Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 252]
| |
Hoofdstuk negen(34)‘Ga op je hoofd ondersteboven staan, (is zo zei die grote jongen), dan ga je zien hoe al je kwaaie gedachtes tot goeie omdraaien!’ Die dommeling! Hij deed zo! Dan toen hij op z'n benen weer stond, zei hij, kleinere jongen: ‘Ma' ik weet dat ik nog kwaaiere gedachtes krijg nu!’ ‘Logisch toch!’ was de verklaring, ‘want je goeie gedachtes zijn omgekeerd geworden!’ Een mooi staaltje van volksgenot, dit soort verhalen, kleinsappige tori's, verteld in vrijheden van taal, tijd en naturen. Dan wie oren had om te horen aan z'n zijhoofd... De tijd stond in die tekens van de middaguren. Bijna de tijd, dat het een twaalf uur was, na de elf slagen uit de hoogte, van waaruit klokken sloegen met frekwensie. De nadering van iets dat een soort hoogste punt aangaf van leven met fibrasie; hoger kon de mens niet gaan, dan met een vlucht, op vleugels van zijn kreaturen. Hieronder - bim! bam!, bleven de tekens van zijn dagelijkse levens zweven. Vandaag, netals elke dag, me jéko!Ga naar voetnoot1 Zo een drukte over straat die geen straat leek te zijn maar haven, waarin kolkend bloed vol van beweging! Dan kijk die sipi, schepen, vol golvende dansbeweging op hun driften. Zij openden hun zeilen naar het land of naar de zee! Al hun geplande reizen, rustend op de driften. D'r was een windvlaag aan 't komen die ze land indreef! Behalve met motoren zij, die tegen de natuurkrachten in waren gebouwd, met stoom of motor... of iets anders, het karakter van hun bouw, de materialen, stroomlijning... diepgang en tenslotte stevigheid van konstruksie. Die zee deed rilling door de schepen gaan. Dan die stad, vlak aan | |
[pagina 253]
| |
rivier gebouwd, zinderde onder zon. Zonlicht! De wegen waren over land, begaanbaar, bijna gedwee voor loopvoeten. En in de verten glansde gans per uur begaanbaar, kontinent. Dan toch, voelde je wind, die land en zee en lucht verbond: één gruwzame beweging, waaruit steeds terugkeer naar één element, hoever je ook mocht weggevoerd zijn. Ergens was je op dezelfde plek gebleven. Zuiver de kwestie van een theorie die aangeeft dat alles door de mens heen vloeit, al voelt hij zich een andere kant op gaan, dan deze gedachte hem uitschuift. Hij blijft in dit verhaal gevangen, als zijn omgekeerde wezen. ‘Nanga na ségi foe a gran-gado di de a wi ede, kari jeje! Mi e gi joe wan keti, gowtoe keti... nanga wan hankra na en! Foe ala pasi di joe waka, ala prisiri! A moe de wan moi foe joe konfo!’ (...en met de zegen van de god, die in ons huist, karakterkracht in jouw persoonlijke geest...! Nu hang ik jou een gouden ketting om de hals, met een anker eraan! Elk plezier dat je zult hebben, elke weg die je opgaat... een sieraad dat je bindt aan je toekomstig leven, geschonken vanuit wat dit voorouderlijke paar je heeft te bieden!) Mandwe! Hij kreeg een ketting en een anker d'raan hangend. Een mode, aan zoveel der kinderen gemaakt.Ga naar voetnoot2 En ter vervanging ook, van die vroegere ring aan vinger. Kijk, granm'ma stond op d'r twee benen, meer vanuit hielen dan vanaf de voorvoet. Vanonder d'r angisja op d'r hoofd, die doek, vol duiven, trossen liefdebloemen die faja-lobi heetten, en sleutels als motief op jak, tegen d'r schouders. Een vrouwspersoon, met wenkbrauw bovenoogs, met: ‘Zeg een dank, me pkin!’ Z'n granp'pa was aan 't staan ook, met een hoofd waarop geen nèks, buiten z'n haren. Dan z'n gezicht, met rondingen en 't verval van jaren opgeschreven door het vlees: stoelgangen, winduitslijting, binnenleven, buitenaandoening, emosie, alles zo, aangegrift uit leven. Met kraag rond nek en schouders springend uit de mouwen. ‘Zeg dan, me jonge? En?’ Wat moest hij zeggen dan? Hij wou gaan spelen, slenteren, boren... ‘Ija, 'kzeg: dank!’ ‘So...! mijn jongen! Khad gewild dat vandaag was geen schooldag fo je, la' je gaan spelen. Dus nu je eenmaal je kleren bent aan 't dragen: ga na' school, hoor!’ Dan Mandwe! Was blij op alle manieren, fo zichzelf, dat hij 't huis | |
[pagina 254]
| |
kon laten, met weggaan. Ma' dan nie na' die school, ver gebouw daar, met al die meesters, fraters, krioelende medekinderen, trap op, trap neer, langs balkonnen gaand, klaslokaal in en uit, de hersens makend tot de raderwerkfabriek der boekenlering. Nee, hij wou... hij wilde... ach! Wat wou die vervelende jeje van 'em dan, op zo een vroege ochtend? Was hij nie blij, dat ze kleren hadden gedragen voor 'em? Met granp'pa die z'n schoen aan z'n voet had geblinkt voor 'em? Hij kon die dag niet denken aan het puntenGa naar voetnoot3 van een ongewenste schoolvriend, met wie ruzie of zo! Want dan werd schoen vuil... of nee, ze zeiden toch juist: ‘Ik punt je! Laat me schoen stof wegblinken! Onder je mars!’ En dan bedoelden ze: een trap onder een kont geven, met de punt van de schoen... om glans aan de bestofte schoen te doen herleven! Wat een prisiri, mi boi, die pretjes... ‘Mandwe! Jonge! Sta sta nie zoveel! Pak je tas! Zoek je weg! Dan ga na' school fo je, hoor!’ Z'n granp'pa, was bezig tussen ademhalen en denken in, taal los te laten in de vorm van commando's. Z'n granm'ma was addisioneel: ‘Ija! Dan als je braaf optijd op school gaat, dan ga je soft krijgen, hòr!, wanneer je je voet van school terug draait.’Ga naar voetnoot4 ‘Deze vrouw! Wat ben je zo dom dan? En?! Hoe kan je zeggen: hij moet z'n voet draaien?’ Waarmee verwijt dat gezegd was: voet draaien: een verzwikte voet of enkel krijgen. En ze bedoelde: als hij terugkeerde. ‘Is nie dát heb ik gezegd! Is ánder ding had me mond hier geroepe!’ Ze was kwaad, om de interpretasie van d'r eigensoortige ‘Hollans’. ‘Baja, mi taki...’ Dan vloog ze van d'r moedertaal weer over op die schooltaal om nie uit die rol van opvoedpersonaasje weg te vallen:’ ...ik heb nie gezegd: hij moet z'n voet draaien! Ik heb geroepen: hij gaat z'n voet draaien langs die weg! Dus: wanneer hij terugkomt!’ Dan vloog ze nu in popokai z'n scheldkooi: ‘Dan buitendien! Ik wil nie dat je me gaat staan uit de weg kafferen! Vlak fo die jonge hierzo! Een neger heeft nooit anders geleerd dan vrouw te verzakken!’ Verzakken!, waarmee ze goedgoed bedoelde: vernederen. ‘A vrouw disi!’ riep hij tegen z'n vrouw, ‘joe a no libisma no?’ De vraag of zij wel een mens was of niet! Grote uitbarsting van kabaal! Ruzie alweer daar. Hoor sirene gillen over stad. Kinderen, schooltijd fo jullie! | |
[pagina 255]
| |
Alsof niet iedere ochtendvroeg, al die gezinnen, over stad en land verspreid in mensenlagen binnen maatschappij, hun levensschool thuis hadden! Daar waar 't leven woekerde, op een negerachtige manier! ‘Is nie zó had je gezegd, léman joe! Leugenaar! Wáárom is neger zo laagwater-achtig van manieren? En?! Als deze deurbout hier, kon zweren...’ (Ruzie! ru-zie!) ‘Is zó had je gezegd ja! J'hebt geen hoofd no, om te denken fo je? En?’ Mandwe! Pakte z'n schooltas, met theewater d'rin, met paar sneetjes broodbeschuit, voor die dag ook een kakkerlakkenbolGa naar voetnoot5 d'rin gestopt, en één sinaasappel. Met natuurlijk ook z'n schoolleerboek en z'n schrift waarin krassige geschrijfsel. Dan spoorde hij z'n jongensdrift die deur uit. ‘Kijk hoe die jonge wegrent! Groet geen mensen met afscheid! Die leba! Kous van 'em zakt aan z'n gebroedsel-voet!’ Als je dat gescheld op Mandwe hoorde! Míjn god! Straat was nog altijd straat na gister. Vroege dampen sloegen op. Je kon van verre jamponica ruiken, achter grote bir'biri-struikgewassendom. Een soort uitwoekering van ochtendleven. 't Deed je ziel van siddering doortrekken, voor zover je je bewust was, van de trillingen des levens. Of anders, ach, geen aankweek van vervelerij onder de zon! Gewoon je borst wegpersen, adem in je longen zuigen met je lichaamskracht op bovenhoogte. Dan drukte je die adem vast in je, met je persoonlijkheid als koestering. Je leefde mét jezelf op zo'n ogenblik. Dan gooide je die adem weg, loslaten... los!... die goedkope zuurstof die je leven zo beheerste met z'n wangedrag in wind en weer, om zo her en der te boren, langs dooie dier, langs stinkgoot, langs huishoog, langs bloementuin of bed van groentegewassen... langs broek, langs rok, langs mensenlichaam, mens in, mens uit... adem die niets of niemand ontzag... en die z'n zwaarte had ook op je, omdat je 't eenvoudigweg moest opnemen: het eeuwige levenssaldo, waarvan jij de rente... Ach! Wat moest zo'n jongen weer staan prakkezeren dan? En? Was nie die zon zo hoog aan 't klimmen, frank en vrij? Dan toch: geankerd aan de loop van elke dag, op plek aan hemel? Als hij wou, hoefde hij niet!, die zon! om thuis te blijven! Zon moest durven die hemel donker te laten blijven een keertje! Hij zou zien wat z'n straf zou zijn! Stel je voor máááááng! Een zon die spijbelde! | |
[pagina 256]
| |
Die anderen hadden gewacht al, want toen dat hij, aarzelend z'n weg kiezend, daar kwam waar ze ontmoetten, om samen op school te gaan... hij zag ze niet. No! Kijk ze, daar... in die verte wegstekend van lichaam onder het gevang van horizon! Ze moesten snel maken! Hij zou nóg sneller moeten gaan, om ze te gaan lopen inhalen. Mandwe, opschieten! ‘Wachten jullie dan... kom kijken wat me nek draagt!’ Hij met z'n gouwen anker. Dan, liep hij langzamer dan ooit. Zelf nie waarom wetend, die vertraagde dynamiek. Dalek zo, zouden ze niemeer te zien zijn zelfs, nieteens hun schaduw achterlatend, voor iedere verkenner dat een kind was: kijk in 't zand! Herken die plastiek schoenonder,Ga naar voetnoot6 van die en die kinderen... vóel waar ze gegaan zijn! Z'hadden één weg maar: gaan gaan, na' school als leerplaats, waar die meester wachtte, om die bel te slaan. Met die ene leerling vol van mooie kleren, andere leerling pinarig arm uitgedost, vol van armoedigheden, nieteens cent hebbend fo nieuwe schrift, terwijl kleinbroertje onder middag huiswerk makerij dat ene aantekenschrift had gescheurd tot iets van viesterij, met blaadjes overal naar her en der; een ander zusje had gewoon op dat schrift geplast of met handen vol kokos-olie, dat schrift uit makaar getrokken. (‘Mamma kijk wat ze hebben gedaan!’ ‘Mars ga weg op me! Je wéét we zijn hier in een huis met elfendertig kinderen! Tóch laat je je schrift rondslingeren! Je gaat op school, ma' je hebt geen hoofd! Ik verwonder me, dat ze geen weecee papier hebben gemaakt met je schoolschrift!... Dan huil niet op me, als een hond met buikpijn! Gezicht van je lijkt op een vleermuis, wanneer dat hij zon ziet stralen in z'n duivelse gezicht als nachtdraak! Mars! En 'keb geen cente, dat ik een nieuw schrift fo je ga staan kopen! Jullie moeten blij zijn om een beetje vreten! Misschien wanneer ik jullie p'pa zie, volgend week, dan gaj'k iets kunnen doen fo je! Anders: in zánd ga je je huiswerksommen moeten maken!’) Mandwe! Wat? Nie na' school gaan? Kijk: die anderen zijn al door horizon opgegeten! Ze zijn zonder radbraking van bestaan, verzwolgen door die vertes daar! School! Schoolgebouw! 't Draait op kinderzielen, ja, je weet toch? Hier: als je een reden wil, om laat te komen: neem deze steen aan voet, zonder dat je je voet draait, dus verzweekt, lichaamspijn! Neem | |
[pagina 257]
| |
deze steen, grabbel 't weg uit zand! Hou 't apart van het bestaan van deze weg, hoe deze weg ligt, terwijl deze weg loopt na' de school! Zet die steen in je tas, mi boi! Dan sjouw met 't! Dan breek jezelf aan, vol van postuur: een mens, uitgegroeid tot een wezen, vol van gewicht! Dan kom je aan daar, in de klas. Je kijkt: niemand kan zo ontdekken dat 't is jij: jij die ze straf geven om laat komen! Ze gaan zeggen: Mandwe z'n toekomst, is op school gekomen! ‘Mandwe z'n toekomst, gaat u zitten astublieft! U ziet er zo beschaafd uit! U bent weliswaar zwart van buiten, maar u ziet er zó ontnegerd uit, dat u... eh... u lijkt wel de beschaving zelve! Daar, gaat u maar zitten astublieft! Nee, niet in de bank natuurlijk! Banken zijn voor die domme rotbroedsels van die achterbuurtmensen hier! Die satans en die hellevaarders! Nee,... u... u gaat zitten op déze hoge stoelplaats, achter de lessenaar: de ziel, die vol van wijsheid, oogt naar kinderen der toekomst! Maak ze, tot echte mensen, asjeblieft, o Heer der Toekomst! Geef ze wat hen toekomt: dat wat een mens te bieden heeft. Opdat zij niet mogen vervallen tot heidense huishouding en gedrag van liefdeloosheid die het heidendom nu eenmaal niet te kennen heeft! Vergeef ze, hun uiterlijk. Laat ze opbloeien voor de Here Gods, die de mens geschapen heeft, o witte neger die gij zijt, méns, naar Gods beeld en gelijkenis! En mogen alle eeuwige wijsheden u ten overdracht zijn, aan de volgelingen van de tijd, hier en in eeuwigheden, amen.’ San? Het was geen zondag en hij had z'n mooie kleren aan! Dan kijk: Mandwe gaan zitten op 'n steen! In plaats van die steen, grote steen zo, met alle kinderkracht in 'em, op te rapen, in z'n tas te stoppen, desnoods brood, theewater, sinaasappel, alles d'ruit, ook boeken voor de lering en ingevuld schrift vol gemaakte sommen, met taaloefeningen enzovoorts, al wat behoorde tot het schooldom! Alles d'ruit, steen d'rin! En dan: met grote steen, sjouwend, de lijdenswegen van het onderwijs: zie ginds gloort de school der frateren! O mannebroeders! Zonen van het heilsgeslacht! Verheugt u! Want de dag der Wijsheid is gekomen: er is tenminste één kind aankomend, dat werkelijk besef heeft wat het heeft in z'n schoolleven: dit, de ware kennis: Dan nu... de tas gaat open, schoolpubliek verzameld. En zien hun werkelijke wezen daar vallend uit tas: die steen, grootgroot, bijna zo, nie te dragen, laat staan te verdragen! Applaus!! Applaus van iedereen! Dan juichen en kindergezang! De liefde voor het leven leek daar uit te breken, want leerstof, voor de hersens, leek in zwang! | |
[pagina 258]
| |
‘Je moet dat ding nie zo doen! Is nie zo moet 't!’ zei z'n Granp'pa. Hij wou niet, dat die ketting in een bad ging, daags tevoor. ‘Aaaakkk!’ riep die granm'ma, met d'r eigen wijze van ‘ach’ zeggen, ‘aaaakkk! Deze vervelende ouwe boko boko! Je moeilijkt mensen! Láát me doen toch! Nu ben ik negerin! Dan ga ik nie weten hoe ik iets kaseriGa naar voetnoot7 moet maken?’ ‘Is juist dát!’ viel die granp'pa uit, met mond en al, werkend aan z'n betoog. ‘Dat wat jij met die ketting wil gaan doen is afgoderij! Here, vergeef didibri, Satan, ook in mensen! Je hoeft geen zwarte dinges te doen met die ketting en die anker! Gooi gewoon een beetje lekkere reuk op 't! (Lekkere reuk! Hij meende: switi smeri: reukwater.) Dan zeg je gewoon een paar woorden: Mandwe, mi boi...’ Mandwe z'n granm'ma werd nog kwader. ‘Is fo dáárom bederft een neger z'n eigen jeje! Fo wáárom mag ik dat ding nie doen zoals onze voorouders dan? En? Is neger heeft ons bloed gegeven toch? En adem? Als ze ons hadden gestrengeld, opgehangen met hun navelgaren! (Navelgaren, was de navelstreng.) Dan wát was gebeurd met ons? Jij! (Ze stak vinger uit na' die granp'pa. Met al z'n oudheid, zwaaide hij z'n vuist na'd'r. Als hij d'r had getroffen, die hand van d'r zou net zo krom worden als een krakeling, ik swéér fo je!) Jij vreet die witteman z'n gat! Met alle gelovigheid d'r bij!’ Hoor hoe ze mondtaal uit te schelden stond. Dan betrapte granp'pa zichzelf op z'n agressie. Zweeg, zweeg, hele avond lang. Z'n granm'ma, Mandwe's, had veel liever, dat d'r man tekeer ging. Dan nu opeens weer z'n wapen: nèks zeggen! Hij zou weten toch, hoe dat ding moest! Baja! Alweer schold ze: ‘Deze man! Sins je bent op deze wereld! Je stemt wèl toe om deze kleinzoon van ons, een opo te geven! Iets als een sieraad fo z'n lichaam, die geankerd is aan geest! Ma' 't mag niet op negermanier, want dat is nie goed! Dan hóe wil je, moet 't? Hij is toch neger?’ Hij hield z'n mond. Was zenuwachtig aan 't draaidraaien. Wilde huis uit gaan, ma' stikdonker kwelde de buitenlucht, met ook een spuwseltje van regen. Aajbaja, drama's van het negerhuis! Kijk: al die tijd, Mandwe zitten kijkend! Hoe moest hij oren wegstoppen dan? Zelfs dat grote konijn kon 't nie snel genoeg wegvreten van z'n zijhoofd aan 'em. | |
[pagina 259]
| |
‘Als deze deurbout me getuige kon zijn...’ Ze vergat zo, meer dan met gemakkelijkheden, dat daar die levende getuige zat: Mandwe, een kind, al was 't niet 't hunne. Fel sprong z'n granp'pa ineens los weer, zomaar, van gemoede: ‘A k'ka negr'oema disi! M'e kir' i!Ga naar voetnoot8 Als je nie zorgt dat je weggaat! Ik weet nie wat fo moord gebeuren gaat!’ Ze hield d'r mond, onder die dreigerij. Wat kon een vrouw doen in zo'n klein geval? Klein no? Grote gebeurtenis fo wie toekeek. Notabene nie voor 't een of ander, ma' juist om die opgroeiende kleinzoon daar, op houten bank gezeten. Met schoolschrift in z'n handen, huiswerk makend: want Hansje-Gansje deed niet wijs; hij wou lopen op het ijs... Hoe schreef je ijs? Als eis? Of ejs? Wát fo ejjjs dan? En? Het leven had z'n eigen eisen. Hij had 't geleerd vanaf vroegste schoolbegin. Hoor weer die granm'ma met die granp'pa: ‘Dan in plaats van die ketting met anker te kantelen in een beetje speciaalwater. Schoonwater, regenwater. Nieteens van een medicijndokter!’ (Ze had gehoord: een medicijnman, was ook dokter. Ze kon nie komen op dat woord van wonderdokter. Ma' wát zorg? 't Ging nieteens om de genezing van een ziel of lichaam. 't Ging om 't aanbrengen van een sieraad, hangende ketting aan een jongen z'n borstvlak. Met anker dat, schuins naast het hart (of had iemand twee harten?) in 't lichaam prikte. Zo'n eenvoudige gebeurtenis. Dan mocht 't niet opeen negermanier. Nee, dit was meer dan negerachtig: dit was op negerkultuurgrondvestigende wijze! Dit was via de wegen van het negerbloed: de daad, inkluis de idee, inkluis het ritme van de handeling.) ‘Deze vrouw deze! Je bent gek geboren no? Is hoe ze je in 't bos hebben geleerd! Zo wil je blijven gedragen! Altijd! Wat hebben ze ons geleerd? Neger heeft geen doeningswijze! Of 't is slechtheid van ondernemen! Welnu kijk! Je bevestigt dingen fo witman! Als een getuige zien kon, zou hij zeggen: Ija! Aji! Ik had gehoord, neger is dommig, ma' ik wou nie geloven! Nu dat ik heb gezien, ben ik vrij van die Ongelovige Thomas in me! Ma' deze vrouw! Je blijft een domnegerachtig mens!’ Ze zweeg, van diepte in een tranendal! Hoe kon een rivier in godsnaam omhoog vloeien? En een boomkruin in de aarde stand houden? Hoe kon een mens, omgekeerd van gedachte, zichzelf | |
[pagina 260]
| |
tegenstoeien? Kijk die granm'ma, die granp'pa, zoveel jaren, mensen met makaar zoals ze waren aan 't wezen te zijn. Dan hun hele leven waren ze aan 't verdelen met makaar, al waren ze beschouwd als vastgegroeid. Zonder één binding kon geen één bij die ander blijven. Dan zij nu, alweer, hun dinges uitvechtend om die Mandwe: ‘Is ik moet 't hangen om z'n nek! Ik ben die baarmoederdraagster waaruit hij als vlees is gekomen!’ (Dat was grangangan, grootmoeder dus.) ‘Wat zweer je dan? En?! Is ik, z'n granp'pa toch! Van mij, z'n vaderskant, erft hij treef! Deze vrouw! Wát fo nonsenserij laat je me zeggen? Mars kmope a mi tapoe! Ga weg van waar ik ben!’ Hij had zich één keer bloot gegeven: goed wetende van dingen van het negerhuis. Wetend gewoon, was hij, dat een kind langs vaders kant de geesteserfenis moest overnemen, met geboden, verboden, geestelijke erflast, de koenoe van zijn familie. Kijk maar: als een kind van vaderszijde een treef had, bijvoorbeeld varken: en 't at varken? 't Werd goed ziek! Knobbels braken 't uit, aan lichaam. Dat kind, hebbend geërfd vaders etensverbod, voedseltaboe. Terwijl: wat die moeder niet mocht eten, kon 't kind wel eten, zonder welke soort van straf ook. Ma' toch: een vrouw was weer beschouwd, net dat éne wezen dat in alle mogelijkheden kon getuigen, dat een kind van háár was, door háár volgedragen, tot een beebiemens. Dan niemand ging zelfs durven zweren, dat zij niet die moeder was! Terwijl die vaders, p'pa's..., konden rondzwervende mannen zijn, elke willekeurige, met hun plantgrage ballen aan hun onderbuik, vol van de boomstamstronk die ze tussen benen van de wijven gingen ‘beren’ en hun zaadvloei-uitspuiting dáár deponeren, dáárzo... dáár... iedereen weet precies wáár... daar, die éne plekses! Een vader was als persoon ontkenbaar. Dan was een moederdier dus onmiskenbaar! Maar het ging om iets anders: grootvader had met z'n gerep over de ‘treef’, over het voedseltaboe laten zien, dat hij toch negerschap kende... ‘Mandwe! Je bent ziek vandaag no?’ ‘Nee, ma' ik voel nie goed! Ik ga na' huis gaan!’ Hij loog z'n liegen! Tegen een buurman, een ouwe ook, langs sjokkelend op z'n ouwe stakebenen, onder z'n gekrompen romp. Nee, 't was geen Bochtesnijer, want hij had geen vreugde uit te delen, met moppetapperij en dat scheurbuiklach gevende grappemakerij! Een mens, als een fabriek, die uiting geeft aan pret: | |
[pagina 261]
| |
‘Hóór baja! Mán koopt matras fo z'n vrouw, op afbetaling! Matras kost tweehonderd gulle! Man verdient twee gulle vijftig elke dag! Dan betaalt hij vijftien gulle voorschot... elke maand tien gulle... Dan na één maand al, arme kwikvogel! Een nacht zo, ligt hij met z'n vrouw die liefdes ‘djoegoe djoegoe’ te maken, je weet toch, ik bedoel: ze doen ‘dat ding’... ach... kinderen wonen hier, ik kan nie recht uit me mond zeggen wat ik bedoel... ma' elke man met ‘kool’ tussen z'n benen, wéét! En ook elke vrouw, die is gebrokenGa naar voetnoot9... ach, kijk hoe uitlegging me verkeerde dinges laat zeggen, waar ik weet dat elke zandoog (hij bedoelde: zandkorrel) oren heeft!’ (Hij stopte, trok tabak weg! 't Ging komen, de kloe van zijn verhaal toch!) ‘Ija! Dan op een avond liggen ze een spel te spelen, met vuur in hun onderbuik,... piep-piep-piep-piep... ze horen ratten! Wat denk je: ratten hebben rattenkinderen gemaakt in die matras! Dan hoe ze zo liggen te naai... eh, laat ik zeggen: hoe ze liggen “te kleermaken”, persen ze met hun heftigheden al die ratten dood in die matras! Later zo: één stank!’ Bochtesnijer! Met z'n gedrag om anderen te laten lachen! Dan hoefden ze nie om hèm te schaterbekken! Lachen was zijn afweermagie! Een kind zelfs, zulke verhalen stiekum aanhorend met vriendjes, daar achter die erfput (‘Mars jo! Jullie ratten! Zitten van me verhaal te snoepen!’) kon zoiets aanvoelen. Voor 't begrijpen daarvan, echter, had je kennis nodig, levenskennis, zwaarder dan welke steen ook. Mandwe, hij stond op, op die dag. Hij had besloten te gaan spijbelen. Gaan lopen zoeken. Nee, niet achter de markt of zo. Ma' bij z'n m'ma langs komen kuieren: ‘Vandaag is geen school fo ons! Meester heeft ziekte!’ (Kale leugen.) Of later zelfs, na' die plaats boren, waar dat z'n vader 'em gezien had, en hij van z'n kant hem had teruggezien. Daar in gezelschap. Wie wist, kon hij 'em ook die ketting laten zien, netals die m'ma van 'em: ‘Kijken jullie dan! Ik heb een goudwaardige ketting! Met anker!’ Die uitspraak van dat woord al!: anker, die in z'n negerachtige mond verlengd werd tot een aanker! Woorden aanplakken! Is dát kon hij! Later, biljetaanplakker worden, no? Of straatschoonmaker, zoals al die zwerffiguren! ‘Srat'mati’ heetten ze: de vriendenkring der zwervenden. Netals z'n | |
[pagina 262]
| |
p'pa, die hij laatst had gezien ook, bij de Saramaccastraat: zwervend met een vetbillige meid. Gaf z'n omhelzing! Mandwe net uit school. Roept dan die kerel aan, met z'n sopi-geur van gedronken hebben in kafé: ‘Pappa...! Faigo? Hoe gaat 't met pappa?’ In het bijzijn van die anderen, kinderen ook uit school, waarmee Mandwe na' z'n grootmensenhuis ging, riep die p'pa, met z'n wijfvriendin, hangend aan z'n lurf, midden op straat: ‘Tan?! Wat komt deze jonge zeggen? Ik z'n p'pa? Hij is gek! Jonge, mars voor ik je wegschop!’ Die vrouw! Was zeker andere ‘lekker’-vriendin van 'em. Hoor d'r no: ‘Misschien is 't een kind van je broer!’ Waarop Mandwe z'n p'pa, vol van z'n drankplezier tegen hem uitend: ‘Oom heeft geen cente vandaag, hoor!’ Die andere kinderen woelend krioelend. Dan stel je voor, zoiets, met kindverstand! Mandwe, wegrennend met ze, speelser dan ooit hij geweest was. Kinderen, vol van eigen levensvervreemding; dan hij, kreeg dát d'rbij, zo een ervaring. Later..... Ma'dan, Mandwe, opstaand nu van steen (sirene fo schoolkinderen had zo uren geleden geschreeuwd, net een wilde loei-koe, los en stierig!) fo school telaat. Ook nie na' huis gaand weer. Nee, kinderplan had hij. Om te genieten van een vrije dag. Laat ze, granm'ma, granp'pa, zelfs z'n m'ma ook met die anderen en ook z'n p'pa, die straatgaander. Laat ze, in hun morserij, dacht hij. Zwierf die kant op, waar vaak losse kinderen (hij zag ze, vol van school, komend uit klas, na daglang zitten en genietend van het onderwijs, hij zag ze zó vaak daar:) schopten hun bal. Lagen in gras en telden grasluizen, van één tot duizend. Die losse kinderen, levenspraktijk. Later was later, is nie zo? Nunu, was een soort vrij bewegen weelde, al scheelde 't één schooldag maar. ‘Djompo kon boekoe pelota!’ hoorde hij uitnodigend al roepen, een knal van een grote rubbelbal schietend, zijn richting op. Hij gooide tas neer, 't ging vallen. Dan dompte hij met een schop van voet die bal terug. Bal, was geen steen, waarop te zitten, of te sjouwen. Bal was speeltuig, om speelplezier d'raan te rijgen. Een bal, te trappen, desnoods hoger dan de zon. Kijken, of hij dát kon proberen. Met die mensebenen, stokkig lang onder z'n buik. Net drogende katvis, zoals z'n granm'ma zei. Ma' dat was laterzaak weer, no? Kijk hoe die bal vloog na' de | |
[pagina 263]
| |
kruinen. Met groot applaus van daar, grasluis en al. ‘A boi dis’! Hij speelt gefáárlijk goed, mang!! Jonge, je speelt geweldig.....!’ | |
(35)Die kinderen waren blij aan het wezen. Onderzoek op school was afgelopen toch. Iedereen was stil, zo: piiiiii....... Je kon muskiete horen zingen aan je mensenoor, zo: sjjjjjoennnnnggggg!! Dan, met je stille oog muskiet volgen, je hoofd omdraaien, zachjes, loer muskiet waar 't gaat. Dan wante wante, plotseling, muskiet doodslaan met hand en al: pammm!!! Een verpletterde muskiet... en een kind dat kwaad was om een per ongeluk gekregen klap! Sjori was die dag mooi nie gekomen, op school, die spijbeljongen Sjori! Ma' meester Bandai had gezegd: dokter zou weer gaan komen op onderzoek, andere dag. Dus tweede keer: wie nie onderzocht is eerste keer, moet tóch gaan.
Alle mensen waren blij, dat dokter nie met wormdrankjes was gekomen! Wormmedicijn, om achter je keel te kantelen! Olie-kinapolie! Zelfs hadden ze geen indjeksies gekregen. Al wisten ze: zulke dinges kunnen nog gaan komen!
‘Jóuw beurt!’ riep De Moor. Meneer Ronalds, hij was volop weer z'n meesterschap aan 't uitoefenen, daar in lokaal, aan huis, nee, niet op school. Had geen twijfel aan wat hij deed: verwerkeling van ideaal. Die | |
[pagina 264]
| |
kinderen hun eigen soort van kindertaal laten leren. Trons: ideaal hebben in zo'n land was echt al weelde. Waren niet de meeste mensen, hoofdeloze figuren, rond lopend, los levend, omdat hun geen levensrichting aangekweekt was? Of beter: mèt hen niet een bewuste richting gekozen was? Ja, behalve natuurlijk dat geroep om autonomie. Dat was gewoon geroep van algemene politiek. Ze gingen 't krijgen ook, misschien vlak nadat de koningin zou komen, zoals beloofd. Beloofd no, pramisi? Chm! Politieke beloftes waren nooit echte beloftes toch! (‘Sins wanneer willen we mácht? Ze gaan ons krawatten, wachte maar!’) ‘Speel geen diktator fo die kinderen! Is nie jíj hebt ze gemaakt!’ Die arme m'ma van 'em kwam storen. Ouwe vrouw, volksmens, aan komen benend. Moeder was ze van De Moor. ‘Ik heb weer iets gehoord! Nee, nie van je vrouw, die tori, dat ze god zij dank een kind gaat maken. Al is 't negerbeebie. Als die kind gekomen is, kunnen deze “vreemdelinges” die je hebt opgeraapt, weer gaan, waar ze zijn gekomen....’ (Ze stopte even. Wachtte op protestkommentaar.) ‘Ma' mensen konkelen, dat je je werk gaat verliezen, me zoon! Ze tégen je, als de pest! Weet je wie me zulke dinges heeft gezegd? Je gaat nie geloven...’ Hij stond, meester, in z'n witte pak, met kleine pluisjes in die stof, een beetje donkerig hemd aan zijn bovenlijf. Hij wou nie horen wat ze was aan 't zeggen. ‘Lees!’ riep hij ongestoord tegen z'n kweekkinderen die hij geadopteerd had.
Dan die dag! Alleen Sita had d'r huiswerk nie gemaakt in klas daarzo. Meester kreeg één atibron fo d'r: een kwaadheid als een kwaadheid. Hoor 'em, mond pratend: ‘Meisje, je wil nie leren no?’ ‘Ija, mare...’ ‘Nèks te maren!’ Sita had geen enkele durf om te zeggen, dat ze was aan het wonen in een broko-oso, kapotte huis, bij parapasi. Vanaf vroeg, moest ze zover na' school lopen. En dan, had ze geen eten op d'r maag gezet, alleen een lege buik, met honger. | |
[pagina 265]
| |
Dan moest ze thuis ook werk helpen werken. Handje helpen, overal. Dan kon ze nie d'r huiswerk maken. Broertjes en zusjes waren aan 't schreeuwen aan d'r hoofd: kakere, kakere, kakere...! Dan buitendien: ze moest samen met al die anderen, kinderen uit dat gezin van ze, zovele, op één papaja liggen slapen. Dan die andere kindertjes: plas maar raak! Hele nacht zo, kon ze geen slaap krijgen daardoor: dan ook die beebie maakte zoveel lawaai aan d'r hoofd, met bèèèèè......
Z'n hoofd was niemeer bij het horen van 't gelees! Hij wraakte, echt! Díe generasie! Z'n m'ma vooral inkluis! Ergens wou hij al die tantas en omoe's vervloeken! Al die gebaarde en in koto's gerokte figuren! Die oudere generasie! Kijk hoe ze op vergaderingen vlak op eerste rijen komen zitten! Veel antoesjaster vaak, dan jonge mensen: ‘Ija baja! Meneer, práát! Laat geen mensen je mond fo je houwen! Want is wíj! Wíj vormen die generasie die gelejen heeft! Baja! Als mensen wisten.....!’ Ija! Vervloekte fokopdinges! Als mensen wisten hoe ze zich gedroegen! Want ze waren wèl voor bevrijding van ‘eigen kultuurdinges’, ma' kijk ze: die zwerfschapen! Die geldloze achterbuurters! Die mensen die als eerste vloek, een vloek op hunzelf als neger uitsloegen: ‘Geddout, joe fokking nigger!’ Een zwarte hoer, die een nietwillende zwarte man uitkaffert. Of een ouwe neger, die een jongkind uitscheldt: ‘Mars! Gezicht van je is zo zwart als boeboelaas...!’ Dan kwam die blanke, en hij schóld! Dan kwam zelfs die hindoestaan, javaan... en hij schóld! 't Enigste waarop neger kon schelden was op neger z'n zelf! Of... op bósneger: ‘Jullie djoeka's! 't Enigste wat jullie weten is kenki-foetoe!’ Kenki-foetoe: benen met makaar verstrengelen! Naaien dus, bij 't leven! Ma' diezelfde stadsman, stadsneger, die zulks riep! Kijk 'em één sekonde later als 't gepasseerd was, en hij gooide oog op straat: ‘Kijk die m'mapima swit'mindrifoetoe meid, met d'r pranpranpola!Ga naar voetnoot1 Kuiert zomaar langs mensen! Net ofdat ze waaiwind is! Die m'moer!’ | |
[pagina 266]
| |
(Dan hardop tegen die meid) ‘Hé jo saka saka meid! Ik schíjn je, en dan loop je zomaar zo, net of ik boze geest ben, langs me, met al je passement! Pasopoe! Opgepast! Want al zie je me nie lopen, je gaat me koro tussen je mars moeten voelen! Want ik geef je één buik hoor! Eén buik als een grote trom, swéér ik je! Chm! M'e nai i panpan priti tide!’ (Een niet te vertalen ‘lofzang’ op de vrouw!) Wat een taal: vuilwater gelardeerd met schijtspek! Met wormrotting nog d'rbij! Over naaien, openscheuren met zwaar bal-kaliber! Een vrouwenbuik laten zwellen! Dat soort dinges maar! Of zuipen, kinderen verwekken, loslopen bij buitenvrouwen! Of: indien zo'n man in huis bleef, dan terroriseerde hij z'n gezin. Een manier van leven. En 't was ‘sociaal’. Dan kijk die wijven ook: moesten man, om geld! Ma' leefden bij elkander, mati-libiGa naar voetnoot2 vaak. Meestal uit pure nood, mannen verachtend! (‘Hé me schat! Is jij met je bal in je broek zeg ik! Ija, is fortnaitGa naar voetnoot3: j'hebt betaling gekregen! Kom geld aan me spenderen, no? Doe snel!’) Dan als een samenwoning onder zulke mensen goed liep, geheel naar behoren, prachtvol konkubinaat, dan hoorde je, van alle kanten fluistering: ‘Míjn gooood! Ze heeft die man gekruid! Kroi! Want hij zit elke dag thuis...! Hij heeft pap gedronken!’ Of: ‘Die man! Goeie kerel! Hij'ft echt z'n vrouw onder z'n voetzool! Dát, met zekerheid!’ Pas als het slecht ging, was de man-vrouw verhouding onder deze volksnegers goed. Anders niet. Is nie zo? Dan kijk nu, no: De Moor z'n m'ma, vol generasielot, zichtbaar aan d'r, d'r hele uithouding! Ze kwam d'raan. Klagend weer over zwarte erfkinderen. Blij dat hij met z'n eigen ‘wefi’ eentje was gaan verwekken. Die wefi, had 't onder druk van schoonmama moeten besluiten: ‘Laat die man! Als híj je geen buik geeft, al moet je koeiestier nemen! Ma' kind dat, ga je krijgen! Want jij bent vrouw ook, me schat, laat geen mens je hoofd fo je draaien! Als je kan geen kinder krijgen: ga desnoods na' loekoeman. Ija! Ga bij medicijnman! Laat hij je iets geven! Ma' blijf nie met andere mensen kinderen lopen werken! Wie? Zo'n kweekGa naar voetnoot4 is vloek op je! Is pas nadat je zelf kind hebt gekregen... kan je als vrouw geluk in je buik hebben! Hoor je? Een vrouw d'r moer, is geen baarmoer die je net zoutvlees, zet op zout in vat, om 't te láten, godweet hoeveel lang!’ Al die maatschappelijke oordelen! Al die pressie! Van meer dan een | |
[pagina 267]
| |
kant zo! (‘Ija me schat! Is fo dáárom is neger ook nie uitgeroeid: z'n kool aan z'n tussenbeen is swaar! Wanneer 't spuwt van skitiGa naar voetnoot5, gooit god minstens duizend kinderen van die hemelse ketting, laat ze vrij komen dalen! Want als een neger honderd kinderen tegelijk kon maken? Hij maakte ze!’) Je weet, dat als een schip zinkt, 't eerst zo, nie wil zinken toch. Dan, na langzaam begin, al drijvende op eigen aanwezigheid te water, maakt 't langzaam begin; 't slobbert, drinkt van zee z'n oceaanwater, duikt dieper en dieper... dan swept 't eensklaps na' de diepte, zo tjoeboennnnn! Zee zuigt 'em, in den dode! Zó kon de beschrijving zijn, van Ronalds, bijgenaamd (elk schip is ooit te water gelaten en benoemd, hoere, hoera!) De Moor. Alsof iets van het negerdom met 'em wou zinken. ‘Fade: je bent boos met me? I mandi nanga mi no?’ zei z'n m'ma. Ze voelde het venijn in hem. Twee kinderen daar zittend, durfden nèks te zeggen. Hun granm'ma, die niet van hun was! Hun m'ma ook, vrouw van Ronalds, die niet hun m'ma was! Wat moesten zulke van straat opgeraapte kinderen zeggen dan? Richtten oog op papier, met dat schoolboek, geschreven door De Moor, met daarin dat verhaal van meester Bandai, Sjori, Sita...
Sita d'r moeder was die dag na' B.O.G. gegaan, om poedermelk te gaan zitten wachten. Al die vroege mensen zo, op konsultasie-buro. B.O.G.: Bureau Openbare Gezondheidszorg... Dan had Sita alleen suikerwater gedronken. Ze had één bakoveGa naar voetnoot6 gekregen, om op school te eten! Ma' omdat je in die klas nie mag eten, was ze aan het wachten tot pauze. Nu kreeg ze flauwmaag! Met draaiende hoofd!Ga naar voetnoot7 Misselijk ziek was ze aan 't worden.
‘Genoeg, tot hier!’ Hij zei 't met meer dan nadruk, Ronalds. Kinderen stonden op om te gaan spelen. Hoor die m'ma van 'em: ‘Baja, ik ga! Ik | |
[pagina 268]
| |
moet gaan keuren!Ga naar voetnoot8 Fo dát was ik eventjes langs komen boren...’ ‘Trek een stoel! Ga zitten nene!’ Nene, ouwe kweekvrouw, zo noemde hij d'r. Z'n eigen buikmoeder! In Hollandse termen, een min, opvoedster. Ze was gewoon aan die term, hoorde 't eventjes zelfs niet. Met mompeling aan lip: ‘Hmmm? San a boi disi wani disi mamanten disi?: Hij wil zeker, laat ik te laat komen keuren, daar op B.O.G....’ Dan las hij dat gedicht voor, dat hij had geschreven en gelezen ook, op meeting. Die beelden kwamen, van die bijeenkomst, die dag... mensen op rij, klappen hun handen... ‘ija! ija! die masraGa naar voetnoot9 zegt geweldig mooie dinges... 't snijdt me hart... een negerboi waarop z'n grootmensen kunnen trots hebben... Ons Eigen Dinges...’ Hij keek d'r aan hoe ze zweeg. Ze kon nie geloven, zo mooi, een gedicht fo z'n m'ma! Dit was iets anders dan die foei-slechte Hollandsradbraking die hij leerde aan die kinderen. Een gedicht! Een gedicht voor een grootmens als zij! ‘Kijk hoe je glimlacht, me nene!’ zei hij, rustend op rug van stoel die wou gaan schuiven. Stoel, houten zitstoel, zonder één krek, dat kraakgeluid. ‘Enhèn! Enhèn!’ ze gaf grif grif toe! ‘Ma' als ik nu een negerlied gezongen had...’ Ze opende die gekaakte mond van d'r, met tandenrij in 't gebit, om al te schreeuwen voor 'em: ‘San j'e taki dan? Wat zeg je?’ (Een gedicht, ja! Maar een afgodisch negerlied!) ‘Wacht even!’ (Hij hoorde zichzelf zeggen, met alle negerachtigheid: ‘Wakt eefe!’) ‘Wachte, nene, wacht even!’ Dan liet hij een kwart moment z'n oog dichtslaan, opende zijn blik naar de ruimte en begon een obja-liedGa naar voetnoot10 te zingen: Hohohoooiii!
Doendoewe, man-nekro!
Na mi de speri gadoe!
Na mi de koti ke!
Hohooooiiii! Ho-he!
O negerman:
ik ben degene
die de goden evenaart!
Ik heers over al het gevoel,
waarvan de neger kreten slaakt...
| |
[pagina 269]
| |
San? Ze schrok! Zaliger z'n p'pa moest komen staan horen! Een welopgevoede zoon, helemaal universiteitspapier hebbend gehaald in Holland, met geleerd hoofd! Met opvoeding, geen opkweek! Witte man had z'n wet aan 'em gegeven! Dan komt déze neger staan zeggen dat... san???! Ze had 'em nooit gebracht bij winti-pré! Dat afgodische spel met geesten. Had nooit een lied des aanstoots, zoals die negerhuisliederen heetten, voor 'em gezongen. Dan hóe kon hij aan zulks komen? Den Here behoede dat hij geen winti kreeg, met geest over 'em! Mensen zouden staan roepen, dat ze verborgen, koenoe!Ga naar voetnoot11 Al die verdomde negerachtigheden! Z'n naam zou fo eeuwig bederven! Dat hij kultuur preekte... zelfs dát was al zo moeilijk slikbaar! Dan nu zo, deze hoofdbrekerij en gemoeilijk. Nono! Nónó!! Néé!! ‘Mi boi, laat dinges hoor! Laat mense je nie horen!’ schreeuwde ze. ‘Is een gedicht heb ik gezongen, onse mense gedicht!’ Ze werd bijna lijkbleek. ‘Míjn god! “Dinges” moesten zijn op 'em, kwaaie geest aan verloren schaap z'n bokkehoofd! Want hoe anders...’ ‘A las' wroko joe de keba!’ Ja, als men erachter kwam dat hij als opvoeder aan negerdinges deed, was hij zijn baan kwijt. Ze liet de hele gedachte van dat wangedicht varen. ‘Hoe bedoelt nene zo dan?’ Hij met z'n sterk onder invloed van de neus gesproken klanken, zijn dang in plaats van dan. ‘Weet je niet dat iedereen over je wraakt! Míjn god hòr! Jullie mensen! 't Lijkt ofdat iets jullie verstand vastbindt! Net een slechte medicijnman aan een touw gebonden, waaraan hij dinges uit “het donker” moet bekennen bij openbare biechtverhoring! Míjn god, me zoon! Ze gaan je straffen! Khad nie geweten dat 't is zover met je! Míjn góoood! Míjjjjjjn jeseeeeees!!’ Trok tweemaal die hoofddoek rechtop op d'r hoofd. Voelde aan die gevlochte haarstaart of 't vastgepind zat, met een bakerspeld. Dat haar geëerde zoon zich als welopgevoede neger met het afgodische wankarakter van neger z'n kultuur bemoeide! Waarom gedroeg hij zich in hemelsnaam niet zoals vriend Frankie die nu leefde als een lord en die beschaafd met een witte vrouw woonde in een duurduur huis? ‘Míjn god! A boi o kiri sma! Ja, je gaat mensen dóódmaken!’ | |
[pagina 270]
| |
Waarmee ze doelde op het feit dat ze mening had, dat ze 't gans niemeer ging aankunnen. Wat een afschuwelijkheid! Dat mensen al over 'em liepen te praten! Hij was mond-onderwerp. Elke tijd gepraat over een ander. Dan weer roddelden ze over iemand die papa gedronken had; dan weer gekonkel over een die awege was, wijfkerel! Dan weer een volgend keer eentje die diefstalligheid gepleegd had, foefoeroeman! Dan nu weer zouden ze klagen over deze dingesdoender! Deze volksbeweging! Ze gingen in die richting van een volkspolletiek! Polletiek no? Is beter léérden ze die kinderen, om nie als beesten te maken! Een land vol wilderbeesten, meende ze! Volkskultuur omhoog halen? Kijk, dat hij twee zwerfkinderen had genomen! Dat ging nog. Dat hij ze gebroken Hollans gaf...! Ja, zelfs letterlijk een maaltijd van gebroken bananen, brokobana, kon smaken! Ma' dit! Dit van doorleefde negorij! Dat haar zoon zich zo negerafgodisch gedroeg! Nono baja, nono, nó-nó!! Nee! Nee!! ‘Mi boi, ik heb geen tijd hòr,’ zei ze, opstaande. ‘Ik moet gaan keuren, je weet toch’. Ze draaide om, gooide een paar woorden nog maar: ‘Mi boi, safri hoor! Maak zachtjesaan! Want nu in dit land, is geen leven meer! Lanti, ons Goevernement, met z'n rubberstok en z'n schietpistool, loert op opstandige mensen! En al doen jullie van dat Eigen Dinges nèks! Je weet hoe dinges gebeuren! Ze zien jullie als opstandige figuren! Ik ben je m'ma en ik wáárschouw je: tapoe! Stop! Hou op met negerachtigheden tot een landszaak te maken! Want je gaat zien wat gaat gebeuren! Is nie fo nèks had ik geroepen al! Mensen práten over jullie! En ook over jou! Eentje met leugenmond, een zekere Mofo-radio, dat Mondradio!, heeft z'n leugen gelogen, dat jij in de zang bent: z'hebben lied gemaakt op straat over je! Dus pas opoe hoor! Opgepast! Orgelman weet hoe orgel draait! En zij die horen, weten hoe hun oren horen! Dus mi boi: scheur deze papieren! Laat die kinderen bij paterweeshuis gaan! Blijf met je vrouw en je komend kind die je moet gaan verzorgen! Verlies je brood niet, die je werkt, daar op school! Láát negerdinges, hòr!’ Ze trok d'r voeten al, mens gaande, wezen in het vrouwenkleed. ‘Ija, dan nog één ding: ik weet, jij en die Brummal! Vriend van vriend, zijn jullie! Ma' baja! Laat hij je nie op hol slaan!’ Ze zei letterlijk met de mond van een negerin fo wie luisteroor had: | |
[pagina 271]
| |
...laat hij je nie op hor slaan! Ma' inhoud van 't gezegde was belangrijker: iemand die zich op hol laat slaan. Iemand dus, die zich iets aan laat praten. Iets, een vriend die 'em opstookte, no? Brummal, met z'n goeie familie, die 'em altijd kon terugnemen! Hij met z'n financiële werk, die als zelfstandige akkountant geen geldzorg had. Ma' hij deze: De Moor, zoon van een negerdominee, leerman! Cente van die ouwe p'pa van 'em was allang op gegeten. Dan nu: als iets gebeurde, wie zou fo ze zorgen? Om hem te redden, kreeg ze zelfs een plan. Ma' ze repte geen enkel woord over 't. ‘M'e gwe! Ik ga me weg fo me!’ zei ze. En verdween, spoedsgewijze benen werkzaam makend. Terwijl een leegte zo, aan Ronalds naderde. Hij moest denken, prakkezeren, hoofd breken, met al wat gezegd was daar. Zoveelste waarschuwing. ‘Baja! Kijk goed hoor! Opgepast!’ Vooral met Brummal, vriend die hij in geen geval meer in de steek wou laten. Want vrienden waren ze geworden, meer als vroeger. Hij had bedrog gepleegd. Dan wát? Elk mens kon zonde baren! Wie zo niet? Janki? Met z'n zwak fo negerkultuur no? Doodzonde in Gerbers ogen! Floor daar met 'em? Wie wist wat ze uithaalde? Zijn eigen vrouw? Donker wist! Over persoon als ene Gerber Man wou hij niet denken zelfs! Dan Gouverneur! Ja die: de meest bekende zondaar van het land! En hijzelf dan, De Moor, Ronalds? Hij kón nie denken dat hij fout was! Dat ding kón niet, op dit punt! Hoogstens... ja, wát hoogstens? Hoogstens kon hij aan 't overdrijven zijn. ‘Ija is goed!’ schreeuwde hij fo z'n nene-m'ma. ‘Is goed, ija! Daaag!’ | |
(36)Anno 1780... ah... aaaaahhhhh.... Het dorpje Parmurbo groeit gestaag. Aan de oever der rivier Zuuriname de Waterkant. Een postiljonkoets raast voorbij, op keien. Ergens onderweg blijft 't steken en hup! Hup! Slaven schieten met | |
[pagina 272]
| |
alle lichaamssnelheid toe! De zon steekt geweldig onbarmhartig! ‘Hopo en! Massa, hopo en!’ Optillen dus geblazen. Met ontbloot gebit en rennend zweet, wordt uit die kuil die wagen opgekalefaterd. Een mulatto, in haar kanten rok met hoed en paraplu kijkt toe op al dat getafereel. ‘Dow! Dow! Dow! A dowa! Dow! Dow! Dow!’ wordt ritmisch geroepen. En er wordt geduwd, ma' ook: getrokken. Uit een zijstraat die hoeks staat op de rivier, komt er een sjouwer aanrennen. Zie hoe hij, met zijn schaamlap, de twee steunpunten der minikoets trekt. Hij met z'n paardeballen onderdoeks! Kijk: de blanke die zich door de negerslaaf laat trekken, drinkt zijn zoete tamarindesappen in de koetsruimte. ‘Dow, dow, dow!...’ Dorst, dorst, dorst! Het is een atmosfeer daarzo van broeiend heet. De lucht in siddering. Het weer in ademing. Aan de rivierkant gooit een waarnemer z'n alarm in de lucht: boot in aantocht! Meteen verscheurt zijn stem die luchtsfeer als hij van Kombékant eraan komt rennen: Ponke dandawe!
(pont)boot in aantocht!
Zijn melodieuze kreten basteren op de kracht van stem, verjagen in vogelvlucht de daar rondfladderende aasgieren. Dan voor je denkt, klinkt hem 't antwoord: Awe! Awi! A wan' an'o!
O! Men heeft daar handen nodig!
Voor je hoofd nadenkt, staat er een koor ‘te waterkanten’, zingend en verwelkomend, die pontboot, vol van waren uit plantages: Ponke dandawe...!
Awe! Awi!
Awe! Awi!
A wan' an'o!
Pontboot in aantocht!
O! O!
O! O!
Men zal daar handen nodig hebben
(voor het uitladen ervan!)
| |
[pagina 273]
| |
Wat een blijheid, om zo tegen de dinges aan te komen lopen! Wat een arbeidsvreugde, no? Eeuwig alweer, het lied dat sterkt! Lied dat zo'n mens tot leven maakt. Ma' nog geen vol uur later tempert lust. Dan roept de boodschapman met volop wee-schrik in zijn stem: ‘Vese do'o! Vese do'o!: een vessel (schip) in aantocht’. Dra wordt daar sloep gestreken, nadat 't schip op anker rijdend binnenkomt. Van schip af eerste wonderlijke mondkreten, angstig, nieuw met verwondering der nieuwgekomenen: zouden ze, via hel op zee, tòch weer zijn aangekomen bij hun eigen kontinent? Bij Negerland? Hun ouwe Afrika? Kijken en negers zien in dialekten! Dit lijkt een Afrikaanse erfvloek. De ontelbaren bij elkaar gedreven... straks fo verkoop, mensenverkoop, in het openbaar. Katibo! Katibo! Katibo! Slavernij! Janki, hij las dit alles. Al die gegevens, dingen, die fo z'n ogen kwamen op het leven, weer opnieuw. Dan kijk: met 't algemene studiewerk was hij zover opgeschoten al, dat je kon zeggen dat hij slaagde om te vinden wat hij was komen zoeken: bestudering van die taal & die kultuur. Van negers, wel te verstaan. Een soort ‘negeristiek’. Daarvan de systematiek trachten te achterhalen. Dát was zijn beduiding. Sins die dag dat ze gekomen waren, hij en die Floor nu lopend in die andere kamer. Sins die dag daar, op 't Oranje Plein. 't Was net of iets 'em had verteld met een geheimzinnig soort van fluistering, dat 't fajasiton-lied iets bizonders was. En hij wist 't ook. Hij kreeg een soort van wil, ekstra wil, om buiten al zijn resultaten, achter het ontstaan te komen van dit lied. Een lied, uitend 't gevoel, waarbij weergave van de wreedheden ‘den neeger aangedaan’. Fajasiton, no bron mi so! Hete steen, verbrand mij niet! Of... nee, geen tijd fo andere uitleg. Hij moest die datum weten eerst, waarop 't lied gebruikt. Datum: gegevens, jaar waarin ontstaan, gelegenheid. 1780? Kijk, dat boek waarin hij was aan 't lezen. Z'n ogen, werkend lopend op z'n verstand. No bron mi so! No bron mi so! Verschroei me niet! ‘Aaaaaahhh! Aaaaaahhh!! Waaaaaiiiii! Woiii!!!’ hoorde hij kreten vanuit verten schrijnen. Hij wist al, wat er toen gebeurde: hete, gloeihete kolen, langs geslachtsdelen geschuurd. Martelpraktijken vanuit Fort Zeelandia gedirigeerd. Dan op plantages, ver gelegen, nog erger. Hele moordpartijen. Over banja, lakoe, doe, winti, lobi-singi, al die vormen van negerspelen. Hij had ze leren kennen al. Een banja, fo zijn eer zou | |
[pagina 274]
| |
worden gehouwen. (‘Ija, masra Janki! We gaan 't doen fo u! U bent zo'n goeie witte man met attensie fo ons!’ Zus Leida, van op 't erf, met die mensen van de overkant,...) Klop klop! Floor kwam 'em storen met d'r stem. Ja, d'r was weer bezoek gekomen, van iemand die een verhaal vertellen ging. Anansitori, weer eentje, netals die velen die hij al gehoord had. Ach, dat ding kende geen grenzen. In een volkskultuur was d'r genoeg verdichtsel en verzinsel. En ook al berustten al die tori op een soort van historische gang van zaken in het algemeen, d'r moest fo sommige een soort precisiedatum aan te wijzen zijn. Net of hij voelde, dat daardoor, wat allemaal aan de ene kant gewoon volkslied & -verhaal was, en aan de andere kant dik boek met historische beschrijving, net of van alle beide kanten iets zou samenvallen: herleving van een juist moment, met juist die ene gebeurtenis. Wanneer dát 't geval was, kon hij weer na' z'n Europa gaan, met 't gevoel... ja, welk gevoel eigenlijk? ‘Ja Floor! Ik kom!’ Hij sloeg dat boek onder z'n neusgat dicht. Z'n adem, gaand over de bladzijden had ze doen leven, op die speciale wijze waarop iemand met intense belangstelling een boek fo je leest. De historie herleeft, in zo'n lezer, ma' dan veel sterker als gewoon. Net echt! En dan (‘Ja, ik schiet echt wel op, maak je niet druk!’) die negers, die een winti kregen, over ze; een geest, jorka, van iemand die geleefd had. Ze werden gans een andere persoonlijkheid. Een taal die ze nie spraken, gingen ze precies zo praten alsof nooit geen ander woord kwam uit hun mond. Kromanti, soort geheimtaal. Dan konden ze dinges zeggen, van ver voordien terug. Ja, natuurlijk, dacht hij, terwijl hij trap afging, natuurlijk! Hij had al geprobeerd te weten te komen via winti, dus geestoproeping, wat fajasiton betekende voor slaven van ver boven de honderd jaar terug. Ma' vooral wanneer ook! 't Was eenvoudiger dan 't zwaar leek: je liet zo'n geest oproepen. Soms kwam 't, soms niet. Vooral bij zo'n oudvaderlijke man, mannetje met ouderdom. Je gaf, wat nodig was fo 't ritueel, de bonoe. (‘Ija, m' bak'a! Tangi f' i!’ Dank aan de goedgevige bakra die Janki was.) En dan: na oproep van de geest der Gekomene, z'n naam, z'n gegevens. Een mens van ver verledentijd, die kwam, die kwam! 't Was nie te geloven soms! Echt bijna niet. Die en die plantage, had hij ‘de geest’ geleefd. Dat en dat was geschied daar en daar. Ma' nooit die gans | |
[pagina 275]
| |
juiste precisie die hij nodig had. De kern van de geschiedenis bleef over. De rest vervloog, ook bij een opgeroepen geest. Een soort onontkoombare diffusie van de gang der mensheid. Ach, die jaartallen! Hij kon aan de hand van de jaartallen, hele geschiedenis weer oprakelen, van achter na' voren, van voor naar achter! Dan toch juist, kon hij nie precies weten, dat ene feitje. Al die andere grote feiten en halfgelogen gebeurtenissen. Soms grote mysteriën. Je kon tientallen hypothesen, veronderstellende uitspraken, d'rover doen. Je bleef met ze, bezig op een bepaalde wijze: 't ging om grote gang van zaken. Ma' juist dat kleine, dat persoonlijke, dat hyperechte, van de gebeurtenis van één persoon die één schreeuw had gelaten, op die en die marteldag! Of op geluksdag, ma' dat kon niet, bij zo'n soort van lied. Dit... dit... Hij kwam de trap af gelopen, draaide z'n lichaam langs die onderleuning. Dit was te gek toch, voor een mens! Dat kinderen met hun onvolwassen hoofd, er een lied van hadden gemaakt, met spelletje d'rbij! Dat ze dat zongen, zomaarzo! Een tekst, buitendien, volmaakt van de orale stijl, waarin ze hun woorduitdrukkingskunsten leverden. Het kon volgens de opbouw d'rvan, niet zo zijn dat iets was weggelaten? En dat 't lied zich vatbaar hield fo meer verbastering? Misschien, dacht hij. 't Was zelfs heel begrijpelijk, als iets eraan veranderd was gaan worden in de loop der tijden. Ma' wat? Ma' in godsnaam wanneer precies was 't gekomen? Nee, nie geschreven! Gewoon uitgeschreeuwd. Hij betrapte zichzelf op een soort wangevoel. Z'n intellekt in z'n hoofd flitste ergens half bewustmakend, dat hij op zoek was na' iets, wat hij nie ging vinden! Nooit en te nimmer! Eeuw waarin zo'n lied ontstaan was iets van definitieve voorbijheid! Misschien juist daarom dat hij zocht! Een soort zoeken naar iets wat niet achterhaalbaar was. Misschien... om iets wat wèl groot breed en open voor z'n geest leefde, te ontwijken? Op die manier hoefde hij ook niet klaar te komen met die kultuur van anderen, van de neger bijvoorbeeld. Neger, met z'n verdomde historie! Dan kijk hoe sommigen een soort van volmaakte onschuld d'raan hadden overgehouwen. Sommigen waren de onschuld zelve nog, vanuit hun natuurleven al. Sommigen waren altijd nog een stukje beest gebleven. Soms... | |
[pagina 276]
| |
Hij zag abrupt die beelden voor zich, van dat vallende Europa: oorlog, moord, uitroeiïng, plundering, moord! Het totale morele faillisement van z'n eigen kultuur. Door de Tweede Wereldoorlog. Nee! Nee! ‘Wat is er Jan?’ ‘Ach, ik verstapte me! Die tree! Hij moet gerepareerd!’ Fo één moment had 't geleken of die trap onder 'em weg was komen te vallen. Snel armleuning vastgrijpen. Dan weer gaan staan. Kijk, bezoek was daar. Met grote lach op z'n smalle gezicht, met die echte bakra-ogen van 'em, soort van guitigheid aan ziel, trad hij bezoekers tegemoet: ‘Faigo go dan?’ riep hij zo, tegen die negergasten.
Vlak op 't erf, achter die achterdeur, bij die drempel, búiten drempel, búiten dat huis van Janki, met z'n deur en raam, was Zus Nette bezig, kleer te wassen. Een mooie dag zo, met de lust om bediende te zijn. Dat was 't werk fo haar nu eenmaal. En ze was blij met 't. 't Gafd'r leven betekenis en zin. Ze had zo geld buitendien. Meneer had alweer een paar keer gevraagd, ofdat ze om zo trouw zijn, mee wou gaan na' Holland, om daar te gaan bedienden. Ze wou niet. Want 't had daar kou, had ze gehoord. Dan buitendien: die kinderen! Wáár moest ze ze gaan zetten? Bij hun grootmensen? Alsof die al geen andere kinderen in de kweek hadden, van familie. Neefs en ooms en tantes, broers, met kindertal, losse erkende kinderen, hele boel! Ma' ook, was ze aan 't denken, was d'r weer die andere kant: wanneer ze met die kinderen van haar kon gaan, al moest ze d'rzelf doodslaven! Dan hadden die kinderen in Holland een gouwen kans om opvoeding te krijgen! Zij, negers! helemaal te gaan in bakra-land. Ze zou d'r hele leven kunnen geven fo ze. Helemaal werken fo ze, met de zekerheid dat wat zíj nie genieten kon, ze zouden krijgen. Betere school, onderhoud; al had ze helemaal geen kennis van wat bakra-land was. D'r waren negers uit Holland terug gekomen toch? Licht gekleurd of donker gekleurd, 't maakte nie teveel uit: ze hadden een papier en woonden goed! Kijk, een paar van ze, die opvielen door wat ze presteerden, mannen van publiciteit: De Moor! El Negro! Frankie! Wie kende ze niet, met al die anderen ook, soms van Eigen Dinges? Dan moest ze (als het ware gedachte terugschakelend na' wat echt echt gebeurde,) denken aan iets anders! Ze had een nieuwe lief | |
[pagina 277]
| |
gekregen! Die vent die bij d'r gekomen was daar aan 't raam! Hij loerde d'r, hij schijnde d'r. Hij wou d'r hebben. Ma' wat had ze aan zo'n man? stond ze te prakkezeren. Zus Leida, met d'r Jozef in het bos z'n werk doend, kwam aanlopen. Zus Nette, van d'r wastobbe kleer schrobbend, zag alleen die onderkant van Leida's jurk. Paar flarden, met een losse zoom. Zo sjabbaGa naar voetnoot1 van kleren. Ma' ach! Ze was mens van negerhuis en buitendien, hoor, ze was thuis ook. Dan wát dan, wat een mens wou zeggen! Ze was toch ouwer al, van generasie! Dus geen aantrekkelijkheid kon d'r meer schelen! Anders was 't, met Evi! (‘Meisje, ik zeg je! Je moet nie zo rond blijven lopen met een open rugGa naar voetnoot2! Kou gaat je vatten! Je gaat nie kunnen opstaan, sweer ik fo je! Chm! Dit kind wil nie horen!’) Dan gooide ze een mondvol woord na' Zus Nette: ‘Buurfrouw! Hoe kaat 'et?’ ‘Mi de! Met mij gaan dinges goed, ija!’ Waarop Zus Leida zelf: ‘Hi-ja!’ Ze voorzag haar ‘ja’ uitspraak van een voorop zittende ‘h’. Een soort van levensberusting klonk d'ruit. Een soort aksentuering. Noem 't nuancering. Of beter: als ze schilderij zou hebben gemaakt van leven, dan was 't zoiets als ‘'t aanbrengen van tint-variasie’. Zon was de dag aan het afschilderen. Licht, dat een erftoneel voorzag van licht z'n schaduwbeeld: daar een awara-pit op de grond, daarzo een door een hond in 't zand gekrabde gat, daarzo drempelrand, daarzo een paar vlooie-ogen, die loerden na' mensetenen, om hun kaakwerk d'rin te slaan. Dan daarzo weer, in 't groter, struiken. Daarzo, libelle die een vlucht vloog zonder einde, of't zou vallen uit z'n vleugels, doodgaan in z'n poriën, vergaande tot god-wist-wat in magen van de rondkruip mieren. Dan daarzo, tot vlak onder z'n eigen nok, dat houten oudheren huis, waarin dat hollandse echtpaar, Janki en Floor. Dan weer iets verder, dat afdakje waarin Zus Leida zelf huis had. Dan daartussen wederom, nèks anders, van schutting tot schutting, onder de precieze pressie van één atmosfeer luchtdruk, mensen, die hun ruimte zochten. Nee, net of ze in een soort levensgevecht, ruimtedekking zochten bij elkaar, met woorden die hunne wapens waren: | |
[pagina 278]
| |
‘Ija, Zus Nette! Net zoals ik zeg! Schandalig baja! Die man heeft d'r gelaten! Grote neger zo, bigi skin a tja! Dan rammelt hij z'n vrouw! Vooral wanneer hij z'n sopi heeft gedronken! Dan tanteertGa naar voetnoot3 hij die kinderen! Wie een mond wil opendoen, schrééuwt hij, om geen bemoeienis te hebben in zijn privé! Dan nu ze, heeft hij d'r echt weg gelaten! Aajbaja!’ (Dat laatste was een klacht met uitroepteken). Weer zo'n tori: de gewone kleur van schildering. 't Leek een grondkleur van de afbeelding der menselijke natuur ter plaatse. Pas als je goed ging onderzoeken, met navraag naar de samensteller, kon je weet krijgen, van hoe zo'n couleur locale juist dáár voorkwam. Want dat de negerman kwaaddoener was... ach! Een oud verhaal! Zelfs, de basis van het denken van dat soort van vrouwen. Wanneer een ‘natuurhuwelijk’ lukte, dan was 't eerder uitzondering dan regel. Ma' 't moest gezegd: als resultaat van díe omstandigheden in die maatschappij. Dan hoe was maatschappij zelf? ‘Aaj ja! Me hoofd is moe!’ riep Zus Nette. Ze wou of kon nie denken over zulke zaken. ‘Ik wéét wat 't moe maakt!’ Zus Leida zo, kwam dichterbij. ‘Is lobitori, no?’ Lobi-tori: liefdes aangelegenheden! Baja! Waar zouden ze 't anders over moeten laten dwalen, dat gesprek? 't Zat tóch vast aan erfruimte, aan dat paneel van schilderij, skedré, waarop zij stonden. ‘Nee, is 't weer hier! Dit weer maakt me zo moe als een aap!’ ‘Ach Nette! Laat mensen! Met gekkigheid! Je denkt dat ik nie heb gehoord dat je een “sma” hebt gevonden! Je weet, verhalen kruipen hier rond, sneller dan hagedis! En buitendien: w'hebben een Mondradio... Hij kent alle privédinges van mensen...’ Dan bleef ze stil. Evi, vanuit d'r achterkant, achter Zus Leida dus, opende die deur een heel klein beetje, een tèt. Dan ging die deur weer dicht, want ze mocht niet uit huis, die ongeschonden dochter. Ze was nog maagd toch. Zoals dat heette: ze was nog niet gebroken. Zus Leida keerde snel d'r hoofd weer. ‘Nette! Kom me nie zeggen, is die zon hier maakt je moeilijk! Zo'n open dag, met zon z'n schijning! Is die mán die jou schijntGa naar voetnoot4, is aan dát denk je! Ma' ik weet: ik ben meer oud als jou! Ik weet wat vróuw voelt! Want, (riep ze in d'r moedertaal) als die neger weer hier komt, om je lucht van je lichaam weg te naaien en je imboedel te vreten! Chm! We rammelen 'em allen samen, met die hele buurt van die erven hier!’ | |
[pagina 279]
| |
Dan bleef 't ergens stil. Ze had een soort waarachtigheid van stem. Nog meer dan dat, uitspraak die met stem meevloeide, klank uitbuitend tot begrijpensvol, het praten. Want ze wisten allebei waarover 't ging. Zus Nette op haar manier, rijp van ervaring. Dan Leida weer, Zus Leida, ouwer, met een dochter die nie ‘was gebroken’ nog. Dus wie oog had op Evi, moest gaan rekenen op een moeder die bewaking hield, als een soort van stille tijgerin. Zelfs, ja zelfs die bakra, Janki van voorop, die een paar maal daar aan huis gekomen was, vertrouwde ze nie helemaal. Ma' ja: blijdschap om aandacht fo hun kultuur, telde zoveel! Hoe blij ze nie waren, dat een echte bakra aandacht fo ze had. Ook al moest ze, met d'r moederdiers instinkt bekennen, dat die komst van hem aan huis, (met navragen om allerlei verhalen, liedzang enzovoorts), gepaard ging met een soort van mannedrift. Ma' ze wist donders goed, dat die tijd, waarin bakra's hun negerinnetjes konden grijpen en plat leggen, of als bijvrouw hebben naast hun blanke boedel, voorbij was. Slaventijd was voorbij toch? Hoe nie voorbij, man en vrouw zaken bleven. Ja, liefde blééf, als aangelegenheid van man en vrouw. Ma' dan Zus Nette ook weer hoor! Ze stond daarzo, kleer schrobbend, met korespier en al. Liet d'r gedachtes afdwalen, voorbij die ene man die ze ontmoet had. Haar gedachte ging bij die kinderen. Haar eigen buikkroost. Want 't was om hun te doen tenslotte: als een nieuwe p'pa fo ze aankwam, al of niet in huis meelevend, dan had 't tóch betekenis fo ze. Ze konden regelmatig een man te zien krijgen, al moest hij nie teveel p'pa fo ze gaan. zitten spelen. Dan had 't nut, fo opvoeding. Geld kwam ook méér binnen als alles goed ging. Met d'rzelf ook een droppeltje geluk. ‘Ija baja!’ zuchtte ze. ‘Een man! Een man! Een man! Een mán!’ Ma' ze wist beter: zulke dinges waren beter nie te hopen. Zeker nie zomaarzo fo een vijf-kinderen-moeder, met d'r Drika, Errol, Alfred, Paulus en die ene kleine jongen, Mandwe, bij z'n grootmensen van vaderskant. Ja, zo'n man kwam, (leek dat ding,) juist in zo'n geval uit liefde, grote liefde soms. Ma' vooral omdat in d'r eigen gevalletje, wel, goed-en-wel geroepen kon worden, dat ze geld verdiende. Vrouw was ze met inkomen. En hoe 't nie trok bij mannen! Zoveel mannen hadden haar gewild. Want dan was zo'n wijfje ‘dobroe n'njan’: een dubbele hap, om zo te zeggen! | |
[pagina 280]
| |
Je gaat, je naait d'r onderste! Dat is één. Je gaat, je vindt brood op tafel, je rekt je benen, krabt je borst en eet! Dan steek je je tanden met een tandenstoker - of lucifer - is jóuw zaak, wat je kan vinden! Dan snurk je jezelf leeg in huis daarzo! Ze brengt geld. Dat is twee. Of die kinderen eten krijgen en genoeg? Zoiets kan zo'n uitvretende man nie schelen. We gaan zien! Misschien dat ze kruimel gaan vinden, en achtergelaten reuk van opgegeten brood. Ma' zelf buik vullen? Owie? Dan hoeven ze nie te rekenen op 't hebben van iemand, die fo hun de rol van p'pa komt spelen. Die zogenaamde vaders...... (‘Heb je je huiswerk gemaakt al?’ ‘Nee, oom!’ ‘Roep me geen oom! Zeg rustig: pappa!’ ‘Nee papa!’ ‘Fo wáárom deze nee pappa?’ ‘Omdat ik heb nog nie gegeten pappa!’ ‘Dus je meent: jullie m'ma heeft nog nie gekookt fo jullie! Wat een ellendenarij!’ ‘Nee pappa! Dat eten was in die pot pappa! Ma' pappa heeft drie porties gegeten op die grote bord daar, groot als waskom! Fo daarom hebben wij...’ ‘Jo moer! Kom nie fo je p'pa staan leugen vreten! M'e nak' i kiri dalek!: Ik sla je dood! Jullie willen die hele dag door vreten! Dát meen je! Jullie ellendige sakasaka's jullie!’) Een bedreigd gezin, ‘gered’ op deze wijze..... Dan wanneer hij ze moet zwepen, lijkt dat ding, netof hij rattenest uitroeit..... Meneertje komt, meneertje gaat, in deze doorloopwoning.... Dan valt hij die vrouw lastig, vlak onder dat oog van die kinderen hier. Ze moet konstant z'n hand weghalen van d'r seksplaatsen... Enigste inbreng van zijn kant is onzekere liefde..... ‘Nette, ik zie, je hoort geen mensen meer’, gaf Zus Leida d'r klacht. Dan begon ze met schoorvoet weg te lopen. Stof van 't zand, opspattend tegen d'r schenen. Voeten plantend bij elke stap, in aarde. En dan weer voet uitrukkend van de grond. Zo liep ze weg, met al het menselijke dat uit haar gegroeid was.
Dan ondertussen, vlak in huis van Janki, zijn visitemensen alweer bezig. Ze zijn kultuur fo de zoveelste keer aan 't komen laten zien. Je | |
[pagina 281]
| |
weet toch! Hoe ze aan 't zingen waren, Vrouw Desna, Tanta Beki. Een man ook, die was komen bongo spelen, die kleine drum. Dus hoorde je dat geluid aanslaan. Tanta Beki, daar in 't huis, rol spelend van jaloerse vriendin. Vriendin van d'r gekaapt door iemand anders. Misschien een man, misschien vrouw ook. Hoor hoe ze lied uitschreeuwde, lobi-singi, ‘liefdeslied’ uitzingend: Mi lobi dati,
nanga anoe a e waka!
Lob'lobi dati,
nanga anoe a e go!
Ma' te net' mofo tapoe,
a moe e foetoe kon baka!
Foetoe d'e tja wan ati lontoe!
Ha! Ha!
Mijn liefje
laat z'n handen rond gaan!
O mijn liefje
laat z'n handen rond gaan!
Ha! Ha!
Maar als het nacht wordt,
moet hij op zijn benen terugkeren!
Benen die een hart
in een mens doen rond gaan!
Ha! Ha!
‘Woi!’ schreeuwde Zus Desna een lach, ‘woi!’ Je hoorde die echte vibrasie stem van d'r, lucht z'n almachtige trillingen gevend. Je mocht voorlopig aannemen, dat dit een lied was, gezongen in het bijzijn en ter demonstratie van en voor Janki. Met die handklappende Floor d'rbij. Geen echte spel, met echte liefdesjaloezie! Vooral met die andere, Vrouw Weeser in nabijheid! Wie weet, wat Weeser had gedaan met Desna..... Zus Desna direkt direkt weer een antwoordlied zingend, vol van dubbele betekenis: Teri sébi nanga wan!
Teri aiti nanga moro!
Te mi fejanti doro,
a no aksi pardon!
Tel bij zeven, d'r nog een bij!
Tel van acht er nog meer bij!
Nu de vijand mij nadert,
blijkt dit een verrassingsaanval!
| |
[pagina 282]
| |
Alweer gelach! Ditmaal vanaf Vrouw Weeser, harder! ‘Chechééééé!’ Janki zelf ook, met z'n gevoel fo volkskultuur! Hoe kunstig vond hij 't niet, dat ze begon met zeven? Eerst tot zeven tellen... en dan tot acht... en dan verder..... Een oneven getal; en dan even; vervolgens de rest even/oneven, 't gaf niet tot hoeveel. Maar waarom beginnend bij zeven? Was dat een ingeslopen bijbels iets? Hij zou 't gaan uitzoeken. Hij vroeg! Ze luisterden niemeer. Want met dat hele genot van anderen, was Tanta Beki danig kwaad. Tan? Wat passeerde dan? Wat fo een gebeurtenis vond plaats? 't Ging bijna écht lijken, toen Tanta Beki handen in d'r zijbout wierp (ze was gaan zitten), opsprong, en een lied uitbasterde fo ze. Hoor hoe ze d'r mond werk gaf! Nu. échte jaloezie uitzingend: Mi de a lansoen, mi de a lansoen!
Efi bomerijp, mi ben sa tan a lansoen!
Ma' f' di owroe pepre, m'sa tan a lanki!
Bika mofo, na branti na en danki!
De liefde is voor mij gerantsoeneerd!
Als 't om een halfrijpe vrucht ging,
zou ik wel met geduld afwachten.
Maar met een ouwe Madame-Jeanette peper,
blijf ik wel uit de buurt: want het brandt
je hele mond op de duur!
Dan lachte ze, bijna op beksenmanier, d'r eigen achteraan komende ‘Chechééééé!’ Brats! Bridim! Bramm! Gevecht! Vóór je dacht, bleek gezongen jaloezie, ook échte jaloezie! Eén dinges door makaar! Met haren trekken, kleren willen scheuren. ‘Nee mensen! Niet hier!’ schreeuwde die bleek geworden Janki. Met Floor teruggedraaid na' achter. Ze kon een vetklap halen, als ze wou. ‘Nee, nono! Tapoe!’ | |
[pagina 283]
| |
Wat een gevecht! Na een demonstratie van het mislukte liefdesleven ook nog onbeheerstheid! Baja! De neger had ook smerige kanten! Dan was dat ding zo mooi begonnen. Eerst Bongo-Leksi, die drumman, die z'n verhaal kwam vertellen. Een prachtig verhaal, dat hij z'n oor ergens anders te eten had gegeven. Een verhaal over de verklaring: hoe 't kwam, dat mensen konden doodgaan. Met kennis van de mensen, kennis als een soort van steen, 't besef. Welk besef zo dan? Dat eentje was beter dan die ander no? Dus dat ene mens was beter? Hij had zo, mooimooi verhaal, z'n tori geleerd. Mond gerepeteerd. Met gebaar en al. Dan toen ze daar kwamen, bij Janki kon hij beginnen. Die vrouwen wilden eerst, ma' Janki vond nie zo. Hij vond ze toch al babberig, al zei hij 't nie zo persoonlijk! En schreeuwmakerig ook. Met veel handenwerk, als ze praatten. Met veel meer lichaam schudden als ze ook één lied maar zongen. Kort lied bijvoorbeeld (jammer van geen hele instrumentasie op dat moment), met veel herhaling d'rvan. Soms was 't zodanig herhaald, dat je 't kon zien als een soort koord, een soort van ketting. Dan, met één enkele introduksie, als een soort van hanger aan die ketting, iets aparts. Ja, die vergelijking sloot: je had tot slot, ergens een sluitstuk ook, fo die ketting: knèp!, dan was dat lied gezongen: een soort van uiting van het sieraad van de ziel. In dit geval, de negerziel, want deze zwarte mensen liederen, gebouwd volgens een uitgekiend systeem. Uitgekiend no? Wie had z'n hoofd d'rover gebroken dan? Nie neger zelfhoor. (‘Tan? Wat komt deze neger vragen hier om negerdinges? Mars! O bis joe!: wie schopt je! Fade: is wisiGa naar voetnoot5 wil je hebben no? Om iemand kwaad te gaan doen! Nie op mijn naam hoor!’ Dit was de klassieke manier waarop een neger een andere neger afsnauwde. Een neger hoorde geen interesse te hebben in eigen kultuur.) Dan was Bongo-Leksi z'n tori begonnen. Met daarna zingen van die vrouwen. Je kon al zien, toen, dat iets was onder ze. Hun eigen vrouwengeheim. Ze stonden makaar zo te kijken, dat een blinde kon feeling hebben, dat iets was gaande. Later bleek 't lesbische jaloezie, no? Met vechtpartij! ‘Hmmm? Fa oen fesi hari so dan?’ Janki had z'n vraag gevraagd aan | |
[pagina 284]
| |
ze. Waarom hun gezicht zo getrokken was? ‘Ija, dat weer is een beetje benauwig.’ Om 't op hun wijze te zeggen, met aangeven van de omslachtigheid, spreekwoordelijk: de koe dood, het paard vet, de ezel mager, het schaap verloren.... (kletspraat van ze dus, als uitweg op z'n vraag.) Een hoop uitvluchten als opgave van de redenen. Hij dacht, heel even, dat ze misschien niets meer hadden aan verhaalschat om 'em te vertellen. Want juist doordien hij ze was gaan stimuleren, op z'n eigen wijze, vond hij, vroegen ze meer en meer. Eerst sopi, drank! Dát ging! Je kon geen mensen laten dinges doen fo je, zonder geen niets. E'en! Dat kon niet! Al waren ze van begin af, levensblij, dat hij hun kultuur kwam bekijken. (‘Aaj! Deze witman! Maak geen grap! Hij zegent neger, met zijn attensie! Kijk hoe áándachtig hij na' onze mond luistert! Met een hoofd vol van verstandigheden, hoor! Twintig domnegers kunnen 'em nie krijgen, met gelijkheid! Baja! E'e! (verwondering) Dan praat hij onze negerdinges ook, net een parkiet! Prakiki ja!’) Dus eerst de goeie dankbaarheid. In de loop van later, ook nog drank, sopi d'rbij, zelfs eten, als ze heel laat bleven. En tegenwoordig nu ook geld. (‘Meneer, heb je geen cent fo me dang? Me huis wacht op me, met z'n zorg!’) Waren ze nu echt een ‘verhaal’ komen verkopen? Of was 't echte buikzorg die ze hadden? ‘Bongo-Leksi! Sla dan, laat mensen horen! Dan zég je tori, gauw gauw met je mond! Als 't is goed, gaj'k lachen! Als 't slecht is, kantel ik een emmer luizen op je....!’ Dan net op dat moment, als 't verhaal begint, komt iemand buiten op die stoep. Een hand klopt zacht. Ze horen niet. Hand klopt weer. Weer hoort geen niemand niets. Die persoon ook! Gaat met bille zitten, op die stoep. Hoort méé, die tori!: We, oema
nanga man ben de!
Da' a wan fen'
a betre a trawan.
Gwe a Grantata!
O reti?!
Eens had je de man
en de vrouw!
Maar elk vond zich
beter dan de ander.
Op naar de Schepper!
Wie heeft gelijk?!
| |
[pagina 285]
| |
A taki:
Dan oen sa si!
Da' A singi:
'taki kon moro he....
kon moro he, nadri!
Kon moro he...
kon moro he, nadri!
Pikin o, pikini ba,
gran d'o,
na gran f' Tata!
San na siton,
di j'e tow de,
mi Aloetoewan!
San na a siton?,
ben kan kiri
pikinini!
We, A gi njan-njan!:
Alatoe, den njan!
A gi den pen!:
Nom' halatoe bari!
A trowe siki!:
K'ba toe so didon ba!
Gi wan na wan bréti!:
Toe mofo bar' lafoe!
A gi den lobi!:
Ne j' si so, den meki!
Ma alafa pikin de,
satisfaksi no de ete!
Hij zei:
We zullen eens zien!
Toen zong Hij:
Zeg, kom dichter,
kom dichterbij!
Kom dichterbij,
kom, nader mij.
Kinderen, o kinderen
al het grote dat er is,
is de Schepper ter ere!
Wat is dat voor steen (last)
die je daar sjouwt,
mijn Schepsel?
Wat is dat voor een steen
die Mijn kinderen
zou kunnen doden?!
Nu gaf Hij voedsel!:
Ze zaten allebei!
Hij gaf ze pijn!:
Toen schreeuwden ze beiden!
Hij maakte ze ziek:
Daar lagen er twee!
Gaf ze stuk voor stuk blijdschap!:
Daar schaterden twee!
Hij gaf ze de liefde!:
Toen baarden ze kinderen!
Maar hoewel ze nu kinderen hadden,
waren ze niet tevreden (met elkaar)!
| |
[pagina 286]
| |
We j' si: En ati bron!:
A trowe dede atapoe den
so njèpè!
Hij werd kwaad, zie je!:
Daar wierp Hij de dood
naar ze: hup!
‘Mijn óóóóóód! Die tori is zó mooi! Vertel 't weer no?......’ Achter buiten huis, Zus Nette, kleren schrobbend, denkend aan d'r huiszorg. Binnen in huis, die gekomen mensen, hun tori pratend, luidop, en met saus. Dalek die liederen. Nu zo, een drumsolo, die een betekenis had, die Bongo-Leksi uitlegde: ‘Meneer, ija Masra! Dát is dat...’ Dan ondertussen, die persoon op stoep! Is geen dronkeman was hij, of moeiige persoon die was komen vragen, om te gaan ‘kleinen’ of te gaan ‘kroten’.Ga naar voetnoot6 Of ziekeman, of andere persoon, wetend geen raad. ‘Ija Masra Janki! Is zó leven die dinges onder ons! Wel, ik ga vertellen over een fjofjo-geval! Van paspas gebeurtenis! Dan daarna ga ik fo de honderdste keer uitleggen, wat een verschillen je hebt met Apoekoegeesten...’ Hoor die stem! Hoor die vervloektese stem van die persoon in huis! Terwijl, op stoep, net aangekomen, nu z'n lucht wegblazend, Mandwe! Mandwe? San?! Wat had die jonge weer gebracht dan? En? Zo'n vrijpostigheid om bij z'n moeder te komen lopen hier! Helemaal weg van z'n granm'ma en granp'pa! Om te komen storen! Hij had geen weet, dat een vrouw als Zus Nette, kon d'r werk verliezen, met zo'n kwaaiehoofd kind? En?! Hij was van z'n granm'ma en granp'pa weg gaan gaan, ija! Hij was eerst langs gaan passeren, voorbij 't erf van Janki en daarnaast Zus Nette met die broe'tjes en dat susje van 'em. Was raitstrips gelopen, rechtstreeks dus, naar die winkel waar hij z'n p'pa had ontmoet. Hij, met die ketting aan z'n nek, gekregen. Hij wou 't laten zien, hoe mooi. En misschien ook..... Ach, dat z'n p'pa 'em had weggejaagd! Dat ding móest komen, door die andere fokkingmeid! Wanneer ze dronken waren, dat wist een kind, dan deden grote mensen rare dinges. Hij had 't vergeven aan z'n p'pa. Was nu weer gekomen, om een goed moment te beleven. Misschien ook daarna, na ontmoeting met goeie beloning, ook gaan bij z'n m'ma. Dan kon hij ketting laten zien, met goeie beloning van haar kant ook! | |
[pagina 287]
| |
Dan wát ontmoet hij nu? Gesloten deur. Of afwezig, óf gesloten deur! Hoor ze, hoe ze negerdinges maakten! Dan moest hij buiten blijven no? Altijd weer uitgesloten kind! Was 't nie hier, dan was 't daar! Altijd weer! Altijd weer! Fo jeses! Hij was zelfs nie gekomen, uit vlucht, weggaan van z'n granm'ma en granp'pa, om te gaan na z'n broe'tjes en dat susje van 'em. Al waren ze nie zo vriendelijk voor 'em, die bijkomer, toch, 't was beter daar. Nee, hij was gewoon een sieraad komen wijzen, wat hij had gekregen.... Hij stond op, met beefhand die deurhandGa naar voetnoot7 vastgrijpend. Open maken of niet? Hoor hoe ze binnen lachten, vreemde mensen, zwart en blank, over hun opgevoerde dinges. Dan draalde hij. Trok hand terug. Met een soort wraakdaad, uitte hij z'n woede: hij trok die ketting van z'n nek. Smeet 't op die stoep. Dan liep hij weg, huiltranen aan zijn ogen, hoewel hij ze niet losliet. Weg, weg, weg......! Dan bijna net op dat moment, 't was of een soort memorie-god 't had gekonkeld, riep een van die personen daar: ‘Hé!’ ('t was Floor, met stem die iets van zweven had), ‘heb ik nou iemand op de deur horen kloppen of niet?’ Janki ging openmaken, hoewel 't nie hoefde, hij als blanke man en huisbaas. Ma' zo'n plezier, maakte dat je gelijk was met die anderen. Hij draaide die deurhand open, gooide z'n oog op straat.... nee, geen hondestaart te zien! Laat staan een mens z'n geest! Totdat... kijk....! Op die stoep een ketting met een anker! Toch geen wisi? Kwaaie magie? En? Chm! |
|