nog geen echt schot klank. Alleen dat ene woord klonk scherp scheldheid makend: ‘Naar buiten!’ ‘San? Fa dat’ doe kan dan? En? Hoe kan dat ding? We zijn hier gekomen om rustig te zijn, dan mogen we nieteens bij makaar blijven no? Is dit noem ik terreur!’ ‘Sssjjjt, Blijf stil! Ze wachten op gelegenheid om dood te schieten! Volg dan!’ Een ouwe man, hij kuchte, Doeba-Jembe, zichzelf na' die uitgang. Z'n twee benen leken fo de helft doorgezaagd, onder z'n lijf, is zo schuins liep hij, paal vastgrijpend. ‘Mi si... ik heb gezien hoe ze ons vastbonden | |
[pagina 408]
| |
en zweepten, met een zweep zoals een rivier zo lang en slingerend. Zweep op je bast! Met peper en azijn in je wond, om je geest fo je te kalmeren, slaventijd, katibo! Ma' dit? E'en! Dit is something else!’ ‘We,’ zei een vrouw d'r zucht makend, d'r handen gooiend uit haar schoot met jurk, ‘we!, baja! La' me gaan als schaap! Is als je geboren bent om te slachten, dan is slachten maar, gaan ze je slachting geven! Want schapebloed is drinkbloed! En schaap z'n vlees, kijk hoe vet ik bent!, is vlees om te braaien no?’ Ze waaide d'rzelf zó lijdmoedig na' die uitgang, dat nie te zeggen! Uitgangdaarzo, met wapenmannen, klaar klaar staand. ‘Duw me niet! Je hand gaat kokobeGa naar voetnoot5 krijgen! Jo bosbeest jo!’ Een andere moesje, durfde mond open te maken. En protest te geven aan die grijphand van de wet. Wet daar, met uniform gekomen. Schietklaar. Andere paar, begonnen met protestliederen. Nee, geen spiritual van swartamerikaan. Ma' ook geen swartemanslied, nie bij hún althans. Vanaf die houten vloer komend, hoorde je kerkgezang: O here, wees mijn Leidsman...! Wat fo k'ka? Protestmanier juist, was om dinges zeggen! Van soort verzet, zonder één woord direkt daarop. Want hoor hoe aan die andere kant, met hoofd tegen een paal staand, iemand neuriede: Fajasiton, no bron mi so! Fajasiton, no bron mi so!... Aaj! Dit was voelen van het heetste vuur! En dan ook dubbelgelaagd bedoelen dat je was in je verzet. Ma' dan zo? Tegen wát? Nee, nono, e'en! Niet tegens die hele vrachtwagen met polisiemensen! Ma' tegen zwakheid van die eigen mensen! En je had één minstens, die 't verstond! Want Brummal, met z'n hoge hoofd, hij wankelde binnenin z'n lichaam. ‘Mi jeses man! San e kir’ den sma disi?: Wat krijgen deze mensen? Wat mankeert ze? In plaats van rustig te blijven zitten zoals ik gezegd heb, met duidelijker kan niet, geven ze toe, aan een bevel van buiten. Mensen, hoe kunnen jullie zó onveranderd blijven, als altijd, altijd, al die tijd, dat we geleerd hebben aan jullie: verzetten jullie jullie, tegen dat hele k'ka koloniaal bestaan! Tegen die hebiGa naar voetnoot6 van gewillig zijn, die hele ontnegering met geweld op je, die hele flardenmakerij! Ze maken frodjadja van jullie! Ze maken negerpop van iedereen! Iedereen springt! Iedereen juicht! ‘Ik? Ik ben neger!’, is geschreeuwd geworden! Dan kijk nu, schapekop zonder illusie... gaan jullie, baja, ga!’ Dan eerste ronde: scheen verloren no? | |
[pagina 409]
| |
Baja, bid Aisa! Bid Aardmoeder, laat ze je helften! Bid de grondgeesten die het menszijn grond- en huisvesten! Bid eigen verworven glorie van tata, konfo, grangadoe, alles alle god en alle geest aan je! Dit kon nie gaan zo! Want als dit gebeurd was, helemaal achter, waren zij in de rug gebroken! Dan nooitmeer, nooitmeer zou 't komen, dat besef van eigen waardigheid en kracht en dat geloof in eigen dinges doen, het eigen sanctus-sanctus, nèks, geen praat, geen zang, geen tori, nèks van je eigen stodiGa naar voetnoot7 wedervoorzien van menselijk herstel. Nèks, nèks... helemaal geen nèks! Walter Ronalds, die andere voorman, stond, keek. Ging bij z'n vrouw. Dan kwam meneertje terug. Met meer dan twee dicht op makaar, was al in termen van samenscholing. Dus preventief, voorkomend, was hij aan 't staan en lopen. Na' Brummal toe, Frederik, El Negro. ‘E, hoe gaan we doen? Laat ons na' een andere plaats gaan, desnoods in kleine groep’. ‘E'en! Nee! Laat ze! Laa'n ze gaan! De strategie heeft gefaald. Dus wij ook. Dit is de tweede slag. Ik voel, jonge! Ma' kom, we gaan na' huis gaan. Werk is nog nie klaar!’ Met dat, hoorden ze buiten iets. Mensen met hun kabaal. Want 't geval wou, dat die agenten die ze na' de straat toe haalden, weg van het terrein verder in straat, aan beide kanten, de erven afgesloten hebbend, ter elfder ure begonnen met fouillage! ‘Raak me nie aan! Je hand is viezer dan een goot!’ Prratss! Die eerste arrestant was daar! Eén djoegoe djoegoe!, opschudding. Dit kon niet toch? Eerst die bijeenkomst gaan staan verbod opleggen. Dan komen zoeken nu, na' wapens! Slag- of steekwapens! Welke satanse geest kon zoiets denken. 't Moest! 't Had te gebeuren daar! Een reden moest gevonden worden, om die hond te kastijen! Een mes, om 't schaap te slachten. Een wei bezet, om de graasgrage koe dood te verklaren! Voor je dacht, meneer, drie vier ekstra man kwamen terrein oprennen. Een nieuw bevel: onmiddellijk stilstaan waar dat je plaats nam met het staan. Dan hand omhoog. (‘Ik zeg, hand omhoog!’) Dan nu, werden ze onderzocht. (‘Waar zijn die pistolen van jullie? En waar die granaten? Zeg ons, vlug! Als jullie zeggen, krijgen jullie misschien minder straf.’) | |
[pagina 410]
| |
Dan alles omgerommeld, alles, stoelen gegooid, bloemen getrapt, papieren aan scheurstukken. En dan na lang zoeken, een afdakje daar leeg gehaald: ‘Kijk! Van wie is dit wapentuig?’ 't Was een schop, van de schoonmaakman. ‘Ik weet niet!’ ‘Hoe kan je nie weten?’ Brummal gegrepen! Ronalds wou 'em komen helpen. Z'n vrouw klaar om te gillen van emosie. Dan voor je dacht, andere mensen, vooral oude, zich omkerend: ‘Oen lib' a man! Laat 'em los, anders valt dood hier!’ Plotseling zo! Jonge! God weet vanwaar die schapen kwamen kudde maken! Anderen, meters ver, renden terug. Want 't ging nu om konkreet geval: hun voormannen werden daar aangetast, gegrepen no? Om mee te worden genomen onder beschuldiging van opstokerij. Dit, dit was de levendste vernedering! Dit was een inlichamelijking, hoe 't ook mocht geheten zijn, van de vernedering! ‘Oen kon jepi! Komen jullie helpen!’ Nieteens gevecht. Ma' nunu zo, die dreiging. Van burgers, zonder wapenen. Van burgers, staand klaarklaar. Bereid om hun nèks fo die anderen te geven. Heel hun kale zelf riskeerden ze. Polisie voelde nu dat deze schapen zich desnoods zouden laten slachten. Dan snel in overleg zo, werd, gezien de toestand, door de ingrijpende polisie het besluit genomen om ze vrij tg laten gaan. Brummal kon weg, en Ronalds ook, met vrouw en al, en die paar anderen die stonden, mannen van dat bestuur daarzo. Ma' wel snel maken, voordat dinges draaiden. Vóór dus, verandering van situasie. Een keer in het gebeuren kon nog altijd komen. Die mensen juichten niet, ma' waren blij. Eén spanning van ze weggevallen, als een hele baskiet vol met dinges die je kilometers draagt en dan, helemaal uitgeput laat vallen. Aaj, 't was gedaan! 't Was uitgewezen! Dat bang maken fo nèks geweest. Kijk hoe die grote groep van rubberstokdragers wegreed. En overige mensen aanmanend om weg te gaan. (‘Wat weggaan? Tan? Ik mag nie lopen no? Sóórt opschieten? Meneer, haal je geweer uit me gezicht zo dichtbij zo! Ik woon in het raam waar ik uit hang, nu, hoor! Ija, is me raam is hier! Dan mag ik nie me oog swieten met kijken! Tan! Een mooie falderie!’) Die schop werd meegenomen. Als een soort objekt, een ding fo | |
[pagina 411]
| |
onderzoek. Aardkorst wist, welke konklusies later! Dalek gingen ze zelfs zeggen, dat een rat die met die schop was doodgeslagen, mensebloed had! En dan nog, alsnog, vordering van leiders. Om te komen verantwoorden, want: men had reden. Om ze te straffen zelfs, later. Later no? Straf was gevallen al, bevoor één rechterhamer sloeg! Vóór één strafblad werd vol geschreven. Want is zo, werkte 't systeem: vooruit veroordelen. ‘Aaj, ik zie je!’ ‘Is goed! Blijf goed!’ ‘Kijk goed na' die vrouw van je!’ ‘Aaj, ik ga op d'r passen.’ ‘Dan groet die kinderen ook fo me! Ik kom morgen passeren...’ ‘Opschieten!’ De heilmilitairen, met hun rubberstok, polisiemannen, met pistool ook, zelfs met geweer, grote en kleine boei, zoals dat wapentuig heette, joegen eenieder weg. Alweer, bloed ruikend, prooi gevonden niet. En dan, om niet hun neus te snijen en zo het eigen gezicht te bederven, dus gezichtsverlies lijden, begonnen ze, geheel ineens, op een groep jeugd te slaan van daar. Timmerden ze en sloegen ze. Met wraak ook sloegen ze, rubberstok verend. Eventjes nog hun ziel uithalen. Hun jeje in ze, kroewa!, verdorven! Lopen zo, was hij aan het lopen, dag van de wegloopwandeling, toen, tot zijn eigenste kollosale verwondering die dag (verwondering zo groot als berg: bergen en bergen ontmoeten niet, zegt een spreekwoord, ma' mens met mens wel!) die straat vol was met wegvluchtende mensen. Hij zag, Mandwe, die kleine neger, tien jaar groot nu, lopend op zijn onderlichaam met de kinderzegen die het lijf aan kracht genoot, hoe zij geslagen werden en getimmerd. Dan juist zonet, hmmm? vreemd, had hij gelopen, andere kant uit. Want hij had veel gezien, en nèks. Eerst was hij, voorbij komend van die andere kant, gaan lopen, met een andere jongen (‘E, kom, laten we daar gaan! Ze gaan grote meeting hebben, bij Ons Eigen Dinges, je weet toch!’) Dan was die poort gesloten, nèks aan de hand. Dan met een loeroog, had hij stil gezien, hoe mensen waren aan het zitten, hoofd gebogen. Hmm? Waren dat die negerdinges? 't Was net kerk: met gewoon devosie! Hmmm? Nèks bizonders, man! Ma' daarna, wegjagen, ophouden, ondervragen, onderzoeken, polisie, jong en oudmens aanhoudend. Dan nu zo, slaan, timmeren, | |
[pagina 412]
| |
vlees aan ze maskaderende geweld. Aaj-o!! | |
(45)De morgen beitst zich met een lied. Over die straten daveren twee huisslaven met al hun zwartlichaam. Zij torsen tussen hun in, een helft van een houten vat, een tobbe. Hun korte broekspijpen en korte hemden dansen om hun losse lichamen. Daar gaan zij, zingende in 't verschiet: Cocoa! Cocoa!
vendeme da coa!
cocoa, a sa de boli:
pluru pluru pluru pluru
pluru pluru pluru plu plu plu...
Massha, a de no on!
a taki pikin pikininini!
cook da mouth nanga cocoa...!
cocoa! cocoa!
cocoa! cococococo cococo!
cocoa! cocoa!
vende me da coa!
cacoa! cacao
ik verkoop m'n cacao
cacao dat kookt van:
blurb blurb blurb blurb
blurb blurb blurb blu blu blu...!
Meester, het is volop te krijgen!
zeg, alle kinderen, verfris je adem
met kokend hete cacao...!
cacao! cacao!
cacao! cacacacacao! cacacao!
cacao! cacao!
ik verkoop m'n cacao!
Aan een poort is het een oude negerin die ze wegjaagt. Zijn ze gek geworden? Baja! De meester snurkt zijn slaap nog! Zo vroegvroeg! Owee als hij mocht wakker wezen worden door hun toedoen van kabaal! 50 Rugslagen als hij... Ma' het is telaat! Uit dat raam van vroeg zeventiende-eeuwse | |
[pagina 413]
| |
architektuur hangt daar niemand, dan den meester, Janki, boos om zijn wakker worden. ‘Zwarte schavuiten!’ roept hij, ‘Ik zal u gansch mores leren!’ Zijn bastiaan krijgt opdracht na te gaan van wie de slaven zijn, om ze aan te geven, bij hun meester, wegens wangedraging. Baja! De bakra, jobo, witman, was gestoord! Maar als de twee zijn stem horen, gaan ze er fluks vandoor. En niemand dan hun eigen meester die ze elke dag op pad stuurt weet beter, hoe storend hun gedrag is en hun lied, fo luie meesters... zoals hij zelf. Boos en verwoed trekt Meester Janki het raam weer dicht. Waarna zijn huisslavenbestand toeschiet om hem de dienst te geven: van het aanbinden van zilvergesp-schoenen tot aan dat kammen van zijn haar. De goede meesteres, Madame Flamenco, kijkt onderwijl hem rustig toe. Het land verkeert in Nederduytsche periode. ‘Alex? Meneer Alex?’ ‘Ija Basja? Eh... ija Masra Janki? ‘Wat ben je zo aan 't denken dan?’ ‘Ik met denken... eh, nee! Ik weet niet! Ik ben allenig hier gekomen, doordien u had me gevraagd toch, om bij Masra Janki te komen visiteren!’ Dan toen hij zag, dat hij was gepakt, met z'n gedachtes, gooide hij uit mond: ‘Ija! Een mens kan af en toe afwezig wezen!’ Janki, thuis daarzo, in z'n voorzaal, met deze gast, keek schuins naar 'em. Inderdaad. Sins hij daar was gekomen, een kwartier al, had die Alex tweemaal een soort wegzijnde geest gekregen over 'em. Een soort innerlijk oprukken na' iets. Wat prisis, nog nie duidelijk! Ma' wel, alsof afwezig. Beter: present zijnde persoon, in een andere hoedanigheid. Dit, was inderdaad iets bizonders. Een speciale soort van winti, geest, die deze Alex-figuur kon bezielen. Want meestal, had hij z'n ervaring gekregen, sprongen ze op, maakten kabaal, met schreeuwen van 'hé! hoi! hohoi! hehéééééé! Grote gebalde vingers aan de vuist! Het slaan op eigen borst, of handstand van een ongewone bezigheid, springend, voet werk gevend, rondrollend, kruipend als kaaiman. Al die kultuurdinges van het bevlogen zijn! Soms wordend, geheel andere persoonlijkheid! Dan waren ze opeens ruimteloos, iemand, die | |
[pagina 414]
| |
kwam, kwam uit het Hoog, uit Doengroe: Duister, of uit Ondergrond, zomaar een geest, dwars lopend door de elementen water, aarde, lucht of bos. Bos no? Dan Apoekoe, bosgod! Ma' deze? Wát was die bezieling van Alex? Van tijd tot tijd een andere persoonlijkheid tredend in hem? Nee, Janki was geen medicijnman, ma' hij wist! ‘Fa a dis' de so dan?’ zei hij, in het Sranan Tongo, zich afvragend wat Alex prisis had. Ma' nu eerst zijn eigen dinges. Op tafel, dat geribde waterkan, met tweemaal een glas, één fo Alex, één fo Janki zelf. Hij schonk, en praatte, net alsof twee tijden tegelijk, het leven! ‘Alex! Ik ga je iets vragen... Een vraag brandt in me hoofd hier! Al maandenlang! Dat ding is, zoals jullie dat zeggen, een kleine vraag, maar ik wil 't antwoord weten van je. Zeg niet: is nieuwsgierig is deze bakra nieuwsgierig! Maar ik wil één klein ding weten, met alle zekerheid die een mens kan krijgen...’ ‘M'bakra,’ zei Alex, met z'n benen over z'n benen. Hij zat, gedoken een beetje, in makaar, rugkromte, handen aan armen tussen z'n dijen. Een soort van eenvoud spreidend en ook netheid. Wantje kan rekenen: hij was in bakrahuis, een wittemans woonplaats. Dan moest je goed gedragen toch! ‘M'bakra! Ik snij je mond niet, terwijl je bent aan 't praten, m'bakra! Ma' enigste zekerheid die je kan hebben, is: dood!’ Hm! Fo zo'n tuinman zonder één scholing, een zuivere uitspraak die zo diep was, dat de geleerde heer Jan schrok. San? De enige zekerheid die een mens kon hebben was de dood. ‘Ma' ga door, m'bakra! Want is praten zijn we aan het praten! En als je praat, dan bén je tweemaal mens: een keer je zelf, andere keer, ben je helemaal zo, die gedachte in je!’ M'bakra Janki! Hij schrok waar hij zat, daar op die stoelbille. Dit was toch rein filosofie! ‘Zeg het duidelijk voor me, laat ik je goedgoed verstaan, Alex! Bakasi... want...’ Terwijl hij bijna inlands praatte, bood hij Alex een sigaar aan, Janki. ‘Is dat meen ik, m'bakra: kijk: Je praat met me! Dan ben je een keer je gedachte! Dan zelfde zelfde moment, maar dan, ben je me iets aan 't geven! (Dank fo die sigaar hierzo!) Ma' toch zijn die persoon die die sigaar aanneemt en die persoon die dank geeft fo sigaar, één: ik ben Aleksi die | |
[pagina 415]
| |
hier ben aan 't zitten. Mij, Aleksi!’ Dan lachte hij, een diepbuikige lach. ‘Chm!’ Een kamer vol betekenis. Het leken inderdaad twee tijden die ze op hetzelfde moment beleefden. ‘Te wan ede bari, dan na ati lon kaba!’ zei Alex, sigaar aanstekend tegelijk. Hij was een man van dubbele werkelijkheid. Want wat hij zei was letterlijk ook: wanneer het hoofd van iemand schreeuwt, dan is z'n hart reeds lang op hol geslagen. Baja! Wat fo betekenis dan? Net of een ouwe neger in die jonge neger zat! Om zo te zeggen! Net geen dinges fo een tuinman toch? Ma' blijkbaar, was hij - zoals 't heette - op z'n dag! Hij voelde zich een volksmeester, sigaar trekkend en lucht laten opkomend met een wervelkolom van grijsgrauw roker., net of een geest opsteeg, vol van de spirits! ‘Ija, m'bakra! Dan wát was u aan het zeggen dan? Me oor wordt koud van luisteren! Baja, warm 't fo me, met je woord dan! Wanneer me hoofd hoort, móet me mond ook horen!’ Alweer zo'n odo, zegswijze! Waarmee hij meende, dat elk van zijn zintuigen betrokken was bij zijn waarneming. En dat hij volop reageren zou, over 't geheel. Dus niet over een klein detail, no? ‘Aaj, Alex! J'o kiri sma!: je gaat me doodmaken: je wordt me teveel! Ik heb basja's horen praten, mannen van het volksdom, met wijsheid, ma' nie zoals jij!’ Dan kwam Janki op volkse wijze zijn verwondering uitkramen: ‘Baja! E'e...! Osandati...!’ Alex! Hij keek'em aan. Net of hij zeggen zou: ‘Is dát bedoel ik, m'bakra! Jij, je bent wit! Ma' tegelijk ben je doordrongen van iets negerachtigs! Een mens is nie gebonden aan één kultuur! Fo dáárom ook, is hij twee tijden tegelijk. Ma' ook op andere manier kan 't: dat wat je bent, en dat wat je wil zijn. A no só?’ Wat mankeerde deze neger dan? dacht Janki. Dan tegelijk schonk hij een glas met water. Dan toen hij slok ging nemen, om verder te praten, zei Aleksi's mond aan hoofd: ‘M'bakra! Pasopoe! Efi joe foeroe, dan joe no libi gi légi, a no sa kon a mofo foe a kan kaba!’ Hiervan begreep hij 't niet. Nee, nie die woorden. Die woorden zelf waren simpel: Opgepast! Want als je het glas vult, en je laat geen ruimte over in het glas (door 't tot de rand te vullen), dan zul je het niet tot je kunnen nemen, zodat je op een gepaste wijze drinken kan. | |
[pagina 416]
| |
Ja natuurlijk! Tan? Wat dacht die vent dan? Kwam hij zeggen dat je een glas op een praktische manier moest vullen? Dan wát als je een beetje morste? ‘Bika, efi joe morsoe, i nati gron, na ofroe joe ofroe..!’ Ah! Hij meende dus dat bij het verspillen van water reeds automatisch een offer aan de grond gebracht werd! Dus had elke daad z'n konsekwentie en een goed uitgevoerde aksie onderbrak de regelmaat der dingen niet. De dingen, vanuit kosmische ordening gedacht! Wel, dit was nieuwnieuw voor 'em. 't Leek een soort kollege daarzo! Man! Dan te bedenken dat hij jarenlang hun verhalen, liederen, gezegden en ook spelen, had bekeken en ze in hun algemeenheden mooi opgeschreven. Dan heette dat: een proefschrift schrijven, over volkse literatuur. Woordelijk alles weergeven, de typering. Elke daad apart beschrijven, hoe ze stonden, hoeveel personen, wat ze deden. Ma' nooit echt de kern van hoe ze waren! En de grote beweging achter achter hun daden! Taal achter taal. Natuurlijk! Hij had ze al die tijd gevraagd, Tanta Beki, Vrouw Weeser, al die andere medicijnmannen, tot aan drummers toe, zoals Bongo-Leksi, wat ze bedoelden. En allen zeiden: ik doe zo en zo! Mooibraaf opgeschreven. Dan volgende tori, volgend raadsel, volgend spel... Dan had die Gerber alles al in handen, het voltooide werk ter beoordeling. Met nu gevoel van Janki, dat hij nu pas was aan het beginnen. Nu pas, na driejaar onderzoeking, waarbij het eind van zijn verblijf in zicht! Baja! Het leven kende z'n stille rampen. ‘Aji, Aleksi! So! Dan ben ik nu gekomen bij me vraag!’ Tegelijk ging hij verzitten, een beweging die ook leek te gaan, dwars door die persoon die hij was, Janki. ‘Ken je die plaats, die tijd en vooral de gelegenheid waarin fajasiton is gemaakt?’ Dan opeens schudde hij fijntjes z'n lichaam van kleinspannige trillingen. Stel je voor dat 't antwoord kwam! Al die maanden, onderzoek! Geen enkele enkele wetenschap kon reddingtouw gooien, fo deze vraag, om oplossing te leveren, zodat hij in de onwetenschap nie hoefde te verdrinken! Dan nu, een eenvoudige tuinman kon 't gaan zeggen no? De wereld zou draaien hoor, draai, draai, dolle draaidinges, toldraaierij, met de zweep van het verstand geslagen! De | |
[pagina 417]
| |
aarde draaiend om haar punt van maximale draaibeweging! Zó snel, dat je eenvoudig nie kon worden weggeslingerd ervan, je kleefde zelfs! Een platgedrukte mens, met een hoofd gelijk staand aan een dubbeltje! Verloren in het zand, en klein, kleiner dan korrels zand, die zwollen van de wetenschap dat zij trotser mochten zijn dan één enkele menspersoon! Baja! E'e...! E'e..! Verwondering! Aleksi! Hij zat daarzo. Dacht z'n denken voor 'em. Gaf geen rechtstreekser antwoord, dan het zingen van een lied: ‘Amekisani, joe moe mek' a sani! Mek' a sani... kakere!’ Alweer, twee dingen die opvielen. Als eerste, dat van Amekisani: Hij/zij, die dinges maakt. En dinges maken was: je moet ophef maken. Dus zijn lied was een oproep aan de Ophefmakende speelster in het volkse spel van de lakoe. En ophef maken betekende in feite: laat het leven bruisen! Dan tweede ding: dat laatste woord: kakere! Dat was een hindoestaans woord, klinkend uit een negermond! Zonder één moeite weggezongen! Dan... dan, dacht Janki, moest het zijn, dat met zo'n ouwerwets lied een traditioneel spel, plus een nieuw element, modern, een synthese werd geschapen, waar hij bij was aan het zitten! Hoe diep toch eigenlijk, om heden en verleden, op zo'n indirekte manier, samen te voegen! En dat instant! Hij twijfelde zelfs, of hij dinges goed was aan 't begrijpen. Was 't geen op hol geslagen uitleg, plotseling? Vrezen vreesde hij zelfs, die Janki, de invloed van een aanwezige astrale persoon, een niet-lichamelijk lichaam, op hem! Ja, die Alex had iets helderziends no? Alex arme!, hij keek Janki. Zag dat die zat, met een gezicht als vraagteken. Fronsde z'n eigen wenkbrauw op een manier dat half z'n gezicht verwrongen leek. Een mens moest somtijds geen medelijden hebben met geen ander, no? ‘Masra Janki, m'bakra,’ zei Alex voluit, plotseling, met wachten van het verdere woord aan lipgrens, je zág hoe 't stopte daar en wachtte, mondrand nat met speeksels, ‘m'bakra: ik wéét die antwoord fo je! Ma' ik ga nie zeggen!’ ‘Aleksi!!’ ‘Nono, m'bakra: is te zwaar!’ Dan gooide Alex z'n hand voor oog. 't Leek, of hij wou wenen! Kreeg z'n jeje snel terug in 'em. Vermande zich dus. Hief z'n hoofd. En zei, met stem die draaidraai had: ‘Sonte wan tra dé: misschien ander dag, m'bakra! Me hart is zuur | |
[pagina 418]
| |
aan 't worden van die dinges! Zuur, als een in oranjevrucht gewassen lijkkleren!’ Hij zei geen lijkwade, ma' lijkkleren. Bedoeling was dezelfde, en Janki wíst: er was iets doods in deze zaak, iets, van onnoemelijk lijden. ‘Ke,’ zei hij, Janki, tegelijk mond vegend, vrij van woord z'n smaad. (Als hij iets verkeerds had gezegd, dan moest 't worden weggewist met dát gebaar aan 'em.) ‘ke, no taki! Praat niet d'rover, als je nie kan.’ ‘Is nie dat ik nie ga kunnen, m'bakra!’ Aleksi, hij stond op, ineens, en fel. Dan wierp hij z'n bil terug op stoelbille.Ga naar voetnoot1 ‘Is niet dat ik nie ga kunnen! Ma' je gaat me nie geloven! Misschien weet ik 't echt niet!’ Op dat moment, leek weer geheel een ander te spreken in 'em. Dat deel van hem, dat echt geen weet had van de dingen met de zekerheid van wetenschap. Dan tóch, Aleksi... ‘M'bakra! Ik ga je iets zeggen. Jij hebt, (want hele stad hier, weet te praten over je,) grote dikboeken no? Met al onze historie no? Wel, ik ga iets zeggen, dan kan je zoeken! Dan wanneer j'hebt gevonden, kom bij me! Dan kontroleer, alles zo, in je boeken! Dan kom weer bij me!’ Ah! Aleksi's mond was nie koud met praten, of Janki rende na' op die trap. Met hele grote boekendoos, een halve koffer zo, kwam hij. Bijna kon hij z'n nek breken. Aleksi schrok. Hij had nog nooit een blanke man zien sjouwen! Sjouwen was ding fo negers, koeli's, anderen. Ma' géén blankhandige man toch, met een lichaam, wittig in de kleur van bleek? Of lijkend op een door de zon gebarbekjoede anjoemaravis? ‘M'bakra wachte. Ik kom je een handje geven!’ Hij meende: ik kom je een handje helpen. Dan kreeg Alex één schok, die niemand zag. Bijna schiftte zijn hele jeje in 'em. Janki, met kofferdoos fo z'n gezicht, treden afzoekend in die daling van de trap, zag niet. Ma' 't was, net of Alex z'n geest 'em even liet! Net of zijn Zelf boos werd op 'em. Iets, leek 'em te slaan van verte af. Domdomme neger! Om eens eenmaal koning te wezen van jezelf! Dan nu met onderdanigheid te leven waar je nie van af kwam! Geluk voor 'em! Z'n heldere geest verliet 'em niet! Hij, hij was de man nu, die iets uit ging leggen. Met een soort andere bewustzijn aan 'em. Dan in plaats van rustig te blijven in zijn stijl, gedienstigheid om te gaan sjouwen. Want zijn intensie was nie hulp bieden, nono! Hij wou | |
[pagina 419]
| |
die hele kist gaan overnemen! Dan na' die plaats gaan sjouwen, gaan zitten, gaan boeken uitpakken, stol wegblazen en boek met boekendweil schoonvegen. Dan helpen zoeken, ook al kon hij één bladzij nie lezen. En dan? Die schiftgeest van 'em! Een mán die net op dat moment, de sleutel van zijn tijd verbrak, kon nooit tenimmer onderdanig wezen! Nooit! Niet op dat moment! Zó werkten dinges, van geloof in eigen kunnen, van eigen negermagie! Enhèn! Dan nú kon 't beginnen. Hij trok aan die sigaar, dan dronk hij water. Glokglok... een mondje maar, zo'n klein beetje, dat dat ding leek, of hij zijn tong stak in het water om alleen dát nat te maken. Net, of die woorden in zijn mond gewassen werden, gebaad, stuk fo stuk, in ziele reiniging. Waarheid, was zó iets ongeschondens, dat je nie kon permitteren, om 't in een onschone mond uit te slaan. Vandaar, hij ging na' venster, gorgelde met nèks dan lucht en beetje mondspeeksel, spuwde uit venster daar aan straat. Dan kwam hij zitten weer, trok z'n sigaar. Rook blies hij, driemaal achtereen. Als een soort offerteken: dat zijn woorden vluchtten nadat ze gesproken waren! Of dat ze vluchtten voor het aangezicht der wereld! De wereld van boze onwaarheden! Hoe kon een term daar vertoeven, zonder de schending van de menselijke geest? Woord zelf obja?Ga naar voetnoot2 ‘So, m'bakra! Dan m' de kaba: ik ben klaar al! Dan dat ding, wat ik ga zeggen, is over Berbies z'n tijd! Is nie van nu! Is van zoveel terug!’ Ma' kijk, zo merkwaardig doende Aleksi! Hij gaf met z'n handen aan, hoeveel tijd 't precies terug was, wat ging komen: de handen met de vingers, razendsnel gebaar makend, waarbij hij nie met één hand telde via die andere hand, zoals een kind zou maken. Of een grote persoon, verstoken van zijn niet geleerde onderwijs! None! Zijn vingers van die ene hand, vlogen vanaf de toppen van de vingers van de andere hand, na' de palm van die andere hand toe. Dus telkens na' binnen toe, vanaf de vingertoppen. Alsof hij krachten was aan 't koncentreren! Mi jeses! Wat gebeurde dan? In eerste keer, kon Janki nie begrijpen! Ma' zesde keer herhaald, met schudden van Aleksi's hoofd, kon hij 't vatten, op 't laatst... zoveel en zoveel jaar terug... zestienhonderd en zoveel... wacht! Even | |
[pagina 420]
| |
opschrijven, snel, snel! Dan Aleksi, die het glansgezicht had van geheel een andere persoon, begon met kleine mompeling, een tekst te zeggen. In taal die Janki eigenlijk was onbekend. 't Klonk, als echte Neegerhollans! Mijn god! Van verre tijd misschien! Razendsnel opschrijven wat daar gezegd! Die taal, die woorden, toon, aksent, verbuiging! Nee, geen tijd om na te denken.! Hoe kon een neger van de hedentijd, zo'n tekst voortbrengen zonder moeite, met een mond die rapsnel sprak! In klank ook, die van Hollandse afkomst getuigde? Een tekst, helemaal authentiek! Uit de Berbice-tijd! Uit de tijd dat Hollanders de baas waren! Daarzo, in het Guyana, toen de grenzen nog nie waren wát ze waren! Met die plantages, opstanden, volksplanting, schepen vol volk... strijd, met wegloop neger, indiaan... Z'n ogen vlogen over 't papier. Kijk! Dit! 't Kon nie waar zijn! Niet te geloven! Dit:
Man achter skriftafel tegens geroep hoofdman: ‘As now, yi Ioek, Poeroempaduro!: | |
[pagina 421]
| |
De man achter het buro tegen de opgeroepen voorman: ‘Zoals je weet, Poemroempaduro!: Hij sloeg een dikgroot boek open. Boek beefde in zijn hand, zo tja-tja-tja! Verrekte.. verm...!! 't Kon nie waar zijn toch! Want hij had zelf zo'n tekst gelezen al! Hoofdstuk zoveel zoveel... ppprrrsss!, pagina van dat dure boek scheurde. Nee, geen attensie! Nono, door zoeken! Daarzo, een prent... en ónder 't, links, eerste kolom... prisis hetzelfde! ‘Alex! Alex!’ bracht hij zuchtend uit ‘Alex! Hou me vast! Want ik ga dóód! Dóóóóód!’ Dan drukte hij 't boek tegen z'n borst. Armen met handen knijpend in makaar. Jezus kristus nogantoe!’ Hij sprong op. Ging weer zitten. Sprong weer op. Ging zitten op zijn bil weer. ‘Alex?’ ‘Ija, m'bakra?’ ‘Wanneer heb je 't zitten lezen?’ | |
[pagina 422]
| |
‘Wat m'bakra?’ ‘Dit boek! Dit godvervloekte boek met zijn verslag uit lang vervlogen tijden! Het kán niet waar zijn! Je liegt, of ik mag doodvallen!’ ‘Dus... masra Janki die hier fo me staat... je zegt dat ik jok in me mond heb no? Wel, dat ding dat je gemaakt hebt, met Evi!’ Waar Janki stond, kreeg hij een hartaanval, bijna. Twintig keer slikte hij z'n keel! Hij werd nog rooier dan een awara-tros hangend aan boom. San? Dat deze vent ook dinges zeggen kon van 't heden! Verborgen dinges! Wát zo dan? Toen Janki honderden sekonden later, zichzelf kreeg, z'n jeje terug in 'em, gaf hij, hangend over 't stoelhoofd, toe, dat hij Alex geloofde. ‘Ija Alex! Ik geloof je, meer dan ik kán zelfs! Bribi lé, i no bribi troe!: je gelooft in dit geval eerder de leugen dan de waarheid. Kan je begrijpen, Alex, dat ik ...dat...’ (Hier scheen z'n hele hoofd weer af te dwalen na' iets wat Alex moest hebben gezegd, iets zeer belangrijks!) ‘... dat ik helemaal ga twijfelen aan mezelf, m'n gehoor, m'n eigen taal, m'n leven, m'n... daden? 't Lijkt net ofdat een ánder voor me spreekt! Dit... dit is teveel voor een mens.’ Alex, hij zat. Hij rookte die sigaar. Een mond, open als een vis die adem gaat halen. Die 't ook haalt, per gram, de lucht oogstend, met z'n kiewwerk, en dan met zo'n gewicht, afdalend na' de diepten. Vis die juist dáár weer z'n leven zeker is! Janki, met z'n gezicht! Kijk hoe hij was aan 't zitten. Een man, netnet nog nie gebroken. Met arm over stoel gegooid. Hoofd hangt. Die grote puist op wang, lijkt 'em omlaag te trekken. Net ofdat in zijn hoofd een reuzengroot gat is geslagen. Dan zonder bloed dat nie ging vloeien, kon een mens met helderziende blik, zíen hoe z'n hoofd werkte van binnen: een mens z'n hersens, open draaimasjien. Geruisloos, aaj boi, draaiend, draaiend, altijd al malend! Ma' dan, aanvaardbaar fo de mensen zelf, misschien. Misschien misschien ja, kande, sonte! Een mens die nooit zo helder als nu, van denken met een uitspuwende vuurkracht: de waarheid had een krater in zijn hoofd geslagen, twee zelfs. Een was die tekst, hem net gezegd, historisch; die andere, welke? even historisch. Ma' dan daarmee, zijn heden. 't Leek gebroken. In een soort blinde gedreven gevoel, mèt zichzelf in medelijden, dat nu de oplossing van het fajasiton vraagstuk het enigste was, wat 'em een | |
[pagina 423]
| |
mondje troost kon geven. Fo dát moment, kleinklein kind was, hij, in de geest grijpend na' stukje speelpop. Om fo z'n traanoog te wrijven. Iets, wat gekweld had, vraagstuk roepend om gesproken oplossing, met pijn, van lang gehouwen vraagteken aan hoofd, kon ineens worden goed gemaakt door de oplossing te geven! Een verlichting, een antwoordtroost! Dan tegelijk: hij wist!, - hoe kinderen makaar nie kunnen kwellen! - dat die ander door dat te vertellen ook pijn lijden ging. 't Was een roep, een kindermond in roepen: ‘lij mee met me no?’ En dan ook: ‘Als je lijdt, wil ik net zoals bij mezelf, tranen zien! Lij no?!’ 't Waren twee grote mensen die daar waren aan het zitten. Aleksi, kijkend na' die Masra Janki. ‘M'bakra... san e pasa dan? Wat gebeurt met je?’ Hij leek zichzelf helemaal, Aleksi. Waardige mens, vol van bewuste jeje, met kra & jorka in volmaakte evenwicht. De voegen van zijn psyché, jeje in 'em, allen passend in elkaar, met dood en leven, leven en 't dode, tegelijk in één persoon, Aleksi, die daar adem haalde. En hij zat rechtop, een Aleksi als een Leksi!: Alex zichzelf wezend, met alle volkomendheid van tegenwoordigheid van zijn bewustzijn. Het zonlicht wrong zichzelf, een baken, een drangzoekende schijnseluitbarsting, het huis van Janki binnen. 't Leek of duizenden handen klapten ineens, zonder geluid, met spattend licht als resultaten. Daar, door die kamer, ging de eeuwige siddering van alles wat leeft, wat weegt en niet beweegt, ook wat zichzelf draagt in schreden! De kaalkale ritmiek, heel klein, van de bewogenheid: alles, ademde, had z'n stille draf, zo stil, dat als een boek dood lag, zoals op tafel daar nu, dicht geslagen, 't toch letters uitademde. Boek zelf, boek z'n jeje, was verhaal. 't Was bewijskrachtvol getoond, door die Aleksi daarzo, met z'n zeggen! Z'n tori, lijkend te komen uit volkomen mond. Iets, meer dan zijn persoon, leek te hebben gesproken. Iets, wat het toen zelf beleefde! IETS....! ‘Aleksi, kijk hoe ik wacht! Je kán me niet zo laten! Zeg me die fajasiton.’ Zo sprak die Janki, met al van z'n houding. Dan uit mond van 'em ook, kwam waarlijk woord. Z'n woorden, ze leken half opgegeten, half blijven stekend in z'n strot. Enkel de rest, die schaduwen van het woorddom, gevat in vraag, die kwam aanzweven, leken hem te bereiken, Aleksi. Echt gezegde vraag: ‘Alex! Zeg me in shemelsnaam die tori van fajasiton! Het is iets wat ik nodig heb om te... om...’ | |
[pagina 424]
| |
De rest van zijn woorden, masra Janki, bleven in kouwe diepten steken. De gruweling bestervend, van de bosgeestige beestenbende, daar, van ziel. Woorden, ja, woorden werden gevreten, door aasgieren, vlak onder het dak binnen de keel, langs de palen die staan langs de wateren waarin de daden drijven van hen die onlust telen, onlust zo zelf, de verschrikkelijke woekering van gri-graw-stekelige broeiplant die de oppervlakten binnen duisternissen, golven van emosie, diep, hersenput-diep, overwoekeren.... ‘Is goed! Dan zullen we die tori zéggen ook!’ Dan nu zo, vertelde Aleksi, in de meest akfuele vorm van de tegenwoordige tijd (het gebeurt, het geschiedt) dat verhaal, met heel z'n geest, over een mislukte vlucht van negers op een plantage. Ver weg, een nacht.... op een banja-feest, zo'n heidens feest, ter ere van een overledene gehouden. Een persoon, die reeds gevlucht was, gepakt en was doodgemarteld. Die dan teruggebracht was, opgebaard. En terwijl de negers dansten, klonk hun afgesproken lied: dasso! (het zij zo!) Hún beurt om met alles en iedereen te vluchten. Ma' dan, dan klonk een stem: verrader onder ons! Een boaslang, die de ‘zaak van de vlucht wurgde’. Verraad gepleegd. En door ‘magiekennis’ wist men ook wie het pleegde. De verrader werd ter plaatse vermoord. Dan kwam de slavenopziener met de Meester. En die gruwelijkheden die daarna volgden.... Aleksi bleek met ‘die geest in 'em’ de hoofdpersoon van het verhaal te zijn, degene die die verrader vermoordde als ‘straf der goden’. En dan zijn eigen marteling als straf der slavenwetten, uitgevoerd door smeestershand.... Hóór, hoor die tori uit Aleksi's mond verteld!, met alle negerachtige verteltrant. Sprak met beelding ook, als een tweede persoon in hem. Ah! Sins ik je zeg: gezangen rolden uit z'n mond! Wederom dat verhaal, dat hij die dag, gelegen op die bank naast huis, komend uit slaapse kontreien waar de Lelijke Winden waaien, de Bakroe's harten stenigen, Jorka's nekwervel aan nekwervel voortdraven in doodse stoeten om de toekomstige overledenen acht dagen vóór hun werkelijke dood te begraven... Hoor hoe hij zong, in hedentijd, bij dat verhaal van die geplande ontvluchting! Ontvluchtingslied als kode op plantagefeest, heel lang terug gezongen! Die dans, die avond, banja! Dan die bevrijd zich voelende neger, dansend in zijn element dat ritme was: (Het zij zo, negers! Negers, laat ons vluchten! O neger, o!) | |
[pagina 425]
| |
...dasso mi kankan krio'o...
aye, mama!
we, na mi kankan fel'o...
aye, mama!
krio'o..! kri'e..!
kri'e...! krio'o........
krio'o, krio'o, krio'o, krio'o.....
Een gevleugelde neger kwam aandansen. De Leba des Verderfs, leek hij, wenend uit zijn vleugels vol van pijnen. Hij kon niemeer, zó'n zware dansen. Zijn voeten, vol van de vertraagde beweging. Ratel daar in zijn hand, werd stuk geklemd. De joro joro's langs zijn enkels, hun klinkebel kabaal, werd stom. Die amuletten, obja's, tien!, langs zijn hals, schouders, droegen hem neder in de verzwaring der gemoederen, hij leek te vallen onder ze. Dan hoe gebukt hij, neger-Hij, kwam met verpletterende lied, opzwepend, door te dansen, sneller, sneller, nee, niet de handen aan de armen in beweging uitgespreid, zodanig dat de optelsom van zijn bewegingen leek op de gewonde vleugels die gespreid werden om te gaan sterven. Dat hoofd dat buigt, zweet brekend over 't gelaat..... hij kon niemeer! Hij kon niemeer! ‘Krio'o.... dasso!! Krio'o, krio'o, krio'o, krio'o, krio'o....!’ De tonen hel en schel mond scheurend aan je oor, gezongen! Opo! Opleven! Dit nu, was het ware uur! Hoor hoe de tonen vanaf rondom stootten, rekten, trokken, dwongen.... krio'o, krio'o, krio'o...! (Het zij zo! O, het zij zo neger! Vluchten gaan we nu....!) Dan, net, toen dat begon te keren, tot vreugdedans, een Vrije Apoekoe, van wilde bosgeest die eerst bezette en bezat, die daarna dan trok, ver, na' de wouden, de savannegronden, de pannen, moerasverten, hé-gron, lagi-gron, over waterval, stroomversnelling, heuvelen met koele randbossen, kreekkontreien, ver, ver gaand, met alle vrijheid je wezen..... Net toen, klinkt nu die liedkreet:
Liboya de na soja so.... liboya de na noja so..... | |
[pagina 426]
| |
Verraad! Verraad! Een boa-slang is onder ons! Verraad! Verraad! Verraad! Dan zoeken met die ogen, felle glinstering van zwart in wit: soema? Wie? Wie heeft de vlucht verraden? Kijk... die ene persoon... hij... hij trekt terug, eerst innerlijk, dan uiterlijk... hij weet hij is verraden nu, nadat hij het aanstaande weglopen van al die overige slaven heeft verraden! Uit dit lied bleek - dubbele bodem - dat een slang onder ze was! Verraad! Die geplande vlucht na het dansfeest was aldus verraden! Hij gaat gestraft worden! Die plannen..... ach! Granmasra, de Meester der plantage weet 't nu! Dat hij's gaan slapen, zeer gerust, is enkel schijn! Die lichten van zijn huis, gedoofd. Ma' hijzelf klaarklaar staand, met geweer, met anderen. Ze zijn van plan! Ze zijn van plan jonge, ze waken..! Waps!, die verraadman, wordt vermoord! Die negers nemen wraak. Hij is en ligt als offer fo de dood, daarzo, in moddergrond! Dan komt basja, onse opziener aanrennen! Basja is loerende. Hoor 'em: ‘W'heeft deze komedie gemaakt? Uit hoofde waarvan hebben jullie deze goeie neger doodgemaakt dan? En?! Zeg me met antwoord vlugvlug!’ Ah! Voordat je kan vermoeden, komen daar de wakers aan. Masra, gransmasra, de Meester der plantage, met geweer. Die anderen ook. Houwers, om te kappen. Dan basja met z'n zweep, die bastiaan. Hij staat, die negeropziener, en vraagt. Geen antwoord krijgt hij te ontvangen. Dan stelt hij weer z'n vraag en weer. Totdat ik naar 'em ben gegaan. Ik heb hem zo gezegd: ‘We, wel!, me granmasra! Fo die we slaaf zijn al, van u, kunnen we nèks doen. We zijn ook nèks van plan, we maken feest fo ons, banja!, dansfeest!, Is nie zo?’ Al die krioro's, wij negers daarzo, roepen samen mee: ‘Dasso! Is zo ja!’ Zo dus, is het, me granmasra. Ma' fo sins een lijk ligt op paradeGa naar voetnoot3: die dode die we zullen gaan begraven, met nu een feest fo al zijn ziel. Iedereen weet: hij wou gaan weglopen, overdag, vlucht van hem, katibo, negerslaaf. Ma' hij was gek! Gek van gedachte aan vrijdom! Want wie loopt weg, met steen aan ketting aan voet? Dan hoe hij wegloopt - híj moet weten, Granmasra, Meesterheer, - is hij gevallen in het zwampwater. Ma' dan, zoals mij is gekonkeld: hij's blijven steken, levend. Is zo hebben jullie, negerbewakers hier, 'em gelaten, midden in | |
[pagina 427]
| |
zwampwater! Hij heeft gevist! Hij heeft gevangen ook, één vis, één dag..... dan langzaam.... met honger, na drie dagen, in rijzend zwampwater, muskieten, slang, bloedzuigworm..... is hij gaan doodgaan! Dan nu hebben jullie die nekro gebracht hier? Om aan ons zijn voorbeeld te laten zien? Welnu: die objaman met z'n geestweten, heeft aan ons gezegd, aan mij die hier staat, dat hij hier in de modder, dat verraad gemaakt heeft! Nee, hij heeft niets anders gezegd dan.... aan die dode verderop, dat hij mocht weglopen. En wie een schuldige pakt, granmasra, kan toch nie worden gestraft! Dan als gestraft moet worden, straf iedereen, niet, ma' alleen ik! Want míjn geest heeft mij gezegd: deze wiswas' lodongoneger, heeft fo de góden gezondigd! Dan nu zo, heeft hij straf gekregen. Terwijl hij vluchtte, weg van mij die na' hem was aan 't gaan. Is zo, gransmasra, is die tori! Zo is het gegaan! Aji!’ Basja komt rennen al, met zweep op mij. Hij schreeuwt met z'n gebroken-tand-mond: ‘Hou deze yo'ba vast! Ik ga 'em groot kastijden! Hou je mond jo! Saka saka yo'ba!’Ga naar voetnoot4 Ik spuw fo 'em, op die grond! Dan brengen ze me weg, na vastgrijpen. Dat feest, die banja, met muziekbank, hoorn en snaarmuziek van ons, met acht soort drums, is doodgegaan. Ma' dan, in deze zelfde nacht, zo laat, terwijl ik vastzit aan een paal, met wond op buik en wond op rug, bloed rent van me lichaam, muskiet, duizend, zuigt me. Ik ben nie bang, ofdat tijger uit wilde bos me bloed ruikt en me gaat komen opeten. Ofdat tingfowroe, aasgier, me komt tjoppen, hierzo. Want ik ben klaarklaar fo me dood! Beter fo vrij, deze katiboneger!Ga naar voetnoot5 Ma' dan, hoe ik hang aan paal, met gebonden handen in liaan, zwakzwak, dan word ik helder in me geest. Ik hoor! Tan... even stil.... muskieten met jullie honderd, blijf stil... ga van me oorbinnen weg! Tan? Wachte! Míjn god! Dit schreien scheurt een mens z'n lichaam! Wuh! Ik hoor.... hoe iemand gilt! Gilt.... ze wordt gebracht.... hier.... met flambouwen.... opflakkerende hemelschijnsels... 't is... granmisi, die vrouw van granmasra! Om welke reden zo, wordt ze gestraft?.... Aahhaahh! Aaahhhhh!... ze wordt gekweld, ze wordt gebracht. Twee dozijn negers in een kring rondommen mij! Met hun flambouw in hand, met houwers om te snijen! Dan basja, die me vijftig zwepen | |
[pagina 428]
| |
gegeven heeft, dus tweemaal vijftig, zonder mankeren van één zweepslag.... aj, aj, me rug ligt open gescheurd door die zweep met haken... aj, ik kan bijna nie praten meer.... Dan roept basja tegen mevrouw, die witte Hollanse vrouw van granmasra: ‘Is hier hangt hij, die modderkind yo'ba! Zeg, dat jíj hem hebt verteld dat een verrader is onder ze! Zeg! Want is.... híj heeft 't lied gezongen! Hij, met z'n liboya!’ Aaj dan! Is ik heb 't gezongen ja, al kan ik met me mond nèks zeggen meer. Ik, te weten gekomen van 't verraad! Mevrouw heeft me gezegd, prisis wie via basja bij granmasra is gekomen! Ma' dan mevrouw! Zíj heeft me dat gezegd. Nie dat ze zo goedhartig is! Of ze naar een neger met z'n lichaam of z'n geest aan 'em wil kijken! O waar? Nie zij! Ma' dan.... granmasra, wrede bakra, wreder dan alle blauwogen die ik ooit heb gezien! Hij mishandelt elke slaaf en iedereen! Hij mishandelt zelfs zijn vrouw ook, wreed wreed! Enigste persoon, fo wie hij valt, is..... Sisi! Sisi, die negerslavin met wie hij slaap heeft! Zij met d'r sleutel van die kast waarin is alle eten! Hij, Granmasra, Witte Meester, hij sláápt met haar! Hij aanbidt deze jonge negerin, die hij begeert.... volkomen blind.... is hij fo haar! Ondanks haar neger zijn! Want zij is zó mooi, zó zuiver....! Sisi, is nog pas twee-en-twintig korenoogsten oud.... Dan nu: ze staan fo mij! Verraad ook, van mevrouw, aan mij! Om me te zeggen, liever die plantage leeg zien, en zij geruïneerd, dan deze toestand laten duren! Ze wordt gehouden tussen die twee grootste negers! In klemtang greep ook! Aj me jezes! Een witte vrouw wordt zo behandeld! Omdat ze aan mij als neger heeft verteld van die verrader onder ons. Dan zonder nachtjurk, die van haar lijf los wordt gescheurd... nono! Nee, laat d'r! Laat d'r gaan! Láát láát in jullie jehova's naam! Ma' telaat! Oh, ik kan nie zien.... hoe ze doen! Hoor hoe ze schreeuwt...... Aaaaaaaahhh! Aaaaaaaahhhh! Wwwwaaaaaaaahhhhhhhhh!! Ze pakken die gloeiende stempels, waarmee nieuwe negers van onse Meester worden gestempeld. Dan.... nono!, worden ze gedrukt, langs die dijen van mevrouw! Van onder na' boven, hoger! Hoger, tot langs haar vrouwplaats, aan d'r mindrifoetoe! Me jeses! Wat een vuur van al die roodgekookte stempels in een bundeling van zes flambouwen vuurheet gemaakt! Fajasiton, no bron miso...! Fajasiton, no bron mi so...! Agen....! Agen....! Hoe | |
[pagina 429]
| |
voel ik dat ik doodga? .... Aj..... Aj....’
Toen Alex had gesproken trok een pijn door hem, een schok! Net echt, of hij 't doodsmoment beleefde van iemand. Mi jéko! Hier wás iemand, IETS, bezig dood te gaan. ‘Aleksi! Alex!’ ‘Ija.... m'bakra....?’ Aleksi was gevallen op de grond, hangend met handen op z'n rug, terwijl hij 't verhaal vertelde. Z'n hele gezicht vol zweet! Hij beefde, rilde, een verschrikkelijk gefaarlijk ding zo, moest hij meemaken! Gefaarlijk no? Kijk z'n lippen, mond zo dor en droog! Geen niemand anders thuis om 'em te helpen, Janki! Ogen van Aleksi, rood, vuurrood, net of bloed kwam bollen uit z'n oogkassen... die doodse stuiptrekkingen... nee, dit was geen winti! Geen gewone! Hier lag echt iemand dood te sterven. Al kón hij 't gewoon nie geloven dat 't iemand uit lang vervlogen tijd was..... nu! NU! Z'n enigste kans om 't te weten! ‘Aleksi!’ 't Bleef stil. Even gehijg. ‘Yo'ba!’ (Negerslaaf van de Yoruba-stam) ‘Ija..mi granmasra Janki....! Na jóe mishandel na oema so?’ (Meneer Jan, heb jíj je vrouw zo mishandeld?) ‘Aleksi.... eh.... nee! Slaaf Yo'ba!’ ‘Ija, mi granmasra? Ik kan niemeer spreken!’ ‘Hoe heet mevrouw?’ ‘Mevrouw heet....’ Yo'ba in Alex! Die andere geest in hem! Hij prevelde iets! Snel! Snel maken! ‘Hoe heet Sisi?’ ‘Sisi.... die wenke.... heet.....’ Het kon nie waar zijn! Dit, was goocheling! Een staaltje psychologie van de allereerste en ijzersterke orde! Dat ze Evi heette? Sisi? Met sleutelgeheim van Janki zeker no? Wat een insinuasie! Dit was waarlijk een verraad plegen! Een vlucht zelfs nu hij op sterven stond, die Yo'ba! ‘Taki! Praat, Yo'ba! Nee, ga nog nie weg! Voorgoed nu! Welk jaar zijn we, welke plantage?’ ‘Aaj.... Savonette! Nono, hier is plantage..... Granmorgoe! Zeventienhonderd jaar en twee en zeventig des Heren. Is zó heeft zelf uw mond gezegd vandaag! Vlak voordien feest begon... Granmasra zelf... heeft nóg iets beloofd...’ ‘San? Wat? Wat? Yo'ba! Praat, of ik laat een klem zetten fo je kaak! | |
[pagina 430]
| |
Dan geef ik je een houtskool uit het vuur van de aangestoken oven te vreten!’ Janki, in honderd percent rol van granmasra! Hij leek 't! Hij was 't! Hij, hij, ís 't! ‘Praat! Verdomde slavenkind, katibo! Praat! Praat!’ Geen antwoord! Geen zucht meer. ‘Basja!’ ‘Ija granmasra?’ ‘Jij, met je vuile buigingen! Ik laat je knie ooit breken fo je! Kijk z'n ogen, druk ze open! ... Wat? Is hij dood? Die vervloekte overgeplante afrikaan! Ik zal hem leren! Ik moet vanmorgen alweer stomdronken zijn geweest! Wát heb ik beloofd?’ ‘Granmasra... ik weet niet....’ ‘Wát heb ik godverdomme beloofd? Als niemand me zegt wát ik beloofd heb, laat ik deze hele plantage inklusief jullie allemaal verbranden! Hoor je?’ ‘Granmasra.... (is zo heb ik gehoord.... van anderman).... heeft beloofd... een ketting land te schenken, met een boothuis, aan al die negers hier! Omdat ze harder werk doen met meer aan opbrengst, meer dan elke andere plantage.... ma' ze geloven niet! Die ellendelingen!’ ‘Genoeg! Jij bent even zeer tuig als zij! Hier! Haal die prop uit de mond van mevrouw maar, met haar gegil! Geef d'r een bad met azijn! En gooi dit lijk voor de pirhanja's!’ ‘Yo'ba... eh.... Alex! Alex!’ ‘Eh... ija granbakra.... m'bakra Janki?’ (Ja, mijn blanke meester Jan?) Goddank! Hij begon bij te komen! Alex! Hé, Alex! Stel je voor! Hij hij zou gaan doodgaan daarzo! Een neger fo geheel iets anders bij 'em thuis gekomen. Om te vertellen, en dan.... Hij sprong op weer. Schonk 't laatste restje water uit die geribde waterkan, in glas, dan brengend fo Aleksi: ‘Hierzo drink!’ Heel Masra Janki's hand begon te beven! Nee, niet zóiets bij hem als de bezetting door een geest. Alwel.... hij rende, rommelde, gooide boeken open.... daar, daar!.... Een boek, over ‘wreeddadigheden en verneederingen, den neeger aangedaen’. Geschreeven door eene Johannes Wijsman, gewoon soldaat in 't expeditieleger van Capteyn Fredericus, voordien ook elders bij den troepen, omstreeks 1775. Dan gooide hij z'n ogen op papier: | |
[pagina 431]
| |
Hij las! Hij las!:... Aldus hebbende eeniger hunluy de leeden gebroken, het hooft ontdaen, eenigen hunner geharquebuseerd..... Nee! Dit was nonsenserij! Stel je voor! Nee, hij zocht... wachtte! Een reisbeschrijvingsdeel stond achter... nee, terug bladerend en daar....! Een geheel ander boek, het tweede boek van dezelfde titel!, hoe kon hij zo'n vergissing aandragen!.... Het stond er! Ja, daar stond, weliswaar niet zo letterlijk als verteld, het hele verhaal. Uitzonderlijk, over die blanke plantagehouder, die zijn vrouw liet inbranden met stempels, gloeiend brandende, omdat zij het stiekume verraad van een neger opnieuw aan de vluchtende negers verried. Hij voelde hoe een leegte hem 't leven kwam weghalen. Greep die stoel. Jeses! Wat een kwestie. Dan nu zo, hoorde hij, hoe van de grond een opspringende Alex hem toeriep. ‘Masra! San pasa? Wat is gebeurd met u?’ ‘Nèks! Alex, nèks!’ Nee, 't was ook niet 't verhaal dat hem trof, niet dat gedeelte althans. Ma' 't vervolg... hoe 't met die meester afliep.... ‘Masra! Je bent bang no? Kijk wat fo bangheid je hebt!’ Dan, paar momenten later, glansde Alex zelf op. Het was, net ofdat één grote hebi, last, van 'em was gevallen. Zijn ziel leek vrij, vrij, fri! Van wat zo dan? ‘San joe e lafoe, Alex? Lach je mij uit?’ ‘Nee, Masra Janki! Ma' ik ben zo blij! Kan je nie zien? Die geest op me is weg gaan gaan!’ ‘Geest? Wat fo geest? Kom me nie zeggen dat je nie gespeeld hebt!’ Hij geloofde eigen mondtaal niet die Janki! Kijk, die Alex! Was door een diepe doodse angst gegaan! Je kon 't zien: hij had, oordeelde Janki, die dood van een ander gepasseerd! San na en! Dit kon gewoon niet worden verklaard! Dit, dit was reinste negermagie! Of... of..... Z'n keel bleef hard onder z'n kin. Net of hij een trekking zou krijgen. ‘Masra Janki!’ Aleksi sloeg 'em met één slag tegen z'n schouders! Laat hij zichzelf krijgen weer! Dus dat hij tot zichzelf kwam. Dit, dit was geen tijd meer fo iets als dodelijke angstbeleving! Dan terwijl hij water fo die Janki halen ging, vroeg Alex zich af, wat nu wèl gebeurd was met 'em. 't Leek een soort van droom, net ofdat iemand anders op z'n plaats had gezeten terwijl hij nog zichzelf was, daar zittend ook. Tegelijke dubbelziel!, 't kón! Dan Masra Janki, hangend op z'n stoelkant. | |
[pagina 432]
| |
Jonge! Om zoiets te beleven! Fo Alex iets achter de rug. Fo hem, gedachte aan die afloop verder van het drama! Net ofdat, ondanks 't weten van dat antwoord op fajasiton, een nieuwe last op 'em gekomen was. Nóg zwaarder nu, dan verre waarheid van historie! Wie nie d'rbij geweest was, nunu, hier in huis, zou zijn bewijs daar op papier nie gaan geloven, hem verklaren zelfs fo gek! Ma' dan die afloop.... ‘Dank fo je!’ zei hij, glas water aannemend, op inlandse wijze antwoord gevend, met daarop zijn eigen oude wijze, ‘ja bedankt!’ Die waarheid, sprekend uit die gevolgen! Later, veel later, hij, levende mens! Hoe moest hij leven met de wetenschap dat hij fo iets te boeten kwam? Iets, al was 't, begin begin de noodzaak tot een zuivering van binnen, kwelde hem. Hij wist bliksemsgoed, vooral een tijdje later wát. Ma' nu.... ‘Aleksi’, zei hij, z'n lip een beetje dik voor een bakra, ‘Aleksi, je moet nog even blijven. Totdat mevrouw gaat komen, Floor.’ Floor?! Nee niet díe naam had Yo'ba opgegeven! Die naam van die plantaasje-meesteres? Onmogelijk! On-mo-ge-lijk! Z'n hart stil, een pauze lang stil. ‘Masra! I no kaba! Je bent nog nie klaar!’ Aleksi schreeuwde! Hij zag een doodsgat, midden in die Janki's gezicht een gat, met lijk, lijk in bederf, oorlogszucht woeden...... ‘Masra!!!!’ ‘Ija Aleksi?’ Janki schrok. ‘Eh... niets! Ik ben.... ben nie bang meer. Ma' één ding: wil je met me blijven tot.... eh.... mevrouw komt! ‘Binnenkort ga ik een paar dagen na' bosland.’ Hij weigerde hardop te zeggen dat hij die zaak van De Moor ontvluchtte, tevens die van Brummal. Hoewel die zin hardop klonk, midden door z'n hoofd. Net kogel uit snapana, snaphaan, zo'n zeventiende eeuws schietding.... ‘Nee, Aleksi! Ik ga rust nemen daar. En je kan nie weten’, spotte hij z'n spot, ‘of je één bonoeman gaat vinden, die een blanke als ik, een negerbad wil geven.’ Aleksi lachte mond los. Een blanke die genezing zocht bij een negerpriester? Haha! ‘Aaj, mi m'bakra! Dan wil je zeker je jeje vrij gaan wassen, no? Wel, met alle kennis van witman, heb ik nooit gezien dat ze een negeroplossing hebben gezocht.’ Hier bleef 't stil, een gat nu, groef zich, leek 't, in 't plafond. Over de drempel leek een soort van sfeer te naderen. De dingen, op zichzelf | |
[pagina 433]
| |
leken levend. Dan mensen daar, zich pijnlijk uit de buurt houdend, wat dood verenigen kon, met hen, onder het dak, iets, zoals bijvoorbeeld één kleine gedachte. Gedachte die soms ziel kon leidzaam zijn. Langs welke wegen zo, kon niemand weten. Ma' ver, verder dan ver, historiediep. Om te verdwalen, nu en wel, tussen gebeurtenissen, ver.... En toch te blijven binnen die grenzen van dat eigen lichaam. Baja, hoe konden zulke dinges? E'e!, verwondering, e'e! Een bonoeman kon 't ook nie weten, hoogstens raden daar. Vandaar blijvende verwondering. E'e!, baja..., e'e! Ai so, na ede a de...!: een hoofd waaruit men met de ogen ziet! Het zicht, dieper dan men vermoeden kan, verder dan een verleden lang. E'e, baja.. e'e! |