Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 329]
| |
Hoofdstuk elf(40)Het was zo lui, om met de middag aan de hemel, moe te zijn, meeeksistensie: meebestaan! Vinden, dat je een broeinest had, aan huis daar. Drempel op gaan zitten, zwakke kraakgrage drempel. Dan lucht, zindert en zoekt zon op, die weg gaat gaan, in doodse tragemansvlucht, bijna onmerkbaar. Het avond hijgen van naturen. Vandaag belemmert nu geen tijd om tijd te zijn. Vogel met vlucht, pkin-titri, daar z'n verendons met broeiwarm uitparaderend. ‘Die vogel z'n lichaam bijt 'em.’ zeggen ze. En ze bedoelen: hij is onrustig. Anderen menen vondst makend: ‘Die vogel is aan 't zweten’. Dan, op zo'n loomtrage dag z'n middag, zoals toen, de mensen zaten; dan leenden ze van hun omgeving wat beschutting. ‘I boi joe! San j'e meki so?’ (Jongen! Wáárom gedraag je je zo onrustvol?) Mandwe, aan huis, bij grootvader en grootmoeder, granm'ma, granp'pa, was een kind aan 't spelen. Een gekkig makend kind, met lawlaw-sani. Een beetje doen, alsof hij leefde met op hol geslagen hoofd. ‘Wat maakt deze jongen zo? Kom hier jo....! Maakt net een verloren hoofd!’ ‘Je hoofd is net een keisteen die ze nie gaan kunnen optillen, zo groot! Kijk 'em! Dan rent hij, net een hoe-ze-'t-noemen!’ De stemmen kwamen aan, vanuit drempels' smalle passeerstukje. En van raam, dat huis z'n uitzicht gaf. Drempel keek na' buiten toe, hoe gebroken ook, als plaats die deze mensen van dát huis daar verzamelde tot een familie. Dan raam, gaf méér als uitzicht! Raam gaf als venster aan hetzelfde vergezicht waaruit gekeken met open oog, betekenis van de verademing. Raam sloeg damp uit. Voor 't kind búiten 't huis, sloeg raam een soort van blindheid op, wanneer 't kind richting huis, z'n oog liet kuieren. | |
[pagina 330]
| |
Nu was dat ding ook, net, of húis met mens-op-drempel, daar aan raam, op kind neerkeek, als een soort van Allesding! Met kleren aan, 't kind, en met verstand geslagen sins die dag dat 't er was, ter wereld. Aaj mi boiGa naar voetnoot1, die mensen, met hun lichaam, waren zo hun eigen belichaming, gevat, gevangen tot een wezen vol van leefverrukking. Nu, na' buiten starend, een volwassen oog, naar een kind als hij, een wilderding, waarvan geen mond kon ophouwen te zeggen: ‘Wat maakt hij zo! Die ellendeling! Kijk hoe hij rent, met zand en alles op z'n lichaam! Hij lijkt een hond die z'n hondelichaam heeft gegraven in het zand, onder het huis! Dan broeit hond dáárzo, zonder dat iemand ziet, hoe hond z'n zweet ligt te apegapen!’ Kwaaie gedachtes omtrent 't kind. Dit stoeien was gezien! En dit was spel! Het tomeloze spring-sprankel ritme, van óp de spieren van de kuit, woppo!, rennen, sapsss!, één draai, waarin de botten in de spierweefsels hun rekking ondervonden, krachten trokken ribbekast óp, alle kanten uit, draai hier, zwaai van de hand, die lucht sneed tot een soort verwrongen zuigstroom langs de kinderbast, het zweet, na' buiten brekend, als bij lichaam van vuur, de rillingen en trillingen van de zwing-zwenkende run op het stoeiplezier af. Eén grote krachtuitbarsting, vol van alle soort prisiriGa naar voetnoot2, binnen de bloedontstollingsstroom die kind 't leven gaf. Het hijgde: ‘ehe, ehe, ehe!’ de zwaaidrift wegzwetend, met zonlicht die geen raad weet, hoe met glans het lichaam te polijsten. Een kind was meer dan kind! 't Was een ding. Ma' dan een ding van spel, snel met vooruitberekening. Dan nu geen adem meer, hangend langs houten zijhuis, bij de planken. Met vlak aan voet, een wild opgroeiend plantending. En aan twee kanten nu, langs huis, de richtingen: links.... rechts... Hij ging geen kant meer op. Mandwe. Hij hing, en hijgde z'n speeksel z'n strot uit. ‘Baja, ik kan nie goed begrijpen! Elk mens op deze tijd zoekt rust! Dan deze m'moer met kwik in z'n lichaam! I boi joe!: jongen! Kom je staart hier zakken!’ werd verder de lucht vol geklaagd. Mandwe! Hij dacht precies op dat moment aan..... niets, nadat hij één moment d'rvoor, gedacht had aan z'n m'ma, z'n broers, z'n zusje...., dat woonhuis van ze... ‘Tan?Ga naar voetnoot3’, hoorde hij zeggen, ‘Wachte hòr! J'hebt nie gezien no?’ | |
[pagina 331]
| |
Granm'ma's mond. Ze had d'r keel weer werk gegeven. Dan granp'pa liet een kuchje los, die vlak op 't laatste moment vóór z'n mond uitgaand, de lucht, leek te zijn ontstaan. Want hij was net dat moment een gaap aan 't gapten. Wat had hij volgens grootmoeders vraag dan moeten zien? ‘Jonge kom hierzo!’ hoorde hij granm'ma zeggen. Een kleine kamrawenke zag hij, zo'n kleine hagedis, met bruine kleur als klederdracht van uitgedoste mensen, ma' dan op z'n huid van leer. Een fijnklein beest, snel makend dat 't weg kon boren. Stem van grootmoeder was met agressiviteit. ‘Granm'ma loekoe: kijk: die kamrawenke is onder die post gegaan!’ Hij meende: die hagedis is achter een balk van dat huis gekropen. Hij zei dit zeker om tijdens hun gezoek te kunnen weggaan! Om weg te komen, no? Kinderen, kleinkinderen zoals dit geval! Ze waren scherp van waarneming. Om 't dan aan te geven hoe scherp: scherp no sabba! Wanneer je nie oppaste, draaiden ze je! Ze hielden je dus fo de gek! ‘Kom hier jo! Ik zeg kom hier!’ Granm'ma, aan venster, had haar ogen allang blootgesteld aan 't licht dat viel op hem, Mandwe, en gekonstateerd wát ze moest konstateren. ‘En jonge, hoe je ziet, mense staan hier, met vastgelopen lichaam! Rheumatiek met kou op me! Ik ga nie me stem rekken fo je! En je granp'pa - arm hij-, met z'n gezakte rug, gaat geen op-hol-slaandepaard fo je spelen! Om je te komen slepen van welke plaats dat je je lichaam gaat schuilen! Nono!’ (Grootvader kón niet hollen. Hoe zou hij als een paard achter die Mandwe gaan?) ‘Is om die twee jongens van hiernaast te roepten, om je te komen slepten! Dan ga je zien, jo leba!’ Kijk hoe ze hem voor slechte leba-geest uitschold! Hoe ze dreigde dat ze twee jongens van naast zou roepen om hem te pakken voor een pak rammel. Met aarzeling, zijn voeten spinGa naar voetnoot4 krijgend (z'n mond proefde hij met die zure tanden van mopé eten d'rin), stond hij daar. Z'n lichaam, in soort van berusting, tegen met groene uitslagplant begroeide houtwand van dat negerhuis. Naast, krijsende papegaai!: ‘Krapeer!, krapteer!, krapeer!, krapeer!’ ‘I boi, jongen, je hoort niet no? Je wil, laat ze je hoofd komen breken fo je! Want als ik die teptepGa naar voetnoot5 weghaal van me voet hier! Chm! Is blóed gaat rennen uit je bast!’ | |
[pagina 332]
| |
Met slepende ziel kwam hij, zonder dat gans halleluja gevoel van thuis komen, de nadering van kind met zinnen. Het huis, verwelkomend, een menseding. Owie? Kijk voeten! Voeten van Mandwe? Vies geworden voet, vreet afstand nader.....; hemd open, knopen weggerukt; buiknavel steekt zo groot na' buiten, als een kromme neus; buikrondte bol van kind z'n soort gezapigheid; vlekzwarte huid, met zweet rennend d'r over. Met schaamte van ik-weet-nie-wat! ‘Ija...! Als je zo blijft doen, dan gaan we je sito sito weer terug sturen, na'je moeder! Heb je gehoord?’ Ach! Armarme Mandwe, binnenkomend als in strafhuis. Dan dichterbij gekomen, de afstand leek zo klein, dat met zo'n afstand, de geluiden van elkanders adem, nieuwe adem leken te doen opstaan: de eerste stormkracht van een verschrikkelijke oerorkaan, die in de prilste wegen van de roerselen der wezens, z'n krachten vond, om te beginnen. De eerste zielgewekte energie. Het stille ruisen van de dingen. Trillingen, die niet zijn te vinden, dan waarneembaar met het oog gesloten en het oor verstard, tot één geluid, één enkel geluid. 't Leek zowat 't begin van Binnenste. Binnenste ja, om wat je voelt. Ma' vóór zover... ‘Loekoe: kijk, net wat ik je zeg! Die jonge heeft z'n ketting verloren!’ Dan met een spanning, die mèt het gezegde, tijd weg-at: ‘Jonge, wáár heb je die ketting gezet?’ Hij kon geen antwoord produceren. Noch maken met zijn mond, noch met het zwijgen. ‘Ik zeg: wáár heb je die ketting gezet, die ze je hebben gegeven? J'hebt 't felore no? Soooooo! Dan kom je je staart hier zetten! Dan gaan we je leren, hòr!’ Dit laatste zinnetje, leek zo onmenselijk wreeddadig gezegd, dat zo een kind beter vluchten kon, of helemaal niet leven! Kijk: Muur leek geen muur, ma' een stuk snijhout, door konijnenknaagtand opgevreten! Raam leek open gaapmond van een massaal geworden geest! Ruimte werd jeje! Drempel no? Drempel leek een losgeslagen schipbreuk ding, hoe je ook zwom, je kon 't nie te pakken krijgen, 't dreef van je weg, wèg, na' de watervallen, na' de zee, de Mond van alle Wateren, die bruisend opkwamen, met huilende gekonkel van draaikolken, draaikolken die je lichaam zinken na' de diepte! Diepte... jeje!, diepte! | |
[pagina 333]
| |
Dan ver, de open lucht, vlak langs je lichaam, leek een diepgeslagen gat, zomaar, gevuld met niets, dan harde werkelijkheid! Iets was er, wat daar om zich heen greep. Een Eetding, graw!, graw!, graw!, mensvretende Vertering! Jeje met verdriets vernietiging! ‘Jongen! J'hebt nie gehoord no? Je wil laat ik die buurt-anderen roepen, om je komen vangen no? Aan twee grote centenGa naar voetnoot6 hebben ze genoeg om hun spier te rekken fo je! Kom hierzo!’ Hij werd gegrepen bij z'n nekvel. Dan, na' in huis gesleurd met kracht. Die ouwe mensen, gooiden hun reserves op 'em. Dan kijk 'em, Mandwe, met één grootopen-oog alles aanziend! 't Leek, net of die hele middag was gelogen, zo onwaar!
Dan nadat ze 'em hadden gerammeld, mocht hij nie gaan spelen meer. Owie? Hij kon gaan zitten op z'n bille en zijn zondeleed uitbroeden! Dat hij die nieuwe ketting liet verliezen! Iets wat je hangt, om nek, een sieraad fo je lichaam! Duurduur ding zo! Met anker nog d'rbij! Wat een vrijpostigheid van 'em! Die ellendenaar! Als hij wou, hoefde hij nie z'n bil te zakken en te zitten waar hij was! Met bank onder z'n broek, net zo hard als die lat waarmee geslagen! Kijk Mandwe! Dat broedsel! Láát 'em blijven! Tijd zou 'em wijzen wat hij schoon verloor! Want hij ging geen enkele enkele dinges meer krijgen van ze, was beloofd. Echte pramisi! Als hij dacht, dat ze geld diekten, geld halen zomaar uit nèks! Ofdat ze hoeperdeschijt maar een puf konden laten, ppppppprrrrrrtttt!, uit hun achterkont! En dat dan geld verscheen! Dat frottig kind! 't Moest weten hoe ze geld gepinaard hadden. Fo zo een duur ding als een gouwe ketting! Beter hadden ze 'em gelaten bij die m'ma van 'em! Of als 't ooit gekund had bij z'n p'pa! Kweken van kinderen hadden ze, al geleerd, (met Mandwe z'n nooit daar verschijning hebbende p'pa, z'n ooms, z'n tantes,) was een soort levenslange vergissing! Dan nu deze kleinzoon, ellendige vrijpostige satan-didibri! Met z'n smoel zolang als een bek van bonte wilderbeest die bos breekt met een kop vol woestigheid! Met hardheid zouden ze deze koe op stal brengen!, wachte! Ma' hij dan nu, was daar aan 't zitten. Z'n kleine fijne beentjes, | |
[pagina 334]
| |
hangzaam, op die bank. Naast 'em, emmer water, met stukje kalebas als schep. Om te drinken, handen na 't eten, náást de drempel of uit 't raam gestoken, te wassen. Kind, negerkind, en klein zo tien jaar. Tienjarig ouwe bloedbeest no? Met z'n bast vol met zweetvuil! Angstzweetvuil! Verderop, zat een stoel, zag hij. Stoel net zo oud, als zijn verstand de ouderdom van iets bevatten kon. Naast stoel-z'n-stoelvoet, was trapvoet. Trap voette je na' boven. Verderop van trap, had je een stukje lege plaats. Met plek op houten grond, waar je kon zien dat was geschrobd. Met groffe schuur had z'n oum'ma d'r rug staan bukken, om 't schoon te krijgen. Olie, van spaarfles, had gelekt met druppel. Dan kreeg je kamerhuis z'n hoek. Een houten post, vanaf die grond lopend na' in de hoogte. Met aan twee kanten boven, balk z'n uitsteeksels. Zijposten, fo behoud van 't dak. Met van beide kanten langs post, de planken, op makaar liggend, elkaar makend tot houten wand, elkaar steunen gevend, en dienend tot behoud van huis z'n huiselijkheid. Buiten, razen en tieren van de vrije ruimte. Dáárzo, zag hij hoe planken, in die hoek, elkaar opzochten, nauwer dan tot nauw verwordend. Ze bepaalden niet alleen zijn blikveld, nono. Planken op post aan houten wand? Ze waren meer dan dat, waren soort teken van het huis, ja huis zelf. Hij, Mandwe met tienjarig jonge denken, dacht in termen van ‘beschuttend ding’. En dat was alles wat het woord voorafgaand had gevangen. De woonessensie, van ook wat daar verderop met huis kwam: bundeltje kleren op die vloer; dan een opgevouwen papaja, rieten mat; dan weer, een stoelvoet. (Net ofdat stoelen lamme lopers waren, die heel hun leven niets anders probeerden dan te lopen, lopen, weggaan, ver van huis en mens z'n hoofd daar, stoel stil met de billen pratend, de ruimte vol van zitherinnering. Stoel was verslaafd, aan het aanhoren, van alles, alles, ook eigen geluiden: het kraken, krèk-krèk, eigen beweging, stoel z'n duidelijke drift, waarmee een mens op zijn beurt weer verstoord kon raken. ‘Ik ga die stoel wegsmijten! Dat ding kraakt no m'moer!Ga naar voetnoot7 Dan kon dus stoel, nèks nèks terugzeggen of doen.) Voorbij stoelvoet zag hij een kakkerlak. Kakkerlak rende om z'n heenkomen. Een gejast beest, zonder das. Zonder verdere kleren ook, de bekleding van het lichaam zoals diegenen uit de Spin-verhalen, | |
[pagina 335]
| |
sprookjesbeesten toch. ‘Kakkelak, mi boi! Wáár ga je zo dan? Je maakt, net of je zélf haast hebt uitgevonden! Vanwaar je snelle spoed om zo te vluchten? Kom met me spelen dan!’ ‘Wie? Ik hoor je niet! Haast ben ik zélf jonge! Kmoet gaan vreet hebben! Jij met je buik! Je weet als mensekind niet wat de honger is no? Wel, laat me, hòr! Of gooi een brood fo me, dan ga je zien! Ik rampeneer 't met me kaken! Eén nacht werk jonge, chm!, dan ga je zien! Vuilwagendienst gaat nie kunnen opruimen, sneller dan ik dat brood opvreet!’ Dan Kakkerlak, met z'n geboren haast liet z'n mars de ruimte in en uit geur geven (hij had een klier om uit te stinken). Heel Kakka's eksistensie bestond uit niet meer of minder dan het vreten! Die Buik! Die kakkerlakbuik die vrat! Kijk 'em, hij rende pootjes lopend weg... sjjjjrrrrttt!... sjrrrpppss! Wèg was kakkerlak! Verderop, pispot, met gesloten deksel, een koffer, staande in het vierkant. Een paar eetdinges meer. De hoogte in, een rekje. Donker dat huis van binnen, als je nie goed zag, met spinnegarenGa naar voetnoot8 boven balken daar en uitgedroogde vlieg met ongerepte vleugels. Daar, aan die spijkerbalk, hing de zaal'ge lamp fo later licht. En heel die kamer ademde de sfeer van hun bewoning. Mandwe, hij krampte eventjes z'n eigen ogen dicht. ‘A boi disi! Deze jonge! Wát maak je zo! Hier!’ Hij kreeg een portie eten met bananen. Groene bananen en gezouten vis. Om met de hand te eten, met de tand te kauwen. En om te slikken ook, met olie doorgevet. ‘Haaj!’ schreeuwde z'n buik, ‘Grup!, grup! Eééééten!!’ Dan na 't eten, bleef hij zitten op z'n bil. Een beetje schuins zo, tegen dat wasbekken daar, leuning gevend, terwijl dat bekken zelf aan een spijker hing te hangen. Ook langzaam, langzaamaan, terwijl de middag uren weg ging eten, begon z'n hoofd te vallen op z'n kant. Hij, met z'n voetjes over makaar, voet over voet, mazelplekjes d'rop, zwart donker randje, langs ondervoet die beetje ziekbleek was. Hij, met z'n djonko djonko!, z'n geknikkebol! Hoorde bij halfslaap zijn granm'ma een liedje zingen, terwijl ze was aan 't vuile borden wassen, met eetpot schuren ook. Pot vrijmaken van kookaanbrandsels: | |
[pagina 336]
| |
Fajasiton. no bron mi so..., no bron mi so, no bron mi so! Fajasiton... Alweer dat lied, over het branden met de vuursteen. Of hoe je fajasiton ook vertaling gaf. Ze was een pot aan het schuren, zwart gebrande pot, met een soort onweer-steen. Een steen, die ze gehaald had, uit de koolpot, waarin dat houtskool was gebrand. Na 't vuur, dan kon je tussen die asresten soms een geelgrijs stukje meegebakken klei vinden, of wat dan ook fo stof 't was. Een steen die je dan vasthield, bij bang zijn, tegen de woest verradelijke geweldmakerij van onweders! Beschermmagie. Dan bij kinderspel, met ook zo'n soort van steentje, lieten ze 't wrijven op de grond. En dan geplakt houwen tegen het dijbeen van een ander, aftelspel. (Ze namen ook kaw'ai: koeie-oog, een soort van harde zwarte boon, die kinderen, om hun spel te maken met 't. Hun aftelspel.) En dan datzelfde lied te zingen:
Fajasiton, no bron mi so...
Hete steen, verbrand me niet, verschroei me vlees niet...
Hoorde hij, hoe ze even stopte. Pot ondersteboven gedraaid, pot met een soort vetplant als zeep, sopow'wiri, schoonmakend. Met zand ook, van de grond geraapt, als schuurmiddel. Wie geen cente had, moest natuur gebruiken om natuur z'n vuil via natuurlijke manier op te ruimen tot iets natuurlijks schoons. Binnen die direkt gegeven middelen 't werk gedaan. Ma' ditmaal leek die rijstbrand, rijstkorst, of hoe dan ook, dat aanbrandsel genoemd ofte geheten, 't leek nie te willen weggaan. Met welk hard schuren ook. Vooral die beefhanden van granm'ma, plooi op plooi, met aderen zo naakt gelegen, dat óuderdom was ónwegkamoefleerbaar. Terwijl: zwakte van lichaam was daar ook. Hij hoorde niet, binnen zittend, vlakbij dat raam, z'n hoofd opzij hangend, hoe d'r voeten een beetje in 't zand schuurden. Dan die ‘e'em!’, keelschraping van d'r. Granp'pa? Granp'pa lag op gaapslaap, daarzo, benen gestrekt en met wijde spreiding. Granp'pa in oudoud dromenland. Zijn hemd loshangerig over z'n broek, met vlek d'rop. Broek wijd, een beetje strak geklemd tussen die ouwe zitbil daar en andere bank. Granp'pa met opgerolde broekvoet. In borstrok met één grote scheur d'raan. Dan stilte daarzo, binnen in huis, zonder één klok die liep op tijd. Want klok was blijven stilstaan. Ze hadden die klok geen ketting | |
[pagina 337]
| |
gegeven, zoals 't heette. ‘E'em,’ veegde ze d'r nekgatGa naar voetnoot9 van binnen schoon. Weg, slijm! Nu even vragen om een fijne schuur: ‘Mandwe?’ Geen mond vol antwoord kwam het raam uit spreken. ‘Mandwe?! Ik hoop niet dat die jonge zó vroeg deze dag al slaapt! Nacht is nog nie gevallen! Late middag zijn we. Dalek ga je zien: hij gaat vanafent nie kunnen slapen!... Mandwe, neem die fijne schuur fo me, baja! Is gelegenheid dat ik 't móet gebruiken!’ Een stuk verwijt om 't moeten: het noodzakelijke gebruik van het uit fijn aluminium bestaande schuurmiddel. Wanneer de natuurlijke niet hielpen, dan moest je die kostbare gekochte, wel gebruiken. Zo waren dinges nu eenmaal. Is zo toch? ‘Mandwe?’ D'r kwam geen uitgebekte taal dat raam uitbarsten van: ‘Ija...!!’ Nee, geen enkele zucht zelfs. Mompelmompelde źe fo d'r uit, een droogdoek gebruikend om een andere kom waaruit sjeu,Ga naar voetnoot10 af te drogen. ‘Fajasiton...!’ Ze stopte. Ritme van dat gezongen lied, 't had z'n stuwing, ma' moest ophouwen nu, uit mond gewerkt. So! Ze moest iets zeggen, tegen de geroepene. Ze zou iets zingen fo Mandwe, half gesproken, half gezongen. Oudmens! In plaats van dát, liet ze een woordstroom aan d'r mond ontglippen:’... andere mensen laten zichzelf een steen dragen op hun hart...’ Dan zuchtte ze een zucht. Dat geklaag moest zeker slaan op Mandwe z'n granp'pa. Liet een ijzer driehoek, die je zet tussen je koolpot waarin kolen en je kookpot waarin eten, zo'n driehoek liet ze bijna vallen op die grond. Op die grond no? Dat ding zou d'r voet hebben geboord, daar, beneden van d'r plooimakende rok, die dichtbij die stellaasje was. Stellaasje naast dat huis waarop die pot. ‘Mandwe!’ riep ze, met een kapa-grote mond vol speekselspatting & ontrafelende woordgebruik, vol van bewuste tekenen, die het bewustzijn van zijn opgesloten denkruim in het hoofd ontketenen tot vrije uitspraak, lucht wegbasterende uitroep, taal uitslaande spraakvuur die door vonken in het hart met vuurstenen geslagen leken: ‘Joe boi joe! Jonge! Slaap niet, voordat ik je kop fo je kom slaan met me achterhand hier! (Ze meende en bedoelde dat als Mandwe bleef slapen ze hem een klap zou geven met d'r elleboog, baka-anoe; ze zei: | |
[pagina 338]
| |
achterhand!) Als je nie horen wil, gaj'k je terugsturen na' je m'ma! Want je drinkt me bloed hier, jo! Licht je bil op, kom me die fijne schuur brengen, die ik achter die balk-oksel heb gezet! En kom me nie zeggen, dat je kan 't nie vinden! Anders gaj'k je geest zodanig fo je schudden, dat... chm!’ Genoeg waarschouwing gegeven. Ma' daarmee nog geen levensvreugd verleend! Mandwe, hij was nie met gehele slaap, die tijdlang. Zat, met moeheid van na' 't eten, wanneer ‘je buik ging zitten’. Dus: wanneer het bekomstgevoel over je kwam. Dan was hij daar, luimakerig. Hoorde, hoe d'r lied zong. Hoe ze opmerking maakte over steen op hart. Dan was fajasiton een veels te warme steen, zwaarwarm, last op hart. Brandde een stenenvuur haar hart? Of ging het over die steen op z'n opa's hart? Ach, wat kon hij, tien-jaar kind, begrijpen van zulke dinges. Zulke verschrikkelijke dinges tussen grote mensen. Hij was even geschrokken. Nee, van iets anders. Een kleine spikkel spikkel vogel, op een boomtak, rond spiedend, na' wat buiten de drempels der huizen aan eetbaars vergaderd was, de voedsels, had z'n leed geschreeuwd. Vogel had net zo gemaakt: ‘Iewww! Iewww! Iewww!’ Vogel schreeuwde doodgaande vogelschreeuw! Dan hij zo, had gedachte in zijn hoofd gekregen: ‘Z'hebben 't geschoten! Met sjinsjaat!’ Sjinsjaat was katapult. Zeker een buurkind, had dat werk gedaan! Vogel was van die tak gevallen, uitgebasterd beest, bloed druipend. ‘Aaj, aaj! We gaan vogel eten!’ Zo'n klein ding! Als je 't braadde, vooral die hele kleine blauwe, had je, na aftrek van hoofd, veren, pootjes ook, misschien geen bijna nèks. Alleen een vogelbosje, een droog droog vogellichaam, met kleine haartjes op 't, hier en daar een mini-luis. En rimpelhuid aan vogel, wilde geur uit vogel slaand, vogel z'n poriën zichtbaar, vogel zo vleesbleek, met kleine blauwe bloedaderen, levenloos. Dan als je vogel hield aan die twee uitmondingen van z'n vleugels: 't was net soort van kristusgedierte, je knijpvingers als kruis. (Jijzelf was de paal waaraan het opgehangen, jij nog net met benen staande op de grond.) Vogel zó levenloos hangend, dat 't was geen lustgevende zaak meer. Nono, nie eten, of toch... om honger, niet om echte vogellust. Want lust, die ware echte, was 't schieten zelf: bam!!, met één keisteen uit je slinger! Dat beest z'n hoofd werd gemaskadeerd en gerampeneerd tot vogel als bloedprop. Vogel z'n opzij-ogen aan 't | |
[pagina 339]
| |
brijzelbloedhoofd zó gesloten, dat het uit de dood zelfs zijn moordenaartje nie kon aanzien. 't Leek, of 't ekspres nie wou, daar, hangend uit gerekte vleugels, zo lam als z'n gewicht toeliet. Vooral kolibri, man van duizend vleugelsnelheden, hangende doodsgevogelte, 't bewoog niet, en liet beweging echt maar fo wat de beweging was: het trillen van de handen van zo'n vogelmoordenaarsjongen. Dan ging die vogel mee, met katapult op zak. Katapult gemaakt van fietsband en stukje leer van een of andere kapotte schoen, kapotter dan die voet die 't had gedragen! Tussen dat achterstukje leer van katapult (sjinsjaat) en de Y die van hout (de kraka). liefst guyavehout, was iets gesneden. Tussen leer en hout, twee stukjes fietsbanden gezet. 't Enigste eigenlijk, dat niet direkt voortkwam uit de natuur. Ook weer, een hulpmiddel hier. Natuur hielp natuur vermoorden. Mandwe, hij had gedachte aan dat vogeltje dat schreeuw gaf. ‘Mandwe! Ik geloof die jonge is aan 't dromen! Ik breek z'n hoofd voor 'em, die m'moer!’ Hij schrok op. ‘Ija, gangan! Ik kóóóómmm!’ schreeuwde hij fo z'n grootmoeder. Later zo, na algemene schoonmaakpartij, waarbij hijzelf hulp gaf met bezemen van huis, vóór nachtval, hoorde hij z'n gangan, zoals hij ook z'n grootje noemde, verwijten maken aan z'n grootvader, z'n grandada: ‘Ija! Deze man! Kijk hoe je die kleinkind laat zitten op z'n bille! Je kan die jonge toch een verhaal zeggen? En?! Jullie, negermannen, zijn slechte opvoeders!’ Geen antwoord, zelf geen tjoeri, dat geringschattende mondwrijf geluid, van lip tegen tanden, terwijl geluid wordt uitgespuwd, zoals het lijkt. Zelfs dát niet! Sliep hij? Of negeerde hij haar? Hij wóu wel slapen. Afèn, hij was granp'pa, dus kón hij, elke daguur zo, slapen. ‘Jonge, zit nie zo te kijken na' mensen, als een ginipiGa naar voetnoot11 die z'n gat nie kan vinden! Licht jezelf op, ga, pak een boek en ga lezen doen! Zit nie op mensen hier! Je oog gaat breken als je zo blijft kijken! Dalek valt donker! Dan ga je nie zo meer kunnen lezen! Mars!’ Mandwe werd aangepakt met harde taal, van gangan, die grootmoeder. Hij ging, hij kwam, afstanden afleggend in dat kleine huis. Dan ging hij zitten op die bank weer. Liet 't van wit hout, mooi blank, op en neer wippen. Hij kreeg, van langs gaande granm'ma, (die witsel ging halen, fo een schoen, om 't te witten,) bijna een kaakslag! | |
[pagina 340]
| |
Hóór d'r, ze leek op woord te kauwen, in plaats van op oranjeboomtakstokjes, die ze dagdoor gebruikten fo tijdpasseren en fo mondschoonmaak. Hoor d'r: ‘Mi mis' joe!’ Ze had gemist, om 'em die slag te geven, want hij dook. En hij had weet: hij mocht die bank nie schudden! Die bank, met mooi aan beide zijden van die onderkant, een latje fo stevigheid. Bank van hout, zonder koendoe koendoe. Geen knoesten dus in 't hout. Je zág die houtvezels zo lopen, net of 't gestorven hout nog groeide. Blankschoon geschuurd door z'n grootje, z'n gangan. Vakmanschap van de maker was afleesbaar aan dat ding! Zo mooistevig! Dan wou meneertje, Mandwe met z'n kwik in lijf, dat ding onstevig maken no? Door 't op en neer te schudden, no? Hij had geluk dat grootmoeder 'em nie had laten lipbloeden! Want als ze één slag gaf, ondanks d'r oudheid van lichaam... chm! Een ware slag werd 't altijd. En al kwam koestering daarna: ‘Kijk wat je me hebt laten doen! Aaj, opvoeden is jezelf opkweken eerst! Kijk hoe die jonge heeft gemaakt dat ik me hand verlies! Jonge, kom hier weer, laat ik een beetje liefde op je hoofd strelen fo je!’ Al kwam dus koestering daarna, leed was leed. Leed geleden, was dubbel leed! En ze had ‘hand verloren.’ Dus: kontrole over het gebruik van haar hand verloren. Kontrole over lichaam, over zieledrift eigenlijk. Ach, zo'n kind ook! Maakte net een jap'japi, zo'n aapachtig ding! Ze keek even na' em. (Granp'pa was met gesnork z'n slaap aan 't trekken toch.) ‘San a boi dis' e mek' so dan?: fo waarom maakt deze jongen zo?: wáárom dit gedrag? Hij's z'n ketting verloren die w'em hadden gegeven! Ik hoop niet dat een Onrustgeest in 'em, 't heeft weg laten maken.’ Ach, wat was ze aan het zeggen weer dan? Zou een kwade ziel in Mandwe hem die ketting met dat anker hebben laten verliezen? Draaide d'rzelf om, na' die granp'pa van 'em. Vóóreer ze keek, riep ze 'em, snijdend: ‘Jij ook, hòr! Plaats van die jonge te bezigen met iets, ben je aan 't snorken! Kijk, je ligt net een loospijp van een goot: laat slaap door z'n hele lichaam stromen! Je lijkt op rivier zonder monding!’ Dan toen hij dóór bleef snorken: ‘Baja, laat 'em, hoe je ziet, hij ligt daarzo, met z'n neusgaten lijkend op kanon z'n vuurgat! Dalek ga je boosheid zien, als je 'em moeilijkt! Z'n hele wan-verstand gaat op je ontploffen zo: bidim bam!’ Aldus wraakte grootmoeder met woorden. | |
[pagina 341]
| |
‘Grok! Grrok!’ Granp'pa die nie goed was aan 't slapen, snurkte op. Hoor 'em, mond laten roepend: ‘San j' taki? Wát heb je van me gezegd?’ Grootmoeder van Mandwe, ze schrok. ‘Nèks! Is nie met jou praat ik me dinges!’ riep ze met verloren hartkracht. ‘Deze vrouw! Je bent gek aan je hoofd no? Dan praat je met me dooie geest zeker no? Wel, ik ben dóód? Dan jij bent kíns!’ Hij bedoelde: kinds. Ze liet een soort van onverwachts grom & kwaad geluid horen. Te weten van een mens die góedgoed kwaad was met een ander. Hoor d'r, één tjoeri, dat verachtende mondgeluid, makend: ‘Láát dinges!’ Dan begon ze weer een lied te zingen, over sangrafoe. Sangrafoe, een soort van bosplant. Dacht zo, misschien misschien aan apoekoe. Apoekoe, soort van bosgeest. Waaraan ze nie wou denken, was: een mens. Want ménsen zoals granp'pa waren wreeddadig vreselijk! ‘Oum'ma, vertel me iets no? Ik verveel!’ riep Mandwe's mond een tikkel later. Ze was een naaijurk aan het maken. Een zelf naaiding, om te slapen. Dus hoe recht of krom de stiksels, geen mens ging merken, misschien behalve wanneer kleren hang hebbend aan wasdraad. Buiten, drogend in zon, die als je niet oppaste als een verre vuursteen vol van warmtestraling, die de boel deed bleek gaan. Kleren bleek en oud. En nu ook slecht genaaid. Ma' wat dan? Nacht was nacht! Met slechts een oliepitje, hoefde niemand armoede te komen staan aanschouwen, van geen níemand daarzo! Trons,Ga naar voetnoot12 hele buurt kende toch geen rijke mensen in die wijk. ‘Deze jonge ook! Je zíet, mensen zijn bezig met hun dinges!’ (Ze bedoelde: ík ben aan 't werk.) ‘Dan kom je met je dinges op ze!’ Ze vond hem lastig met z'n vraag om een verhaal. Keek even na' Mandwe z'n granp'pa. Wie? Hij was gaan baden. Met uit huis sjouwen van dat bekken. Om 't te gaan vullen bij die waterput. Om dan, na' achterop te gaan, bad daar nemen. Onder gods hemel, water dat van onder je uit een bekken kwam, hoog op te halen met een kalebas of ouwe emaille-kan. Dan gieten weer, laten vallen. Water van hoog na' laag, van laag na' hoog. Stroom gevend langs 't lichaam, jong of oud. 't Ondervond z'n reiniging. Het lichaam, was fo water ook, meer dan een ding: 't kreeg een soort van frisse sterkte. De oude negers daarover, zij wisten beter. Dan, zij voorzagen 't van | |
[pagina 342]
| |
kruiden, dat water. Waardoor 't water méér dan water werd. Aan water ‘iets’ gegeven, dat met baden weder ontvangen werd. Een ánder soort van sieraad was 't, gaand door lichaam en door geest. Ma' dan nu, zonder anker. Behalve natuurlijk achterlatend een gevoel. Water met woord, of woord met water... ‘Ach, laat dinges, mi jonge!’ zei z'n granm'ma! En ze bedoelde: ach vergeet dat met je grootvader. ‘Feitlijk: is kweken ben je aan 't kweken, dus dan wáárom niet?’ zei ze met mond. Dan was dat: je moet worden opgevoed, dus... Dan begon ze, met het vertellen van een anansitori. Het was een ‘sprookje’ zoals hun kultuur het gaf: helemaal niet fo kinderen misschien, ma' juist fo mensen! Dus, foe ala sma: een verhaal fo alle mensen met verstand hun hoofd opvullend, tot aan de grenzen van het weten. Hoor no, grootmoeder zeggend, met tanden, krom en uitgesleten; met mond die krommer trok, leek 't; met blauwe vergane plekken langs d'r kaakrand, tand-ontstoken vlees; met alle mondnat, dinges zeggend:
‘Je had op een zekere plantaasje een man. Hij woonde daar, dan bleef hij daar. Een dag zo, was 't zíjn beurt, op jagen te gaan. Je weet: die mensen hadden de gewoonte: elke man gaat één keer in de zoveel tijd. Om vis te vissen. Of om bosbeest te gaan schieten, pammm! En dan die andere mensen, eten moest hij ze geven. Andere keer was andere persoon z'n beurt. Ma' vóór de man ging, hoorde hij mond 'em zeggen: Baja weet, je gaat no? Let op: daar en daar! Elke plaats heeft z'n treef!Ga naar voetnoot13 't Is net elke mens, die zónder iets, of mét iets, nie kan leven! Dus als je die regel overtreedt... chm! Gaat nie goed aflopen! Pasopoe! Opgepast! Hij liep, hij liep! Hij kwam bij kreekkant. Hij, daarzo aankomstig, heeft z'n boot genomen. Longo-boto, zeg ik je, lánge korjaal! Dan ging hij varen. Ah! Voor ik je zeg: als je ziet wat z'n peddel doet, met peddelen in water! Sjjrroe.. sjjjrrroe... boot schuift zo, over water gaand! Hij: wèg, voor je wil denken! Ma' toen hij kwam, waar hij ging vis vangen die dag, was hij op een bepaalde plaats gekomen. Dan moest hij denken: ‘hier mag ik nie met me boot staan! Dat is die treef van die rivier hier!’ (Hij was | |
[pagina 343]
| |
gewaarschuwd dat de goden geen stilstaande boot daar wouwden. Hij nam z'n hand, pakte die steen uit boot. Steen was een stenen anker, waaraan liaan als ketting. Tjoeboen!, gooide hij steenanker te water! Precies daarzo, waar watergoden 't verboden. Ah! Sins ik je deze tori zeg!Ga naar voetnoot14 Z'n steen-anker valt in rivier, gegooid met hand, met ‘bosgaren’ d'raan, die liaan, boesi-tité! Anker met ketting! Dan nu, geankerd, bleef hij daar. Masra, hij viste! Hij vist, hij vist, hij vist! Bijna zijn halve boot, van zitlat tot zitlat, was vol. Ma'nu dan: zon gaat vallen, je weet, afent gaat komen! Hij wou weer weggaan. Ma' dan: wanneer meneer z'n anker trekt, met bosliaan, 't wil niet! Hij kan niemeer! Die watergoden straffen 'em. Boot wou nie weggaan meer. Anker met ketting van liaan en steen, wou nie loslaten. Hij wist: als hij door bos ging lopen, ging hij zeker zeker door Kwaaie Bospaden verdwalen. Hij wist geen goeie weg daarzo. En... j'had geen ménsen om te helpen. Of 't moest bosgeest zijn, verkleed als indiaan, die roept z'n: ‘Whoehoehoe!’ En die je verder van je huis weg brengt. Ma' wát wi'je? Hij heeft dat bos getreefd!: dus hij'ft gedaan wat niemand mocht: daar ankeren! Ah! Voor je dacht: masra, hij heeft z'n mes gepakt, groot kapmes zo. Hij heeft gedacht: ‘Anker is vast no? Misschien is 't droge takken onder water, die me boot vast houwen. Dus la' me die bosliaan doorkappen die ik als ketting heb gebruikt.’ Ah! Hoe hij kapte zo, nèks! Het hielp niet. Je had gedacht no? Boesitité, die liaan, wás zware ketting. Liaan was ijzer geworden! Die hele kapmes kon breken, maar 't ging dat ijzer nie snijen! Ankersteen blééf zwaar, te zwaar. Ten laaste is hij in het water gedoken, om zelf die steenballast te halen. Nu je ziet: hij's daar gebleven. Ze zijn 'em komen vinden: dèddèd!Ga naar voetnoot15 Steen van die anker is voor 'em geworden tot een last! Aji! Ija!’ Dan net was ze klaar met te zeggen, dat verhaal, toen: ‘Ajjjj! Kijk hoe die jonge maakt, laat ik me vinger steken! Die naald heeft me één steek gestoken hòr! Me hele vinger pijnigt me met 't!’ (Door 't vertellen had ze zich vergist in 't naaiwerk.) | |
[pagina 344]
| |
Mandwe! Lachte! Een mooie tori no? Prachtig verhaal. De visser en de steen des doods. Zág al, van die vis, voor 'em: koebi, anjoemara, pataka, logo-logo... hele halve boot vól zo! Ma' dan met avondval... nono! Hij werd een beetje bangig van die tori. Stel je voor! Anker en ketting, steen en liaan, hadden de visser met z'n boot ten onder gebracht. Fo wáárom had ze niet iets anders gezegd, zoals een der verhalen over die echte Spin Anansi? Met z'n streek uithalende verstand! Hij met z'n scherpe hoofd, die een mens fo de gek kon houwen! Anansi... Anansi...! Anansi was nie alleen een slimme! Tenminste, niet op één manier maar! Menselijke slimheid aan alle kant zijn verstand uitslaand! Fo alle sittewaasies iets bedenkend dat hem redde! Als 't Anansi was geweest! Dan was hij die watergoden te slim afgeweest, no? Zelfs goden met verboden, taboes! Jonge... chn! Die tori was tweemaal zoveel spannender geweest met Anansi. Terwijl Mandwe aan 't denken was, met granm'ma d'r gestoken vinger bindend met azijn, met zwarte peper ook, op wondje, kwam z'n granp'pa terug van baden. Hoor 'em, mompeling gevend: ‘Fo wáárom maken ze die badkamer zo nat dan? Een mens heeft geen gevoel dat hij begint met iets vers! Als je komt daar: één modder! Ik ga ze zeggen! Die GrondmoederGa naar voetnoot16 zelf gaat een kwaad hart krijgen met ze! Baja! E'en! E'en! E'en!’ Met schuddend hoofd boven z'n nek, ging hij zijn teruggebrachte wasbekken ophangen. Dan baddoek (die een ouwe lap was) ergens zetten. Granm'ma rond-kontrolerend kijkend: had ze d'r eigen ‘voetdoek’, waarmee ze d'r onderste waste, ze had haar ‘poentjesdoek’ toch nie laten slingeren? Ze wist, hoeveel ruzie 't kon geven. Dan langzaam, kropen uren. Langzaam sloot die dag. Al kon 't nu nog welletjes traag duren. Tijd was een kruipdier en geen knaag-! Waarwerkelijke konstatering, van hoe de tijd voorbij ging met z'n duur. Later, veel later, toen, midden in slaap, hoorde Mandwe, een ruziemond van granm'ma schreeuwen: ‘Ik sweer, ik gá! Mensen hebben me uitnodiging gegeven fo hun nood! Dodo is me tot hier op me drempel komen vragen! Dan ga j'k nie gaan no? Mooie dinges! Neger z'n nood is neger z'n nood, hòr!’ | |
[pagina 345]
| |
Granp'pa reageerde daarop met z'n woord, als een zwiepende staart aan taal: ‘I law no?: je bent gek no? Die afgoderij dinges! Je gaat niet! Ik wil niet dat je je poot daar zet! Kijk hoe witmannen ons leren! Ze beschaven ons! Ze leren ons eten met mes en vork! Ze leren ons wat de ware mens is, wat de ware god! Jij met je Lakoe, dat heidense negerdansritueel! Jij met je Winti-pré, dat heidense afgoderij-ritueel! Neger met z'n “obja”, z'n magiedinges! Hij gaat bosmens blijven, voor eeuwig! Hij gaat de voetsteen van de hel zijn! Ach, Kristes, Visser van het Mensdom! Witte Zoon Gods! Erbarm U nader! Mijn vrouw is een verdoemde negerin!’ (Heel even bleef hij stil op stil. Dan raasde hij alweer:) ‘Dan zijn we aan het blijven, met ons heidense gedaante! Ik dat? Ik ga nie nóóit! Lakoe no? Je gaat na' lakoe gaan no? Wel, is goed! Ga! Winti-pré schreeuwen ze, dan je gáát! Obja schreeuwen ze, dan je gáát! De hell-out, je gáát! Plantaasje dit, plantaasje dat! Al is 't negorij bedrijven, hier in stad! Je gaat! Je gaat, je gaat, je gaat! Wel, ik sweer je éen ding: als je deze keer gaat, komende vrijdag! Ik swéér, sowaar ik man ben, met me leven: nooitmeer laat ik je één poot trappen, hier in me huis! Nooitmeer! Nóóit-meer van alle eeuwigdurendheid! Nooitmeer!’ Dan sloeg een deur, bladam! Dat hele huis in schudding! Mandwe, slaapwakker, draaide lichaam om. Wat? San dan? Wat gebeurde zo dan? En? Een aardbeving? Iets? Waren ze aan 't dansen? Of ruziehoofd? Wakker werd hij, zonder werkelijk te weten wat gebeurde. Hmmmm???? Granm'ma en granp'pa in konflikt. Terwijl hij zich lag af te vragen, fo wat, viel hij in diepe slaap. Een put, zo diep, dat als je grond ging graven, je nooit meer d'ruit komen kon! Nooitmeer, nooitmeer, net of die bodem vol was, vol van zand met akelige doodshoofden, die daar verankerd waren, met een ijzeren liaanketting. Voor eeuwigdurig en voorgoed. Eén bodemloze bodem! | |
(41)D'r was een soort van losgelaten sfeer op dat kantoor daar, gebouw van | |
[pagina 346]
| |
officie. Twee kasten, mooie mahonie (vakmanschap stond te bloten in hun pranpran, hun pralende prachtigheid), twee werktafels, (ook oud hout met mooi gerond tafelvoet, eentje door wegsterven van 't hout gaan krommen.) Met een grootbladige ven, draaiend langzaam z'n wind waaiend over de mensen op het binnenste van die verdieping, daarzo, op dat kantoor. Een grondverdieping van een huis met bovenverdieping, waarop een balkon. Wanneer je je oog gooide uit 't raam, zag je 't trotwaar, waarvan de scheiding weggegeten was, met die straat van zand met stenen, rooie kleine bijna ronde, gespikkeld ook nog aldus daar gelegen. Plaats gevangen houdend fo die ingang, één grote ouwe boom met soort niet eetbare kastanje. Dat ding hoogde zichzelf, zodanig, dat als je van balkon af keek, je nèks zag dan dikke bladeronderstuk van boom, groen groen! Met zware takken, zware wortelen, die het huis op fundament z'n plaats, had willen optillen. Kijk, hoe deurpost was gaan schuins staan, met zware deur bijna helemaal aangepast, met schuins trekken. Die druk van die boom op dat huis. Baja! Een deur, moe in de hengsels als een mens, hangend in diens postuur; op ouwe leeftijden dezelfde dingen ook zichzelve. Mens, oud en krom; deur, krommig ook en weigerend om goed te sluiten. Vandaar ook deur aan zware ijzerbout die zich gestrekt zou houden, níet buigen, geen enkele wrik, wanneer wie ook zou trachten, deur te halen uit z'n standplaats. Het hele hout, van 't hele huisfront, vooraanzicht van dat kantoor, leek moe van alle dagen die voorbij waren gekomen. Als schimmige mensen die hun gangen deden: mensen no? Wezens beter: kuierende nachtganger, ochtendzon-ontloper, wind vangende persoonlijkheid, hond met z'n waaistaart, weer lopende haastpersoon, dingen-verkoper, stootkar duwer, sjees na sjees, keien hun leed laten opratelend, man met een grijsgrauwe ouwerwetse baard die aan z'n kakoembe scheef groeide, zitter op ezelskar, moderne wagen. Moderne wagen? Ja, moderne wagen, ma' dan zonder geest of schim. (De geesten kwamen bij bosjes daar passeren: oud hout leek aan te trekken, leken dinges!) Ja, moderne wagen. Ook dat kwam daar voorbij. En wat een geest betreft: láát 't over aan die zo vaak passerende lijkkoets, geschikt fo die | |
[pagina 347]
| |
begraafplaats verderop, met z'n ook ouwe muur daar in die ouwe buurt. Een weg met ouwe bomen, oud en moe. Dan kwam moderne Dodge aandraven. 't Stopte. Een man kwam uit 't, achter stuur weg. Hij liep z'n voeten na' die deur van de kabin, achter, maakte 't open. Dan kwamen andere voeten lopen, gegooid uit wagen, waarboven een broek... een jas... een witte das... en onder een crèmen hoed met zwartrand... dat gezicht van die Professor Gerber Mann. Hij liet zichzelf lopen, trotwaar gaand, langs stuk papier, paar pindaschillen (wat een morserij!) en enkele vruchten van die bomen, fo je oog te zien, tussen die vele kleine bladerbladeren die daarzo lagen. Hier en daar had wind ze tot hoop gewaaid. Ma' overigens: zo verspreid waren die dinges dat ze mooiheid gaven aan die grond: natuur legde z'n kleed over natuur. En stad leek immer bos nog, vooral met die zandgaten waar gestroomde wateren hun loop hadden gehad, watergetijden, nat.... nat... de tomeloze draaikolken op grond.... de druppelende hemelmond.... Het waste zonder maken van een onderscheid, straatstoep, straatsteen, straathond, straat lopende figuur. Nunu, had je daarzo, Mann lopend, droog en met de afstand tussen huizenfront en bomenrij langs 't trotwaar breed open. Dan nam hij, blik wegkijkend uit z'n ogen, stappen na' 't kantoor. ‘Klop klop!’ ‘Ija?’ ‘Klop klop! Hier staat iemand!’ Die deur was open en hij hóefde nie te kloppen. Die deur, met drempel onder 't, zo wijd! Deur wou, zo leken dinges, zichzelf opzij gooien, om toegang te verlenen: deur's karakter. Zwaar en oud hout, van oude hengsels, oud geschoven! Hoe anders kon die deur, nu open zo? ‘Ija! W'is daarzo dan? Ik zeg: kom door!... Ah! Komt u door!’ Hij was gezien nu, Mann, gekomen. Met al z'n figuur, met al z'n verder-niets aan 'em. Baja! Die verschenen bakra, daar op mensen. Dan wist hij, wáár dat hij verschijning had? ‘Is meneer er niet?’ Hij vroeg die woorden zo spaarzaam! Een ander zou denken dat hij iets anders ging zeggen. En weer een andere persoon - vooral inlander- zou menen dat meneer veel dinges zou moeten zeggen met die mond van 'em: hij was bakra, witman, die íets was komen doen. Eigenlijk moest hij vlug vlug zeggen wát. En breed ook, met de | |
[pagina 348]
| |
duidelijkheid van noden. Geen draaidraai, zoals die inlandse omwegerigheid! Nono! Strit! Van hem als blanke werd niet anders verwacht. ‘Oh! Eh... ja! Meneer Brummal is even na' twalet! Ma' 'k ga'm roepen fo u, direkt! Wie kan ik zeggen dat 'em nodig heeft dan?’ Brummal, nu niet El Negro (zoals tijdens vrije omgang geheten) maar Heer Brummal. Doktorandus Brummal, accountant. Met grote wagen daar opzij van zijn kantoor. En binnen, een man als een geslaagde zelfstandige. ‘Tan! Bent u 't?’ De baas zelf was aan 't komen. Met opgerolde hemdsmouw door die warmte. Gezicht net niemeer blinkend, van weggewassen vet. Bruine pupil aan ogen. Haar, mooi gekamd. Een onderhouden mens. Je kon zien, dat hij met centen leefde. ‘Ja, ik ben het zelf ja’, riep Gerber. Sekretaresse, Miss Doera, opgestaan om te gaan roepen, ging nu zelf weg, na' achter. ‘Wat kom je hier doen?’ Brummal zei geen u, hij zei die je bijna mensverkleinend ook. Tan, wachte hoor! Vanwaar zo, die moeilijke houding? ‘Ik? Ik ben even met je komen praten. M'n sjaffeur wacht!, als je begrijpt wat ik bedoel!’ zei Gerber, bepaald nie genegen tot mondjesmaat spreken. ‘Nee, ik begrijp geen nèks van je bedoeling! Ik weet alleen dat ik je zou moeten wegjagen! Jij, die mij probeert te chanteren! Jij die.... vuile rotbakra! Donder op met je sjaffeur!’ Gerber, gewend aan dit soort taal, maar meestal in een positie om terug te schoppen, kauwde z'n kaken op makaar. Had neiging om te spuwen op die wit geverfde wand. Hield zelfs zijn blozen in. Wacht maar! Iets móet gaan komen toch. ‘Ach man!’ riep hij, ‘als ik naar je kijk, begrijp ik werkelijk niets van al je ijver om mij 't leven zuur te maken. Ik zou degene moeten zijn, die niet alleen maar iets komt zeggen, maar ook met de vinger op je kan wijzen! Als je begrijpt wat “men' bedoelt...” Sekretaresse kwam in. Ze had iets vergeten in d'r buro. Kijk d'r, met luister-oor aan hoofd, al zag je nèks d'rvan. Want ze had, (half javaanse), geweldig mooie haar, dat langs d'r hoofd viel. Baja! Veels te veel haar! Met golven, tot bijna op schoot! Ze kon wedden met koelimeidenGa naar voetnoot1 die hun lange haren hadden tot op bilgathoogte! San?! Je | |
[pagina 349]
| |
wou dat schoonheid je daar dood sloeg no? Man! “Eh.... kan je ons even alleen laten Doera?” vroeg Brummal met vraag daar aan lip. “Ija meneer! Meneer weet, ik ga altijd weg tijdens praten van meneer! Ma' ik moest even een ding hier halen! Ekskuus!” Ma'ook: van achteren, vooral met die open gekromde deur, kon je horen wat gezegd werd. Kijk hoe ze ging, d'r schoenhakken lopend op hout, vlak langs ingang na' achterzaal. Deur maakte z'n 'krèk-krèk!..... brrram!’ Soooo! Dan nú konden dinges beginnen. Met frisse windvlaag die iets nieuws kwam aanwaaien: ‘Luister! Ik zal jou geen bedrieger noemen! Al heb ik een getuige die verklaren kan, hoe je-’ Gerber! Meneer Professor Gerber Mann! Om zó'n tori te beginnen! Z'n mond werd prompt gesnejen. ‘Stop die tori! Ik weet wat fo dinges je vertelt, geachte, hooggeleerde man! Maar als je denkt dat ik me laat intimideren door iemand als jij! Waarom rot je niet op na' Europa!’ Hoor 'em, die Brummal, met z'n lichte bruine huid ondanks z'n bijnaam El Negro. Z'n stem integendeel iets krassigs hebbend, net of hij schor was op de bodem van z'n keel. Hoor 'em, hij had nijd in z'n geest toch! Chm! ‘Ik oprotten? Wacht even! Als je niet de beschaving die wíj jou hebben geleerd kunt opbrengen, om even naar een mens als ik te luisteren, dan zál je 't binnenkort weten: de hele stad zal weten wat een deskundige als jíj hebt uitgespookt! Bedr....!’ ‘Ja, zeg 't! Roep 't! Schreeuw 't! Laat ik mensen sturen om je te rammelen jo! Bleekzuchtige haat en nijd verspreider! Als je weet wát ik van je denk!’ Brummal, hij beefde! Liep om z'n buro, draaide op z'n tenen daarzo, gooide z'n blik uit raam. Zag boom staan, midden in zijn blikveld, met een tor die boombast z'n onder, opzocht. Boom met openscheurende bast. Die boom was donker, dónker, daar op middag! Zo laat al! Nacht lang niet gevallen nog! Zo'n vijf uur 'smiddags waren we. Hij keek terug, na' binnen. Zijn houtskool pupillen, flikfakkerden feller met krasheid aan geest. Z'n gezicht, geschoren, trok z'n trekken strakker. Kijk hoe hij haat uitfrontte na' die Mann. ‘Jullie blanke kolonialen! Denken dat jullie iedereen hier in dit land onder de voet krijgen! Me mars!!!! Heeft een plan! Hóór! Hij'ft een plan! Plan om 't volk snel te onderwijzen! Zijn kultuur, over te planten op onze kultuur! Met volle gewicht en snel no? Is met frottigheid bedoel | |
[pagina 350]
| |
je! Jo ellendige volksuitzuiger! Je hebt geluk dat je nie bent op een vergadering van ons, of ergens waar míjn mensen zijn! Míjn progressieven! Míjn revolusionairen! Ze gingen je leren wat een bril kost! Vervloektese m'moer! Donder op! Chanteur! Met je witte voetknecht Janki, die je mij bericht hebt laten brengen!’ ‘'t Zal je spijten jonge! Spijten zal het je! Ik hoor 't: ik hóef 't voor geen tweede keer te vragen! Je bent niet koöperatief! Maar ach, wat had een mens als ik kunnen verwachten van een schurk en bedrieger als jij! Als jij op onverdiende wijze aan je titel hebt kunnen komen, wat is het dan voor jou om iemand als ik te beledigen? Maar ik láát me niet beledigen! Je zult er spijt van hebben! Ja spijt! Spijt dat je er zelfs roetzwart van zult worden!’ ‘Vuile rasist! Ga weg van me stoep! Donder weg jo! Mars! Kmopo! Hoor je niet? Moet ik polisie roepen fo je? Mars!’ Min, met z'n wagen, wachtte, met een motor die al energie wegvrat. Hij wist: ‘Manir krijgt haast van dinges die ik aan het horen ben.’ Zat daar, met pet op, dienstman, met z'n kakhi kleren. Hóórde dat geschreeuw binnen. Dan kijk 'em, bang fo zoveel dinges. ‘Manir nie goed....! Manir bóóóóóz!’ dacht hij, oordeel makend over Meneer Gerber's geuite boosheid. Fo inderdaad!: meneer was kolkwater-woest! Kijk hoe hij wagen z'n achter open trok. ‘Rijen!’ sneed hij de lucht open met stem. Dan, oto boorde weg met alle haast aan wielen, (hoor ze spinnenGa naar voetnoot2, die banden, zo: wrrroenjjj!) Achter, in deur z'n opening, Brummal, zo woest dat hij z'n grootste atibron had van z'n leven. Razende kwaaie man, vol van kos'kosi, dat gevloek: ‘Aaj, jo moer! J'hebt me nodig, om me laten te vertrappen! Ga, jo chanteur! Uitzuiger! Netals al die anderen, hebben jullie aan driehonderd jaar uitzuiging nie genoeg gehad! Dan ga je me komen regeren no? Saka saka!’ Van achter kwam die hulpmeid aanrennen. ‘Wat is gebeurd, meneer? Wat is gebeurd? Maak jezelf nie moe met 'em, meneer! Hier, 'k ga een glas suikerwater halen laat u drinken!’ Ze diepte d'rzelf in die ruimte weer, na' achter. Ma' wist zelf wel dat | |
[pagina 351]
| |
ze alles had gehoord. Meneer op ongepaste wijze gekomen aan zijn titel? Hoorde ze dat niet zonet? Dan hoezo was die andere persoon chanteur? Had hij hun kantoor willen bestelen met geld afhandig maken? Een plan? Wat fo plan zo dan? (Ze kraande water voor 'em, zo sjjjj!) Als je die hoge mensen leerde kennen hoor! Allemaal wat! Praat bijvoorbeeld niet over die grootoom van meneer Brummal zelf, die nooit kwam daar. Een man met altijd weer schandalen. Dat wou zeggen: anderen beschuldigden 'em. Ma' dan kwam hij nooit om financiële ondertekening vragen voor z'n papieren. Al wist hij dat hij in de familie een persoon had die als deskundige meetelde, zwaar ook. Hmmmm? Eerst familie-ruzie, dan nu zulke dinges! Ze had 'em nie zo gezien, fo die lengte dat ze daar werkte!, meneer zó kwaad, dat hij net een straatman uitschold! Net die kwajongens van kino! Net die anderen van waterkant, die zwerfbeesten op twee benen! Net die... ch, mense baja! Ze bracht d'r glas, met suikerwater voor 'em. Hij nam één slokje maar, eentje. Ze keek na' die onderkin van 'em, waar bij z'n adamsappel al die scheerpuisten. Keek met d'r loeroog weer na' glas. Hm? Ze had geen ding laten vallen d'rin toch? Een vuiltje of een vlieg of mier! Meneer was kwaad al, één atibron! Dan wanneer ongunstige dinges kwamen d'rbij... Ze loerde om geen fout te maken. Ven zachter laten draaien, dan dalek gaan opruiming maken ook. Want stel je voor: hij haalde z'n kwaadheid weg, op háár! Dat hij dus dat vooral op haar afreageerde! Man, dan moest zíj alle leed gaan lijden fo die ander! Nono baja, geen schuld aan d'r! Wie zij? Ze was getrouwe, ze had nèks gehoord! En ze was áchter ook geweest, en kalmzuchtig van gemoede. Reden fo haar dus, om te zeggen: ‘Meneer, heeft die meneer iets gezegd wat nie goed is dan? Ze speelde niet-weten, die Miss Doera. Sekretaresse no? Chm! Geen antwoord kreeg ze van hem, die Brummal. El Negro, staande op zijn benen. Een vent van kaarsrecht staan, zíjn houding. Aantonend hoe hij was, zo vol verzetting. Verzetting no? Wie buiten 'em was, (zij dus daar), kon alleen oordeel geven, dat hij kwaad en rechtop stond. Geen verder nèks iets van een oordeel of een innerlijk motief. Motief? Innerlijk? Bijna zo, stortte hij in. Hij greep een stoelhoofd. Ze kwam rennen. ‘Meneer! Meneer! Ga zitten, vlug! U gaat flauw vallen hier op mensen! Vlug, drink dat glas hier, vlugvlug!’ Dan weer pas zo, begon hij zichzelf te krijgen. Na drinken, mond | |
[pagina 352]
| |
vegen met uit de zak gehaalde doek. Dan zitten beven. Hoe nie hoe, hij zweette, vol met binnenleven. Een hele tijd daarna, tot toen, maakte die ventilator moeilijk. Dat ding maakte, aan Brummal z'n oren, zo'n soort van kabaal, dat nie te vermoeden! Een soort draaiwoedendheid van dat ding! Maakte buiten de gegeven afstelling van normaal lucht aanblazen op stand medium uit zichzelf draaiingen van fast.... speed, snelheid, snelste draaivermogen. 't Kon! 't Kon! Daar met die lucht langs 'em geblazen als een soort koker die onzichtbaar vuil opspoot. ‘Zet dat ding zachter, no? Zet 't uit!’ schreeuwde hij wrakend tegen z'n assistente. Dan opeens stond alle warmtelozing stil. Die kamer daar, van hun, begon te broeden. Brummal z'n gedachten leken kruipzaam te worden nu, nietmeer die krasse speed van gaan en gaan en iets opgooiend met de aandraaiende lucht. Nu, leek ook tijd stilstand te krijgen. Buiten 't werk dat ging ophouwen. Hmmm!? Hoe ging dat ding niet dan? ‘Maak dicht! We gaan vroeg sluiten’ riep hij tegen haar. Met vinger wringen langs z'n nek, tussen nekvel en hemd met das gebonden. Hij had een halve verkoudheid gekregen, vond hij, van die atmosfeer daarzo. Gauw nu ophouwen. Fo vandaag genoeg. 't Was, laat kijken, toch al bijna vijf uur. ‘Is nog geen tijd meneer! We zijn pas weer een uur begonnen....’ ‘Ik zeg: maak dicht! Je mag na' huis gaan!’ ‘Ija meneer! Ma'.... die spoedzaak....?’ ‘Ik heb ook me spoed hoor meisje! Ga wandelen, of ga na' je vriend, laat hij je ook z'n spoed geven!’ Met dát, moest hij z'n wrang geworden zielsweergave, in gezicht weer laten lach opglanzen. Eén kleine toti-toti grap, gemaakt en dan... ontspanning... ontspanning... ontspanning... ‘Láát dat m'moerbeest lopen! Ze moeten 'em uitnodigen voor een bosfeest, en 'em dan, als hij is gaan dronken worden, vastzetten. En dan met één groot indiaans kleed, vol met rijpe zwaargrote zwarte wespen, z'n mars laten kapot bijten! Die moerskont! Is nie om te grappen, man!’ Nog steeds reaksie op die Gerber. Een paar mensen van Ons Eigen Dinges kwamen net. Hij stuurde ze weg, omdat ze ten eerste niet op z'n kantoor moesten komen zonder haast of noodzaak. En ten tweede omdat hij ging sluiting hebben. Zo doende toch! | |
[pagina 353]
| |
Ma' juist, verklaarden ze, waren ze daar gekomen om te horenGa naar voetnoot3: ze hadden iets gehoord van voorman De Moor. Dat mensen 'em tegenden! Ja, ze waren tégen hem. Echt werkwoord ook, tegen zijn in de vorm van tegenwerken met een soort van haat. Dat niet alleen zo, ma' iets was gebeurd ook. Iets van..... ontslag. Ja, ze hadden netnet gehoord dat Ronalds was ontslagen! Ronalds, De Moor, ontslagen. Pampampam!, draaiden ze hun hielen weg, of wie kwam aanboren met z'n visite? De Moor, hijzelf, met z'n eigen bloed stromend in lichaam. Baja wat zo dan, bracht onze vriend daar? Hij, Ronalds daar aankomstig! Kwam hij over z'n ontslag staan praten? ‘E? Faigo? W'hadden toch afgesproken fo.....’ riep El Negro al. Brummal, El Negro. ‘Ija, ik weet! Ma' ik heb je iets te zeggen, man! Fokop nieuws!’ riep De Moor. Brummal, hij schrok z'n schrik: ‘En? Toch niet dat ding wat ik zonet gehoord heb van mensen? Ze zijn me zonet zonet komen zeggen dat ze gehoord hebben dat jij.... ja, meisje, je kan gaan! En schud nie zo, want anders ga je uit elkaar vallen op straat... en jongens zijn gauw hier in de stad met stukken op te rapen...!’ Dat laatste tongde hij uit z'n mond, gauw gauw, tussen gesprek met zijn visiteerder. Die meid, Doera ging weg toch, groette d'r groet aan allebei. Ze lachte dat kwikkebekje van d'r. ‘Tot morgen dan meneer!’ groette ze d'r baas, El Negro. Afscheidsgroet zo gezegd, ofdat 't een afspraak betrof tot wederzien op die hemelse dag van morgen. Morgen no? Vandaag bedoel je, had z'n zorgen! Nunu! Fo Brummal èn fo Ronalds! Want Brummal, (El Negro) begon direkt over wat die mensen die op bezoek waren gekomen, hem over zijn vriend De Moor (die Ronalds) hadden gezegd: ‘Aaj! Dan: 'kheb gehoord, j'hebt ontslag gekregen? O san dati?! Zeg me: is niewaar!’ ‘Ik ga nie jokken fo je!’ zei Ronalds. Hij stond, z'n ietwat kromme lip aan mond. Met in z'n neus een paar gaten van ouwe puist. Gezicht groffig. Oren uitstaand, als van asaw, dus olifant z'n flapoor. Haar op z'n hoofd, stond erg mooi negerachtig. Dan stond hij daar, met al z'n jeje. | |
[pagina 354]
| |
‘Ija! 't Is waar ja! Z'hebben me gefajerd! En z'hebben net, heb je nie gehoord dan? me ontslagbrief ook publiekelijk bekend gemaakt, schoolbestuur! Hierzo, lees met je eigen gezicht!’ Hij maakte in zijn spraakzaamheden, een diepe fout om te zeggen gezicht in plaats van ogen. Ma' 't was zó een psychologisch diepe, dat 't zó een uitspraak tienmaal 't zelfde, telkens sterker zeggen liet: léés: overtuig jezelf: maak je de letter met betekenis eigen: vreet die brief op..... Wegens uw aktiviteiten op politiek terrein, hetgeen ons slechts zijdelings gemotiveerd heeft, maar vooral wegens uw bezigheden betreffende uw pleegkinderen, waarvan wij de bewijzen in handen hebben gekregen, hebben wij gemeend u met ingang van heden te moeten ontslaan...... (Brief sprak volmondig over verderfelijke opvoedingspraktijken, over een manuskript.) Was getekend: Het Schoolbestuur enz. enz. ‘San?’ El Negro, veelal als een aira zo snel van tong, moest even een ogenblik in de spaarpot van het verstand een stukje zwijgzaamheid opsparen. Hij spáárde z'n gedachten, spáárde eventjes z'n tijd, als geld. En woorden ook! Want dit... dit... eh... dit was de grootste nonsenserij die hij had gehoord. Ma' toch: klankheldere bakrataal op schrift! Van mooischone schuinschrift uit de hand van 't onderwijs gekomen! ‘San?’ Míjn god baja! Wat heette ‘politieke’ aktiviteiten? Zeg dan, iemand, zeg dan, al is 't vanuit spinnegat aan balk, of uit mier z'n kruipkaak, kakkerlak die doodgetrapt is wegslepend! Alles wat prooi heeft in de bek spuwe het uit en vrage, zegge: wat is politiek? Dat bewust maken van die mensen? Dat organiseren van kultuurbijeenkomsten? Dat vrijmaken van alle onderdrukte volksmensen? Ons Eigen Dinges? Met eenvoudige bijeenkomst, waarop gedichten, toneel, teksten, alle dinges die die mensen wederom menselijke waarde konden geven? Iets wat neger nu eindelijk tot NEGER moest maken? Hmmmmm??? Dit? Dit was pure koloniale fiesterij! Dit was diskriminasie in eigen land! Dit was een klap, van goevernementswege uitgedeeld! Is zíj begonnen! Dan dalek wanneer je die mensen ging krijgen, op terrein van Ons Eigen Dinges, om protest te houwen, dan kwam polisie no? Of andere aksie, ze wisten nog niet welke! Dan kreeg je wederom zwaardere aksie no?, van Lanti-zijde, no?, goevernement z'n aksie. Dit, dit kón nie zo gaan blijven! | |
[pagina 355]
| |
‘A no kan!’ riep Brummal. Hij schudde z'n hoofd, net of 't wou vallen. ‘Jonge, dan als je weet hoe ze nie aan dat zogenaamde bewijs van ze zijn gekomen!’ ‘Zeg niet dat je je manuskripten met die dinges van je, hebt laten slingeren. Of heb je iets anders aan ze in handen gegeven?’ Ze dachten één moment van lege konversatie na. ‘N'no man! Als je weet hoe snel alles gebeurd is!’ riep De Moor nu uit. Kijk 'em, een en al mansemosie! Met z'n kakhi aan z'n lichaam, vooral bij z'n onderhandGa naar voetnoot4, zwaar nattig. Hij brak zweet, waar hij stond. De ven moest áán!, fo ventilatie. ‘Soema? Ik? Ik heb geen niemand reden gegeven! Niets in me handen heb ik overgedragen fo ze! Geen papier, geen nèks! Ma' ze hebben me aantekeningen gestolen, weet je? Ze hebben bij me ingebroken, al heb ik geen enkel spoor van forcering gevonden! Die schurken!’ Kijk Ronalds!, met z'n volle figuur staand-nadenkend. Hij vervolgde insklaps: ‘Nee, is nie die kinderen! Ze weten: ze mogen die papieren nie meenemen na' buiten! En ze gehoorzamen ook! Me vrouw scheldt me zoveel uit fo ze, die aangenomen kinderen! Ma' één ding moet ze zelf ook zeggen: ze doen geen dinges die ík nie ga willen! Nee, nie zij! Ma' ik weet niet! Kheb dat ding gezet in een la, daarzo, je weet, bij me huis onderaan! En toen ik les wou geven, eergister... wèg papieren!’ Hij zuchtte woord uit: ‘A no spot' soekoe a jonkoe dis' soekoe!: ik heb gezocht totdat ik bijna blind geworden was! Ma' toch: nèks gevonden! Iedereen in me huis nóg een keer gevraagd! Nono, niemand heeft zelfs oog gegooid op die papieren! Laat staan ze meenemen zomaar!’ Twijfelde: meenemen? Dan fo wát? Om met ze te gaan spelen zeker no? Schooltje spelen? Kijk hierzo: me kweekvader heeft móóie boek gemaakt, speciaal fo ons kleine negertjes, dat we nie zomaarzo wit meer praten! N'no!!’ Die kinderen hádden hun opvoeder écht nie verraden. ‘Nono!!’ ‘Kalmeer! Kalmeer!’ El Negro zelf ook in opgewonden staat verkerend. ‘Kalmeer jezelf man! Zal ik een glas suikerwater fo je maken?’ Hij dacht aan wie 't had gedaan. ‘N'no! Ik drink niet! Tenks!’ riep De Moor. Dan na goedgoed prakkezeren, begon hij weer, véél pratend ook, met | |
[pagina 356]
| |
al zijn hand aan schouders hangend: ‘Eén ding begrijp ik niet: wie 't heeft gestolen en hoe 't is gekomen daar op school! Ik denk: is een kollega van me! Eentje die me allang heeft willen laten wegjagen.’ In gedachten bleef z'n geest hangen bij Janki. Had die 't gedaan? ‘Wie? Je bedoel toch niet meneer Koendar? Koendar is goed! Al heeft hij andere idee dan jou! Ik bedoel: je moet nie verdenken zonder bewijs! Hoor je?’ Brummal. Hij wou zichzelf nie geloven. Ma' denken leverde nèks anders. Of toch? Hoor mond van 'em: ‘Fo wáárom verdenk je die Gerber niet? Hij's tot alles in staat!’ ‘Wat? San? Ik had nie gedacht daaraan.... Ma' nee! Hij kan 't nie gedaan hebben! Hij dief? Inbreken bij me huis? Je wil nie dat ik 'em doodkap no?, in stukjes om aan een hond te geven? Chm!’ Dan dacht hij na. Zo'n ‘professor’. Knap, ma' toch onhandig. Toch...: ‘Nono! Als... als ze in die ontslagbrief over politiek praten, is nie zo?, dan...’ Weer brak hij hersens: ‘Zeg niet dat iemand die tégen is, vanuit politieke hoek, ons heeft getroffen! Ik zeg: ons! Nie mij alleen! Om bijvoorbeeld niet mij, maar Ons Eigen Dinges te treffen! Hm? Wat zegje van zoiets?’ Natuurlijk was dat zo! Alles was politieke haat, openbare politiek, persoonlijke politiek. Brummal, hij stond, hij brak z'n hoofd. Kromde z'n mond, met trekken aan zijn zijkaak. Dan gooide hij z'n vingers los, van hand, wapperhand in die lucht, ruimte uitbaggerend: ‘Wachte! Wie zo is tegen ons? Ik bedoel: bijna iedereen van de gevestigde orde is tegen! Ma' wie absoluut in persoon tégen ons is,... ik durf bijna nie te zeggen!’ ‘Die grootoom, ja! Brummal, je ouwe grootoom daar, met al zijn koloniale macht aan 'em! Mi boi! Dit kan nie waar zijn! Ik weiger te geloven met me hoofd hier! Dat ze je eigen voorfamilie hebben gebruikt om je ten val te brengen!’ Dan bleven ze stil. Ven draaide, net of't die tori wou vertellen, met goeie vaart ook, wwwwnnnjjjjjj! Heerlijk afkoeling slaande waaiwind. ‘Hm? Ik kan nie verstaan! Jóuw grootoom! Dan... ah! Je weet: hij's tegen jou, omdat je niet in zijn richting bent aan 't opgroeien, met behagen van alles wat is kolonie! Deze rotzooi, die overgaan moet van geslacht op geslacht! Haha! De ware revolutionair komt voort uit de bourgeoisie! Hahahahaha...!’ Dan weer had men het nadenken als hoofdbreken. Wie? Wie had die | |
[pagina 357]
| |
grap uitgehaald? Van voor af aan: kweekkinderen? Nee! Anders hadden ze bekend na ondervraging. Janki? Nee! Gerber Mann? Nee! Een vreselijke bakra, ma' netals Janki geen dief! Terug bij familie, schoolkollega... familie die nie eens was met deze revolutionaire telg, die grootoom dus: ‘Ma' doordien hij jóu persoonlijk niet treffen wil, treft hij mij, de andere leider van de beweging! Zodoende wordt aldanig die kleinzoon van z'n broer voor publieke schade bespaard, terwijl de beweging kans maakt op vallen! Slim no m'moer!’ klonk oordeel over die koloniale machthebber in zijn familie. De Moor! Hij kon bijna z'n zweet op z'n gezicht tot één waterbundel brengen in één enkele trek, na' z'n mond, om 't vèrvèr te spuwen. 't Kon geen schele moer schelen, of die wand daarzo zou vuil gaan worden! Schoonmaakster had je! Indien nodig, verver! Iedereen, alles, wat die schaamtespuwsel van 'em later kon wegwerken. Ma' later was laterzaak. Baja, man, nu was nu zo dan! Niewaar? Om voort te maken. Aksie! Baja! Aksie! ‘Ik kan 't nie geloven!’ riep Brummal, El Negro. ‘Ik kán zoiets gewoon nie geloven! Hoewel, ik wéét die man werkt als landsbestuurder alles wat modern is tegen, vooral de laatste tijd! Hij met z'n post waar je besluit neemt. Ma' hij's altijd gebleven op de achtergrond. Dat wil zeggen, hij'ft ons nog nooit echt publiekelijk tegengewerkt! Dan wát wil hij? Al die ónsjosjale pieten van die ouwere generasie! Ze hebben nog niet in de gaten dat tijd is een veranderbaar ding! Dat tijden reeds veranderd zíjn! Ze zien nog nie aankomen wélke verandering! Ik zeg je: koningin komt over zes maanden hier! Zes maanden, mèt d'r gouden koets, dat k'ka dingGa naar voetnoot5, om onze gatenwegen te rijen. Ma' je gaat zien: als ze de durf niet heeft om minimaal dat statuut waarover nu gepraat wordt, al een paar jaar lang, te proklameren fo onze autonomie, dan gaat ze zien!: hele revolutie! Al belooft ze na d'r weggaan tien keer weer de oprichting van koninkrijk WIE!’ ‘J'hebt iets gezegd!’ Ronalds, hij sprong op, met z'n billemoot van burokant af, waar hij z'n achterbil had gegooid. Met strakke hemd aan rug, die onderkant van kakhi in z'n broek liet bollen met z'n bilwerk. ‘Mi g'gai! J'hebt iets gezegd! Dus dat is 't! Een komplot van méér dan één persoon! Hele koloniale bende! Tégen de volksbeweging, ook al zijn we niet op de eerste plaats van politiek! Wanneer we maar, met onze | |
[pagina 358]
| |
progressieve idee uitgeroeid worden, dan kan ze veilig komen. No?’ Poos stil. Dan rolde woord verder als wiel der sprake: ‘Behalve dat! Je weet: j'hebt mensen van ons, die persé de politieke kant op willen. Ze willen zelf politieke partij hier maken als onze staat als kolonie is beëindigd. En dan, je weet zelf hoeveel moeite we hebben om ze van die openlijke politieke dinges af te houwen! Ze lopen zelfs over na' die ene vent, Jopopi, die ze, als “volksneger” met alle geraddraai, wèl zelfs politieke onafhankelijkheid belooft! Meneer gaat ver! Is om te lachen, die dansaap! Zie je niet, wat Holland net net gemaakt heeft, in Indonesië? Met z'n volksmoorden! E kir' den jampanési lek' mi no sabi san!: ze moordden Indonesië uit. Beloven óns direkt daarna autonomie! Haha! Het Koninkrijk der Nederlanden kome over ons!’ Brummal, El Negro, had z'n mond gesproken. Hij proefde de smaak van zijn eigen woorden na. Bitterheid! En loslating van vele soorten knaaggevoelens die allang hadden geleefd in 'em. Niet dat hij ze nie af en toe had uitgebraakt, vooral op de ontleed-avonden, waarop felle teksten. Ma' nu was nu!, nu was ekstra! ‘Chm!’ De Moor lachte zijn lach, keek in een onzichtbare spiegel, ‘Chm! W'hebbe véél politici! En idealisme ook, hébben we! Ma' geld dan? Nee! En geen werk vooral!’ Weer lachte hij met bittere bek. Dacht met een stuk verloren hoofd aan wie dat ding had weggehaald. Wie?, soema?, wie, nog steeds. Om een gekombineerde hoofd-buikpijn te krijgen van dat ding. Wie had zulke ‘takr'anoe’ gehad om met ‘slechte hand’ zo'n verraajelijke daad te gaan staan plegen? Het was uit die berichtgeving allang duidelijk gaan worden: ze hadden dat manuskript van 'em gekregen; hij als privé-opvoeder, met z'n heropvoedingsboekje in de maak. Dan was iemand gekomen, had dat ding staan nemen, was weer weggelopen met 't. Had 't doorgespeeld aan die schoolhoofden van 'em, superieuren. Dan hadden ze 'em gefajerd. En hoe! Eerst die brief openbaar maken via die radio. Dan pas daarna 'em die brief sturen per verlate bode. Dus iedereen in Wilhelmina's kolonie kon weten met Juliaanse openbaarheid, onder verkondiging van goeverneurskoloniemacht... ach; ach, 't gaf geen moer hoe je 't formuleerde: hij wás ontslagen! Ze hadden 'em, zoals 't volksmondig uitgezegd werd: ze hadden 'em voeten gegeven. Hij nam dus niet de benen, nee, hij kréég ze! Baja, wat een toestand. Heel even zo, dat peinsend denkhoofd van 'em, moest die gedachte | |
[pagina 359]
| |
laten opwakkeren, dat dat manuskript door een boze geest was meegenomen. Boze geest no? Dan was een vijand van 'em (van ze) bij een bonoeman, een medicijnpriester gegaan. Dan had hij daarzo zeker gezegd: ‘Prepareer een geest fo me, een leba, of een bakroe, of jorka! Stuur die geest, laat hij dat en dat, bij die en die adres gaan halen. Ik betaal je zoveel zoveel!’ Wat een djook! Hij geloofde als ontwikkelde negerpersoon in bepaalde magiedinges. Ma' je kon nie staan verwachten dat hij dit geloofde! Al wist hij: vanuit huis zijn medicijnmannen mensen met koni, met wijsheid en macht van magie. Ze zijn korrupt aan 't worden! Worden zelfs door politici in 't geheim geraadpleegd. Ma' zó? Nono ba!: nee! ‘Wat prakkezeer je?’ vroeg El Negro. Je gaat geen eh... Frankie lastig vallen toch?’ zei z'n mond met dubbel bittersmaak van ironie! Frankie, die superintellektueel van dat stel! Hij die eenmaal terug in die kolonie, als man met revo-gedachtes, nog kolonialer bleek dan die hele kliek die ze hadden gaan willen bestrijen! Hij die z'n mars had afgedraaid van vroegere studievrienden! Hij werd verzwolgen door uitbuitingskapitaal! Groot huis, groot leven. Die beloning fo wie mee wou draaien en z'n eigen volk als nieuwe intellektuele élite wou plat vernaaien met verneuken! Die? Nono!: nee! Aan dat lachen van De Moor kon El Negro z'n geruststelling plukken. Ma' dan toch, tegelijk, zonder een mondwoord uit z'n tandenwerk te laten klappen, stond Ronalds in de ruimteloosheid van z'n achterhoofdsdenken, beschuldigingen uit te laten gaan: ‘Jíj hebt dat ding gedaan! Jij! Is jíj hebt 't gedaan!’ Ma' wie was die jij dan zo? Dat hele rijtje af! Alleen.... hoe kon hij (áls hij 't in die allerdiepste diepte van z'n geest ook maar erkennen wou, door zich bewust te worden van die gedachte alleen maar, die hij ergens moest wegdrukken)... hoe kon hij staan vermoeden dat z'n eigen eigen moeder 'em had verraden? Door dat manuskript te brengen bij Janki z'n huis? Nee, al was ze tegen al z'n opgeleefde negerachtigheid! Al was ze tegen Eigen Dinges. Ze kón 't nie gedaan hebben! Dan maar, was een boze geest 't komen halen. En eigenlijk had El Negro, (daarzo op z'n kantoorvloer staand, vloer die 'em bovengronds en binnenshuis gevangen hield, achter-binnen van drempel, binnenmuurs, en in lijfelijke konfrontasie met een ander), eigenlijk had El Negro feitelijk iets moeten zeggen. Ma' hij zweeg mond. Verwonderde zichzelf over die vrijpostige onhandigheid van die | |
[pagina 360]
| |
bezoeker die gekomen was. Professor Gerber Mann! Je zou verwachten toch, dat hij met elegansie werkte. Een zogenaamde beschaafstijl van fijne omgang, veredelde magie. Hoffelijk doen en tóch vals zijn. Ach, baja! E'en!, nee! Hij schudde hoofd, en schudde hoofd weer op datzelfde voorafgegane hoofdgeschud. Wat moest hij lopen zeggen dan? Gerber, misschien nieteens een door en door kwaadzinnige bakra. Knap als professor. Ma' slechtgeworden mens, door kans die hij nu kreeg. In die situasie, zelfs binnen die koloniale situasie, een kleine tiran spelen. Met bediendes, ach, dat ging. Is hij betaalde toch, of beter: is hij liet ze hun loon betalen. Dus waren ze onderdanig. Wanneer je ze nie schreeuwde, waren ze nieteens gelukkig, als bediende, was filosofie. Eenieder moest z'n plaats kennen. En ze schikten hun bediende jeje, hun lage geest, hun laagkomstige kra, hun hele laaghartige psyché, onder hem. Ze waren onderdanig, zoals men bediende speelde. Net zoals een spreekwoord oordeelde dat: een neger is nie gelukkig zonder een pak slaag. Sooooo! Dat was één. Nomroe toe: ten tweede: medewerkers zoals Janki waren wit. Witter lijkend zelfs dan Gebre, zoals Gerber in het Sranan heette. Dan toch! Ook díe werd onder druk gezet. Om kwaaie dinges te gaan doen, bij een andere geschoolde geest, hij El Negro. Eerste keer ging 't via De Moor. Nadien (dus zo even met dat bezoek van Gerber) persoonlijk en met alle ruimtelijke direktheid van zinsbewaarheidswording. Het wás een feit ja, dat Gerber was gekomen. Als een botte persoonaasje was hij z'n bedreiging komen zeggen. Wachte no?! Wáárom had hij 't zo gedaan? Was hij ergens zeker van iets? Z'n houding! Ma' ook deze zelfde zelfde, wèry wèry Brummal wou niet d'raan denken dat Gerber diegene was die dat manuskript had gegeven aan dat hoofd der school. Fo ontslag. Zoveel macht kón zo'n man nie hebben, hebben gekregen! Wie zou 't hem hebben gegeven? Wie was die fundamentele verrader? En?! Bakra was nie alleen Gerber als Hollander! Nee, dat woord bakra telde nog harder wanneer je 't betekenis leende (permanent!) van: koloniale mentaliteit! Wie was in staat ‘bakra’ te helpen met dit verschrikkelijk gefaarlijke verraad? Dat kón een neger nie gedaan hebben! Geen neger in de zin van ‘mens die negergeest welgenegen is’. Nono! Ma' evenmin als De Moor, kon El Negro z'n hoofd zover krijgen, dat | |
[pagina 361]
| |
die huismoeder van Ronalds, zwartekleur moeder, dat ding had afgestaan. Nemen, brengen, afgeven. Dan weer met je voet onder je buik vertrekken. En dan geen naam van verrader mogen dragen van de volksbeweging Eigen Dinges. Verraad plegen en geen verradernaam hebben. San? Wat? Is verraadster bedoel je! Negerin die eigen tori, eigen zaak verraden had. Alsof de zwarte vrouw haar eigen zwarte baarmoeder uitrukte. Ach baja! Wat fo geweldigheid van woord met praatglans! Niemand, geen van ze wou háár echt verdenken. Nee! Nono! Dan liever zonder open denken, vraag zo laten. Die daad van aanval en eerste vernietiging was reeds geschied. A no so? Dus verder nu, verdedig! ‘Aaj! Ik ga Frankie om een werk vragen. Ija! Is zo meen ik!’ lachlachte De Moor nu. El Negro wist nie hoe hij deze praat moest peilen. Die ander zou geen desperate daad als dit gaan doen toch? Ach, n'no! Ma' fo de zekerheid moest hardop iets gezegd worden. Buitendien: ze konden nie zomaarzo daar blijven staan. Dus hoor 'em no: ‘Ach, Moor! Wat zegje dan?’ riep El Negro. ‘Je komt toch gewoon ergens anders in dienst... n'no! Wachte! Na dit publieke gebeuren, áls ze je echt weg kunnen jagen, ik neem aan dat ze je desnoods met polisie uit die school gaan houwen, dan.... dan kan je bij mij op kantoor komen! Ik zeg die meid indien nodig gewoon dat ze nie verder kan werken hier. Doera kan altijd ergens anders een djop vinden. Jij niet! Is nie zo?’ Hij dacht zelf ook na. Een goed plan om z'n vriend te redden. Tenslotte had deze ook zijn solidariteit getoond bij de beschuldiging. Toen Janki 'em gezegd had dat... ach, laat die tori! Láát no? Dát juist kookte fo ze! Om een pom als een pomGa naar voetnoot6 fo ze te maken! Gaar gaar ook, met bitterpeperzuur! Bitter van bitterblad! Zuur van lemmetje! En peper van Madame Jeanette! Alles zo: ultra! Een ongenietbaar etentje dus! Mijn God! Hoe dinges nie kwamen op mensen! ‘Wachte,’ zei El Negro, ‘Wacht! Ik ga gaan praten met die grootoom van me! Al gaj'k gewoonlijk nie bij z'n huis of z'n kantoor! Via via! Ik ga gaan! Om précies te weten! Net zoals die m'moer van een Gerber hier is gekomen! Alles moet z'n tjek hebben! Is nie zo?’ Hij liep een paar passen heen en weer, al die tijd. Ging zelfs na' | |
[pagina 362]
| |
achter, ma' had geen geduld om suikerwater te gaan staan maken. Donkergat wist, waar dat die meid had die suiker gezet! Maannng! Dus hij bleef eerste keer bij deurpost staan: ‘Stop even! Ik ga halen!’ Dan draaide hij terug: ‘Praat door no? Want als ik na moet denken, gaat dat ding me gek maken!’ Dan nu ging hij helemaal na' achter, rommelde snelsnel met dinges, gooide glas tot gebroken, slingerde een zomaar glas onder die koperkraan, kraande z'n water, dan bracht hij dat ding terug na' De Moor: ‘Aaj! Hierzo! Drink! Pas op! Je gaat 't laten vallen! Al je hand beeft!’ ‘Ach, water die valt is plengoffer aan Gronmama, Aardmoeder! ma' 't gaat om iemand anders nu, geen dingesdoenerij!’ Met dingesdoenerij bedoelde hij: een negerritueel. En juist dát soort ‘dinges’ had de oppositionele koloniale machthebbers samen gedreven, tegen die heel snel groeiende zwartemans beweging in. Ons Eigen Dinges no? Zagen ze niet hoe ze die negers die toch al weinig aan hun situasie deden, nu helemaal niets meer met zich lieten doen? Ze werden ‘geestwakker’ en opstandig! Dan nu ook erkenning van hun afgoderij! Als zulks moest worden aanvaard! Want dát gebeurde wanneer je neger één hand gaf: ze aten kannibaals je hele bodypartij! Dus wat fo k'ka met ze? Om zo te maken! Zwarte mensen van na de slavernij! Hún belang no? Hun eigen belang! Is dát bedoelden ze! Ons Eigen Dinges moest Koloniaal Belang worden. Wie had nie gekonstateerd hoe dat kantoor van die Brummal floreerde? Met al die mensen die nie zomaarzo belasting wilden betalen! Omdat ze een soort ‘vergoeding’ wensten. Vergoeding fo wát? Ze hadden vaak nieteens, die armoevreters! Die dweilvegers, die slampampige moerskonten! Ieder ging bij akkountent! Fo wát?! Om die kolonie dwars te zitten! Verzet! Dan die Moor met z'n kind bederverij! Die m'moer! Want je leerde ze natuurlijk met je thuisles niet alleen krom praten, een mond vol negerachtige wanheden! Nono! Iedereen wist van openbare praterij: De Moor leert zijn kinderen vieze woorden als: panpan, poentje, pola, tollie, koro, bigi bal! Alles wat vuil was, ongodsdienstig en slecht! Zo was influistering gezegd. Ze moesten ze sluiten, was gezegd. Die hele frottige rotzooi moest dicht! Iemand had op bijeenkomst durven steen gooien! Want: negers maakten geen kniebuiging meer! Op aanraden van Eigen Dinges. Ze | |
[pagina 363]
| |
waren gewaarschuwd zich nie te verlagen, voor geen enkele witman, ook nie fo lichte kleur man, ook niemeer fo negers! Geen hoofddoeken leggen op pad van mensen, geen schoonvegen van dinges, stoepwassen, poepkleren van mevrouwen. Negerknecht was als knecht ontknecht van negerknecht z'n knechteboei!: keti koti! Al die dinges zo, gepropageerd. Ma' wie moest geld gaan geven, laa'n ze vreten? Wie? Owie? Is nie diezelfde mensen, met hun gronden, groothuizen, balkonzitten, eten drinken, en vooral feest vieren in traditie van kolonie? En? Zíj moesten neger verzorgen! ‘Weet je iets?’ zei El Negro plotseling. Hij was aan 't zitten toch, op denkbrug. ‘N'no? Ik weet nie wat je denkt. Hoezo?’ ‘Ik denk dat we op verschillend terrein in de tegenaanval moeten gaan! We moeten om te beginnen een vergadering plannen, ma' dan zo, dat ze ons van nèks kunnen beschuldigen. Dan naast dát, gaan we - behalve, ik heb al gezegd, ik ga die daderij van die grootoom van me tjekken, en misschien ook die twee neven van me, met hun groothandelsbedrijf, of ze geen vuile papvinger hebben! - ... eh, gaan we die Gerber laten zíen! Ik denk dat we 't beste kunnen laten tjekken wat fo zwakke plekken hij heeft. Iets om 'em te pakken, laat híj in plaats van wij in een schandaal komen. Hm?’ ‘Hoe wi'je doen dan?’ vroeg De Moor. Hij was weer op gaan staan, met z'n twee voetzolen precies vóór die ventilator. Is dáárop stond hij, vóór dat draaiding. ‘Ik denk dat we misschien iemand hebben in Ons Dinges! Een huisbediende die bij 'em werkt! Of strijkster... gewoon iemand die z'n huisleven kan kennen! En z'n kantoor ook, natuurlijk. We gaan z'n buik naar buiten halen, wachte!’ ‘Is mooi!’ De Moor, hij was geneigd nu, om te zwijgen. Zoveel gezegd en niets gedaan! ‘Is mooi ja! Dat beest! Hij's hier geweest, 'kheb je gezegd! Met z'n plan! Ik heb 'em weggejaagd!’ Kijk dinges, no? ‘E wachte! Slecht van je ook!’ viel De Moor El Negro tussen. ‘Waarom heb je niet dat plan aanváárd? Dan had je misschien daarin uitwerking gevonden om 'em te strikken!’ ‘Telaat! Ma' ook, te moeilijk! Veels te moeilijk! Je kent die persoon niet no? Dan juist kan hij eindelijk iemand beschuldigen van knoeierij! Ik bedoel: zijn leugenarij omtrent mijn fraude... nee, 't zou nu écht waar | |
[pagina 364]
| |
gaan worden! Waarheid in het kwadraat!’ Dan liet hij eigen zorg over 'em komen. Loosde zijn eigen gedachte door z'n hersengangen. Man! Wat was 't leven één verschrikking! Beraadde z'n geest in 'em, over de konsekwenties van eventueel publiekelijk uitlekken van die Janki-boodschap. Fraude gepleegd, accountant, niet z'n titel waard! Hij, El Negro! Hij baas Brummal! Eigen Dinges man! Als iemand wist, jonge, wat TITEL betekende! In verband met ontzag van gewone man! Heel z'n aanhang zou hij direkt kwijt raken! Titel no? Titel was magie! Wie waren nie die velen, die die eerste maal van hun oprichting, waren komen kijken na' die goddelijke doktorandus? Je kon ze op je vingers tellen, mannen in het land met titel! Geen wonder ook, dat Gerber hem bijna gebedeld had! Want deze accountant was een dubbele autoriteit, driedubbel zelfs: de enigste in 't land (behalve de koloniale staatshuishouders, ma' die waren blanken, helemaal opgesloten), de enigste échte accountant & .... voorman van een volksbeweging. Wanneer je nu van zó iemand je fiat had, aaj, dan kon je dinges met het land uithalen! Ma' kijk hoe belachelijk makend: hijzelf, leek geen enkele macht te hebben! Om wát maar ook te doen. Ondertekende papieren, moesten door ánderen, de kolonialen, als ‘echt’, ‘wettelijk’, ‘officiëel’ en zo worden gewaarmerkt. Dus ondanks zijn posisie, was hij p'poe! Als hij nu was komen meedoen met ze! Ja, dan! Al die stille aanbiedingen! Chm! Ma' nu? Nu kon ieder 'em gebruiken! Fo eigen doel, als men zou willen. Dan die mensen van daar, ze wilden zo graag! Enhèn! Ja! Ze wouwden 't zo vreselijk graag! De Moor, hij keek na' buiten, na' die boom, staand daarzo, fo zijn ogen. Hij zag een kwart van straat maar, minder zelfs, stuk van kantoorgebouw (minus blikveld vanuit venster-onderkant) tot aan boomwortels toe. Boomwortels uit de grond, oud, diekig daar. Dan boom met loslatende bast. Dan zand op grond, met kuil, geslepen door 't water, een paar takken. Om naderenden te verraden met gekraak, zo leken dinges. Dan tot slot, keek hij zijn handen aan: tien vingers, met plooien, wittiger dan hij zwart was, lichtgelig. De lopende lijnen binnenshands. Handen die dinges gingen doen. Aaj baja: wroko bari! |
|