Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 365]
| |
Hoofdstuk twaalf(42)‘Wát zeg je dan? En?! Je zegt wèl van verdriet die ze ons mense hebben aangedaan. Ma' nie van onse plesier! Want ik dát, ik swéér fo je: ik had me hele leven vreugd gehad! Plezierigheid ook, met dans!, negerdans, sweer ik! Ik was geen enkele lid van geen enkele kerk die je gaat staan komen zeggen: je moet nie je lichaam breken met dansen! Nu is 't gód, dat mensen heeft gemaakt ook! Kijk: deze wèry wèry zondag: ik geef één groot kopro-toetoe feest!Ga naar voetnoot1 Ija! Ik hou geen rekening met kerk! Ik dans me plezier!’ Feest van de koperen hoorn: Dan nu kwam avond vallen, avondval. En 't viel! Hoog, onder de nok van 't hemeldak, had dag zijn laatste inspanning van brandvuur uitslaan, wilde koeietongen vol van grasgewaden, de aren der hemelen gezaaid tot nachtkabalen uit een vogelkeel; het zong er: dag gerakend uit z'n voegen, de wijdse roodpaarsblauw-spelonk van licht, uitwaseming van het aan mensenoog bedeelde, dag z'n blijde uitvaart, bagadikbow! de aankomst van de nachtparade van vreemde wezens onder manen, van mondverslindende taktori!: het spraakverslindende verhaal! Nacht, nacht, nacht was aan het uitbreken, met lichtschicht, pal onder de boog der wenkbrauwen, daar waar de grens valt tussen hoog en laag, vlakbij, te zien, het goudbestikte dons van sterrende juwelen! Avond, lang-lange loper van de nacht, waarop de zweefwezens hun rijkelijke spelen oefenen fo morgen, wezens, die de dauwdans dansen, onder trommelpracht! Dan nu, 't schitterde en blonk, na die vermoeide middag boorde hemel rood aan, vuistrode balling, de stralende verrukking van het universe bloed! De avond viel te vallen! Onder het dak van mevrouw Igna, verscheen plotsklaps zo, de | |
[pagina 366]
| |
Mulattin. Ze was gekomen om d'r cent te halen. ‘Wat heb ik je nou gezegd? Je mag nooit hier komen, wanneer m'n man thuis is! Zie je niet dat je stoort? We zitten net even van 't terras te genieten!’ Als een gestoorde schemer-vogel, fo de ingang van d'r kooi! Stond op, liet sfeer los, weg om te wezen. Meneer daar, kijkend na' 't ding: Gravin Guyave, vol van d'r natuur-ornaat. Was op weg en gekleed fo één groot feest waarnaar ze ging. ‘Hier!’ zei ze, terug komend. ‘En durf dit nooitmeer te doen, of anders hóef je mij nietmeer te helpen! Eh, je weet waar de uitgang is, niet?’ En ze vond, Vrouw Igna, dat meneer veels te gierig na' die gekomen vrouw zat te kijken. Wat aan zo'n mens? En? Wegwezen! Blaffende honden aan die poort daarzo, de grote, echte herders, klaar klaar met verscheurtanden, die bloedvlees aten. Ma' Mulattin, ze was niet bang fo ze geweest. Toen niemand open maakte, ging ze dwars door zijpoort (negerdeur), waar ze die javaanse sjaffeur had zien binnengaan een keertje. En die tuinman ook uit zag komen, andere maal, met tuinslang, om de stoep van voor te spuiten, en alle planten daar, grasgroeisels, hanglampen en matrozerozen, geweldige voor 't huise bloemerij. Dan waar die auto stilstand had, bijna een ingang als 't goeveneurspaleis, met overkappende bouwsteen en groot balkon, net echte oudheid, had ze eveneens d'r voet gezet. Voet met een zool, die lopen deed, nu zo, terug. Ze was gekomen, langs die waakbeesten, die haar ook niet verscheurden (nooit toonde ze fo een hond één vrees), doordien zij haar minstens eenmaal van ooit bij komst hadden geroken. Gíng ze nu, een schim van geest. Een geur hing achter d'r, dat nie te zeggen. Gerber, hij snoof z'n neus. Waarop z'n vrouw sprak van een stank. Dan kwam de nacht áán-vallen, zonder schijnselen van licht! 't Schijnde alleen maar: een illusie dat de dag verdronk in een goudput, van troebel water en van meest intense breking van het licht! Wie dáár ging vissen vond een treef, taboe, die zei dat men verankerd raakte met een ketting die geen mens meer losliet, van z'n levensnacht niemeer. 't Enigste wat je kon doen, was aderlaten: ziedaar het wenen van de zon: zon weent: zijn water schift van licht! Zon zinkt putdiep... Hahaha...! Eén gekkerij! Eén lawman-sani! Eén potspatse hersenschreierij... van alweer licht, licht doende licht, lichts plosie van een ex-mens, lichts explosie! Lícht! | |
[pagina 367]
| |
‘Zoals ik zie, dan heb j't ding nie goed verstaan! Bakdjah! Bakdjah, dudu kateh: 't Was de mondpraat van een hindoestaan, die een neger zag aankomen en z'n kind waarschuwde d'rvoor! Is dát was 't ja! Ahang!!Ga naar voetnoot2’ Ah! helemaal in gans ander deel van stad en stede! Bochtesnijer die deze tekst z' mond uitsmoelde. Over vooroordeel in opvoeding van hindoestaan tegen neger. Hij kon staan waarschuwen d'rvoor, met toelichting van mondverklaring, dat dit was uiting van een pure angst. Want anno negentien honderd zovelen vijftig, en later zelfs... was begrip fo ander nie gekomen. Hindoestaanman als immigrant, bang fo de negerman. Negerman met z'n zwarte hoofd, bang fo die immigrant: ‘Djaikere!: weg!, mars! Jullie zijn gierig! Jullie eten vuile massala! Jullie stinken met koelibloem!’ Ah! Ander uiterste van uitingen, waarmee hij speelde. Hij, Bochtesnijer, in zijn ‘natiespel’, die zelfs chinees ook aanpakte, met diens uitspraken over neger weer: ‘Poepoeloeman!’ Neger was schurk in chinees z'n winkeliersoog. Chinees was portefeuilledief in zwartemans koopoog. Zwarte man was lui in blankemans topkoloniale werkoog. Witte koloniebaas was vuile onderdrukker in dat oog der onderworpene. Misschien alleen dat laaste, was swaar waar. Fo de rest heerste (oudbekende lied) wantrouwen en vóóroordeligheid tussen die ‘ethnische minderheden’ die de meerderheid van ‘volk’ maakten. Volk dat Bochtesnijer nu zo parodiëerde. Hij speelde dronken indiaan, dan zo, speelde hij geldtellende chinees, dan weer geldopbergende en bedelende hindoestaan, loze drukte makende bosneger met alle domheid aan gehersend hoofd. Dan tenslotte wou hij komen bij zichzelf weer, als neger. Ma' dan, hoor wat die andere kerel daar, Mondradio, heeft te vertellen: ‘Ach, láát dinges! Ik weet dat we gaan vechten met makaar wanneer dinges zo doorgaan in dit land, met neger, hindoestaan, javaan, indiaan en god gaat weten wie meer in één násie! Dan is beter, neem je ze, als alle-kleuren-stroop, gooit 't fo 't wilde dier dat stroop oplikt! Dan ben je van ons aller zorgen af! Kijk die lucht man, in dit godverscheurde land! Zó mooi, zo ongeketend open! Me hart wil d'rvan gaan vlieger zetten!’ | |
[pagina 368]
| |
Een vlieger, die moest worden opgelaten in de lucht. Lucht die kwam dalen nu en zonder licht, dat afscheidsfeest was aan het vieren, voller van een koperwerkse drift, het uitblazen van dag z'n grootste lichtdom! Schoonheid sloeg ogen bont en blauw, als je 't werkelijke van z'n pracht inzag! Je kreeg... je kreeg... bagadiktik bowbowbow!, muziek, en rauw van liefdesklank! Dan hóór Bochtesnijer alweer! ‘Ma' laat die tori! Vergeet!’ tegen Mondradio, zo zei hij. Hij meende: ‘Aaj, dan sins ik je zeg:Ga naar voetnoot3 Een neger, een hindoestaan, en een javaan, ze gingen stelen bij een chinees. Dan diep in nacht, openden die diefmannen een luik. Die koelie steekt z'n hand. Hij voelt iets, hij trekt, hij kijkt! Hij ziet met al z'n oog: ik mis me hand. De rest vraagt: heb je wat gevangen? Hij schudt hoofd: Ija, zeker! Dan steekt hij hand in zak. Die javaan gaat daarna, precies zo weer: hij voelt, hij kijkt, hij ziet: ik mis een hand, hand van me is weggesneje. Hij laat geen enkele geluid zo, horen, zodat niemand is zonder één kwaadgedachte dat iets is gebeurd. Ma' je ziet: sodraas die neger gaat, hij voelt: kap!, iets kapt z'n hand weg! Hij schreeuwt één schreeuw daarzo! Mijjjjn god, me jeses, me kristes! Me hand is gekapt! Me hand is gekapt! Die poepoeloeman!’ Dat verhaal, zó sappig no? Over die neger die geen ‘dik hart’ heeft, geen moed. Hij kon nie zwijgen toch, terwijl de rest 't wel kon doen! En dan dat woord! Zo mooi op z'n chinees gekraamd: foefoeroeman, dus dief, werd in chinese mond poepoeloeman! Ma' wat zo ongezegd bleek: neger, (meneer Bochtesnijer) die zulk een verhaal durft te zeggen over negers! Een schandelijke zelfminachting zoals negers altijd fo zichzelf hadden gehad! Vanwaar geleerd baja, vanwaar gehoord? Nacht, dekte zo'n geweten, met een rust, no? Dan kwam een ander deel van avondval. Gans over stad, als een der grote dingen. Het licht werd nauwer, als een bloedverwant, die nauwer bij je staat, tot je het bent, en dan, jezelf wezend, niet die ander ziet, die zojuist viel onder je blikveld. De avond zelf viel royaal! Dan Janki thuis ook, elders, achter jaloezie. Hij stond zijn hoofd te breken over iets. Niet letterlijk als kokosnoot die je tegen een wand gooit en 't bastert fo je, krèk, klok-klok, 't water uitrennend met zoet aan | |
[pagina 369]
| |
vlezen vrucht. Dit was iets anders, vergend bloed aan al zijn hoofd met nerven die in duizenden ieder hun eigen kant op wouwden gaan. Hoe te doen? Hoe te maken dan? En? Wat? Hij had gehoord: ze hadden vent ontslagen. De Moor, man die hij kende. Stel je voor, dat 't een keer zover ging komen dat híj moest getuigen! Tegen De Moor en tegen ook El Negro! Vrienden, die hij sins Hollandtijden had gekend! Stel je voor, nie alleen al-of-niet in 't echt getuigen! Ma' als die doodgewone negers 't kwamen horen! Mijn god, baja! Wat ze 'em nie gingen zeggen, noèm op, Vrouw Weeser, Tanta Beki, Bongo-Leksi, zelfs die Leida van daar achterop met Evi en die andere hoofdeloze zoon! Al, al die negerhuisfiguren die hem als een blanke in vertrouwen hadden genomen. Als ze te weten kwamen dat hij in principe reeds hun zaak fo ze verraden had. (Ija, verraaien! Want kijk: hun volkse hoofdmannen van Ons Eigen Dinges in beschuldiging!) Dan nu die Gerber, die geen uitsluitsel wou geven over z'n gemaakte werk. Hij zou, hij moest! Dat ding was bijna klaar. Ja, ach, vraagstelling van fajasiton, wanneer precies, dat leek fo hem bijzaak. Hoofdzaak: hij had volgens z'n plan de negerkultuur ontleed. (Kultuur no? Ga weg met mars, jo!) Dan had hij afspraak lopen met Aleksi! Hem warmheet aanbevolen door diezelfde Gerber! Die dag, toen, daarzo, dat spraakzaam zijn van die tuinman, die zulke dinges zei uit vroegertijd. Geen mens kon ze weten uit boeken! Zeker niet hij, Alex! Ma' met 't oog op test, vreesde hij goedgoed! Stel je voor! Hoe ze geen dinges voor'em dedenGa naar voetnoot4, echte opoffering! Hun uitsloverij (fo die blauwogige europeaan, met z'n heldere praat aan smoel, en ook geléérd, en ook een zwartemansvriend die ze dorst aan te raken en ze omhelzing geven, brasa!) Stel je voor, dat die hele vertrouwensbasis wegraakte! Mijn god! Dan wát fo waarde had nog al zijn wetenschap? Wetenschap omtrent hún, zij, die hij meende te hebben leren kennen, van huid tot striemwond! Nacht had een opening, zo groot als een ooggat daar aan hoofd. Dan als je keek, zag je een innerlijk weerleven van de dag die net was afgelopen, die wegdonkering was aan het geven. 't Sloop, dief in de dag, al naargelang het wezen mens of dier, langs 't verstand of 't instinkt. Beide, gegrond op donkerzwarte bodems. Wie daar geraakte, zakte | |
[pagina 370]
| |
weg... één groot onmetelijk moeras, waaruit de springvissen die soms ons inzicht geven: 't zijn de glinsteringen, klein soms, aan pupil, glimpjes van 't ware leven...
Zo daar, heel ergens anders in de stad, liep Doera, tot fo kort werkzaam op kantoor bij Brummal. Ze vond dat ze had recht op iets. Al was 't maar soort wraak. Te nemen, (of te géven eigenlijk!) met te gaan lopen vertellen wat ze had gehoord: de woorden van professor Gerber Mann. Brummal, de man van fraude! Hij had zijn vriend De Moor in dienst genomen. Had haar, Doera, ontslagen. Zo sloeg d'r roddel uit het vat, als soort venijnazijn, eenmaal zo buiten, scherp neus stank gevend met z'n damp. Ma' eveneens, heerlijk, wanneer in kleine hoeveelheden verspreid in 't smakelijke eten... en roddel wás mondeten! Konkroe: konkelarij! ‘Meneer? Hij'ft dat en dat gedaan!’ ‘Ach! Lieg niet Doera! Ze gaan je opsluiten! Bakafoto, in gevangenis! Is daar ga je gaan als je zo maakt! Je jokt voor 'em, omdat hij heeft je ontslagen, no?’ ‘Nee, ik jok niet! Is zo! Een hooggeacht persoon, een grote witman, is 't komen zeggen, daar op kantoor! Die en die dag, dat en dat. Hij had een grote wagen ook, groter als vuilniswagen! En hij had getuigepersoon, heeft hij geroepen, geloof ik. Dus dan wát?’ ‘Als je zo blijft liegen gaan ze je wiesen!Ga naar voetnoot5 Mars! Ga bij een ander 't zeggen! Is jokken van ze! Ze liegen dat hij is bedrieger! Want ze haten die man! Hij doet goed fo z'n volk, dan willen ze 'em breken! Mars! Ik wil nie horen! Hij moest je nie alleen ontslag hebben gegeven! Hij moest je aan gaan lopen klagen, jo!’ Dan ging Doera, weer ergens anders. ‘Míjn god! Hallo! Hallo jo! Kom horen wat deze dame hier zegt! Ze kan weten, want z'heeft daar bij Brummal d'r werkkrans... ik bedoel d'r werkkring gehad! Doera! Vertel weer no? Laat méér van ons 't horen! Die schurk! Ik had geweten! Je moet zulke negers nooit vertrouwen! Dan die andere ellendenaar! Die Ronalds! Zie je niet? Hij'ft al z'n straf gekregen! Ze moesten ze opsluiten! Of wegjagen, netals van wat ik heb gehoord van die satanse Anton de Kom! Ook zo'n verachtbarige | |
[pagina 371]
| |
revolutionair! Hij wou ook verandering brengen hier toch! Macht maken fo zichzelf! Is in Duitse kamp hebben ze 'em laten sterven! Z'hadden z'n bloed moeten laten lozen, dan 't opvangen en bakken, netals hoe je doet wanneer je kip slacht! En 't aan varkens voeden!’ ‘Hou op no? Je bent wreed hoor!’ ‘Is zo! Wie anderen eet, moet ook verwachten dat... daaaaag! Dag me schat!...’ De avond leek heel even of 't nie wou vallen. 't Had geen kracht meer, of geen praalreserve, om dag z'n staart te rekken tot 't weer zou ochtend worden, dag die nacht zou erven. Goedmooi gedacht, ma' geen probeersel van de urenmaker die de dag goot uit het lood, druipend langs alle daken, alle dakgoten voorzover die daarzo waren. Dag? Dag sloeg terug op dag z'n dood, met wilde spettering van luikend licht. 't Zwanezangde, gans en groot, onzegbaar mompelmompelen... Aan 't huis van Tanta Beki glansde die dag na z'n grootste deel nog, als een soort van ketting. Ma' dan met glansverlies. Zo een, die je gaat vinden op een stoep, met stof d'r aan. ‘M'moer-bakra!’ schold ze op Janki. Dat hij die ketting met dat mooie anker wel had laten zien, ma' nie had weggegeven! Hij wou 't houwen, zei hij, als een soort herinnering. Géén wisi vond hij 't, nee, echt geen toverij. Dan wát moest 't geworden zijn dan? Wachte! 't Zou voor'em komen! Voor hém móest 't voorteken zijn! Geen mens vond ‘iets’ zomaarzo! Dan fo haar, met d'r erkende jaloezie: 't was een prachtpraal goudstuk, om te hebben. Echt sierend sieraad fo de mens z'n geest! Dat die ploert geen dienende persoon had laten open maken, die dag! Toen dat ding zo, op die stoep werd verloren gezet. En vooral zo, gevónden! Dan ook: ze had gedroomd, echt of met open ogen, 't kon haar geen jeje schelen! Ze had gedroomd: ze móest een ketting hebben. Wel twéémaal zo groot als die gevonden ketting. En wel, met anker, víjfmaal zo zwaar als gevonden! Zij, met d'r schurerij!Ga naar voetnoot6 Wou d'r zelf gaan staan mooimaken fo pronk fo d'r vriendin. Vriendin van haar, had d'r een nieuwnieuwe sieraad beloofd. Ma' dat was broche! Broche met rode steen, met zegswijze d'rbij: Als je nie kan vinden watje nie gaat hebben, dan heb je geen geluk, me schat! Ma' gelukkig vind je ook geluk! Dus vind dat eerst, dan gaat de rest wel komen... ‘Eet me mars!’ vloekte ze. Zij, Tanta Beki. Aaj, 't beet d'r zenuw, dat ze nie juist dát geluk had gehad! Dat | |
[pagina 372]
| |
vinden van die ketting. Om bij die komende lakoeGa naar voetnoot7 net even nieuw te zijn, met nieuwe koto, haar dracht. En dan met zo'n pracht ding Boekettante te spelen... prachtig, prachtig! Alle matismaGa naar voetnoot8 daar zouden oog laten opflonkeren op 't: een goudketting in plaats van zilver ook, duurduur! Om te hebben, zo'n ding, mooi verzwaard met kraalwerk! Dat zo, geweldig mooier ook, dan goud in smoelwerk van één van de Plantagevrouwen in het spel: Vrouw Desna! Of die Weeser! ‘Me skat, odi hel!’ vloekte ze weer.
De avond viel en viel, viel avondrijk! 't Gaf verrukking aan een mens die vrij wou zijn! Vrij om te pronken met z'n ziel! Ziel die op zich, zelf weer dag was, eentje, die nooit ophield onder zon! Een dag waarop je vis ging vangen, je korjaal, de sterkste boom, de dikste bast, uitgehold met de kennis die natuur je geeft, en met dat mes datje als grond van je kultuur tot instrument maakt, 't snijdt hout en... geeft de mooiste boot. Dan vaar je, ga je heen, na' rijke viswater, visgrond, visgat, om te gaan halen! Tjoeboen, tjoeboen, één duik, in licht z'n waterdiep, en dan, de grootste vangst no?, vis met flonkerschub... Mandwe, hij had gevoel, dat hij wou weglopen van huis. Weg van z'n granm'ma en z'n granp'pa! Weg van die mensen, ma' nie na' z'n moeder ook, of na' z'n p'pa die ergens in de stad was aan het rondzwerven. Een boroman, een wakaman, wegloper dus. Nono, na' zomaar ergens wou hij gaan, ma' hij wist nie waar. Was boek aan 't lezen, schoolles lerend, zittend met z'n bil op bank. 't Hout bijna zo hard, dat lichaam zulks nie verdragen kon! Dan bank weer schudden, kleine ondeugendheid van 'em. Dan kijken, loeroog, ofdat niemand 't zag. Want anders kreeg hij weer z'n klap tegen z'n achterhoofd! Net of ze sloegen met een steen! Dat iemands lichaam kon zo hard zijn! Harder dan ziel, die eerst als brandsteen, fajasiton, moest weken in een vaag soort vuur, of door moest branden, gloeiend in een hel. Of waar dan ook, op aarde zacht mocht zijn, zo zacht, dat niemand voelde hoe hij droeg een steen op hart... ‘Kijk hoe je klein bent jonge! Je bent nie blij, je vindt!Ga naar voetnoot9 Om te eten! Want die broe'tjes en susje fanje, bij me thuis, z'hebben geen nèks als dag opengaat! Je denkt z'hebben geweldig leven no? | |
[pagina 373]
| |
Je m'ma heeft je nèks te geven jonge! Ook die anderen niet hoor! Ik erkèn: dat huis is klein, en 't vindt weinig licht. Ma' is goed datje daarzo bij granm'ma en granp'pa gaat blijven, hòr! Laat ik snelsnel doorgaan met hoofddoek binden, voordat iemand me komt halen met wien ik afspraak had gemaakt om eindelijk een dag, een afendfeest te gaan genieten, ma' dan met vroeg weggaan voordat 't donker komt worden...’ (Z'n moeder verweg aan 't woord.) (Dan z'n vader:) ‘Wie? Ik je p'pa? Jonge, donder op hoor! So! Kom geen mensen moeilijken! Je was daar no?, toen ik je moeder bij d'r dinges moest dingesen?Ga naar voetnoot10 En? Met vrijpostig! Hesbiten, mars weg!, jo straatgebroedte..! Eh... als je wil: noem me oom!’ Oom André, Tante Filia, Oom Andrisi-Doris! Zij allemaal familielid. Hadden hun kinderen met wie hij een heel enkele keer kreeg te spelen. Wanneer ze kwamen, daarzo. Ma' ze kwamen niet nu, in geen jaarlang al. Fo wáárom, kon hij nie begrijpen. Hoogstens uit iets als onwelkome negergrootfamiliedrama. Ma' fo de rest? Tien jaar gaf je zó'n klein hoofd, hoor, datje nieteens je verstand kon verliezen d'rin! Want 't had geen ruimte om te slingeren... heen en weer, echt slingeren, dus niet alleen rond-about gaan. Nee, slingeren als een slingerklok aan toren z'n strot: het uur waarop een dag gewurgd wordt tot nacht! Dan slaat hij zijn alarmen, bam!, barri!, bam! Dan snijdt zijn levensstreng aan hemel, de ketting die de wezens bindt, met vlammend licht. De zon, hij neemt een duik! Hij was de ware lichtlamp, die geraakt is in ongebruikte vlam, zodat zijn rooie verdwijntong, een verschrikkelijk wreeddadig verradelijk verwoestend gretig krijsademloze kreet opwerpt, hoog, hoog, huh... huh... hoger dan nokken binnensoogs, waaronder de verduistering, o oogleden, o luiken, zwaar... zwaar... zwart... snorken. ‘Opo a boi go poti. A e sribi lek' wan san!’ Grootmoeder vroeg aldus aan grootvader om de in slaap gevallen Mandwe na' bed te dragen.
In zwarte stukjes kwam 't donker aan, voor 't gevlekte oogdier, dat geen dag ooit zag, en netnet werd geboren onder het verdwijnen van de zon, de koperen pauze. Het dier keek na' de hoogte en 't zag, iets dat niet spiegelde met z'n herinnering. Dat wat 't níet kon zien, was eerder, een moederdier | |
[pagina 374]
| |
waaruit geboren: het was dat grote ding dat elke lichtschacht opat! De vader van het dier was maanplukker, met grote, sliertige handen, één bos lianen, bundeldikke die vanuit het hoog & droog, maanschijnsels overwoekerden, rondom van wolkwouden. Mist was hun adem, nevel hun geademd woord, dat nachtgeslacht. En 't Ideehoofd, daar, daar woonden ze... ‘Gaan jullie slapen man! Oen gwe go didon!’ klonk het, heel in een ander huis in stad. ‘Mama Jana, zeg ons een verhaal no?’ Aha! Dat huis van Jana en Aleksi no? ‘Wie zo? Ik Jana? Leslie! Jij dat! Zet je poot onder je buik recht! Schop die ander niet met krom liggen! En jij, jo beestegoed jo!, Seeko! Ga weg van die meisjeskant! Is dáárzo moet je liggen, nie te dicht bij ze! (Die kinderen worden groter man! Dan allemaal te moeten slapen in één kamer...) Lisa! Maak nie zo vervelend! Kijk hoe je jurk is gescheurd! Trek dat deken op je lichaam, voordat ik je kom baksen om je blote bovenste! Aaj, één zorg op mensen hier..! Negerhuis, baja!’ Ah! Netals Mandwe en die andere kinderen van stad, zo gingen zij na' bed met slapen ook. Dan kwam Gangan Dodo, hun grootmoeder, nog vlugvlug hun een vertelsprook zeggen. Met ouwe plooimond aan gezicht, terwijl ze waren aan het liggen al. Kwam op stoel zitten, die ze van die voorzaal wegtrok. ‘Kokodoen! Kodoenko...’ begon ze. Het sprookje over Spin, Anansi, die z'n granm'ma fo de gek hield. Hoor ze daar, die grootmoeder en kinderen, hun vers zingend, op maat van dat verhaal, die tori: ‘Boi Anansi moi en gangan..!
Boi Anansi moi en gangan..!
Boi Anansi moi en gangan, t'o....!’Ga naar voetnoot11
Hoe geweldig niet, Anansi z'n grootmoeder fo de gek hield! Een waar soort levend sprookje. Met als inzet: ‘bijgelovigheid’. 't Was gehoord, hier, ofte daar, overal in stad, waar mensen zonder iets van elektrische stroom met hun kleinlampje kinderen opvoeding gaven, vader, moeder, grootvader vooral of granm'ma, allemaal huismeesters in vertelkunst. 't Was hun eigen dinges toch! | |
[pagina 375]
| |
Anansi zelf van oorsprong een god... Dan na 't verhaal, die tori, nóg een tweede. Een zogenaamde watramamaverhaal. Over een soort zeemeermin. Hoor hoe d'r mond dat ding riep, vol van een soort dag wegzegenen, met zeggen van ervaringen, soort ondroefeni ook, levenservaring. Dan konden ze leren, fo morgen, fo morgen, onder de blinde zucht van nachtelijke adems, hun slaap rekkend in keel, uit borst geperst, hun jeje die ze hadden in zich. Granm'ma Dodo, ze schraapte keel. Dan ging ze d'r verhaal vertellen nu. Die kleintjes liggend met hun luisteroor. Hoor baja, hoor!: ‘Kande kankan m' no de, ma' fini wan tori!
Mi ati, te m' taki, no mi mofo sa boekoe...!’
(Misschien ben ik niet zo geweldig in 't vertellen, hoort dit aan! Verwerk het voor uwzelf; mij zal dit verhaal niet op het hart als onaangename last blijven liggen of staan!) Een kerel, Masra Joewan, zal ik hem zeggens noemen, ging op een goeie dag zo, aan de wandel! Gouddieker was hij, diep in het bos! Eensklaps hoort hij zo een gouwe stem! Hij liep en liep, ma' zag niemand. ‘Hmmm!’ dacht z'n hoofd. ‘Opgepast dat geen bosgod me fo nèks bekoort! Totdat deze god me geest overwint en mij in Kwaadheid stort! Dus dus: voorzichtig!’ Heel voorzichtigaan liep hij door struik en dor gewas, totdat hij kwam op een plekje, aan die oever van een kreek. Die stem zongen zong maar raak, zo mooi! Totdat hij daar kwam en... de kreekmeermin zag die d'r haren kamde. Watramama! Is zo heette zij. Op dat moment sprong zij te water! Tjoeboen!, weg was zij! Hij liep! Hij kwam op de plek des heils! En zag haar gouwe kam! Hij nam 't mee! En spoedig was hij rijk: want deze gouwe kam maakt iedereen rijk die 't heeft in zijn bezit! Geen rijker man dan hij dus! Aj! Ma' vanaf acht dagen later, als hij is teruggegaan naar de grote stad - hij hoeft geen goud of geldgeluk te zoeken! - hij krijgt een droom! In die droom weer dezelfde stem, van goud, ik swéér fo je!: | |
[pagina 376]
| |
Sa-ba-to.......!
(heel langzaam, heel verleidelijk:)
Sa-ba-to.......!
In zijn droom zijn naam geroepen. Als hij antwoordt zingt die stem verder: zingend vraagt die Watramama om haar kam. Als hij 't geeft, gaat hij méér rijkdom krijgen!, belooft ze. Hij schrikt wakker. Vragen aan zijn gransma, zijn wijze ouderen, wat of dat droom betekent. ‘Pasopoe!’ klinkt al direk de waarschuwing: ‘als je die kam de eerste keer geeft ben je dood!’ Volgende nacht komt ze weer bij hem. Weer dat roepgezang. Weer vraagt hij wat ze wil. Weer vraagt ze haar kam. Hij weigert ongenadig! Zij gaat weg. Zij komt, alweer, volgende nacht, derde keer. Hoe helderder die maan daarboven, helder meer dan dat, zo klinkt haar gouwe stem, in gesmeek om haar gouwe kam! Zijn geest wordt weker en weker! Een mooie vrouw verschijnt daar in de nacht voor hem, zo levendig! Hij beeft! Hij is ongelovig: dat ding kan nie echt waar zijn? Watramama? Hij kijkt haar aan! Baja! Ze glimt! Ze schittert! D'r stem is mooier dan in droom! Ze eist haar kam. Belooft met hem te trouwen. Ja... hij twijfelt... hij wil 't geven 'ja... 't is daar! Maar... in verwarring laat hij 't vallen. Eensklaps één grote vlam! Die vlam brandt een gat op die grond op die plaats van die gouwe kam! Die kreekmeermin geen dame meer, maar één gedrochte, die springt uit zijn raam met deze woorden: ‘Mi misi joe!’ (Ik heb je bíjna te pakken gehad!) Toen riep een stem, afkomstig van Degene die van Godswege zijn Begeleider was, zijn Djodjo, zijn Beschermgeest, eigen Ik: ‘Man de na opo! Man bilo bilo!’ (Baas boven baas!) Volgende dag heeft hij, met grijs geworden haren, al zijn rijkdom weggegeven! ‘A kaba: klaar!’ ‘A so!’ riepen ze, ‘het zij zo!’ Een mooi verhaal, om dróóm te maken! Ma' dan, Leslie nóg eentje vragen. Stoel onder granm'ma Dodo's onderwerk, d'r tronki, antwoordt 'em met gekraak. ‘Hoor je niet? Die stoel antwoordt fo me! 't Zegt: niemeer! Je wil die | |
[pagina 377]
| |
nacht ophouwe zeker no? Heb je morgen geen schoolrepetisie dan? En?’ zei die granm'ma tegen d'r kleinkinderen. Hoor die m'ma: ‘Is genoeg, mama! Laat ze, laa'n ze slapen nu! Kom een kakao halen, ik heb gemaakt!’ Dan gingen ze, vol fantasieën, vallend in de duisternissen, waar achter elke nis iets duisters school...
Avond no? Ma' Mai in tranen! Ze kon niemeer na' werk gaan. D'r man verbood nu, aangezien genoeg geld was gekomen fo een traktor. Een werktuig, heel kleine duwding, ma' met ekstra kracht. Aaj, hij had zijn zin nu. Dan kon zíj ophouwen. Weer achter wasdinges gaan staan en huis schoonmaken binnen. Dat ding had toch al zoveel deining gemaakt onder die andere hindoestanen: ‘Hare, hare...! Hij laat zijn vrouw stad in gaan hoeren!’ Dan vooral nu een van die kinderen bijna in put verdronken was! Dankzij een koeiewegjaagstok, had 't de putval overleefd. Chm! Ma' ook zo: kinderen die ouders nie gehoorzaamden. Omdat hun p'pa was bezig en hun m'ma was weg. Auntie, hun hindoestaanse tante, was komen helpen, nicht ook. Vrouw nam vrouws plaats over, in die familie. Netals bij die kreolen waar die oudste dochter over die andere kinderen die rol van die m'ma over kwam te nemen. De moeder die op háár beurt d'r kinderen vaderde... ‘Nahkere! Foot nah djay!’ werd tegen Mai geroepen. En ze mocht nie weg. Ze moest thuis blijven voortaan. Vrouw Igna nieuwe zorg gevend, en haarzelf ook. Altijd en eeuwig dat ene tradisie patroon volgend. Had ze dan iets verkeerds gedaan? Behalve dan dat lopen, hele tijd zo! Elke taak had z'n voor of tegen. Ze had stuk recht op eigen werk. Ma' met huisdinges van moeder zijn... ‘Nah!’ Ze kon en mocht niemeer gaan daar. Haar werkperiode afgelopen. Laat ze een ander zoeken ook, die bakra's! D'r rol was uitgespeeld nu, zoals 't hoorde. Al werd ze ongelukkige huismoeder in plaats van werkvrouw. Dan, ze kreeg nieteens tijd op afscheid. ‘Als je gaat, met durf, kom ik je tot daar doodmaken!’ riep baboen, d'r man. Z'n vaderrol eiste nu zulke taal. Hij was een echte babu, heer en meester: over z'n kinderen, zijn vrouw, 't gezin als bedrijf! Vrouwen en kinderen, hijzelf trouwens ook, hadden tot plicht te dienen fo de geldelijkheid. Dat wat tot de financie diende, kwam op eerste plaats. Al | |
[pagina 378]
| |
was 't maar fo overleven. Een eigen soort van slavernij. Ma' dat gaf geen enkele onplezier! Althans: dat hoefde niet. J'had werk en dan moest je werken! Geen praat, fo wie wou opbouw plegen! Vooral na al die droge periodes! Dan nu met opgespaard geld, meestal zelfs geen groente etend, en op krediet een trakmasjien gekocht. Dan nu met mede inzet van haar volle kracht te werk gaand! Dat was pas opbouw! Daar was ze hangmat aan 't zitten, Mai, met sluier over d'r gezicht, die kinders liggend op de grond, een kleinlandbouwershuis, met kleine venster als een klein gezicht. Zij in d'r hangmat! Met achterhielen schurend tegen die grond onder d'r voet. Hangend van lichaam, sluier langs gezicht, met een eenvoud van bakerspeld in 't haar gehouwen. Ze huilde, zomaar, nacht tegemoet. ‘He Mai, kahale...?’ De nacht, was een goed diepe rioolkoker. Dan als je keek in 't, vanaf trotwaar, dan zag je water stromen. Zwarte glimwater. Dan kwam een sluis 't buiten sluiten, net zoals je óog dichtmaakt. Kroen-kroen-kroen-kroen-kroen... kettinggeluid: groothouten deur van sluis zakt, snijdt de wateren in twee gedeelten. Wat buiten is slaapt buiten, ganse nacht. Binnen de wateren die loosden, door de hele polder daar, langs al die bedden zand met groenteteelt, bananebomen, kokospalm die sliep al met gezakte bladeren, de grote broodboomGa naar voetnoot12 boom! De bamboehuisjes... Min, met een avondlicht, rookwalm d'raan, tinnen kokolampoe. Dat waaiend licht, bij kruipwind langs z'n bovenlijf. Hij, Min, nu thuis familie sjaffeurend door de nacht, met hun gepraat daar of-nee! 't Was: djarang kepang! Zwarte Magie! De javaanse winti: de javaanse godsdienstviering vol van nachtduistergeheim. Hoor hoe ze stil keelrekkend zongen! Met hoofd gewrongen in een doek. Op schoot een doek en in een kom een goudblink ding! Een soort javaanse bonoeman, een priestermedicijnman, hij dééd! Achter een soort gesluierde omhelzing... van wát van wát... van... Slapende nachtgeest no? Je bent goed gek no? Nacht is de tijd juist, waarin dinges komen! De bakroe's, de leba's, de jorka's! Levende duisterheden vol van Zwarte Kracht. | |
[pagina 379]
| |
Een over straat z'n dans hebbende lijk, verteerd: dansende bottenparade. Klik-klak! Klik-klak! Het bottenlichaam danste de meest deftige dans die in de mode was! Het danste een klassieke Strausswals! Midden op dat pad, daar, in de rimboe! Klik-klak! Klik-klak! Klik-klak! De meest volmaakte driekwarts maat! Het geraamte, dansend en wel, botteman, bóóg voor 't bottewijf! Kijk: z'had een glinsterjurk aan, van nachtinsekt! En een waaier van gestotven vogelvleugel! Klik-klak, klik-klak, klik-klak! Dan snaarden krekels hun violen uit! De Sterfwals! Minutenlang! Een bottenwals in 't bospaleis, met bamboedak en spiegelwater! Heftige nachtgeuren als zoetige parfum! De deining in het zijriet, altegader ruisend met dat grote walslied: klik-klak, klik-klak, klik-klak... Dan vlak daar ook, een heftig vrijend wandelpaar. Vrouw Desna, met een goed vriendin! Die ze ‘gevonden’ had, op een bidstonde. Vlakbij, een kerk toch. Zij hadden zang! ‘De Heer is mijn getuige...!’ Dan vrijend, stonden die twee vrouwsfiguren in hun vrijerij, met alle lucht en doe d'raan, toen zij zo zagen, werkelijk!, het dansend botten paar! ‘Mijjjjn god! Kijk daarzo!’ ‘Waarzo?’ ‘Kijk! Kijk... l-l-l-l-loekoe! Kijk je óóg uit! Wuh!’ Dansende gedaanten goed verdwenen! Ma' dan de schrik die ze gebracht hadden, op slag! Bevende benen, gaand na' huis. IETS was gezien! Míjn god, dansende doden! Die jorka's uit het grafrijk, schoon op pad bij duister. En zomaarzo hun gang gaand, wáár ook dat gebied! Om mensen zó te laten schrikken, zonder jurk, zonder broek! Zo schaamteloos ook! Al hun schaamplaats kon je zien, zó duistergroot daar, tussen hun gebeentes! Bigi bombina! Bigi prit'opo: kut & kloot en kloot & kut!, doodsachtig van het blootopen! Whuh! ‘Mijjjjn góóóóód!’ Dan kwam een hond losscheurend langs het bevend hart. Hond die het nachtenheil kon laten wegjagen. Met hondeblik en hond z'n schreeuw. ‘Wiwijoooooooo! Woewoenggg! Wáááaw!’ Eén akeligheid zo! Baja! Om dood te gaan voordat je stierf! Dan al was maan aan lucht, een kleine mootje maan maar: met lichtstraal die kwam opengooien, een heel klein een beetje maar, een tèt: een kier van ruimtes openstaan! | |
[pagina 380]
| |
Licht, licht aan lucht, 't gaf groots z'n verademing, daar, onder prakkezeren, onder kwaaie daad, onder gesnork en geslaap, onder gevrij, gedachte weer aan zorg of anderszins, of fantasie gedraaf, binnen de zenuwgangen van een hoofd dat brak, werkelijk open brak... Met hersens die krioelend woelden, de kronkeling van het bestaan. Nacht! Na-na-nacht! | |
(43)Een stem klonk onderdrukt langs schuttings' wilde groeiklimplantpartij, een stukje groening van natuur, met tjaka tjaka bladerenGa naar voetnoot1. Daar, over gaas, had 't z'n wijdste ruimte ingeschat, en groeide, groeigroeide... groeide maar raak... ‘Naaitjekras! Kom horen no, me schat?’ Van zij af, ik meen, andere zijstraat met die hoek vlakbij, een goot met modderwater langs een hoeksteen, staand of het 't hele land als fundament had, kwam reaksiestem aanboren. Nog malender en gekker dan menig hoofd zou denken: ‘Fokking neger! Wát kom je zeggen jo?’ Met in de landstaal, meer dan met allure van de volksmond ('t was net als een soort terstondse parlement, een Staten, daar op die straat, waarop gepleit.) Hoor die meid achter d'r eigen reaksiestem aan: ‘Mindrifoetoe f' i, gers' dwarsfluit!’ De áánsprekende heer zou dus een middenvoet hebben (of tussenbeen, dat wat tússen de benen ligt, benen van onder tot boven voet geheten.) Een middenvoet, gelijkend op een dwarsfluit! En dat voor een fokking neger! Zoiets geroepen door... een negerin, aan wie hij liefdesdrangen uitte. Al was 't op een opgefokte wijze. Ook géén bijnaam om een mens te roepen, hoor!: Naaitjekras, zoiets naamgevends aan persoon als... ‘Geile Temeie..!’ Aaj, dan sins ik je zeg, wapperde ze met rok die niet van d'r lichaam viel, en alles verder, straat uit. Laat dat stof vretende m'moerbeest, z'n | |
[pagina 381]
| |
dood verbeiden maar! Sebrefata! Die ellendenaar! Ach, leven had een lustmond, die een partner zocht om tegenspraak. En tegenspraak hield in: een dialoog voeren. Met alle druipigheden d'raan! Kijk: aan diezelfde woeste klimplant op 't gaas, met tjaka tjaka bladeren, waar de aanzoeker zat, groeiden markoesa's. Markoesa's, van die heerlijk gelende sapvruchten! Passie van de natuur! Wat wou een mensenheerlijkheid nog meer? Daarzo, onder de open zon, die mens terugdrong tot de kleine afmeting van gans zijn ziel (en dat was héél een heleboel), met alle stoflichaam d'raan! Daarzo speelde het af, zich in ontwikkeling begevend liefdesdrama. Dan geen minuut, nadat ze hém gebokt hadGa naar voetnoot2, met een bok als een bok, kwam diezelfde meid terug aanwaaien. San? Wat kwam ze zoeken zo dan? Aaj,... wéét: ze kwam zoeken, om te mogen dwarsfluitje spelen met die vent! Ma' hij had z'n billemoot al gelicht! Was achter een ander heengegaan, nietmeer te zitten. Want anders, dacht hij, gaan ze allemaal en dan kan ik met wind gaan vrijen. ‘Jonge, lichtje gat op, ga je dinges zoeken foje!’ Aldus miste ze kans, die Naaitjekras. Echter, op elke hoek stond weer een vrijer. Straatman was overal, dus... Ma' vlakbij schutting ook, stond nóg een andere persoon te wachten. Op wie dan zo? Stonden niet werkelijk alle markoesa's rijp en geel? - voor zover nie geplukt? Wacht! Eén heel mooie hing daar pittig geel... ‘Ik ga weg nu!’ zei Zus Nette tegen die kinderen van d'r. ‘Buurvrouw gaat jullie kijken fo me! Dan la' me geen wóórd horen uit die konkelmond van d'r, dat jullie één slecht ding hebben gedaan! Want anders breekt jullie hoofd met bloed! Ik zég jullie! Ik wáárschuw jullie! So!!’ Dan trok ze 't halve deurtje aan voorgaanderij dicht. Keek, of geen vuile baddoek was aan 't hangen daar, of dweil. Ging die paar treden af van houten trap. Nam tweemaal één voetstap. Stond stil. Keek, of d'r onderjurk geen show maakte. Of haar onderrok niet verschoot, zoals dat heet wanneer 't te zien kwam. Keek of die zijbuik van d'r schoen aan voet, geen onglans had gekregen, met die schoonmaak d'r van. ('t Kreeg onglans wanneer je poetsstof d'rop zette, ma' die plek nie poetste.) Dan keek ze, of d'r kuit geen witwitte plek had. Die uitgedorde huid die ze bakkeljauwbenen noemden. Kuit gespannen van mooivrouwen vlees. | |
[pagina 382]
| |
Dan nóg eventjes keek ze, of d'r jurkrand vanonder ('t was nieuw nieuw) geen stukje naaigaren had, met kontrole van die band om d'r buik, (bij geps een bakerspeld gezet), dan nu, gooide ze voet op, om de stap na' straat te zetten waar op haar iemand te wachten stond. Ma' wachte baja! Want net wil ze weggaan, of wie komt áán, van buiten, langs die straatschutting en langs dat stukje voorop, met die halfgezakte regenvat vol wilde vetplant, (god-is-dood plant), slangekruid en nog een taai soort gras... wie? Ah! Mondradio! Die ouwe frotte mond van een vervloektese kerel! ‘Manwijf! Awege!’ dacht ze, zonder zeggen van een enkel woord maar, want dat was teveel morserij met mond en prietpraat! Trouwens, wist hij, dat ze geen tori gaf: ze was een mens van helder spreken, wanneer dinges aankwamen op waarheid zonder jokken! Chm! Ze keek 'em aan, die ouwe konkelzak, die van iedereen alles liep te bazuinen! Fade, hoe het uitzag, ging hij daar op bezoek bij zijn kletsvriend, Bochtesnijer! Godweet, wat die twee hadden te liegen! Staat ging failliet worden van ze, ik zeg je! Duizend en twee konkubinaten, zouden, als 't aan hen lag, die twee smoelen, gefailliteerd worden: liefdesverdrietig! Ja, alles en iedereen wat mensen konden doen: 't lag ze op de lip! Elkeens verhaal! Dus ook die van haar, no? Ze keek 'em aan hoor, die ouwe voorbij komende balk-ezel met z'n tweemaal zeven magen! Die m'moerploert van een dominosteen! Satans praatdriftige roddelkauwer! Met z'n tandenbek zonder één vrees! Een goeie dag, zou zich een kwaad woord omkeren in z'n mond, vond ze! Dan ging hij per vergissing z'n tóng afbijten! En kauwen ook! Vlak waar hij die tori zou staan vertellen, met alle sappigheid van leugen die nu eenmaal lekt van een soort venijn uit die kwaadzurige vrucht die leugen is! En roddel ook, met leugen, samen één vrucht aan één plant z'n vruchtesteel!... ‘Meisje, maak je nie kwaad! Laatje hart nie branden met ze!’ dacht Zus Nette. Dan trok ze d'r hoofd terug, met daarop mooi gevouwen hoofddoek. Terug ook, die verschrikkelijk minachting gooiende blik waarmee ze 't wil liet zien van de ogen: kot'ai. Op dat hoofddoek, een motief van een kasteel. Kasteelmotief, afgewisseld met een fort. Twee soorten, 't leek geweld en 't leek soort heerlijk leven. Fo dáárom zo, had ze 't gekocht. Speciaal om 't te | |
[pagina 383]
| |
dragen. Want die nieuwe man die ze gevonden had, hij had d'r uitgevraagd. Goed van 'em, nono!, nee, nie direkt de eerste nacht al, neger thuiskomend op die kinderen van d'r! Om daar te komen zitten, één nachje plezier. En dan nooitmeer gezicht te laten zien. Nee hoor! Gezichte no? Zagen ze al meer dan veel gezichten, met heel dat erf vol met wonende mensen. Ieder met eigen levcnsdeel. Ija! Is dus zó, waren dinges! Dan voor ze dacht, was ze al bij poort, geknoopte zakdoek stekend, gauwgauw in d'r borst, met een paar centen. Fo geval dat nodig... ‘E'èm!’ hoorde ze. Daar stond hij, vlak naast van die markoesastruik, bijna een beetje hangend over 'em. Een veelzeg geluid no? Ja, hij vond haar mooi no k'ka!Ga naar voetnoot3 Kijk 'em met z'n maatloze bewondering! ‘Dag mi goedoe...!’ Die nieuwe liefdemaker van d'r! Dan kijk'em: met een kokobrown broek aan z'n onder! Boven die broek droeg hij een jas-z'n enigste zeker, dragend 't, zo leek dat ding, ééns in de honderd jaren. En hoed op, panama, een dure. Met mooie rand, gevlochten ook, net als een rieten zitting van een stoel. Met haneveer d'rop. Baja! Wat een prodo, wát mooimakerij! Een neger met sigaar ook, in zijn mond gestoken. Hij was net rook aan het wegblazen tot een ijlig luchtkasteel. Met mooie werkmans-schouders, gesterkte armen van dat zware werk. Z'n polsen dik en rond geplet een beetje, net een moot suikerriet. Z'n nek een beetje lang, met baard. En snor, een zware bierschuimhoudende. Dan kijk z'n gezicht, met één mondhoek een beetje wegdiepend. Z'n nek was open, zonder das. Ma' zijn kraag, die ze ging rechtzetten voor 'em, (met ‘Ik kan zien dat je geen vrouw hebt!’), stond tè schuins en met die punt aan een kant dicht geklapt. ‘Me schat, ik wou je nie gaan missen toch! Stel je voor!’ Hij keek nog even na' z'n schoen. Hij was aan 't keuren ook, net als een ieder. Bruinwitte schoen stond met z'n smalle punt zo goed. Alleen, een beetje, kleinbeetje stof op 't. Ma' ja! Wat ging een mens staan willen dan?, met zo'n klimaat? Dan buitendien: hij reed geen Chevrolet of Dodge! Zíjn wagen was gewoon het loopwiel!, dus... Dan wou hij arm om d'r slaan. Die nieuwe liefdesmaker wou Zus Nette dus omarmen, no? ‘E'en!’ zei ze, nee gevend, ‘e'en!’ | |
[pagina 384]
| |
Wat wou die vent? Ze was toch al een vrouw met kinderen? Dat wist hij toch? Dat kon hij zien ook aan d'r! Een beetje buik voor d'r uit. Ma' dat was geen voornaamste! Wel d'r manier van doen, met grote-mensen kuisheid. Dan buitendien, als ze, zo, jonger was geweest, geen paspas dertig, ma' iets van een zestien jaren dragen. Om dán zo te gaan lopen met een jongen op straat z'n oppervlak? Dat mocht een goed jongmeisje niet. Je bent aan 't malen no? Met draaiverstand in je wentelhoofd no? Beter ga je koekeloeren of wat dan ook! Ze had een lemmetjeGa naar voetnoot4 gestoken, stiekstiekum in d'r jurkzak. En opengesnejen ook, kijk dat nat d'rvan... jammer eigenlijk, ma' 't kon nie anders! Want in geval die nieuwe vrijer takr'anoe ging gebruiken... dan sneed dat lemmetjesvrucht de wisi al! Afweermiddel tegen magie! Aaj, takr'anoe: kwaaie hand, een soort magie, kwaaie, om snel doormiddel van blak madjiek een vrouw te kunnen krijgen. En d'r te krijgen dat ze op d'r rug ging liggen ook, zo gauw als je je ogen dicht kan knijpen en háar open! Man neemt vrouw met hulp van magie. Ma' hij, hij leek geen takroeboi, kwaaie figuur. Dan afèn! Mens kon nooit z'n dinges weten. Is nie zo? Ze wist geen kronkel van 'em af. Fo dáárom geen verwondering ook, dat ze zoiets meenam. In d'r opvoeding als een negerkind, ging zoiets ook gewoon, met automatisch! Ija! Een afweermiddel meenemen tegen kwade magie! Ija! ‘Waar gaan we gaan dan? Ik meen: waar ga je me brengen?’ D'r klonk iets van een spanning in d'r stem. Niet alleen van waar ze zouden gaan. Ma' ofdat hij d'r nie ging brengen op een kwaaie plaats. Hoor die emosie in d'r stem! Een vrouw die dacht aan kwaaie gebeurtenis? Had ze dan nie paspas gehoord met d'r eige eige oor aan hoofd, hoe dat een vrouw was meegenomen naar een plaats... dan waren méér dan één vent daar... dan had een bende mannen dinges gedaan met d'r, die nie goed waren? Dus, vond ze, ze moest vragen, ja! Tan! ‘Luister hoor!’ zei hij, haar vastgrijpend bij d'r twee zijbuik kanten, links en rechts, en blik uit oog gooiend op haar, d'r vrouwsgezicht met zon en lucht vol licht zoekende ogen, ‘mi na man den e kar mi!’ Ja, zei hij, hij was man! En kerel ook! Wat dus betekende: iemand om te vertrouwen. Verder geen nèks van wantrouw gevraag! Ach, hij! Kon hij begrijpen wat d'r scheelde? Van hoe een man ging | |
[pagina 385]
| |
en hij kwam? En dan een ander weer, ga zo door en je krijgt héle rij van krantloopjongen tot zoon van maatschappij beheerder! Allemaal om hun kras-water tussenbeens van een vrouw te gooien. De schade groeide zelf wel op. Hij? Hij meende hij was kerel. (‘E! Mati! Vriend van me daarzo! Laat ons een tori gaan praten met een bier, jonge! Láát die schopdiekerij, dat je werk aan 't maken bent, met goot graven aan voorhuis langs die straatkant hier! Fo wie rek je je rug dan? Is fo andermans plezier! Laat ons gaan dieken bij die meiden daarzo! Ik ken een paar! Ze naaien goed! Swit'watra-tobo! Ija, lekkerwater-kuip hebben ze! Chm! Eén ding: is jíj gaat dranken betalen...! Want ikzelf ben blootbloot, hoe je me ziet!’) Kerelse taal no? Een man kon leven hoe hij wou, enigste zorg van 'em kon alleen zijn: werk. En meid vinden, zo af en toe. Ma' verder geen verplichting, of hij moest 't zelf zoeken. Vandaar die mannen die met een vrouw leefden: allen als domme koe beschouwd. Dom als dat achterpoot van een koe! Ja, is zo werd dat ding gezegd. Want je kon twaalf hebben minstens: buitenvrouwen! Dan hoefde je ze alleen met een smail op je dubbele wang, ‘dat ding’ te geven. (‘Kom horen, no? Ik heb je nodig!’ riep een meid achter die hoek. ‘Wat fo nodig? Me bal is al droog! En me zak is door me m'ma, die me kleren wast, van me broek weggesneje!’ Dus zij, ze kon geen cent krijgen no? Eén wou iets van die ander. Ander wou iets van die een. 't Ging nu, om wie sneller zin kreeg en hield wat die had! Zo werkten dinges, als je keek. ‘E'en! Nee hoor! Kheb al gezien! Jo luis jo! Leeft zonder geen cent!’ Die meid ging weg. Dan hoor d'r, teleurstelling spuwend voor 'em ook: ‘En buitendien: is nie met jóu was ik aan 't spreken...!’ 't Was een spel! Liefde! Een pré, prépré! Owee die oorzaak en owee gevolgen! Chm!) ‘W'hebben genoeg gestaan hier, man! Kom, ik ga je ergens brengen! J'hoeft nie bang te zijn! Per slot van daad, kom je met mij toch? Is nie zo?’ redeneerde mond van 'em. Ze schudde hoofd! Dan zochten ze verdwijning, weg van daar vandaan, waar net voorbij komend Zus Leida. Hoor d'r dan, met d'r ouwere mond: ‘Aaj meisje, Nette! Kheb je gezien hoor! J'hoeft je hoofd nie te draaien fo me met schaam! J'hebt een nieuwe vent no?’ ‘Dag zus Leida...!’ Zus Nette verborg d'r hoofd een tikkel achter die | |
[pagina 386]
| |
vrijer van d'r. ‘Dak mi skat! Dak mi goedoe!’ Ze gooide een knikhoofd na' die heer! Morgen dacht ze, zou ze gaan alles horen. Wanneer die buurvrouw werken kwam. Of andere keer misschien, wanneer ze losse tong had. Dan zou Zus Leida weer met Zus Nette lopen konkelen. Dan, ging ze eigen erf op, bij Janki daar, met dochter Evi en d'r zoontje. Liet d'r hoofd even breken over 't weggaand paar. Aaj, z'had gedacht!, sins dat ze hoorde over hun toenaderingen. Ofdat die vent misschien nie was aan 't schurken. Je had ze, zulke mannen, over ganse stad. Ma' goeie ook, had je, met hun intensie tot een rechte levenslijn. Ija! Deze, zo prakkezeerde ze, deze had zeker nog geen kwaaie faam! Want z'had geïnformeerd ook! Vrouw moest vrouw als vriendin bescherm geven! Ija! Liep na' d'r achterhuis om pis te lozen. Dacht nu, aan eigen ongebroken dochter Evi. Fo díe was rijpe tijd aan 't komen. Verderop voet weglopend Nette met d'r nieuwgevonden vent. ‘Ik ga je brengen om te dansen,’ is zo zei hij. ‘Ma' voordien ga ik met je gaan, na' ergens, waar we een beetje kunnen praten. Ons Eigen Dinges danst, je weet toch, waar? Laat ons daar gaan. Ma' net zoals ik gezegd had: eerst een goeie plaats gaan zoeken. Onder een boom waar ze ons nie zien.’ Hun voeten vraten stof met zandweg lopen. Een hele tijd zo, zweet en schoen. Zon zakte al wat, ma' nie genoeg om warmte te breken. Schuinse dak van chinese winkel ving zon op, en gooide donkere schaduwvlek op ze. Dan verder boom, met erf met inham, weer een huisfront, met een javaan uit raam, kauwend op z'n tabak en spuwend op die grond. Javaan z'n vrouw, op stoep daar zittend, speelde met een luizenhond. En at d'r mond felrood makende kokosnoot. Met gestrekte voet gezeten. Hiel vol scheuren. En aan d'r grote voetvinger had ze een ring gestoken. ‘Kijk, zei Nette, wat een gouden pronk!’ En nie alleen daar van javaan blonk goud. Ma' overal, vooral rond nek. Ma' werp je oog ook, op die dolk die ze had op stoep. Die dolk sliep no? Mooi ding om rovers hun buik te bossenGa naar voetnoot5 fo ze! Dan langs balkon en langs straatgat, met kleine steentjes dicht gegooid. Langs angalampoe voorhek, dat gestruik met bloem. Langs een paar awarabomen die geen vruchten droegen ma' vol staken met | |
[pagina 387]
| |
de boten, die schutbladeren daar, vol vruchtentros opkomend. Verder hun loopgang nemend, dicht onder beschutting van wat huizen. Eentje, op hoge neuten, met paar hindoestanen op balkon. Zongen zo luid hun song! Met dansen. Tadja slaan, want 't was hun feest. Hele balkon met palmtakken, met slierten vliegerpapier en bara-geur van wat ze aten. Dan langsboren bij een gesloten winkel. Overal d'rvan dichtgespijkerd. Chinees dood of iets anders? 't Kon ze nie beginnen te schelen. Lopen, lopen, lopen. Ma' nu dan dwars over een erf om die afstandslengte te bekorten. ‘Dag mense hier!’ zei hij; zij, Nette, ze zei nèks. Langde d'r mond een beetje, kijkend welke koers. Als hij d'r maar nie bracht na' vuilnisplaats met stank! Nono, even mensen d'r hand toezwaaiend: ‘Dag ifrow!’ ‘Dag zus!’ ‘Dag broer!’ ‘Dag oom daarzo, met je zittende rug in stoel!’ ‘Dag tante! Tante is kassave aan 't schillen, no?’ ‘Ija me schat, ik schil kassave!’ ‘Dan ga j'k een keertje met tante komen eten! Want ik had gehoord: tante weet lekker te koken!’ ‘Frèk jo! Houdt mensen fo de gek!’ ‘Tan? Is jíj loopt daarzo?’ ‘Groetje familie fo me, hòr!’ ‘Ija, baja! Ija!’ ‘Wwrraww!’ ‘Pas op, baja, met je vlees aan je lichaam! Want deze bijthonden, ze geven geen tori!Ga naar voetnoot6 Terwijl die hondje aankijkt van voren, is hij allang achter je staart! Dan bijt hij je verradelijk wreeddadig zo happa! Met al z'n hondengebit in z'n mond! Hij bijt met wraak, hoe j’ em zo ziet! Is rashond toch! Deze honden hoor! Is om te blaffen heb ik 'em genomen, nie fo bijt! Als ik was rijk, had ik een kunstgebit fo die hond uit Holland laten halen! Ik heb gehoord, ze maken ze daarzo! Je gaat weg no? Ija, baja! Loop goed hoor! Kijk ook goed met auto's dezerdagen! Je kan je rok nie waaien meer, of een autoband is aan 't! Auto drááit je zo d'ronder! Gefaarlijk! Ik ga al twee jaar niemeer op straat! Ija! Want ik wil nie gaan springen als die djoeka's! Met hun bosneger manieren! Die djoeka ziet: een auto komt! Die auto stopt voor 'em! Wat denk je, gaat hij doen? Hij loopt nie voor of achter die auto! Nee, hij klimt over 't. Of hij neemt één sprong over die auto met roepen van | |
[pagina 388]
| |
‘Oho!!’ Ija baja! Ga fo je hoor! Je wil ons deze, nie aanhoren no? Is goed! Jullie! Gaan jullie hoor! Blijf goed!’ Dan eindelijk waren ze aangekomen bij een geitewei. ‘Is hier wi'je met me gaan zitten?’ vroeg ze, Vrouw Nette, kijkend na' een grote stronk boom die hij had uitgezocht fo d'r.’lk met me mooie kleren no?’ Hij wraakte een beetje: ‘Dan wát? We zetten gewoon een zakdoek d'rop. Met mooie schijn ook, vind je geen plaats mooier als hier!’ Dan kommandeerde hij: ‘Zet je bille daar! Ga zitten!’ Ze zette zich op die grote lap zakdoek die hij uitgespreid had, vlak langs rand van wei. ‘Deze vent ook hoor...!’ Ze zei 't, d'r mond een beetje lang makend nog d'rbij. ‘...hmmm? Je kan me toch thuis brengen? Of woon je met ...eh, mensen?’ ‘Je bedoelt of ik een vrouw heb die me kinderen heeft gegeven? Daarzo: onder me dak? E'en!’ Dit laatste woord had de betekenis van nee. ‘Dan heb je zeker buitenkinderen?’ ‘Nee! Je wil weten no? Waarom, met haast? Ben je bang dat ik je ga bedriegen?’ ‘Nee, is nie dat! Ma' een vrouw als ik...’ Ze pruikte d'r haar een tikkeltje, dat opsteken ervan. ‘Ja! En een man als ik, ik Niko, zegje: nono! Nee! Hoor je nu?’ Ze leek een beetje beginnen met te zweten. Die uitgediepte ónderhandGa naar voetnoot7 van d'r jurk bij de oksels werd nattig. Een paar druppeltjes water, vlak bij die rand van d'r voorhoofd, waar d'r haren wortelden. ‘Dat ding is benauwig hier man,’ zei ze, woorden laten lopend. Dan blies ze, een adempje zenuwachtigheid weg. Een mondje tuiten en een mondje spuwen. Dan zwijgen voor'em, laat hij zeggen. ‘Wat wi'je dat ik moet vertellen dan? En? Ik heb je vorige keer al gezegd: als ik nie alleen was, had ik je nie gezocht. Of misschien. Ma' dan met sterke grond om die ander te laten.’ ‘Hoe bedoel je?’ Zij vroeg dat ding, kijkend na' een paar vuurtongen van papegaaietong in bloei in vertes. Dan dichterbij een grootwilde struik, met van die lange slierten vol witte meeldraden. Wind waaide | |
[pagina 389]
| |
ze, van tijd tot tijd. ‘Ik doe me dinges wel. Dat ja. Ma' als ik van iemand hóu, dan mi lobi a sma! En nu zo...’ ‘Kom me nie zeggen dat je van me houdt! Vent luister...!’ D'r woorden hadden iets zenuwachtigs, iets zeer vol vuur, wat nie alleen kwam uit misschien een vrouwelijke krasheid. Althans, nie dat soort krasheid dat als ondergrond bed heeft. Of vloer desnoods, of tafel waar ze ook op kan liggen. Dit, dit had meer van zenuwachtige zelfbescherming. Fo wat dan zo? Hij begreep d'r, al was 't nie van helemaal. Een vrouw, zoals hij wist, met vier kinders in huis, eentje bij haar familie verder, die met mannen omgang had gehad, had zeker zeker 't een en ander meegemaakt. Nee, vijf kinderen waren nog weinig fo die tijd. Meestal had je zes, zeven, acht, soms twaalf, veertien. Met moeder, en zonder hun vele vaders. Dan wat? Moeders bewezen zo hun vrouwelijkheid. Vaders, met plantdrift, gaven staaltjes van hun mannelijk liefdesprofijt. Dan was een grote bevolkingscirkel gesloten toch? ‘Je denkt zeker dat ik je fo de gek ga houwen! Ik heb geen reden om zoiets te doen. Nog niet. En ik ga nie denken 't te hoeven doen. A no so?’ Hij wachtte op haar ja-zeggen. ‘Als geen niemand je dwingt, dan hoeft 't niet toch! Met míjn mening is het zo...’ Ze zette haar oren en luisterde. Nam àl zijn zeggen op, in d'r. Woorden, die kwamen waaien als een wind. 't Werd zachter lucht. En heerlijk om daar te zitten.
En ze genoot ook, Nette, met die Niko, die ze prachtig vond. Ma' nie allenig omdat hij goed was van bouw van lichaam. En goed van bouw van geest ook, jeje, te oordelen na' zijn wijze gepraat. Meestal had ze andere dinges gehoord. Zoals direkte tori: ‘Kom, 'k ga je een naai geven!’ Of: ‘Meisje, maak geen komedie! Stuur je kinderen, laat ze gaan blijven bij iemand, of na' konferjari!Ga naar voetnoot8 Dan kom ik daar en dan... je weet toch?’ En toch, hij oefende zo'n kracht uit op d'r, lichamelijk ook, met | |
[pagina 390]
| |
duidelijke wil om iets met d'r te gaan doen. Ze voelde hoe d'r kleine mond begon te natten. Raakte bang, dat ze die zakdoek van 'em zou sappen. Stel je voor! Als een man zoiets zag! Chm! Dan direkt te beschuldigen met: ‘Meisje kijk watje doet! Direk direk probeer je mensen al kroi te geven! Om me sooi te maken? Om me onder je te krijgen no? Wát heb je fo kwaaie dinges gezet, fo je onder? Maak je rok omhoog, la' me zien! Als je nie zo doet: ik laatje direkt kraperen!’ Dan ondertussen, hijzelf ook kraskras. Z'n praatje zeggend hoe hij leefde. Een stem, langzamer onderwerpen vindend, sneller afwerkend, ze. En met een laagte in z'n stem, dat ze... Eensklaps zo, sloeg hij z'n arm om d'r, dan voor je wou beginnen te denken, tongde hij haar stevig. Ze wou een beetje tegenin. Niet dat ding doen in het openbaar. Stel je voor! Want dát juist was fo mensen een bewijs van hoererij. Wanneer een vrouw met tien mannen tien kinderen maakte, geen geweldig grote zorg. Ma' dan wanneer een meid, al was ze ongebroken, durf had om mensen openbaar te laten zien, hoe dinges zijn bij vrijerij! Om zo met mond op mond te zitten. Of zelfs je lichaam te zetten in gras. En dan seks d'ruit persen! Dat gepomp! Nono! Nono! De hele stad zou weten! ‘Laat ons opstaan!’ zei ze, om ergere dinges te voorkomen. Dit voorkomen, was beter dan 't ongenezen van een kwaaie naam die je nooitmeer kwijt raakte. (‘Meisje!’, met lange en lijzige ei geschreeuwd door een of andere dame, ‗ als je weet hoe of nie! Chm! Ik had d'r daar en daar gezien! Met eige eige ogen die nie liegen fo je! Ze was een man aan 't nemen! Met een “ding” zó groot als walapavis!’ Ooggetuige verslag! ‘Dan schrééuwde ze nieteens! Owie? Ze knorde maar met lekkere kreunkramp: oem! oem! oemmmm! Ik swéér! Ik ga nie fo je komen staan jokken!’ 't Verhaal over Nette, met veel fantasie verteld. Of nieuw ook, onder mannen: ‘Die meid is kras no k'ka zeg ik je! Tajer waarvoor je een kuil moet graven in de grond, slikt ze met alle liefdesgemak! Dan hoe ze daar lag: net een leeuwekuil van Daniël die tot op de bodem was gezakt om leeuw zelf te voeren! Chm! Ze regeerden als tijgers, man en vrouw! Dan toen ze opstonden: hele grasveld was één woestenij! Die meid was zó kras, dat ze gras opat, met aardebol d'rbij!’) Zo gingen die verhaaltjes over mensen. Wat ze nie deden en wat niet. | |
[pagina 391]
| |
Ooggetuigeverslag van seksuele belevenis! Terwijl ze misschien even maar, gesignaleerd waren, op maandagavond z'n vroegte, kraakvrij in de kleren, en netjes tot op punt van schoen. Ma'je weet hoe mensen zijn toch? Ze liegen alles d'r bij. Dan met zulke gedachten in d'r hoofd, dat men van haar nie moest gaan kwaad praten, liep Nette. Een beetje dicht op 'em, ma' nie te dichtbij ook. Een beetje schuins voor 'em dat als iemand ging komen, die persoon nie direkt z'n oog kon gooien op dat middenvoet van haar Niko. Want met z'n grote wijdpijp-onderbroek, stond z'n dwarsfluit zodanig, dat die hele kokobronbroek van een pantalon die hij aanhad, dreigde te zweven. Broek danst parade als een tent! Chm! Hij spierde! Hij was stijfopgewonden. Ma' hoe ze liepen zo, zei hij, ineens: ‘Nette, kijk hier! Ik ga je iets zeggen: Dat ik geen vrouw, geen kinderen heb, komt door één ding: ik ben op straf geweest. Ik... ik heb me broer doodgemaakt. 't Was me schuld ook!’ Waar ze stond werd ze tweemaal koud. ‘Alle goedheid die je in me ziet, zoals je zegt, is bedorvenheid! Als je wil: ga! Láát deze man die ik die hier sta, ben!’ Ze wist geen antwoord daarop. Keek na' z'n hoed, dan na' z'n schoen. Hoe kon hij komen met zoiets dan? Hoe? Hoezo? Hoelang terug? Hoe kon 't zijn? Zulk een goed aandoende persoon, met ongeschonden lijf en ongeschonden aandoende jeje? Fa dati kan dan? Heel d'r wezen schreeuwde om verklaring. ‘Zeg me dan? Zeg me no? Ik wil weten!’ Hij zweeg een half gesprek lang. Veegde met een tweede zakdoek z'n hoofd schoon. En toen die nattig werd, met z'n mooie zakdoek aan jas. ‘Luister, je gaat nie begrijpen! Wáárom denk je dat ik goeie dinges weet? Je zegt, ik ben een beetje wijs. Ik voel zo ook. Ma' doordien ik maandenlang in cel gezeten heb, je gelooft niet no?, met enkel me verstand aan me hoofd! Daardoor weet ik veel. Af en toe... ach, la' me nie beginnen met dinges over kakkerlak, vuile rat en zo! En stank, nono, nie alleen van schijtvat. Ma' van binnen, hierzo, waar me hart z'n bimbam slaat! Dinges die je voelt en denkt en denken leert. En die je afleert ook. Ik ben vijfjaar ouwer dan je, ma' dat ding lijkt net ofdat ik vijf aparte levens heb gehad!’ Dan bleef hij stil weer. Ze liepen, ze liepen. Richting ze wisten niet na' welke. Al hadden ze in 't hoofd gehad om te gaan bij dansende Ons | |
[pagina 392]
| |
Eigen Dinges gebouw, met lekkere kawina dans. Om daar te gaan menigeen verrassen met hun mooi uitzien. En dan een lekkermooie zondagmiddag weg te jolijten! Ma' nu... ‘Hoe kan een man zijn broer doodmaken dan? Een man een moordenaar? Wat fo karakter moest je nie hebben, fo dát!’ Ze voelde hoe een lelijk gevoel kwam binnenwringen wringen in d'r. Míjn god! Mijn jeses! Dan kon hij zo gewoon praten, gewoon als man z'n goeie ding doen. Hij werkte, hij had geen vuile mond, hij leek een rustigman, hij... alles aan 'em, leek goedgoed! Ma' dan, dat ene ding juist: ze zag, hoe hij een mes aan 't steken was in een andere buik, die van z'n broer. Ze kende broer niet, ma' kon weten hoe zo'n buik uitzag. Dan, sjrèppe!, mes scheurde 't open! Of erger: kappartij, misschien fo één paar schoen aan voeten. Of misschien swaar geld. Ma' geen enkele reden kon ze vinden. Om zó te doen, als een Bizherta, de grote mensenkapper, of een Lalbahadur! Beruchte moordenaars waren ze, desnoods vluchtend na' bos, om daar te gaan wonen in een hut. En dan: iedere mens die ze opzoekt, ze kappen 'em dood, kappen 'em, maken 'em minder dan wat een overleden mens met lijk moest worden. Baja! ‘Waarom ben je zo stil gaan worden, Nette? Je denkt zeker: ik ga je kwaad doen no?’ Ze schrok. ‘N'no, is nie dat!’ ‘Ik weet: ik moetje meer verklaring geven. Ma' 't enigste wat ik je nu kan zeggen, is dat ik weet dat ik 't nooit tenimmer meer ga doen. 't Is gebeurd, toen, nie met houwer, nie met mes. Ik had een val gezet voor 'em, krafana, gat in de grond en gedekt gemaakt. Dan 's hij gevallen, heeft z'n nek gebroken. Eenvoudig omdat ik...’ Hij hield mond nu. Schopte iets weg, dat blijkbaar veels teveel stond in de weg. ‘Wat zegje niet?’ vroeg Nette. ‘Omdat ik hield van z'n vrouw.’ ‘Dan die vrouw?’ ‘Ze heeft d'rzelf opgehangen nadien, je gaat nie geloven!’ ‘Hield ze van jou? Is dát vraag ik.’ Hij zweeg in taal die niet viel te gebruiken. Omdat zijn woorden wrakken waren, vergane stronken, ruïnes. Nette, ze vroeg zich af, hoeveel spijt zo'n mens mocht hebben. Ma' dan vooral: als ze met hem ging verdergaan, dat ze zou leven met een moordenaar. Moordenaar van zijn eigen broer ook. Een stuk | |
[pagina 393]
| |
genadeloos iets, wat te vallen kwam op hun verhouding. Of mensen wisten? ‘E'en!’ zei hij, want hij had twaalf jaar gekregen. Twaalf jaar straf, dan na uitkomen, bijna helemaal onbekend bij mensen. Want toen hij inging, was hij netnet man te noemen. Een persoon, helemaal anders dan van toen, was hij geworden, zei hij. Ma' ze geloofde niet. Nono! Een mens kon tóch niet veranderen! Zeker niet binnenkant! Kijk al die negers, die hun leven hadden met een stijl van pinaren! Wanneer ze geld kregen een keer, dan veranderen nie zij, ma' 't geld: 't werd weer kleingeld, te weinig en te licht om zelfs te wegen met je hand! Dan wát was een mensenziel, die je nie kon vasthouden in de hand z'n bekkenruimte, om 't te wegen zelfs? Wegen van zoiets, kon alleen gebeuren met je hart. En was je hart niet 't minst evenwichtige van heel je wezen? Mijn god man! Dan begon ze weer te wanhoop brand laten uitslaan uit de diepe lagen van heel haar gemoed. 't Ging nooit goed gaan meer, nooit, nooit! Net zoals mensen zongen met hun lied: wanwan boen lobi de ete, ma ala de na soema anoe!: er is hier en daar nog wel een enkele geschikte vrijer, ma' die is steeds bezet! Bezet! Bezet! Bezet! Ze had geweigerd om buitenvrouw te spelen fo wie dan ook. Al die mannen die d'r hadden getjekt, met zoeken, oogje gooien op d'r, alles, alles. Een vrouw met vrees van zinnen ook, want ze wist hoeveel met anderen geruïneerd waren, door mannen die hun geld gaven aan drank en kaart en alles, alles wat zéér spreekwoordelijk dat negerhuisleven uitmaakte. Iets als een zuurzure markoesa vruchtensmaak meende ze aan d'r lip te proeven. ‘Wat kijkje?’ vroeg hij, met z'n hoed daar op z'n hoofd. ‘Nèks is kapot aan je mond van die zoen die ik je heb gegeven! Pasopoe meisje! Want 't is begin!’ Dan kreeg ze neiging om te lach gaan slaan, uit al van wat gezicht was aan haar hoofd. Lach uitbreken, lach uitslaan, schaters schateren! Ja, hele bende schaters in de ruimte gieten met een groot geluid dat draafde. Langs al die groene dinges, alle hout. Hij had 't uit zichzelf gezegd! Dat van die moord! Welke, welke andere man ging zoiets zeggen, roepen, mond uit kuchen zelfs, wanneer niet vragend om begrip? En om vertrouwen? En om.. en om... ze wíst nie wat, dan met hersens die opengingen, een tomtombrei in d'r hoofd, die net een grote spanning los liet lopen. | |
[pagina 394]
| |
Ze zwaaide met haar handen zelfs, lucht slaand, een meisje wordend weer, jong, jong, en vreesloos fo degene aan haar zijlichaam staand, lopend, rennend achter haar aan. Zo leek ze zuinig op een wind die nie gezwind gaat, ma' toch snel genoeg, om schim te maken. Schim van een ding. Ding bij het nader inzien blij. Een kracht was uitgeslagen, zij leek los getogen. Met allebei de straatkant als iets vrijs, wat ging tot ópen! 't Leek ofdat ze was in... nee! Nee, neger, echte neger, kent geen paradijs. Kent hoogstens de bevlieging die een geest aan ruimte biedt. Het bijna worden van een andere persoon, persoonlijkheid. Jeje te worden, anders dan je was. Blij, blij, blij! Bréti no hel! Dan later, toen ze op de Eigen Dinges waren, vroeg hij fo de zoveelste keer, net of hij was gaan kinsenGa naar voetnoot9, ouwe man!: ‘Hm? Ik begrijp niet! Ik heb je een vreselijk ding gezegd wat ik nooit zeg aan mensen, niemand. Dan ben je blij?’ ‘Láát die tori!’ vond ze. Nunu was nu! Tijd om te praten met de groeven van de geest z'n diepte, het uitspitten van hedens en verledens gingen komen. Want! Want ook zij was nie zomaar vrij. Want wat ze meemaakte aan mán! 't Gaf haar schrikhart gewoonweg! Ma' dan, nunu was fo plezieren! En dansen ook, met heel dichtbij, kloppende hart, al werd 't op de verkeerde plaats beluisterd van het lichaam. Je wasje leven lief en leefde. Pokoe daar speelde. Drank kwam op. Met schurerij van sommigen, je weet, wanneer ze billen draaien en hun bouten laten zwaaien.
San! Met down-to-the-ground, ma' dan, negermuziek, soms obja hebbend, winti krijgend. Zo begeesterd en begaan, dat ze dan schreeuwend in een soort vermomming gaan: een ander worden, anders kijkend uit de ogen. Door witman naam gegeven met hysterie, bevlieging. Door zijzelf aanbeden, eigen dinges. Aanbeden ja, ma' dan alleen fo doeners, die zo vonden dat ze neger waren. De rest, de rest verguisde dit soort dinges vanuit hun leergeest. Want van kleinschool af, te horen krijgen... afèn! En groot eenmaal, te zijn ontnegerd! Of eigenlijk, wel neger zijnd, donker, licht, kreool geheten. Ma' dan, tot in de diepste diepgeest te zijn verscheurd, verpulverd, verbrand, vergruzeld! Of in de negertermen: ze droegen hebi's, zware last die ze verpletterde! Het neger zijn en niet echt neger mogen wezen, verpletterde de ziel tot niets!, erger dan broedermoord. En die open | |
[pagina 395]
| |
ruimte, die ogenlijkend geschapen werd voor betere kultuur, werd opgevuld door zelfontloochening, zelfdwang, zelfs de doding van je eigen jeje: het kweken van een levende jorka! In echte negertermen: koenoe. Baja! Chm! Iets wat zó sterk was, dat 't kon overgaan van mens op mens, op familie, op nakomeling... op alle negers samen in hun maatschappij. Een soort geestvervluchtend iets, waardoor heersend gevoel van werkelijk in staat zijn tot niets groots, niets goed-geweldigs! (‘Ach, we lullen, we lullen, we kunnen geen moer!’) Net of het sieraad van je geest voortvluchtig was. Dan deze neger, nu, zo rustig dansend, echte negermanier doende. Hij kon beladen worden. Door hemzelf. Misschien door praatmond van die anderen. Of door haar, met hem af te wijzen. Ma' dat, besloot ze, ging ze zeker hem nie doen. ‘Niko! Nini Niko!’ Lachmond! |
|