Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 288]
| |
Hoofdstuk tien(37)D'r schoten schimmigheden door die bamboeboslijnen. Hier een geschubde huidlijkende frafra-dingGa naar voetnoot1. Daar, snelsnel wegborend, een soort van levend oppervlak. Ritselbladeren grepen de stilte, reten 't open, met hun sjra!, sjra!, sjrrrraaaaa...! De wind leek te gaan uitmonden in lichte tocht die de beweging verkoos, van iets dat via andere lichaamskracht, van blad, van stengel, zien laat, hoe de lijnen der natuur hun dans uitvoeren, vol van een soort middagse bekoring: warmte, sluipend door de gelederen van de materiën. De hemel aan de skaai, leek zó hoog hóóg, dat je oog alleen kon tranen van 't wolkendek bestaren. Dan één momentje later merken, hoe een ander soort van oogspiedende wezensglinstering (of iets van mystiek mysterieuze aard: was 't een leba-dansGa naar voetnoot2, vrij van de wezens? Was 't de menselijke ellendigheid zelf, met trage loomheid z'n weerspiegeling uitwasemend? Of was 't de middagleegte, z'n eigensoortige verwondering koesterend, via de wegen der verwondingen, rauw schrijnend aan een mensenziel? Wie zou van zulke dinges weten?)... De glinstering..... van ogen... Oogspiedend, een moment geflonkerd uit een weggaand ding.... sjra, sjra, sjraaaa..... De wind der Winden, laat een diepte van de leegzucht na. Over de muur van de klok, die de val van de zon net zwevend beneden z'n eigen hoogste punt kenmerkt, liggen de brokstukken van het ochtendmateriaal. Mijn god! De middag is de middag hatelijk aan 't worden. Met zonakkoorden, die de koelte spelen van een werelds lied. Dat niet? N'no? Of moet 't zijn.... ach, wie z'n siësta doorbreekt met het wakker gapen van de laatst geworden lucht (zuurstof is ons een eeuwig aangemeten masker, volgens de trekken van het andere gezicht) voelt zich | |
[pagina 289]
| |
zo moe! Zo middagbrekfast-urenmoe! Hij vóelt de dag aldaar z'n aangetreden weg oprapen. Of iets van dien aard wat zó menselijk is! Want de tijd met z'n eeuwige verhaasting, laat geen gehucht heel en geen mens, al moet hij zich omkeren, de gang terugwerkend langs paden van historie, vluchtig verborgen in vergroeiselen, als woekerplanten bovengronds en aarde, of ondergewroete zielsperikelen; hij zal teruggaan, tijd. Hij zal, wat hij vergeten is, komen terug oprapen. Hij zal...... ‘Eén honderd vijftig mans Negros...., 20 zwartbleke Negerinnen. Ik moge Uwe Edele deeze naschikken. Nevens eene missieve. Sy hebben op hunne vlucht één Oxhooft Zuyker, Coffij etcetera etcetera... De Snaphaanen & de Patroontas hierby Uwe Edele in vijftig voud te doen toekomen.... Eenige dier Slaaven in den tronk gesloten hebbende, na brandmercken, ratbraken, en evenzoo geharquebuseerd te hebben....’
Dan plotseling, harder dan stem verdragen kon, en toch geen schreeuw te geven, om het zielsgebeuren; maar dan het volle lied in volle pond gezongen, een soort van wild gewuif op tong, a e sjngi te en mofo sa koekoe skoema!: schuim op de mond: ‘Dasso mi kankan krio'o.... aye mama!Ga naar voetnoot3
We na mi kankan fel'o! Aye mama!
Ki'e, kio'o, ki'e, ki'o, kio'o! kio'o......’
Alleen het riet, de bamboebosstruik, leek voor hem beweging te gaan uitspreiden. Verder, roerloos, geleek z'n ziel. Aleksi! Aleksi! Al die tijd, tuinierend daar staande, met buk in z'n rug, in die tuin. Hij was op werk bij Masra Gerber. Werk no! Mai, aan d'r keukenraam, ze zag 'em weer. Hmmm? brak ze d'r hoofd, hoe kon die man zo staan dan? Wat deed hij raar, man! Net of z'n geest was ergens anders. ‘Aleksi!’ Aleksi, met z'n magergedaante en z'n lijdemans gezicht! ‘Kaiseh, bhai?’ (: wat gebeurt met je?) | |
[pagina 290]
| |
Zelf was ze toch bezig met d'r eigen dinges? Nie zo? Eigen zorgen van Mai, die bediende. Een man thuis, die begon met te knorren. Want hij vertrouwde niet, dat ze op werk kwam. Begin begin, ja, toen. Om die centen, zij werkend fo een goed bedrijf. Dat wou zeggen: zij, was gaan werken fo de aanschaf van een werkmasjien. Ma' nu voldoende geld begon te komen...... wou hij dat ze niemeer op werk ging. Dan had ze juist nu 't gevoel, een soort van eigen leefterrein te vinden. Eigen dinges als eigen zorg op d'r werk ook. Al die gevreten opmerkingen van Vrouw Igna, die bazin van Mai was: ‘Hè! Toe nou, mens! Kun je nou echt niet koken? Ja, dit zijn sperciebonen, uit blik! Je moet ze zó en zó warm maken’. Mevrouw vertrouwde, wanneer dinges d'rop aan kwamen, geen menseziel, al had ze, Mai, een staat van schone keukenhuishouding. Je kon infeksie krijgen, van al die groenten daar in den lande. Ze groeiden maar raak, langs sloot en stinkgoot. Krioelden van bakteriën! Kippen bijvoorbeeld, fo de keuken! Weg met die kippepoten! (Ze had geen weet als welke kronkeling ook, in d'r hoofd, dat die bedienden van d'r, vooral Sisi, dol was op weggooiklare kippevoeten. Een lekkernij fo d'r gezin.) ‘Het eerste wat je doet, Mai, luister nou eens! Dit is geen tempel hier om ongelimiteerd te staan zingen!,..is om de poten weg te hakken! Smerige poten, bah! En dan 't vlees te spoelen met azijn. Me dunkt, de beste manier van ontsmetten. Nee, laat die ingewanden vooral niet lekken op de rest! Want dit verdoemde land, met z'n miljarden bakteriën! Een voortdurende aanslag op een mens z'n gezondheid. Ik zag laatst nog een leproos! Gruwelijk en afschuwelijk!’ Mevrouw Mann stond daar met walgingen te walgen. Wat dan, d'rvan, had Mai verstaan? Een leproos? Fo haar was 't geen lepra-lijder. Ze dacht echt echt aan iets als een soort van roos. Dan hoe kon Frowa Inga een roos afschuwelijk vinden? (Kijk d'r getrokken ronde lipstik mond!) De mens zij dank, verstond Mai wèl, dat ze die kip schóón schoon moest klaar maken. Zonder een fiesterij, zonder één morserij! Bakterie-vrije vogelwerk opdienen, met opgewarmde sperciebonen. Nee, in geen eeuwigheden d'r eigen massala-eten: baath, de rijst, chutney en dahl of zoiets, aardappel..... Dit was op en top bakrahuis: wittemans plaats, met witter 't eten, als zo'n ding kon! En net opbrengen ook, op schaal, op witte kleed, met kaars op tafel. Dan bloem ook, nee, geen leproosbloem! Echte echte bloeibloem, vol met geur als reuk. In huis z'n tafelgeur, tussen badzepen | |
[pagina 291]
| |
en pompeja's.Ga naar voetnoot4 Tafel mooischitterig gedekt. Sisi had tafeldoek gewassen, gedroogd aan wasdraad op een stok, buiten. Binnen gehaald met waspen aan d'r mond. (Gelukkig even mond moeten houwen zo.) Dan met die andere kleren gestreken. (‘Mevrouw, die ijzer heeft me gebrand. Dat ding is vúúr!’ Ze bedoelde: het strijkijzer is té heet.) Mevrouw negeerde Sisi d'r onkunde om d'r eigen lichaam onbeschadigd te laten bij 't werk. Wat kon een mens doen dan? En? Als ze nie wou, kon ze 't laten. Andere bediende zou gaan overnemen. Die intussen d'rbij gekomen Glenda. Vrouw Glenda. Een getrouwde negerin! Uitzondering! Grote uitzondering! Ma' is nie fo dát alleen was ze aangenomen. Ze werd verwacht d'r gedrag zodanig te laten lopen langs de lijnen der beschaving, dat ze geen mannen met hun al-lastigheden op d'r werk ging krijgen. Geen bezoek tijdens de werkuren, ook geen mannen, verdacht op en neer wandelgang hebbend aan de overkant op dat trotwaar. Met verre seinen gevend: hemd open is ‘vanavond’. Mouw opgerold is: ‘ik zie je na je werk’. Of mannen buiten stilletjes pure wenkjes makend, met een zwaaihandje: ‘Meid, ik ben zo kras, dat ik nie ga kunnen staan wachten tot fanafent! Ik wil je naaien, nunu!’ Dan weer sjaffeur, kwam z'n glas water vragen, in de hoop op limonadestroop. ‘Min, je moet niet teveel hierbinnen komen! Kijk je voeten! 't Is óf stof, óf modder die je binnenbrengt. En wanneer je door de achterdeur loopt, hoop ik niet dat je de bagage vergeet naar binnen te dragen!’ Mevrouw d'r mond was los vandaag. Net of ze losse mond had, in plaats van losse buik, de diarrhee, die een bediende in 't geheim van hersens d'r toewenste. Want als 't zo doorging, ging niemand fo d'r blijven werken. ‘Ja, vruchten! Heerlijk! Lekker sappig! Al zijn ze niet zó best.....!’ Een soort van angst, door iets inlandigs te worden aangestoken bij Vrouw Igna: Als 't niet was, de verderfelijke hartstocht, waaruit laagheid van lust, of aangeboren wreedheid van de inboorling, of luiheid die historisch op hem rustte, dan was 't ziekte, malaria, filaria, gele koorts, of... lepra. 't Wittemans lichaam, gruwdadig verminkt door aanvretende tropenziekte. Nono baja! Ze waren nie gekomen daarvoor, echt echt! | |
[pagina 292]
| |
Dan liep Vrouw Igna, ze, na' die plaats waar d'r man was aan 't zitten, vlakbij dat terras. Hij zat zo te downenGa naar voetnoot5, had ze al gevonden. Iets leek 'em te knock-outen! Hij was zo laat ook, vanochtend, met weggaan. Als hij had weggewild! Want had ze 'em zonet niet Min de sjaffeur horen wegsturen met z'n: ‘Ga maar! Khoef vandaag geen rit!’ Nu was hij daar aan 't zitten, kijkend na' dat steenmotief op half-open zijmuur. Een herhaling had steen, met plantbeklimming. Herhaling van een soort ronding, met een onderbroken golf erin. Dan woestwild schuttend plantblad in zijn woekering, d'rop, d'rlangs, naar d'rboven. Hier had de tuinman zowat alles vrij gelaten, tot aan intensiteit toe, van natuur z'n sjacherend bestaan, wát dat ook, in z'n inhoud van begrip, insloot no?: het kleine leven daar, één hosseling! ‘Hm!’ dacht hij, hondespeeksel over de bekrand van zijn zielekop, ‘hm!’ Z'n gedachten zelf, wilden woekeren, boswilde planting, in de richting van 't alles badend zonlicht der triomf van alles wat was geest. De schijnselmomenten van het menselijk prakkezeren. JejeGa naar voetnoot6 in optima forma. Of was 't: jorkaGa naar voetnoot7: nou nèt het sterfelijke in de mens die hij was, in m'mapima forma? M'mapima forma was de laagheid zelve. Nee, nie de grond, zo was inlands filosofie, ma' 't laagste was de onontkoombaarheid aan grond. Gewoon: je botten moesten worden geplant, jij dood of levend! Ma' dan weer hij, één enkele zonnestraling hem beschijning gevend, denkend dat hij met geest enkel... ja, wát kon doen? Die ellendelingen! Om niet zijn plan te aksepteren! Een doodgewoon klein plan. Van nut en waarde voor 't volk! Ze klaagden, ze klaagden! Wat kon professorbrein ze niet aan hulp bieden! Het volk leren volk te zijn! Als je iets niet had, dan moest 't van elders komen wanneer nodig. Noodzakelijk zelfs, hun opvoeding en kultuur! Onderwijs & wetenschap, was hij ze komen geven. Die ondenkbaar ondankbaren! Dat ze buiten zijn gewone diensten niet dat extra plan van die snellekweek-opleiding hadden aangenomen! Verdorie! D'r begon een kleine golfbeweging op te vloeden! Iets van een nijdzaam soort van strategie. Minder gedachte of neiging, om iets over te laten aan het toeval. Of aan een knechtige medewerker, die nie wist hoe mensen aan te pakken. Eén weigerde. Een tweede gaf ook | |
[pagina 293]
| |
weigering. Janki zelf, vond hij nu bijna tegenwerker. Want als je 't niet presteerde je doel volmaakt te bereiken, dan faalde je, met tegenwerking aan jezelf, of aan anderen fo wie dat doel moest dienen. Ziedaar een sleutelgat van z'n menselijk handelen. (Verder kon niemand loeren in dat kamerrruim daar in z'n breinhoofd.) Sleutel zelf, die z'n geheimzielkamer openbaarde met handelingsredenen, was hij, Professor, Gerber, Mann, zetelend in zijn eigen hofhouding van klimplant daar aan muur, die als lakei van de naturen schaduw wierp over hem, tegen bestraling van een zon. Het algehele licht mocht hem voorbij. Genoeg gehad, aan kleinheldere straling. Met maar een paar vierkante meters uitzicht, ruimtevol bedwongen. ‘Hm!’ gooide hij z'n lichaam in een oerlichte schok, dwars door dat tempo van onzichtbaar ademen. ‘Hm!’ Van nu af aan, zou iets gaan komen, wat genadeloosheid inhield. ‘Hm!’ De dagen van het weke wachten, waren al verder dan geteld. Van nu af, zou hij anders gaan ondernemen. Hoe niet hoe! Het leek, of nauwer aan zijn oog, op dát moment, het licht geslepen werd tot iets vanzelfs: een bundel geest, een zon-geworpen jeje, vrij van de taal gesproken in de dialoog met zijn omgeving. Dan aandrift, aanwassende woekering, die de richting van een andere mens op ging, ruimte uitbrekend met een stille soort van dynamiet: de minimale eksplosie van wat tartend vol van begripshoogmoeden woede wordt genoemd. ‘Hm!’ Hij riep zijn vrouw tot hem. ‘Igna?’ Haalde zijn handen van makaar af, in zijn enkele persoon daar een soort ontvangstkomité voerend. Ze kwam, een komst van een vrouw, die zich aandiende met een lichtverende voetgang. ‘Ja...?’ Er was een zeker perspektief daarzo, net even, van die ene persoon staand bij die ander, verse ontmoeting. Met in hun midden, regelrecht kontakt. ‘Ik wil dat je die Jan nogeens hierheen haalt! Nu!’ Ze kon nie helpen, een soort van lach van d'r gezicht te laten vallen. Twee doodse maskers opgevijzeld met mimiek. Hij met een smoellach. ‘Ja, nu!’ Dan terwijl ze Min, sjaffeur, ging opdracht geven, liet hij zijn houding anders zitten. Niet los, binnen z'n opgevoede geest zelfs statig. Het ademend ongerief dat zweet was, langs z'n hand aan kant. Binnen z'n hoofd, leefde iets groots. | |
[pagina 294]
| |
Meneer had afgesproken, hij zou na' die ouwe Brummal gaan. Om een soort ‘dinges’ te bespreken. Dat rechtstreekse kontakt overeen plan. Zijn plan. Iets, dat fo hem, nu gaan slagen moest! Nee, nie fo de cent. (Met genoegen in zijn hartgrond dacht hij d'raan, dat hij zijn bediendes ekstra uitkering had laten geven. Wegens de nadering van feestdag.) Althans, nie fo de cent alléén. Zijn vrouw, met wie hij d'rover mondpraat had gewisseld, vond 't een goed plan. AlwelGa naar voetnoot8, ze had geen zuivere notie van onderwijsopzetten. Ma' wat híj deed, scheen goed. Dan buitendien, wát fo kwaads kon liggen in 't opstellen en uitvoeren van een verhaast ontwikkelingsplan? Drie keer zo snel uitgevoerd als met die luie donders. Lui, ach? Ze kenden gewoon niet 't mechanisme van efficiëntie. Juist daarom was zo'n snelkweekplan bepaald niet iets dat weg in toekomst blijven moest, had ze d'r hoofd gedachte gegeven. En met d'r goed mooigemaakte haar, had ze is-goed geschud. Akkoord dus! Zijn vrouw dus eens met hem, ma' kon 'e nie hulp bieden. Dan die ander, Jan. Goed werkend fo wat zijn theorie en uitwerking betrof. Zedelijk een niet al te stevig persoon. Ging te gauw mee, met al dat geinland! Als die zo bleef, zou hij te doen krijgen, met alle mogelijke tuig, terug in zijn Europa. Een man die te gauw zwichtte fo wat ‘volks’ heette. Had hij niet zelfs die afgodische dans staan dansen met ze? Met tamtams? En met die vrouwen die geen mannelijke indringing kenden? Vrouwen die (o wat een vreselijk woord!) met makaar ‘schuurden’? Hij had genoeg gehoord van ze. Dan zo, die Floor! Vrouw van die Jan! Arme Floor! Problemen hebbend met d'r huid, schichtig fijn wezentje. Ma' nie meetellend in spel. Nee, 't ging om d'r man Jan. Iemand die in Gerber z'n oogblik gefaald had. Door níet die Moor te overtuigen. Althans die niet te overtuigen dat hij die Brummal overtuigde. Géén goedgekeurd plan op grond van de cijfers. De cijfers? Ach! Wat telden cijfers! Het ging toch vooral erom, dat Brummal als enige loswerkende akkountant in dat land het goed keurde. En dat hij via zijn bloedverwant...... Gerber, hij wist: het moederland veegde z'n stinkgat aan, met de kolonie. Ma' wanneer iets èn van deskundige zijde, èn van slands | |
[pagina 295]
| |
inlands politieke zijde werd goedgekeurd, dan kon dat moederland weinig anders doen dan het goedkeuren, mits het.... geen openlijk protest opleverde. Openlijk no? Van wie? Van die Eigen Dinges of zo, die volkse scholen eisten? Haha, juist dáárom was die Brummal zo geschikt. Juist en fo dien, juist fo dát! Brummal als grote susser..... haha! Dan buitendien: zijn tijd van verblijf in 't land raakte in zicht, hij Gerber Mann. Een klein, ma' belangrijk punt. Zo belangrijk, als een slangebeet die je rustig kon krijgen àls je maar je serum naast je had. Je medicijn, direkt met je. Kijk, 't ging daarom, dat niets 'em in de weg moest staan, absoluut geen bedreiging bij 't bereiken van zijn doel. En dan wanneer weggaan zijn doelbereiken in de weg stond, ....n'no! Nee! Hij kon nie blijven. Dus hij móest zijn doel op tijd bereiken. Een doel, trouwens, dat fo hem télde. Vooral, omdat hij meende, dat in iets wat in een ontvangen officiële brief z'n letter had, een erkenning van zijn daden opschemerde. Kijk, hij zou iets gaan krijgen. Een zekere beloning. Het was hem van officiële kant gegund en hij zou het mogen waar maken, naar verdienste. Een zeer officieel iets, dat bij een komende gelegenheid hem zou worden aangeboden. Trons: hoewel hem niet officieel verteld, wist hij: de koningin zou komen. Met haar gouden koets nog wel! Baja!. Helemaal dáár, naar overzee, na' die kolonie. Tussen bananebomen, die hij plantanten noemde en de inlanders banane-bakoven. Drie woorden voor één ding. Ma' kolonie blééf kolonie, al wist hij, zouden ze op niet te lange tijdstermijn, autonomie gaan krijgen. Een belóófd geval. Zíjn geval, wou hij waarmaken. Geen belofte, ma' een deugdelijk opgezet plan. 't Leek net of op goed moment, iets in 'em zeggen wou, dat 't een nonsenserij was met 'em. Hij, klodder vlees van zoveel pond! Met hersens die verzwolgen werden door een plan! Wat nonsenserij? Als een klein kind, die grote man, wildoordrijverig en me anders! Gewoon een oprisping van taaie onwilligheid om te erkennen, dat z'n hele gedoe tot belachelijkheid leidde. En tot een vuilnishoop die achteraf pas blijken kon. Uit iets wat heel eenvoudig kon: een rekenkamer een plan presenteren, met de nodige figuren en omkoperij het plan tot op het hoogste nivo goedgekeurd krijgen (Hij had dagelijks kontakt met ze.) Dan zijn plan uitvoeren, liefst zonder verlenging van zijn verblijf. Dan verder? | |
[pagina 296]
| |
Verder niets! Hoe, hoe ging iemand als híj daaruit een grondige bevrediging krijgen? Nadat zijn plannen, althans medewerking aan de goedkeuring d'rvan, geweigerd waren door zo'n inlander? Mensen, die 't steeds hadden over bakra's uitgooien. Weliswaar op zo'n manier dat je ze net nie kon pakken. Ze lieten 't tuig onder 't publiek hun smoel laten uitlekken. Dan voorts..... Als hij die inboorling kon meekrijgen, desnoods met zachte soort van dwang! Wachte, de meester niet getroffen eerst. Nee, zijn lakei. Dan wie was 't? De Moor! Hij zou zien. ‘Hm!’ lachte Gerber, een spel van ziel dat hem verrijkte, binnen de eeuwige verveling van dat tropenland. En natúúrlijk telden ook zijn vele te ontvangen centjes. Als dat plan door ging..... Arbeid, deskundigheid, bleef nóóit alleen bij plan. 't Moest betaald worden, beloning: met uitvoering en..... Soble... Soble... so-blesi hoema!Ga naar voetnoot9
Soble... Soble... so-blesi mangggg!
De tuinman! Aleksi! Hij liep een lied te zingen. Ma' dan bespied - die laatkomer vandaag! - leek 't net of hij geen weet had, dat hij aan 't zingen was. ‘Hé! Kom eens hier!’ Meneer Gerber, in een soort van droeve blijheid menend z'n bediende op dronkenschap te betrappen. In dat geval zou hij hem moeten waarschuwen of ontslag geven. ‘Aji!’ zei Aleksi, zonder ook met tonen, van de aanspraak te hebben gehoord. (Baja Alex, Aleksi, Arreksi!) ‘Ja! Dus zodoende werden zij man en vrouw! Madam Zobre! Zij, rijke negeres, trouwde historisch met een witte slavenmeester!’ Dan hield Aleksi adem in. Een soort onmenselijke spanning golfde langs zijn kaakwerk. Het leek emotie-zee, met een kalmte die wou opgolven. ‘Alex! Alex! Wat heb je toch?’ ‘...Plakati Joesoe! Di man, a hang en mi-telli-dja! Jamakama mea! Jamakama mea! A flti wan banja!’Ga naar voetnoot10 Wat zei hij nu? Plakkaten Jozef? Hoezo plakkaten? Hij hing een | |
[pagina 297]
| |
plakkaat op, bij wijze van bericht.... Wat? Wanneer? Dat zwaar oud-Engelse aksent! Als 't niet volstrekt had anders geklonken zou hij scherp en snel hebben gedacht dat.... hij hing zijn ‘me-is-telling-you’.... een ‘bericht?’ Een boodschap? Waarover? Die Alex moest wel met z'n geest in een heel andere tijd verkeren! Voor 't eerst kwam Gerber zover, dat hij sprong op z'n voeten, na' die Alex toeging (Alex had schoffel in de hand, ma' leek man zonder gevaarlijkheid) en Alex vastpakte. Hij schudde z'n schouders. ‘Alex! Alex! Wat?!’ ‘Eh..san e psa?’ Alex kreeg iets over 'em van helder te zijn geworden uit slaap. E'e?, keek hij verwonderingsvol, wat kwam zijn baas doen met 'em? Aleks wou nie geloven dat hij ‘weg’ was geweest. Heel even in een andere aktualiteit van vroegertijd. Waar dan? Hij was tuinman gebleven, werkend in zijn meester's plaats. Ke! Ach! Kijk een dinges waarin 't lot 'em kwam te zetten! Meneer Gerber wou toch geen kwaaie dinges maken met 'em? Hij had vrouw thuis... hij had kinderen om hun buik met mond te voeden... Dan hij had nèks van kwaaie dinges gedaan ook... Asjeblieft no?..... Zodra meneer begreep dat Alex weer nuchter was bij zijn ware positieven, liet hij hem los. Stel je voor dat andere bediendes zagen, realiseerde professor zich, dat meneer dichtbij een bediende stond en die zelfs vast hield! Respekt! Fo hem als Professor Mann! 't Moest d'r zijn! Respekt ja, die je kweken moest! Hij gooide z'n handen los van Alex' lichaam. Hij zette een paar voet zijn stappen terug. ‘Alex! Wat is er in godsnaam met je?! Je praat over iets op een manier die doet denken aan zólang terug. Het was net ofdat je in een oude tijd verkeerde! Maar dat kan toch niet?’ Hij liet zijn mond de rust vinden. Wachtte met woord uitlaten, wind ruisde voorbij. Dan hoor 'em no, meneer Gerber: ‘Alex! Ik wil een verklaring van je hebben! Zeg me nou eens: je... nee, je bent niet dronken want anders had ik 't geroken!... Je... doet toch niet aan die... eh.... afgoderij van jullie negers? Hm?’ Snachts vlammende tamtam. Tamtam no? Bongo! Of agida! Of papa-dron! Namen fo de echte boomstronken met dierhuiden gekleed, ja, gekleed alsof 't personen waren, aparte jeje's. Vol van hunne heiligheden. Die negermensen, dansend in hun eredienst. Afgoderij! Dan hoe kon Alex zeggen dan? Hij wist nie beter. Hij wist nieteens wat met 'em was gebeurd. ‘Ik was aan 't slaap hebben, meneer!’ Hij keek niet alleen ter verontschuldiging schuins. Ma' z'n hele knikkerbol | |
[pagina 298]
| |
stond schuins daar op z'n lichaamsromp. Je kon z'n buitenkant zien, hoe hij een zachte leugen loog en jokte!: ‘Heeft... heeft meneer me snurk nie gehoord!’ Hij liet iets presenteren aan het menselijk oor, iets wat meer weg had van gegrom van iemand in een dodelijk opgezette val, een MarronGa naar voetnoot11 bijvoorbeeld, dan van een werkelijke slaapsnurker. Meneer waaide wind weg. Trok aan zijn rondte van zijn buikriem. Keek na' Alex met scheel z'n oog. Wacht, die werkelijke verklaring moest komen. Dacht die vent dat hij met hém de malle kwam te spelen? Beslist niet! Hij Professor Gerber Mann? Om geen kwaaie figuur te maken, besloot meneer weer te gaan zitten. Hij zou, dacht hij in z'n hoofd met hersens, straks iets aan Jan vragen, wanneer die kwam. Met díe kon hij tenminste vrij-uit spreken. Niet met deze. Want kijk hoe Mai al, schaal opdienend, kwam aanlopen. D'r vrouwenbuik een beetje hoog onder die plooienrok van d'r. Met sluiering van een doorzichtig stukje goed boven d'r hoofd. Dat bemoeizuchtige personeel! ‘Hm!’
‘Jan’, zo klonk later uit Gerber zijn hoofd, ‘Jan, ik wil iets van je vragen, zo niet vergen.’ Janki keek op, z'n hoofd roodrood van spanning. ‘Die eh.... meneer Ronalds, je kent hem van nabij.... En je weet ook hoe zijn zaken lopen op dit ogenblik: hij wordt op handen gedragen door het plebs vanwege zijn bevrijdingsideeën.... en tegelijk wordt hij vanuit de onderwijskringen verguisd, met name wat de krant schrijft over zijn opvoedingstheoriën,.... vooral zijn praktijk...... Ja, je kent hem wel! Welnu: je weet, ik ben iemand van droge cijfers over opleidingen en zo, onderwijstrategieën. Ik wil nou eens - en 't is een hartewens van mij, - dat je mij nader informeert over zijn leerpraktijken. Misschien dat ik daar wat van kan leren!’ Baja! Wat een geklonken taal! Janki, hij wìst! Hartewens betekende: opdracht! En gezien het halen van 'em, met Gerbers eigen wagen waar die professor liever geen andere personen in liet, betekende het spoed! En wat zo, werd gewenst? Informaties! ‘Ja, ik bedoel echt zwart op wit informatie!’ | |
[pagina 299]
| |
Gerber, hij had iets van een nerojaanse vorst, met alle lichaam die naar uiting zocht van geest z'n krachten. Een uitbreidende persoonlijkheid, in die zin, dat je aan 'em zag, dat hij ruimte behoefde. Al was 't maar per stellen van een daad. En hij wou! Hij meende zelfs, zoals verstáán, dat Janki weer iets voor 'em ging stelen. Iets wat De Moor had. Papieren, geschriften, manuskripten... opvoedingsleer, fo de praktijk. Wat kon die Gerber doen d'rmee? Niets! Althans, dat was die Janki's oordeel. Ronalds met ze chanteren? Lach maar raak? Ronalds plubiekelijk laten vallen? Of aanklagen als deskundige? Of... hem van zijn ideaal ontdoen, door zijn praktijk kapot te maken? Ander doel? ‘Ik zie: je denkt na! Kom Jan! Het is geen tijd om na te denken! Doe wat ik je gevraagd heb! En je zult rijkelijk beloond worden. By the way: ik ben zowat aan het eind van je proefschrift! Niet zoveel op te merken. Maar één ding bevalt me niet: je neigt teveel naar historische verklaring van alles wat die mensen te vertellen hebben. Het moet je toch niet ontgaan zijn, dat zij geen echt bewaarde kultuur hebben. Reken maar dus niet op de oplossing van het vraagstuk van de historiciteit. Of wat ze allemaal vertellen werkelijk gebeurd is, hoef je niet persé te weten. Het is voldoende een algemene verklaring te geven. Ik zou maar zoeken naar een antwoord dat niet al te zeer onthult hoezeer ze gedegenereerd zijn!’
Oh, en... een slotwoord opstellen waarin een zeker perspektief gegeven wordt. Bijvoorbeeld... (hij wachtte nu). Van hoe we ze bijvoorbeeld tot ware mensen kunnen maken. Hm! Dit zootje! Ja, wij Hollanders, zijn echt niet mis in het bedenken van staatsstrukturen die misbaksels opleveren! Dáár hadden wij geen wereldoorlog voor nodig!’ Hij zag masra Janki z'n gezicht strak trekken. Een soort van slapende pijn. Die goeie Janki! Had Gerbers assistent moeite met de opdracht? ‘Kom, kom!’ Of iets anders? Dat moest híj weten! Opdracht was opdracht! Is niewaar? Ma' kom, behalve man die boven Janki stond, was hij, Mann, ergens ook vriend met 'em. En hij wist: die Jan had waarlijk echtoprechte interesse fo die negerdinges. Vandaar dat hij bij wijze van afleiding en ook uit z'n soort nieuwsgierigheid, begon te reppen over Alex. ‘Hé zeg, ik heb een interessant geval voor je..., werkelijk interessant!’ | |
[pagina 300]
| |
(38)‘Ija! Een man behoort een koning te zijn! Met z'n vrouw als bovenkoning! Ma' één die náást hem staat!’ Wat fo gefilosofideer so dan? Die m'ma m'ma middag!Ga naar voetnoot1 Kerels met makaar zittend, zijn aan het praat houwen. Dan kijk ze, eentje, plettend tegen die zinkwand. ‘Ija! Oema?: vrouwen? Vrouwen zijn héél zichzelf en de helft van de man, die fo de rest van hun is!’ Groot lachen! Je kan rekenen:Ga naar voetnoot2 d'r komt net een vrouwmens voorbij, op weg om te gaan kleinen in w.c. d'rachter. Wie, wie zou zich zo afwegelijk tonen, dat hij van dit soort uitspraken nie zei, met sopi aan zijn hoofd, gedronken? ‘Kom horen, me skat! Met je oge so kroot! Kom een bier fo me brengen!’ Een rond gezelschap daar, van mensen. Die vriendenkring van Alex, bij z'n huis. Mensen van hart en ziel! Een prettige bijeenkomen. Alex! Hij had zijn vrienden uitgenodigd: ‘Komen jullie dan! Ik ga iets geven!’ En iets geven had z'n betekenis van feest houwen. Met pret en gebruis van plezier. Want als je dinges gaf, verwachtte je niet dat mensen hun mond kwamen zitten houwen. Stilstil gaan zitten hoofdbreken. Nono! Je wou dat ze hun tweede spraak toonden: die van een goedgesmoelde takiman: goed tori praten, gezelligheid maken, plezier kweken. ‘Wát fo dinges zeg je?’ riep die w.c. gaande dame, met d'r schudrok. ‘Meisje, is nie jóu moeilijk ik, hoor!’ Dan achter d'r rug, met die hele bende daar als kijkparade: ‘En maak geen grap, want ik ben iemand van frontaal!’ Gedoeld werd op een zonodig rechtstreekse huwelijksaanzoek. Huwelijk no? Nie nodig! 't Ging om échte leven! Zon op die dag, nog hoog aan hemel, hoger dan mensenoog... ‘Nee, breng geen warm bier op mensen! Is kouwe moet je brengen! desnoods ijsbier!’ Eentje daar, vond dat een ander z'n mond teveel had gelopen. Hij was dinges gaan lopen vertellen. Met ruziemakerij tussen die twee. En wegjagen: ‘Geddout joe!’ | |
[pagina 301]
| |
‘Nono! Geen ruzie daarzo!’ ‘Maak geen nonsenserij! Maak beter hier plezier! Geweldigmakerij komt ten val!’ Vanuit de trobbelhoek weer kalmte. Je kon daar langs die baarden gaan en zien hoe de gezichten voor 't meeste straalden. De middag was vol schoonheid die niet kaal viel door stormen in de ziel der wezens. Drukte, het ritueel van goed plezier! Met goed soppelenGa naar voetnoot3 daarzo. Wat wou een man nog meer? Een tafel met zes stoelen, steunend met die tafelvoeten in dat zand. Op tafel, plastiekkleed (hóór Ma Dodo aan Jana: ‘Je kan die mensen toch geen kale tafel laten zien? Is schande meisje!’) met bloemen volop uit hun knop d'rop, kleine boeketten. Plastiek langs tafel met gekrulde rand. Stoelen een beetje weg van tafel. ‘Hé Aleksi! J'hebt je dag vandaag! Zeker een geld gewonnen no?’ Alex, hij rept geen mondhoek fo je! Hij zegt z'n nèks en drinkt en kijkt. Met ogen die alleen maar blinkelinken. Eerste begin: hij denkt aan iets. Tweede begin: ja wát? ‘Hij denkt kontra zijn eigen hersens in! Aleksi jonge...!’ ‘Wát heb je gezegd?’ ‘Aleksi, je kan nie komen zitten hier, met vriendenkring die j'hebt geroepen, dan blijf je stilstil fo ze! Hopo! Sta op een vertel ze een tori. ‘Ma Dodo, wegzittend tegen die stellaasje naast van d'r huis, liet vanaf afstand d'r tong iets van een uitspraak presenteren. ‘Geef ze die tori van laast! Van die eh... sraf'tentoriGa naar voetnoot4 weer? Je weet, met die vluchtende negers!’ Ocharm: porti Alex! Hij wist niemeer. En wou nie weten ook. ‘Ach, laat dinges!’ riep hij. ‘'t Zijn júllie zijn bezoekers,Ga naar voetnoot5 toch? Weldan! Zeggen jullie een tori! Joewan, begin no?’ Arme Joewan! Wat moest hij zeggen? Met z'n gerot gebit en slagtanden aan beide kanten langs z'n lippen. Jana dat', wanneer ze naar 'em keek, die gast, dan gruwde ze! Een mens als een soort levende leba, die vreeswekkende geest. Had zes kinderen met vier vrouwen. Z'n hemd hing aan z'n lichaam. En z'n lichaam aan z'n ziel! Kijk hoe hij was aan 't zitten! Net als de beeldspraak van de zwervende in de woestijn! Of was 't de roepende? Hij kon 't nie schelen! Want hij nam één grote slok zo, van zware alkohol. Hij was gereed. Klaarklaar, ja! Ma' nie om te praten! Wel om te luisteren. ‘Is niewaar, me schat?’ | |
[pagina 302]
| |
‘Láát Joewan! Vergeet dat ding maar! Zonet toen vrouwen-verhalen aan bod waren, had hij mond! Nu zo, lijkt hij op babawman met boeboe! Babawman, stomme persoon, met boeboe, een pijnlijke ziekte. Dus een stomme die niet zijn leed kon uitklagen met woorden! Wat een vergelijking! ‘Laat Joewan, ba! Laat hem met rust! Neem Kobi, Kobi, kom dan, zeg ons wat! Jij bent als straatzingende man! Wanneer iets uit z'n mond opgorgelt, is 't een ware tori! Zeg op, no?’ Kobi met stilte. Als mensen iets van 'em wilden horen, dan kon hij niet. Nee, hij vertelde vaak en wel, ma' niet ekspres. ‘Me jeje heeft me weggelaten.’ bracht hij z'n stem uit. En meende dat z'n vertellersgeest hem in de steek liet. Dan zweeg hij, fo bijna 't komende half uur. Fo anderen was 't geraffineerde spelsoort dat hij deed. Een veel verteller? En dan juist bij ware gelegenheid nie zoveel kunnen zeggen, dat je een onderhoudend verhaal bij makaar in je tongval tegader haalt? Nono! Nee! Dát kon niet. ‘Sjori, jij dat! Doe no? Zitten jullie niet als verlegen awari! Praat! Vertel!’ Sjori wie? Sjori was daar gekomen, met z'n tien vingers aan z'n handen, in de overtuiging dat hij iets ging meemaken. Geen verjaring, want 't was geen geboortedag van Alex. Ma' dat Alex iets ging doen, bijvoorbeeld iets wat temaken had met negerij. Dus iets wat werkte met magie. Dat was Sjori z'n verwachting. Soms, dan deden die mensen hun ‘dinges’ en dan had je nèks in de gaten. Waar je zat, zonder je weten, was je in een ritueel aan 't meedoen. Dus hij keek, hij keek. Ma' hij zag niets van dien aard. Toch dus wel, een gewoon gezellige bijeenkomen no? ‘Sjori, j'hebt zo mooi verteld zonet, hoe die schoen aan voet je kwienst!Ga naar voetnoot6 Die schoen is veels te klein, 't kwienst je! Hahahaha...!’ Iedereen breekt z'n lach uit. Aaj Sjori! Dan ‘kwienst’ die schoen je! 't Knijpt je niet! 't Wringt je niet! 't Pijnigt je wrattepoot niet! 't ‘Kwienst’ je voet onder je been! Hm! Hahahaha...!’ Sjori stilstil daar, piiiii....., met z'n bekje. ‘Dan wíe wil doen? Mati Koenkoen Kwakoe?’ Wie? Wie zou 't vertellen doen? Koenkoen Kwakoe, hetgeen betekende Schijterige Kwakkus! (Ma' zeg 't asjeblieft nie hardop, want anders breekt ruzie | |
[pagina 303]
| |
daar! Vlei 'em liever, die vent met deze bijnaam, met te zeggen, dat hij zo'n zalige zweetgeur heeft! Van de lemmetjes-deodorantGa naar voetnoot7 die hij niet gebruikt!) Kwakoe, een zware putwerker! Hij verdient rispekt en verzorging van een goeie vrouw! Zijn vrouw is weggeboord van 'em, omdat... - e'en! Nee! Géén gekonkel hierzo! Met mars! Dan liever vraag gesteld aan Tjali. ‘Tjali, help no? Kom snel iets zeggen man! Jij? Jij bent prakikiGa naar voetnoot8 toch? J'hebt toneel gespeeld fo schoolmeester! (Dan tegen die mensen daar.) Hoor Tjali, toen hij kleine neger was, met aanbidding van een houten kindje jezes: Saaaaaanta...! Saaaaanta didibri...!Ga naar voetnoot9’ Iedereen met een buik vol lachen! Santa didibri: heilige duivel! 't Was geen dinges om fo te lachen! 't Was ‘bekwame’ kultuuropvoeding. Tjali was dan ook méést geklede persoon daarzo, met blinkende schoen en broek met scherpe scheermesvouw aan 't. Nu werd tenslotte aan Alex gevraagd om te vertellen: ‘Aleksi! Is jóuw beurt! Jíj moet ons iets komen zeggen nu! En kom ons nie zeggen dat je weet nèks...!’ Aleksi zittend, z'n rug halfkrom op stoel. De bil van die stoel was van hard soort hout. Onder, die stoelvoet, triomfantelijk mensdragend uit die bodem met z'n moddergesteldheid gestoken. Aleksi, met z'n ogen als dagdauw! Hij hoorde ze, met oren die hij had, al leek dat ding, net of hij ergens anders fo dát moment z'n geest had weggeroepen. ‘Aleksi! zég no?’ ‘...wel, wat ik nu ga zeggen, is die tori van Bonaston!,Ga naar voetnoot10 Bonaston, een zoutwaterneger, van Yoruba geslachten! Afrika, die ik je zeg!Ga naar voetnoot11 Vroegertijd is het nu, lang, lang terug, vele boslevens terug. Dan is die boot vol met ons negers! Die Pottegezen, ze hebben ons aan ketting en met touw! Wel, sins ik, Bonaston, tijdens een storm geboren ben op deze aarde, met z'n bos, zo taai, als haar op hoofd! Sins ik op deze wereld ben gekomen, heb ik nie zo'n grote houten MinadelhuisGa naar voetnoot12 gezien! Dan later... Die witmatrozen die ons zeggen, dat ze Hollandmatrozen zijn, staan dáár! Dan later...! Al die negers op dit schip! Van geen van ze, kan ik hun taal verstaan! Anderen zeggen: ik ben Pappa-neger! Anderen zeggen: ik ben Ashanti! Anderen: Loewangoe! Ma' 't is die kleur die ze gevangen | |
[pagina 304]
| |
hebben, zwarte mens, met hun ketting! Dan van zeekant af, zijn we hier gekomen. Met longo-boto, die korjalen. Anderen van ons springen in dat water! Die witmatrozen, bakkara's, hebben ze met hun snaphaan doodgeschoten. Ke! Ach! Ke, bakkara, ke! Dan kijk: me land gaat ver weg, van me, ver van dit huis op 't water! Dat negerland drijft van ons af... Die vogels vliegen weg, ze komen weer! Eten van onze zeren! We jagen ze weg met ketting, zo klakklak! Ma' bijna niemeer niemand heeft z'n krachten! Die vogels tjoppen ons, eten van onze wond. Aaj, zo dan! Ma' terwijl op een goed moment, al die vogels weglopen op hun vleugels in de wind naar 't land terug, blijft ééntje zitten, daar op mast van schoenerboot. Ik kíjk die vogel! Vogel kijkt me aan! Ik kíjk die vogel! Vogel piert z'n ogen open fo me! Wat?! Ik zing een mondje fo die vogel: ‘Tek'o, teki ba! Na wan fri di j'abi dapede! Na wan sondi foe gowe we! Mati libi di kora! Na wan frigitiwan de na anoe-o!’ (Kijk mij eens aan! En kijk eens naar jou! Jij bent een vogel, met de vrijheid om terug te vliegen. Maar ik ben iemand die slechts één kant op kan gaan: ver weg! Vogel, mijn vriend, vergeet me maar! Ik ben verloren voor mijn vrijheidsideaal!) Wel, sins ik je zeg, opent die vogel z'n mond en zegt fo me: ‘Kodaku! Dadu! Dadu! Ik ben die Bewaargod van jou als mens uit een gezin: Hakaw Dedoe Dádá! Ik ben de Winti, Geest, die iets kan geven! Want ik ben meer dan menigeen!’ Dan zingt Hakaw Dedoe Dada: Dadu Kodaku, Vogelgeest voor mij: A taki, djengo, djengora...! Djengo, djengora...! Wel wat ik zeg: dat djengo djengora is een obja!: één magiekracht! Voor je wil beginnen met te denken, vliegt die hele boot met negers terug! Ija! Al is 't naar een ander gebied in negerland! Want me geest heeft die boot overwonnen! En nu, ik, Bonaston, ben daar gaan zwerven, totdat ik veel later opnieuw gevangen ben. Ik ben teruggekomen in de geest van een beebie, geboren op een boot. Eén van die zoveel zoveel boten, die later definitief weg waren aan het varen...’
San? Wat een tori! Mooi om op te drinken! ‘Aleksi! Ma' één ding: vanwaar vandaan, kom je aan die tori dan? Heeft iemand je dit ooit gezegd?’ klonk zeer nieuwsgierig kommentaar. | |
[pagina 305]
| |
Aleksi, hij zit stil nu, ‘Welke tori?’, denkt hij. ‘Heb ik dan iets verteld?’ Wel, láát ze zeggen! Ze zeggen al zoveel dinges van 'em!: Dán krijgt hij onverwachts een vreemdsoortige geest op 'em, een vreemde jeje die over 'em komt! Dán weer, roepen ze, dat hij sluit is: gierig op centen. Dan weer andere, (een hindernis vooral,) roepen ze: hij is sooi! Dat wou zeggen: een suffe man! Een man zonder één sikkepit in z'n lijf en lendenen! En man onder die voet van z'n vrouw levend! ‘Wachte,’ dacht hij, ‘fo alles komt een oplossing.’ ‘Aleksi, Aleksi! Kijk nie zo, met wraak! Je bent toch nie boos, omdat ik heb gezegd dat je iemand bent met een geest geneigd tot vluchten? Ach! Over die lowemangeest! Vergeet die zaak! Is nie zo meen ik 't! Ik meen: je hebt een goeie fantasie in je hoofd! Een goeie geest geleidt je weg naar verten!’ Dan werd die drank gedronken. Jana, met d'r borsten boven aan d'r bekken, kwam ze opdienen. Djogoflessen, vol met liters bier. Bier schuimde zo, dat 't geleek een zee op land z'n terrein en domein. Land, land, zee! Een zee om aan te proeven! Andere soort van zee, was zee van tori's, de zee van woorden uit verhalen. Want terwijl zon z'n zonlicht scheen over die dag, die achtermiddag in al zijn vol ornaat van waaiwind en van helderheid, werden hun hoofden losser, losser... ‘Kobi, me jonge! Was’ go dan!: vertel ons iets, met zingen, no?’ Wat kon hij anders dan?, Kobi! Met een nekbuiging en oprisping vanuit het punt van zijn adamsappel - zo leken dinges - liet hij zijn stem gaan variëren. In woordvibrasie en met drang. Die zingende ziel, met kracht van taal! ‘Mis' Elena, Mis' Elena, grin gran, grin!
Mi na monimasra, grin, gran, grin!’Ga naar voetnoot13
O, Miss Helena, ik ben iemand met geld,
een Rijkaard, O Dame Helena!
| |
[pagina 306]
| |
San? Iemand liet z'n wenkbrauw frons uitwijzen aan z'n hoofd. San? Wát weer zo, was dit? Dit? Dit leek een odo-singi. Dit leek een toespeling op iets! Iets wat hij zelf had gehoord of meegemaakt! Joewan! Joewan met z'n slagtanden! Hij wraakte. Ma' hij zei nèks! Hoe kon 't anders? Kobi had eventjes gezongen maar. Heel eventjes, een lied dat schoon bekend was. Ma' wat de rest nie weten kon: Joewan had de zingende Kobi nie zolang terug gezegd, in hartuitstorting, dat hij verdrietigheden had. Z'n vrouw had 'em gelaten, want hij had geen centen meer. Fo de achtste keer had ze, zoals dat heette, met weggaan ‘haar voeten genomen.’ Want hij kon d'r met al die kinderen nie onderhouwen! Hij kon geen werk vinden toch. Hij was te arm fo zijn gezin. Dan wanneer hij 't had, verdiende hij driekwartjes op één dag! Zodoende kon een man nog nieteens twee huisratten te eten geven! Laat staan de rijkaard spelen, moniman. Dit lied van Kobi, was aldus spotlied fo Joewan! Hij wraakte! Die armenaar! Kauwde zijn tanden voor 'em! Sjisseskraisjst!, vloekte hij z'n verbastering van jeses kristes. Fo waarom, wáárom kon iemand een ander zomaar zo een steek onder water geven? Zoals de spari, pijlsstaarttrog, die je tijdens het zwemmen treft! Aaj! Misschien jaloezie! Jaloezie van Kobi. Want ondanks al die kinderen, ondanks de armoede, Joewan had een zó mooie vrouw, dat... ‘Hoor hierzo!’ begon hij van zijn kant. Ze trekken stoelen nader. Ach, ze hadden liever gekaart. Of meidtori gezegd, heleboel dinges over vrouwen. Naaimeiden met grote pola's. Ma' die protesten begin begin al, van die ouwe Dodo, van Jana ook, en buurvrouwen daarzo, om al die rondborende kinderen. En om zichzelf als vrouw! Meidverhalen waren nu eenmaal vieze tori! Vandaar dit kultuurgedoe, zoals ze vonden. ‘Wel,’ brak de mond van Joewan uit, ‘wel, Papawinti, de Oppergeest, hij had twee zonen! Die één was Koena Koena! Die ander was Boenbadwa! Dan vochten die twee zonen: wie zou heersen over aarde! Hm! Een zware strijd met zware werk d'raan! Want geen van die twee, onderde fo die ander. Koena Koena wou niet die voetveeg spelen van Boenbadwa! Boenbadwa wou in geen geval onder de voet staan van die Koena Koena! | |
[pagina 307]
| |
Dus vochten ze en strejen ze! Je denkt is grap no? Eén geweldenarij! Ah!, sins ik je zeg!: Koena, hij gooit storm dwars door bos! Ah! Boenbadwa bleef nie onderen! Hij gooide storm met orkaan! Papawinti kijkt: hij kan nie oordeel geven wie gewonnen heeft! Want wind is wind! En storm met orkaan is één karakter! Aji! Zo waar als ik je zeg, mi boi! Chm! Dan gaat die tori verder fo je, luister met ál je oor aan je hoofd, om nie te zeggen later, dat ik ánders heb verteld, ma' zo: (Hij zong z'n adem leeg, eventjes maar, met die paar regels: ‘dawe doendoen! dawe doendoen!’ Een soort magische formule, tussensnijdend. Dan boorde hij door): Wel, zoals ik vertel: Koena, hij gooit lucht! Boenbadwa: hij gooit met liefde! Vurige liefde zo, 't werpt leven op! Vandaar dat hij, Boenbadwa, Zon, tot op vandaag, over deze draaiende aarde mag regeren! Ik heb gezegd!... Kleinmeisje daar... ('t was tegen Elisa, die dochter van Aleksi)... kom een mondje water fo me uit die put halen, laat ik me mond spoelen...!’ Wel, mét dat hij klaar was te zeggen, sprong Kobi op. Voelde zich aangesproken door Joewan. ‘Is míjn verhaal heeft hij gezegd! Míjn verhaal!’ Iedereen schrok. Maaaaang! Me Jeses! Wat gebeurde dan? Dit was toch gewoon een mooi verhaal over de alles overwinnende liefde? Ma' nu bleek méér: ‘Ija! Jo lage neger! Is míjn verhaal! Je weet dat me broer is doodgegaan, doordien ik met 'em heb gevochten om een meid! We hebben gestreden fo liefde! Tien jaar straf fo dat ongeluk heb ik gekregen! Dan nú nog moet ik horen d'rover! Overal waar ik ga, roepen die mensen: broedermoordenaar! A sari! Genoeg!’ Hij hief zijn stoel op, om die hersens van Kobi in te slaan. Drank! Drank! Sopi! Dan nog nieteens zoveel opgedronken hoor! Ma' wat loszat, aan mensen, ging veel eerder zweven. Gevoelens... angsten... achterdochtigheden... Kijk 'em daar, zweten onder zon z'n straal. Een mensenkind en man, gepijnigd met geweten. Dan nu krijgt hij z'n leba op ze,Ga naar voetnoot14 zoals ze 't zeggen. ‘Die m'moer!’ klonk vloek, ‘Wel, nu hij me tori heeft gezegd zonet! Ik zal 't nu nader verklaren. Ik was een man van zonder geld! Een man | |
[pagina 308]
| |
van zonder meid, van zonder eer of leven ook! Monimasra ben ik niet, ik heb geen cente! Joe m'moerkoedoentoe joe!’, vloekte hij, opnieuw, menend dat die ander was een wangedrocht. De zaak werd sus-sus afgedaan. ‘Hm! Kalmte jonge, laat geen drank je verstand uit je hoofd weghalen fo je! Is nie goed fo mensen om zo te gaan doen. Goeie goeie vrienden zo, gaan door drank bederven met makaar, weet je niet no? Doe!: je gaat zien! Ik waarschuw!’ Welke stem kon preken? D'r was een soort van wraak ontstaan. Koenkoen Kwakoe, dus Kwakoe de Schijter, met z'n putwerkersarmen over makaar. (Wie wou, kon 'em komen aanraken! Je zou zien hoe huizenhoog een mens kan vliegen!) Hoor 'em no, z'n mond werk gevend: ‘Jullie kennen die tori van die vrouw met bimba aan twee voeten. Bimba Koba? Dan ging ze op stap! Dan bracht ze een tweekopslang na' huis! Sins die dag heeft ze een zeer. Een rooswond aan d'r voet bij enkel. Ding wil nie genezen...’Ga naar voetnoot15 ‘Kunnen jullie nie ophouwen?’ Ma Dodo zat d'r zitten. Ze was aan 't kijken, vanaf zijhuis, hoe dinges zich waren aan 't afspelen. Een ouwe vrouw, saai zittend (zij leek echt zo sooi), maar met scherpe oog waaruit blikken van een toeziende figuur. Fo wáárom had Aleksi die vrienden van 'em hier gebracht, en? Hij had geen centen, ma' hij had mensen geroepen. Had een hele krat met bier geborgd bij die winkel van de hoek. Dan wanneer hij z'n tweecent kreeg (zoals ze 't weekgeld noemde), dan kon hij alles fo die winkelman gaan zakken. Hele portemonnee: ‘Ierzo! Ik heb je moni fo je gebracht fo betaling! Neem no?!’ ‘Hmmm!’ dacht ze, sloompjes zon genietend, ‘hmmm? Fo wáárom moet een neger zo leven dan? Hele land met zwarte mannen! Dan maakt geen enkele, verschil met die ander! Allemaal: leef vandaag fo morgen! Maak al je paar centen op! Maken hun ruzie! Spelen hun kaarten, dobbeldobbelen! Dan zoeken ze hun buitenvrouwen hier en daar! Maken kinderen zonder ze verder zorg te geven. God blesst Arreksi, blijft hij met Jana!...’ Dan schakelde ze d'r mondtaal over op een ander denkvoorwerp: ‘Kinderen! Ren nie zo rondom grote mensen! Ze zijn hun dinges aan 't doen! Marsen jullie! Kijk hoe die kinderen die erf vuil maken met manja-schil! Een mens kan glijen en z'n nek breken! Dan ben je ook | |
[pagina 309]
| |
van alle leven af. Ach, een oudmens ben ik... dan denk ik zo fataal! Grote mensen van me, van vroeger, moesten me horen! Want dat eten van zweep,Ga naar voetnoot16 wat ze neger hebben geleerd, dat verdragen van alle soorten onprettigheden... (ze zei: onprettik-eden, daar in d'r gedachten)... misschien is daarom, zijn we nunu zó...’ Een soort persoonlijke verklaring van het loze doen en laten van die mannen daar aan drank tafel. Buiten op 't erf zittend, zij, kleine soort van vergadering. Ergens in de buurt, grote dansmuziek die tot daar drong. Een soort van pret wegleven. Ija, nèks temaken met hun zorgen! Ma Dodo wou net weer d'r gedachte geven aan iets van zorg om die dinges van ver terug. Dinges die Alex zomaarzo met mond kon zeggen, net ofdat hij een geest kreeg uit ver verleden (ze begreep geen nèks van die dinges.) Toen die tori van Kwakoe d'r oor weer trok. ‘... ija! Dus die vrouw had een wond als een roos! Dan wou die wond nie gaan genezen. Mensen riepen fo d'r: 't is wisi! Want ze heeft, met brengen van die slang, een kwaaie geest op d'r genomen! Hoe ze die wond nie schoonmaakte, met azijn, met lemmetjeszuur plus as uit de koolpot na 't koken, mooi warmheet! Nono, niets hielp daarzo! Baja! Die wond was van een bozegeest! Dan is ze na' echte dokter gegaan: dokter heeft d'r gezegd: is suikerziekte. Diabetriek, geloof ik, heet dat ding. Ze is na' negerdokter gegaan: hij'ft fo d'r gekregen uit geestkijken: is negerziekte heeft ze!: last van Kwaaie Dinges! Dan is ze blijven gaan bij negerdokter, met z'n obja! Pammm! Vóór je denkt komt ze thuis terug, met een beebie! Nie met genezing aan d'r! Hij 'ft d'r op zijn manier genezen!’ D'r kwam één lachpartij. Aaj, dit verhaal ging tenminste over niemand. Althans, niemand uit dat gezelschap. Ma'dan, vroeg Tjali, als een echte speler. (Kijk z'n gebit: kleppert van makaar en op makaar, net een doodshoofd in manipulasie: klak-klak-klak, iets speelt met 't!) Hij zegt: ‘Wacht even, hòr!’ (Dan trekt hij aan zijn baard die gelig aandoet.) ‘Waar is die tweekop slang gebleven? Waar heb je 't gezet?’ (Dat moest dus nog verklaard worden.) ‘Die tweekopslang? Ach, ja... dat was de tweedracht die ze in huis hadden.’ ‘Is ik zeg je!’ Aleksi sprong op! ‘Tweedracht no? Je bedoelt dat die vrouw zomaar zo durft om een hulpGa naar voetnoot17 te gaan zoeken! Ze heeft iets thuis | |
[pagina 310]
| |
wat nie goed is! Je denkt: ik weet niet wat je bedoelt! Wel, ik ga je wijzen!’ Alex! Hij meende dat zíjn realiteit met Jana daar was blootgelegd. Ah, sins ik je zeg, vechten! Goed vechten ook! Ma' nie Alex met hèm! Want net op dat moment was... Jana weer aan 't komen. Haalde d'r flessen weg, die lege, van die tafel. Ze had groene bananen gebakken, fo zoutjes. Dan nu had ze die schaal gezet op tafel. Had net een fles in d'r hande gepakt. (Baja! Sloeg deze tori echt wel op Alex en Jana? Of was 't maar ferbeelding van Aleksi? Kwam door die drank gewoon iets boven, aan konflikt, wat altijd met die sluiers van achterhoofdgedachtes in 'em had gesluimerd?) Aaj mi boi! Vóór ik je zeg!: Aleks slaat die fles zo, uit d'r hand, pakt die hand, schudt d'r hele lijf fo d'r! Hoor wat hij bek uitbrullend fo d'r schreeuwt: ‘Deze m'mapima vrouw! Ik heb je hier om me te dienen! Dan lopen mensen dinges te vertellen dat ik sooiGa naar voetnoot18 ben! Wel, ik ga hier iedereen laten zien wat sooi is!’ Hij wilde d'r een klap geven tegen d'r zijnek. Ma fo d'r geluk, viel ze langs die rand van die tafel. ‘Wat ben je aan 't doen dan? Je bent dronken zeker no? Alex! Alex! Wie heeft gezegd dat je onder Jana's voete leeft?’ Met één schok was Dodo wakker in oog! Ze repte d'rzelf na' die plaats daar. Die andere vrienden stonden op. Kwamen Alex weghalen. Ma' Jana ook, géén prettigheid van een meid! Ze kreeg een kans om z'n hand te bijten. Beet 'em hoor, dat bloed rende! Terwijl die vrienden, Alex los trekkend. Hij met z'n andere hand, trok aan d'r haren. Je denkt: is grap? No! Baja! Sensasi! ‘Als deze kwaaie naam nie van me weggaat, steek ik je dood als een vogel! Ik swéér!’ Alex in opperste wrakeling! Ma' omdat zij, die vrienden hem vasthielden en zij 'em beet, die Jana, schreeuwde hij: ‘Haal d'r weg! Ik vermoord d'r! Haal d'r weg!’ Wie? Hij haar vermoorden? Hij bedoelde: haal d'r weg, want ze vermoordt me met d'r tanden! Dan liet Jana met dat vaak riet etende gebit van hem los. Rende weg, na' d'r moeder. Aleksi wilde achter d'r, ze viel, hij ingeklemd tussen die | |
[pagina 311]
| |
vrienden van 'em daar. Kijk 'em, net wilde bosfiguur! Dodo met klagen: ‘Ke! Arme wereld! Wat moet weer gaan passeren dan? En? Mensen hun mond is bananevocht: sma mofo na banawatra! Het vlekt wanneer je die banaan schilt! En hij's gevlekt,Ga naar voetnoot19 want is nu pas gaan ze dinges van 'em zeggen! Die mannen van dit land...! Baja! Kijk hoe die kinderen huilen... Leslie, Elisa, Seeko... gaan jullie binnen! Dat feest is gebroken! Aaj! Ik had voorgevoel: Alex is iets van plan! Dan als ik had geweten: hij's van plan z'n vrouw zo te regeren, om wraak te nemen fo dinges die die mensen lopen te vertellen van 'em! Sooiman, sooiman! Ze zeggen dat hij leeft onder haar voet! Dan wát?! Hij is tenminste een achtbare neger die zijn kinderen goed zorgt! Deze m'mapima leven hier op mensen! Dat ding lijkt net, ofdat een zwaarte rust op al die mangeslachten van ons!’ Dan schreeuwde ze één schreeuw! Na' in huis rennend, waar Jana d'r verdwijning had. ‘Ik láát 'em dit keer! Ik láát 'em! Om mij, zijn vrouw, zo in publiek vernedering te geven! Die saka saka! Die ellendeling! O, waar zal ik me leven brengen dan?’ Jana, vol van dat schokkende gehuil. D'r moeder, troosting gevend, daar achter die deur. Door vele jaloezieën zoveel spiedogen. ‘Nono, Jana, nono! Denk fo je kinderen, meisje! Laat je atibron zakken, wees nie zo kwaad! Kwaad is een moeder die slechte kinderen voortbreng! Als je nu iets gaat doen, dan wéét je niet wat je gaan doen! Laat je hart eerst zakken! Zak je atibron!’ Met brede letters liet ze in een zucht de woorden los: ‘Baja! Ba-ja! Chm!’
Dan tussen al die spiedoog kinderen, een mens wou nie geloven, Mandwe! Hij was net aan 't komen, om zijn vriendje Leslie fo een knikkerboggelGa naar voetnoot20 te vragen. Kijk daar: één woegoe woegoe, opschudding. Poort gaat dicht fo vreemde kinderen. Mannen verlaten Alex z'n erf. Vrouwen zo, huilend in hun huis. Gescheld en konkelarij over mishandeling. Over iets van sooi-zijn en pap gedronken hebben. Welke pap? Rijstpap? Grotto-pap? Of korenpap van mais? Horen, hoorde hij weer wegjagen: ‘Marsen jullie, met vrijpostig!’ Alweer, gesloten grote mensen wereld, en dat wel fo de zoveelste keer op 'em. | |
[pagina 312]
| |
Met een soort aangeboren teleurstelling draaide hij, terug, na' huis. Wat hij weer zelf had meegemaakt, die zondag! Die grote mensen wereld, baja! Wat scheelde ze, al dit soort mensenlevens dan? Thuis dat geknaag van dat grote konijn, zó binnen, over drempel. Dan nu, spel zoekend, kon hij andere dinges gaan ervaren. 't Leek een soort angstwekkend speelgoed: te zien hoe mensen dinges maken.Ga naar voetnoot21 Dan te begrijpen, nèks d'rvan, noch van hun oorzaken daarachter. Kijk, daar, die ene man... 't was net z'n p'pa... Slingerend op z'n benen weggaand. Als hij nie gedronken had zou hij even z'n gezicht gaan lopen kijken. Ma' nu... Hoorde hij scherp en hard, hoe nogeens weggejaagd de kinderen: ‘Oen mars! Fesi f'oen blaka leki d'dibri!: Mars weg jullie! Duivelskinderen! Als jullie nie weggaan van al die jaloezieën daarzo, schenk ik één pot kookwater op jullie! Ellendige beesten!’ Ma Dodo daar in wraak, Alex op 't erf, schreeuwend om de deur die open moest. Dan weer Vrouw Jana, zuchtende in onbehagen: ‘Waar ga ik gaan dan? En? Ma' ik ga 'em nu laten! Tangi foe nengre na takroe! Die saka saka ellendeling!’ ‘Maak open dan! Jana! Is ik, je man!’ schreeuwde Aleksi buiten. En net toen Mandwe z'n hoofd wegdraaide, langs jaloezie, voorbij die gebrokende poort lopend, met schutting en z'n schutplanken vol groeisel van de bodem, stinkend daar van water waarin borden van het wassen en die kleren op stellaasje, hoorde hij, hoe die deur openging. Alex, hij, huisman, wíst hoe hij moest binnenkomen. Met één hand door die opengeforceerde jaloezie gestoken... deurbout opgehaald, dan met knijpvingers tussendoor, snelsnel... ‘Jana,’ hoorde Mandwe fluisterhees geroepen. ‘Jana... mi lobi joe moro mi ati!’ Alex die tegen Jana fluisterde dat hij zoveel van d'r hield, meer dan van zijn eigen hart. O? Was 't dáárom dat ze vochten? Of was 't om nog meer, de heleboel d'rachter? Kind dat 't nie kon weten. En Mandwe in die grotemensenwereld wás zo'n kind. ‘Mars weg, met vrijpostigheid!’ Alweer voelde hij hoe hij weggejaagd verdwijning hebben moest. | |
[pagina 313]
| |
(39)'t Was in 't gevang van zonneschijn, (een na-brekfest, die namiddag,) dat Floor aan straatkant zat te zitten. Verkeer voorbijgaand, maakte z'n kabalen. Auto met schokkebreker van platte veren, sjeesde aan en langs. Baja, kijk, mensen in die straat, javaan en ouwe hindoestaan, van wie die anderen zeggen dat ze geld verbergen in hun kleren. Dan ineens zo'n oud persoon, valt één keer op straat. En dood is hij. Wanneer je die hangkleren losmaakt van hun onderste, dan... bij zó'n verdomd arme persoon, vind je een opgespaarde rijkdom, dat nie te zeggen valt hoeveel. De ouwe mentaliteit van immigranten, om te denken, dat ze zouden retour gaan, naar hun land van oorsprong weer. Na zoveel jaar zon vangen in zo'n tropendeel, waarin zij niet geboren waren. Hun kinderen, al deel des lands. Zij, geleerd hebbend, zelfs te bedelen, terwijl onder hun kleding tienduizenden guldens rijkdom verborgen. Alleen om die gedachte aan teruggaan, later. ‘Hoe meer je ziet, ze zijn arm, hoe meer rijk ze zijn!’ was altijd waarschuwing van iemand als Zus Nette. Zulke soort dinges kon ze zeggen. Over die schijnbaar arme immigranten die aan de deur hun klop-klop kwamen maken als bedelaar. ‘Ifrow, bedelverzoek... heb niet paar cente fo ik arm?’ ‘Ga weg! Jullie moeten nie komen lastigen hier! Kijk hoe schoon ik die stoep hier heb geschrobd, netnet! Dan kom je met je sika-voetGa naar voetnoot1 zand op die stoep zetten! Dalek ga ík die schuld krijgen, dat ik me rug nie rek, om dat ding schoon te schrobberen!’ ‘Nee, Nette! Je moet zulke dingen nietmeer zeggen. En ook niet dat ze storen! Laat ze maar! 't Is lastig, ik weet het! Al die bedelaren in de stad! Erg vooral, die bulten en zweren! Zo'n kind gebonden op de rug, is vaak even ziek als z'n grootmoeder. Of die oude man van laatst, een lopend mens in ontbinding.’ Dat ding leek net, ofdat die reuk van die bedelaar terug kwam, terwijl ze daar zat, Floor. Nette had gelijk, vond ze ergens. D'r was geen houwen aan. Maar ook was er geen geweldig algemene opvang, fo die straatkruipers. En kreupele mensen, zoals die ene op twee houten blokjes, net onder d'r ogen straat kruisend op dat goeie moment. Mijn god! Die ezelkar daar, met z'n vele houtbalken d'rover! Ezelman | |
[pagina 314]
| |
stapte maar! Kon die persoon, een stukje lichaamsvod, bijna doodrijen! Nie met opzet, ma' met soort van ongekontroleerde manier van doorgaan. Doorgaan, doorlopen. Wie wist, was 't, zoals zo vaak genoeg gebeurd, dat nie die man met z'n gebroken kleren, die kar met z'n twee wielen en z'n ezel in de hand had, ma' juist omgekeerd. Dus wagen brengt onder leiding van ezel, man langs dagelijkse route. Man verkeert in dagelijkse dronkenschap. Dronken no? 't Was zuiplapperij, die smeerlap, met een poeplap van een ezel die z'n hangende bil-onderste straat laat vol bollen! Met straal van geelgroen pisplassen d'rachteraan! Ssssjjjrrrttt!! Ezelpis slaat lucht, tot op trotwaar. Iemand in verte, gaat gedwongen gang, naar daar: die ingang van buurt Van Dijk, waar wonend is, Tanta Beki, Vrouw Weeser, Vrouw Desna, en die anderen. (Een glimlach poetste 't gelaat van Floor, bij 't denken aan die namen.) Van Dijk, een stuk filaria gebied! Vanaf d'r raamzitplaats zo, kon ze na' de verte oog werpen, na' die bosjes bij dat stuk riool daar. Bosjes aan 't begin van ingang van Van Dijk. Zodraas iemand van daar kwam... (Kijk: weer iemand: vrouw rent met haast, net of ze doodsbericht moet brengen! D'r grote rok valt telkens van onder d'r opperrok op straat. Het lijkt ofdat ze zich met d'r handen in de buik geklemd in stand wil houwen. Valt over steen op grond daar, in een struikeling)...... wás er iets mis. Zonet zo, was 't een kleinjongen, die zichzelf te voorschijn bracht, met een hoofd rondom in bandaasje. Zeker een fles d'rnaar gevlogen, tijdens een feestgevecht! Die mensen daar, met hun gedans! Banja-dansen gaven ze, of Lobi-singi. Met haat en nijd leven verguldend. Met liefde ook, ma' dat bleek weinig. Omdat zulks nu eenmaal leefde als vanzelf: die verhoudingen allemaal. die vele losse kinderen, die vrouwen, allemaal even zwanger, met een echte buik of met een luchtbuik!Ga naar voetnoot2 Die geesten, ook daar levend.... (Kijk, die vrouw die nu tevoorschijn was aan 't komen. Die vrouw daarzo, vrouw uitgaand in d'r kleren mooi en schoon, díe vrouw! Hoe had ze niet twee dikke dikke bimba's, olifantsbenen, onder d'r jurk! Als mata-stokken: van die grote vijzelpalen! Was ze wel echt? Of was ze, een van die vele geesten, bakroe, leba, waarover die mensen altijd spraken?) .....hé! Ze was opeens verdwenen! | |
[pagina 315]
| |
Floor keek, Floor liet d'r ogen opnieuw kijken. Dat mens was schoon verdwenen, in het niets. Ze kon nie durven uit 't raam te gaan hangen om te zien ofdat die bimba-tante misschien straat had overgestoken. Want dat was nie netjes! Dat was een ding fo volksvrouwen alleen. Dan net, toen ze wou beginnen met te geloven (netals al die inlanders,) dat ware geesten er bestonden, overal, snachts, ma' ook levende levende overdag, toen... zag ze die vrouw opkruipen. Vol van slootwater! Ach! Dus toch niet een geest! Hoe moest ze 't nalaten, medelijden te doen arriveren bij haar? Terwijl: ze wist, dat die vrouw wegging, weer terug na' d'r huis in 't steegje aan de monding van Van Dijk? Een bedorven dag fo die vrouw die in die stinkgoot was gevallen! Wie wist, was ze naar een verjaarhuis aan 't gaan. Om feest te houden met die jarige. Dan even later, paar minuten maar, kon Floor d'r oog in aanschouwing nemen, hoe die bendejongens van daarzo, op die kleine paaltjes kwamen bil neergooien. ‘So! Dan oen doro!’ (We zijn d'r!) schreeuwbekten ze, en gingen zitten. Ook zij, die jongens, daar, was een gegeven, dacht ze. Terwijl: licht trachtte haar het oog te breken. Van scherpe zon aan open dag. Floor zittend aan d'r raam, aan grondverdiepingaan straat. Ma' dan, hoorde ze plotseling een stem: ‘Ifrow!’ (Dan die persoon tegen zichzelf spreekzaam: ‘Ija! Is goej' adres is hier!’) ‘....Ifrow! Ik ben u boodschap komen dragen!’ Wat? Ze had in het geheel niet gezien, dat iemand nadering had! Zeker vanaf die andere kant gekomen, waar zoveel van die stadsbomen in bloei, dat tuigelijke groen, het gezicht wegstalen. Je kon aankijken tegen knepa-bomen, awarabomen ginds, en manje, pommerak, geurende zuurzak, druiven, sterappel.... Stad leek op dat soort van namiddagen één grote weeldewilde tuin! Prachtig! Heerlijk! Een stad, om in te rijpen, als een vrucht zelf, vond ze. ‘Ja, ik kom eraan!’ Dan rende ze d'r gang - het huis verder goed leeg, want haar bediende Vrouw Nette was na' d'r huis gegaan, Jan was boven en achter. Gepaste spoed gekombineerd met vrouwelijke schoonheidsgang. Een gaande wezen, zijnd flamingo van gedaante, licht van vlucht. Ze had iets rozigs over d'r gezicht. Schoonmooie Floor, ‘Flamingo’. ‘Ja’, zei ze, toen ze daar beneden stond, kijkend tegen een mevrouw | |
[pagina 316]
| |
van bijna vijftig jaren aan, ‘eh.. ja! Ik zie in u een bekend gezicht! Eh... komt u binnen!’ ‘Nee Ifrow! Ik ben nie gekomen om te blijven hier! Wittemansplaats ken ik genoeg, al zeg ik 't met ekskuus, Ifrow! Nee, ba! Ik ben u iets komen lopen brengen, hòr!’ Kijk d'r gedaante, netjes uitgedost, met bijna twaalf soorten kralen rond d'r nek, goudblinkende, zwartdiep njèp-njèpi, met hun ingehouden schitter-schitter, de langwerpige, de rondbol grijsgroen-mais ogige kwelkraal, de groenzee (Spaanse Zee groen) kraal, de echtechte Zoet-Lelie geur, met sjasjemijn verdriet gemolesteerd..... ach, ach, hoe ze niet met hun mondelinge termen al die uiterlijkheden van kralige schoonheid vermengden met de innerlijke driften (Liefdeskraal.. Kwaaie Oog kraal.....) en de geurigheden van het land aan struik, aan bladkruid, bloemigheid.... alles werd uitgedrukt in schone naam van een soort Kraal. Dan die mond daar, kauwend op een stuk zoethout. Of was dat ding alanjastok? Tak van de oranjeboom? Ze kon nie weten! Kon echt nie weten dat zulke vrouwen als kotomisi op die citrustakjes kauwden fo frisse adem. Janki wist die dingen veel meer beter! ‘Is... eh... ú bent vrouw, van die man, die hier 't land is komen onderzoeken, no? Is úw man is onderzoek komen maken hier, no? Fo opvoeding des volks, no?’ Weldan! Die bezoekende vrouw had geen wachten meer aan haar kant. Met nerveuze spoed dook haar hand in haar rokkebuik. Dan diepte ze een stel papieren op, gedommeldGa naar voetnoot3 in een bundeling. Deed net ofdat ze wou achterom kijken, met zenuwachtigheid. D'r rokkejakje wipgraag dansé makend. Twee slierten achter d'r, meer waaiend in wind van wappering. Baja! Eén haast makerij.! Fo wát zo dan? Wáárom had die bezoekvrouw zo een haast? 't Was tóen direkt, toen ze weg was, dat Floor zich realiseerde, dat die vrouw verkeerd gekomen was! Nee, nie bij haar moest dat pakketje zijn! Háár man had iets van onderzoek ook, na' dinges van 't volk. Janki, met z'n negertaal praten, negerdans dansend en wat niemeer, buitendien! Zijn optreden had iets gekregen van wat die mensen zo mooi konden noemen met hun mond: tara nanga janki: Janus en teer: zwart niet optredend zonder wit: iets onafscheidelijks. Hij was als blanke één met die negerkultuur! | |
[pagina 317]
| |
Ma' dan wacht even! Ach! Dat mens ook! Was al weg, toen Floor vroeg: ‘Wie kan ik zeggen dat 't heeft gelaten?’ Een soort gehaaste geest, een jorka leek ze! Die vrouw! Iemand, die uit 't graf was opgestaan! En die optijd terug moest zijn vóór klokke twaalf. Want wanneer klok twaalf slaat en dooie mensen zijn nie op tijd terug in hun graf... brrrrr! Ze spoken en worden gestraft! Afèn! Vergeet! Ach, 't deed er niet toe! Al die praatjes! Háár kon men tóch geen wisi brengen! Geen pakje afgeven met dingen van kwade magie! Trons: deze mevrouw zag veels te goedhartig uit! Nee, zo iemand was beslist niet voor 't kwaad gekomen. D'r gedachte bleef stokstijf stilstaan! Wacht! Dat gezicht..... 't leek verdomd veel op dat van El Negro! Dat typische, van smart-ogen, die altijd willen wenen! Zo'n verdriet persoon, al is hij opwekking gevend met een pretmakend karakter, vergeet je niet! Met zo'n gezicht, glijdend na' onderen, langs lijnen van de kaken, als een jongrijpe zuurzak! Dat soort kenmerken hadden hele familie's! Fo wáárom deze niet? Z'had'r herkend nu, meende ze: die moeder (of tante) van El Negro! Nee! Nee! 't Moest die moeder zijn! Gelijkenis sprák daar! Ma' dan, weer telde wat die vrouw geroepen had: ‘opvoeding des volks’. Dát was niet haar mans werk! Dat was werk van die goeie geachte Professor Gerber Mann. Floor dacht even na, d'r lichtblonde haar wegvegend van d'r zij-voorhoofd, waar 't kieteling gaf. Wacht! Had hij nou iets gezegd van iemand, die in zijn naam, daar bij hun, iets moest afleveren of niet? Die vrouw leek zo gehaast, dacht ze, borstzij krabbend met kleinste nagel van d'r hand. Hand met een steentjesring en een draaikreukelige vleesplek aan d'r vingerkootje, ietsje rood. Zo'n haast.... nee, ach, nee asjeblieft niet wéér dat idee dat de brengster mèt dat pakket kwade magie bracht. Trons, je kon zíen dat zulks in haar geval nie zou werken: Jan van d'r had toch die ketting met een anker gevonden op de stoep? Tot nu toe was geen niemand 't daar komen halen. Als 't kwade magie, wisi, fo hen bestemd, wàs, had het in elk geval nie gewerkt. Een o.k. zaak dus! Al was 't raar natuurlijk, dat geen niemand in beheer 't had daar gelaten. Ach, wie wist, kreeg die verliezer heldere geest aan hoofd, die hem duidelijk maakte dat die ketting dáár verloren was? Dan kon die persoon komen, een góed en vooral níeuw verhaal vertellen (Janki kende ze voorlopig bijna allemaal al), en dan z'n ketting weer | |
[pagina 318]
| |
meenemen, hoor. Dat mocht allemaal van ze. Sma hebi a no joe hebi, had ze ook al geleerd. En inderdaad: je moest geen last van anderen op je nemen. Dus wie weet wat d'raan zat, een verhaal, die ketting aanklevend, een hele affaire! Láát die eigenaar z'n ‘dinges’ hebben. Zo aldus, was die ketting onverschillig opgeborgen in dreswaar. Ma' nu die bestemming van dit pakket! 't Leek haast te hebben, zo te weten! Even kijken, even oprijten en spiedspieden.....
Toch was Johnnie in die klas 'em stilstil aan het moeilijken! ‘Meester, meester Bandai! Hij dreigt me...! Wuuuuu!’ schreeuwde die geplaagde. ‘Pinka linka linka! Johnnie gaat paipai krijgen!’ Airien was aan 't lachen! Om dat vooruitzicht van pak slaag fo die ander. Dan had meester Bandai zijn atibron!, z'n kwaadheid. Meester sloeg die bel, want les was op. Pingelingeling...!
‘Ah!’ dacht ze, vol van denkwaarde, ‘ah! Dit lijkt me die typische manier waarop de inlanders dat Hollands van ons spreken! Hollands? Ah! Volksopvoeding! Maar dan moet 't iets zijn voor Gerber, niet voor Jan! Die heeft zich al toegelegd op bestudering van de negertaal.’ Ze twijfelde nu. Stel je voor dat ze verkeerd ging doen. Wou Jan gaan wakker maken, daar, boven op zijn kamer. Hij was aan 't slapen en zolang hij niet vanzelf wakker werd, had hij nèks minder liever (in naam van anders ruzie!) dan zelf uit te slapen. Dus ze bleef staan bij die trap-onder. Draaide d'rzelf weer na' die buitendeur. Van dáár was die vrouw komen lopen, met bruine schoen aan voet. Had pak gebracht, waarin dit ding, lijkend op een soort onderwijs manuskript. Misschien nodig fo 't opstellen van een plan... Hoe kon ze weten dat ze 't levensplan in handen had gekregen van De Moor? Ma' één ding leek nie zo snel verklaarbaar. Die haast van die vrouw! Om dat pakket zo snel te geven. En dan: weg! Wacht! ‘Misschien,’...... begon ze weer te prakkezeren, zichzelf plaatsend op de denkbrug, zoals de uitdrukking 't ons wil beschrijven. Als 't nou was, voor een vergadering of zo van de professor! Wanneer ze wachtte, was ze mooi telaat! En aangezien ze toch altijd netjes | |
[pagina 319]
| |
gekleed was, zin hebbend in een wandeling ook, besloot Vrouw Floor Verwoeven 't pakje weg te brengen. Direkt direkt! Gawgaw! Met zelfs spoed! ‘Ja, toch wel 't beste, ja,’ oordeelde ze. Wanneer 't niet bestemd was fo Meneer Professor Gerber, ma' fo d'r man Jan, kon ze wel altijd terug fietsen met datzelfde pakket. 't Zou nog vroeg genoeg zijn, vóór 't donker viel om terug te keren, dat zeker. Dus..... (Hoe kon ze weet d'rvan hebben, dat ze 't levensplan van De Moor rechtstreeks in handen bracht van z'n vijand?) Zonder veel draling, ging ze na' achter. Uit keukenkast, haalde ze potlood met stuk van papier. Schreef fo die man van d'r een boodschap. Dan werd hij nie ongerust toch, begrijpt iemand. Is nie zo? Dan nam ze d'r weg, na' die Gerber. Hij moest d'r dankbaar zijn, dacht ze, om zoiets! Ach, een mens kon een ander altijd beter de beste dienst bewijzen, vond ze, bloemkarakter aan haar binnenwezen. Een bloeimens, vol van eenvoud was ze, met een doodgewone soort van uitstraling. Floor, jonge vrouw nog, pad kiezend vóór zon z'n daling. Ze sloot die voordeur, sloot mede 't paneel. Die ramen open, ach, wie zou daar binnenspringen? Gauw wegbrengen dat ding! Je wist nooit hoe 't kon belangrijk zijn. Ija!
Dan Janki, een kwartier bijna slaap sudderend in wakker worden. Aaj jonge, tropen! Hielden mens 't lekkerliefst gevangen! In slaap wel te begrijpen! Slaap, zwaar zwaar hoofd, met sluimering zo hangend. Je bleef liggen, totdat je verrotte van de warmtebedoening! Namiddag slaap no? Hij, bakra daarzo, bovenlakens gelegen. Met blote bovenlichaam, katoen aan zijn onder. Smalle enkels langs die lakens, een puisje d'raan, met hogerop een wrattegat, van uitgeperst vlees. Dan rondom z'n borstframe, had hij wat haren. Vooral rondom z'n platbleke tepel. ‘Lieflieve negermensen....’ lag Masra Janki met z'n gedachtenhoofd, bijna helemaal in De Moor z'n stijl, een brief te schrijven. ‘Me negermensen, laat ik jullie iets eens zeggen: mi wani taigi oen taki...’ (wilde hij zeggen, en hij zei zo:) ‘zeggen wil ik jullie dat ik een paar jaar lang reeds, jullie als negermens-met-een kultuur heb bestudeerd. En dat ik tot de konklusie ben gekomen dat jullie lot niet slechter, maar ook niet beter is dan dat, van ons, bakra's, ons blankeman... (Hij lachte in z'n halfslaap daarzo, met heel z'n zijgezicht.) ‘Als jullie wisten | |
[pagina 320]
| |
wat fo angst ikzelf als blanke mens heb lopen voelen. Mi firi taki.... ik heb gevoeld dat wij als Europeaan hebben gefaald. Wij als de dragers van ontwikkelde kultuur! We hebben jullie onderdrukt. Maar we hebben ook onszelf onderdrukt....’ (Hier trok een zenuw z'n gezicht daar in z'n slaap, bijna krom voor 'em.) ‘Is jammer, dat deze wereld niet vol zit met mulatten. Mulatten die ik zie als de enigste ware kruising tussen zwart & blank, tussen jullie en mij. De enigste ware kruising tussen twee verloren kultuurmensen, tweemaal het diepste ongeluk der ziel. Eenmaal versmolten tot de nieuwste mens, tot de mooiste mulattin.....’ (Een glimlach gloorde weer op zijkant van z'n wang.) ‘...zal 't lichaam ook de schoonheid dragen van de versmoltenheid der zielen. Van eendracht, uit tweedrachtigheid geboren.’ Ineens zo, hoorde hij granaat ontploffen. 't Was oorlog weer! Oorlog! Zijn Tweede Wereldoorlog die hem schokte! Een schokking als een schokking! Missschien had iemand in de buurt daar drum geroffeld. Hij schrok van halfdiepe slaap tot helderhoofd. Dan zakte hij weer weg, langzaam met lange wegdoezeling van zijn verstand. Ah! Waarom moest werkelijkheid een mens met dingen konfronteren? En zelfs slaap ook nog? Dat ding was net geweest, of De Moor z'n eigen geest gedrongen was, tot in Janki z'n huis. Zo niet via geschrift, dan toch wel door gedachte. En nog wel aan Janki z'n hoofd! Net ofdat die geest van De Moor aanwezig was gekomen, hoe niet hoe! Bijna had een andere werkelijkheid aan 'em gekonkeld, dat die stem van De Moor z'n moeder, echtecht daar in 't benedenhuis geklonken had. Dat dat levenswerk van deze figuur, werk dat Janki niet fo zijn professor stelen wou, door een domkoppige toevalligheid, helemaal hier aan huis gebracht was! Door De Moor z'n eigen moeder! Een vrouw die door dat brengen van dat manuskript, haar eigen zoon wou ‘redden’. Redden van alle soorten negerachtigheid. Aajbaja! Hoe kon Janki z'n geest 't voor 'em weten, dat op dat moment z'n eigen vrouwtje, z'n Flamingo, Floor, met datzelfde levenswerk van De Moor, op weg was na' Masra Professor Gerber Mann? Wat een manier van 't lot om tekeer te gaan no? Aajbaja! Dan brief, die Janki droomde, brief wou verder gaan. Brief wou brief afmaken, met: ‘....Ma’ zelfs Mulat als ideaal wordt aangetast: aangerand door ons, blanke witman, met ons waandenkbeeld om ze te leren dat ze meer zijn dan jullie negermensen, onze opvoedinggeving aan ze, dat ze als witte | |
[pagina 321]
| |
mensen moeten zijn! En door jullie, die ze afdrijven uit die buik van jullie negerdom! Als een onechte vrucht, die door 't zwarte zaad in die buik van jullie, negers met maagdelijkheid, gaat worden vervangen! Leven als een abortusritueel! Mulat, die sowieso wordt aangetast door 't bestáán van wat historie wordt genoemd! Dus kan geen werkelijk bevrijde mens ontstaan, no?’ (Die briefstem leek te gorgelen, dwars door z'n hoofd. Hoofd met verstand, die na een tijd weer door iets anders uit de sluimer werd geroepen:) ‘Janki....!’ 't Was even net ofdat hij stemmen hoorde. Nee man, géén wisi op 'em, géén inwerking van kwaaie magie met geestillusie! Zeker die houtwanden daar pratend, no? Of mieren op die grond. Fijne mieren, zoals die mensen 't mondden! ‘Fijne mieren’, zeiden ze, bedoelend dat die mieren heel klein waren. Want fijn, met hollandse tongval uitgemierd, was iets geheel anders. Niewaar? Hij hoorde bijna zijn eigen hersens de denkfabriek vervolmaken. De opslag van al die informatie, de codering, transport, uitwisseling, omroeping zelfs via radio.... wat? Ah! Die vervelende slaap aan een mens z'n slaap! Wat? Wat? Om wakkerwordenswil: WAT? Hij kreeg een boorpijn, in zijn binnenbeen. 't Was geen pijn, 't was een steekjeuk. Een jeuk, zo dringend dat - dat hij iets wou vergeten, leek dat ding. Waarom kwam Floor 'em niet eindelijk een keertje verrassen en verlossen met koffie? Echt hollandse koffie? Gebrand en gemalen en verpakt en geïmporteerd in de kolonie kolonie? En dan getrokken en gezet? Daarna dan opgeserveerd..... Hij zag bijna twee schone witte dijen staan. 't Strakke vlees, met weinig haren, kleine, die porieën, vol huidse spanning ('t teken dat 'n mens een mens was/bleef, doordat zijn vlees niet uit elkaar viel. Gevulde vlees! Een mens, boordevol menskarakter! Schijt!) Die mooi-Floorse Flamingo benen! Wáár bleven ze, in naam der hemelen? Hij voelde aan zijn ballen. Dat ding was net een tweepits plooivrucht. Koffie! Ja, met z'n vingers rondom grijpend, die strohaarballen van 'em, rode kloot. Zachjes wreef hij ze tot aangenaam. Dit was wat anders dan dat kwaaie droomopkomen. Hmmm! Benen die koffie brachten! Voorover bukkende blondborstigheid! Een vrouw was vrouw geboren, wreef hij ogen, en bleef Eva! Al heette die dan Floridawater! Hm? | |
[pagina 322]
| |
Vanwaar die liaan gelegd? Liáán: link: associasie! Fo wie nie begreep: wáárom dacht hij met Floor aan Floridawater, dat parfum? Rook hij d'r geur misschien? Zijn hersenwerk bleef stilstaan, dacht hij; even tegen zijn achterhoofd daar op het gefrommelde laken kloppen. Ma' bloed in zijn ader klopte reeds daarzo. En als hij nie oppaste, dan kwam bonkende hoofdpijn. Verleden, was hij al met zijn hoofd tegen die zijpost, zware balk, gebokst. Ja, zo zeiden die inlands getande monden 't: twee auto's boksen. Jij en ik boksen tegen makaar op. En ze bedoelden met hun mening: botsen. Ma' dan: van waar alweer die associasie? Ah! Hij kreeg, (uit de liefde die hij had fo de natuur, kreeg hij van de natuur weer liefderijk haar zegenende oplossing toegesmeten) een inval als een inval! Had hij niet paspas een feest gehad? Met negers die indianen speelden? Nee, geen spel, tenzij je 't goden- & geestensepel spél durfde te noemen! Iets fo zijn blankgenoten om 't zo te laten heten: afgoderij spel. ‘Goh! Die negers kunnen ook wat van dat spel!’ Het naaispel óók, zoals de blanke top der kolonie dacht. Nee, nee, nee! Deze negers waren in hun opgevoerde rituelen gekleed als indiaan. Met rooie franje, katoenkleed over schouder, alles. Dan werden ze bevlogen door een Indiaanse geest... Arwaka, Krisbisi, 't gaf niet welke stam! Indiaan was indiaan, netals die onderwater indiaangeesten. Dan wanneer iemand een indiaan over 'em gekregen had, was hij of zij, een heel andere persoonlijkheid. Een neger had dan indiaankarakter. Sprak als een indiaan, lachte als een indiaan, vroeg om indiaanse drank, kasiri! Rookte sigaar, afèn op en top indiaan! Een mara-ingi, maalde met z'n schouders tijdens dansen. De arm zwaai-malend rondom! ‘Wuh! Wuh! Wuh! Mi na ingi,
mi no de tan nanga den nekro moro,
m'e go gowe na toena he....!’
Of ander winti-lied in 't geestenspel: ‘Saramaka-ingi toena hé!...’ over de indiaangeest van Saramaka. Ze hadden hun koesewe, hun moetete, katoenplukjes, pijl & boog! Een | |
[pagina 323]
| |
neger, die volmaakte indiaan werd. Misschien, dacht hij, kwam zelfs, zonder dat zij 't ooit wisten, hun woord voor bosgeest, apoekoe af van apoetoe: knot, of knuppel. Al stonden ze dat nog zo hard met schreeuw te ontkennen. En dan vooral, in die beginstrijd, toen die slaven binnenkwamen, vluchtten, gevangen werden gezet! Blanken vielen aan onder de medewerking van de indianen! Een zware strijd, bloedstrijd.... met knuppels! Die vreemde stammen Warrau's... welke dan ook! Zij leken letterlijk de bosgoden der dood, dood en verderf zaaiend onder negers. Misschien, misschien.... aanval openend, op een moment, dat zij, vluchtende negers, na slangebeten en verschrikking, lagen te slapen in dat moeraswater! Huh! Whoeh! Kijk hoe ze schrikvol uitschreeuw deden! Wanneer zo'n indiaanse ‘geest’ of ‘god’ over ze kwam. Ah! Die geur dus daar vandaan!: een schone ‘indiaanse’ negerin, had hem stiekum stiekum, d'r zakdoek toegestoken. (‘Neem, me bakra, met je witte vel!’) Hij zou 't gauw weggooien voordat Floor 't zag. Die was toch altijd kwaadmens aan 't wezen. Dat gedoe met die schudlichaamwijven! Ze kon toch niets op dat gebied beginnen. Oerhollands met de degelijkheid, als ze was opgevoed. Stijf strakkerig! Anders van sjarme buitendien. Dan liet hij nu een zucht uit keelhol los! Volgende agendapunt. Volgende no? De bespieder bedoelt: dát wat hij steeds uit dat hoofd van 'em had willen láten! Want Gerber had gevraagd om schurk te wezen! Die blank bloed prijzende figuur! Hoe kon hij 't in zijn hoofd halen! Eerst een schurkenstreek! Dat zwart maken van Brummal. Nu hèm, met al zijn afhankelijkheid, trachtend te maken tot een dief! Want dát moest gaan gebeuren toch? Dat manuskript van Ronalds, De Moor, moest gestolen worden! Door hem, Janki! Bijna ondenkbare gebeurtenis. Een soort dikdiep verdriet bekroop hem. Een verschrikkelijk grote kloof werd opeens in makaar gesloten: veraf vernietiging en hier ook al! Al ging 't om maar één persoon! Zodra je iemand ten onrechte te gronde dreigde te laten gaan...! Daarzo, die oorlog! Hoe blij was hij nie geweest om weg te mogen gaan! Weg, weg, van eigen blankemans ‘kultuur’. Kultuur no? Ze waren geen centimeter langer mens geworden, vond hij, eerder beest. Dan 't was nie alleen daar in zo'n oorlog, vond hij 't gedemonstreerd. Ma' hier in de kolonie ook, hier! Nee, hij was niet aan het praten over | |
[pagina 324]
| |
negerhistorie, of alle morserijen van kolonie. Ma' nu, nu! Zoals hij Gerber's ogen had gezien: weg! Weg met die Ronalds, die 'em (in zijn oog) had tegengewerkt. Wat kon een mens hebben aan zoiets? Kleine zielsplezier? Of ademde Gerber zijn wezen per definitie zoiets uit: een aanwaaiende vernietiging uitkomend vanuit ver verleden? De hoogmoedigheid der beschaafde. In de tijden dat de elementen nog bestonden uit niets anders dan vuur en as! Dan, die ene modderpoel, waaruit dat modderbeest zonder één wroeging, dwalend over de velden van een mens z'n geest... was opgestaan! En uit de klei was ook.... kultuur gerezen. KULTUUR! Hij voelde hoe zijn lichaam groeide: ja, gro-skin: kippevel. Van iets wat hij fo die ander nie begreep. Hij wist alleen, met soort van ingebouwde intelligensie, óók menselijk, dat een groot man vijanden nodig had. Ja, Gerber, hij was beste kerel! En genoeg geld hebbend daar ook. Een lichamelijk zelfs heel sterke man. Ma' nog geen koning of tiran. Wáárom zo dan, moest hij tekeer gaan? Had dit land zo'n gebrek aan drift dat iemand zich tot dit soort praktijkmakerij moet staan verlagen? Opdat je je dan pas waardig voelde? Hij was toch al professor in de rimboe? 't Was duidelijk: na Ronalds zou 't Brummal zijn. Na Brummal.... wie? Ah! D'r waren genoeg mensen in 't land om te vernederen! Die vent, vond hij, speelde komedie! Misschien...... Hij zocht, hij zocht, de hoeken langs, van binnenruimte, ogen door de kamer speurend..... Misschien was Gerber er gewoon op uit om te kijken, hoever hij gaan kon, met 't eisen van loyaliteit. Dan hoefde er geen kapitulasie te volgen, dacht Jan eufemistisch. Ach! Gerber haalde al die streken uit om hem, Janki, te testen. Dan hoor: wanneer hij na' Europa terugging, zou Gerber zich tenslotte geheel en al voor hem ingooien. Een Mann die instaat voor een man! Je moest weten toch, wat je aan iemand had, niewaar? En wat was beter fo zoiets dan test? Hij liet z'n benen hangzaam zijn uit bed. Kouwe grond, voelde hij, met hout. Nee, nono, geen winters gevoel. Gewoon de kilheid van het eigen lichaam, of wat moest zijn dat lichaam heette, van je, buiten je, of binnen je. Jijzelf Jan, je wist niemeer, hoe of je was van aantal graden, koud of warm, daar zittend op bed z'n rand. Met bijna eigen adem voelend in de nek, want dat deed hij. | |
[pagina 325]
| |
Hij moest z'n opdracht uitvoeren, hij moest! Ma' hij wou niet! Stel je voor: om later ook te kunnen worden gezien fo dief! Diezelfde Gerber zou 'em kunnen wegschoppen, precies om juist zo'n reden! Kwestie van macht, no? ‘Ach, vergeet die kwestie! Vergeet in godsnaam die kwestie’. Vond hij, dat hij 't niet zou doen! In geen geval dat manuskript van De Moor wegstelen. Dan kijken wát gebeuren zou, Want wanneer meneertje zich té kwetsbaar opstelde.... Koffie! Koffie! Koffie! Hmmmm? Waar bleef die Floor dan? Dan toen ze nie kwam, ging hij beneden. Vond dat briefje aan de trap. Ze was iets gaan wegbrengen, zei ze. Ach, zeker een reden gevonden fo een flinke wandeling! Fo wáárom had ze 'em nie gewekt en meegevraagd? vond hij, in soort van anti-Floorse bui. Nadien, waste hij lichaam, ging weer boven. Z'n werk makend in de studiekamer. Met hoofd gericht tegen een muur. Ach, man! Vergeet die kwaaie dingen hoor! J'hebt zoveel anderen, mensen, rondom, hele stad, ook daar op erf, buren, buurt! Dan wát zo, om te wurriën. Alleen omdat iemand dat wou. Wel iemand, met een soort van macht. Macht echter was geen macht, wanneer niet een tegenmacht beproeving op liet komen. Vandaar dat hij niet verder aan die zaak met Gerber dacht. De macht van het geen aandacht schenken. Aan iets.
Smalle strookjes zonlicht aan de jaloezieën. Ramen vol blinders, even optilbaar, nee, beweegbaar, heen en weer, met de lange lat die aan de binnenkant dwars over het midden van dat raam liep. Aan die binnenkant, Masra Janki. Hij was net bezig geweest staat op te maken van zijn studeersels. Lachend had hij zichzelf verweten, dat als hij zo doorging, met nadruk te zetten op de kulturele, in plaats van taalkundige aspekten van de taal die hij bestudeerde, hij beter ‘doktor in de negorij’ kon worden, dan taalman! Want wat hij allemaal hoorde....! Maar ja, taal was niet los ontbonden van kultuur! En hij had vanaf z'n eerste kontakt met Surinamers heilig geloofd dat ze een heel aparte, eigen kultuur bezaten. Hij stond daar, achter jaloezie. Bewoog ze heel eventjes op en neer. Aan die achterkant van dat huis, waar hij stond, kon hij een klein gedeelte van dat erf zien. Zijn blik gooide hij tot ongeveer aan de put. Die put! D'r was al aangekondigd dat werkmannen de put zouden | |
[pagina 326]
| |
komen afmetselen! Dichtmaken, die boel! Omdat er zoveel filaria uit kwam! Via dat water, besmetting, zeiden ze. De muskieten.... broedplaatsen. ‘Tot in je bloed broeden ze...!’ riepen mensen met die mond van ze. ‘Buurvrouw, me pelletje!’ hoorde hij naast roepen, ‘...dan wanneer ik die okerbrafoe eet, lekkere soep so!, dan krijg ik harde buik! Smorgens kan ik geen poepe doen!’ ‘Aj! Dan moet je kastor-olie nemen! Die man van me heeft ook zoiets met z'n buik: maar híj drukt altijd vééls te hard op die plee! Is alsof hij kanón is aan het schieten, met loden kogels!’ En om de gedachtengang van een prop in de bil naar een kanonschot te verlevendigen, begon ze een straatliedje te zingen. Het was een liedje dat ooit gezongen was naar aanleiding van een of andere bekend geworden diefstal van een zekere Masra P'pa. Wán kanoe! Diban!
Toe kanoe! Diban!
Masra P'pa
foefoer' a kaw!
Eén kanonschot! Boem!
Twee kanonschoten!
Boem! Boem!
Meneer ‘Vadertje’ stal die koe!
Zijn ogen gleden na' dat erf naast. Wat kweekten ze daar plezier. En dat naar aanleiding van een doodgewoon gesprekje over slechte stoelgang!, slechte ‘buikwerk’: Sébi joeroe mamanten....
Pikin kaw
e soek' en mama!
Wán kanoe! Diban!
Toe kanoe! Diban!
Masra P'pa
foefoer' a kaw!
Zeven uur 's ochtends.....
Het kalfje op zoek
naar de moederkoe!
Eén kanonschot! Boem!
Twee kanonschoten!
Boem! Boem!
Meneer ‘Vadertje’ stal die koe!
Al meegenietend van die pretgevende erfsfeer, stond Masra Janki te bedenken, dat die kanonschoten dan uit de tijd resteerden, dat men per kanonschot 't uur aangaf! ‘Die goeie ouwe tijd’ leefde dus ergens nog! | |
[pagina 327]
| |
Arme erfvrouwen vol met hun geleefd plezier daar op de ochtend! Als ze maar meer hadden geweten over díe tijd! Baja! ‘Masra P'pa zal wel een meester zijn geweest, die misschien door zijn eigen lukse leven, of door de afschaffing der slavernij tot armoe was vervallen! En tot diefstal! Het moet in elk geval een bekende figuur zijn geweest, anders zou hij niet, publiekelijk zijn bezongen!’ konkludeerde hij, Masra Janki. Ma' dan nu werd snel zijn aandacht getrokken door dát, wat er buiten vóór hem daar beneden op het erf plaats vond. Hij deed vlugvlug de jaloezieën dicht. Opende ze op een kiertje, zodat van buitenaf niemand zou kunnen merken dat hij daar stond. Die zangpartij, met de uit het hart opbruisende kommentaren daar op dat burenerf, ging voort. Mooie afleiding. Baja! Maar daar.... Daarzo beneden liep, met wonderlijk mooie bewegingen stappend, die jonge Evi. Die maagd! Ze voelde zich tamelijk met een blij hart, dat zag je. Iets ín haar, scheen ook haar geest ertoe te drijven, als het ware ècht vrouwelijke bewegingen te gaan oefenen. Een onbewuste praktijk, die van bovenaf gretig werd gade geslagen. Baja! Janki met z'n loerogen! Ze stond aan de rand van die put stukjes gebarbekotteGa naar voetnoot4 vis te leggen. Die zouden dan nog verder in de felle zon moeten drogen. Bij wijze van bewaking tegen katten, ging ze haar maagdebillen ook nog op een bankje zetten. Om rijst te lezen. Af en toe schillen uit gepelde aren wegblazend met d'r grapsappige smoeltje ....Haar dikke vlechten mooi negerhaar lopend in dikke moten..... ‘Maar Jan toch!’ Eensklaps zo, was het die teruggekomen Floor die hem betrapte. Terwijl hij daar stond, met zijn hand in zijn broekzak, wrijvend over zijn spierende ‘kleine-Jan!’ Hij met swáár ereksie daar! Rood als koesoeweGa naar voetnoot5 begon hij wat te stamelen. Ma' ontkomen was niemeer d'rbij. Ze had hem nu eenmaal op geilerdaad gekregen, betrapt. Punt uit! Chm! Nu maar ruzieënd die trap af na' beneden lopen. Is daar zouden ze 't moeten uitvechten. Met makaar!, met niemand anders. Wie? E'èn! Zíj alleen! Want was het in een andere tijd geweest - o jezus, zij heer en meester! dan was zo'n slavinnetje als Evi eraan gegaan! Felle verwijten beneden. Dat ding was nie mooi meer om met oor te gaan staan | |
[pagina 328]
| |
aanhoren! En het kon goed mis zijn gelopen, als nie die deurbel was gaan slaan. Tingeling! Op stoep, een man van wie z'n lichaam oud geworden was. Dan wát zo, wou hij? Is Joesoe, was hij, zei hij, Jozef. Jozef van op het erf! Of ze zijn vrouw Adolfina daar wilden waarschuwen dat hij was teruggekomen. Hij zei, met z'n plantaasjemond, dat die deurbout nie meer aan dat touw hing. Welke deurbout dan zo? Ja, die van die negerdeur daarnaast het huis. De erfpoort dus. Daarom kon hij nie gaan, via dat erf. Hij had eventjes geroepen, ma' niemand was z'n mensgezicht komen vertonen. Afèn! Tijd fo kennismaking tussen Jan en Jozef, die tot zijn allergrootste verbazing gewoon door dat huis mocht komen lopen. Een bizonder ding, hoor. Gewoon dwars door het bakra-huis! En mèt zijn drie zonen die hij had meegebracht van plantaasje! Baja! Wat een ding zo! Die twee opgroeisels van knapen, Joesoe's zonen, prevelden wat eerbied van ‘Dak Mefrouw! Dak Imneer!’ hun groet, en sjouwden hun last voorbij. Dat kleine boike dat erachter huppelde, giegelsmoelde wat, pierde zijn tandenGa naar voetnoot6 en schoot als een boshaas voorbij. ‘Hij heeft mensevrees!’ spotte Masra Joesoe. ‘Dat is die jongen fanme, met krankheid!’ Dan tegen die jongen zelf: ‘Deze jongen! Hoe ben je zo gewerkt?!’Ga naar voetnoot7 |
|