Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 218]
| |
Hoofdstuk acht(30)‘...die vervloektese poes kijkt je áán! Míjn góóóóóóód! 't Kijkt je aan met zúlke van die ogen! Dan terwijl 't je aankijkt, verruilt 't z'n oogbal van geel na' rood en maakt z'n kijken zó vrijpostig, dat 't je biofreert!’ ‘Biofreert?’ ‘Ija! Biofreert!’ ‘...o! Je bedoelt; biologeert! Die kat biologeert je?’ ‘Ja! Enhèn! Is dát meen ik precies! 't Houdt je satansgevangen op je staanplaats van dat wèry wèry moment, waar 't begint te lijken of je hart, fo die katti, als een batterijGa naar voetnoot1 zonder stroom, blijft stilstaan! Zo verradelijk!’ 't Gesprek vlaagde voorbij, gejaagd door wind op weer, daar op dat ene erf. De ochtend was al wakker, toen de stempartij over die erfgoot joeg, met water, stromend, langs gewassen voet, door modder, drabba van weggegooide rijst, visbonenGa naar voetnoot2, resten van anderssoortige voedsels. Dan nam een andere stempartij de levensklaagzang over, zoals 't leek: ‘Bakdjah! Bakdjah! Dudu kateh!’ klonk daar in 't hindoestaans. Wie dan zo kwam? Dit was toch niet 't erf van Mai? Nee, dit lag midden in de stad, daar, aan 't Molenpad, naast erf van Janki.... O,... dan was dit 't erf waar vrouw Nette woonde, no? Ija! Is zo was 't! Zo waren dinges! ‘Bakdjah! Bakdjah..Mensen, lopen jullie weg! Want de duvel komt!’ Bochtesnijer gebruikt z'n allerbeste hindoestaans, die negerkreool als hij is! Met kromme rug, dat wiemelmannetje, met hoed op, en z'n schuinse voet dat mankt! Die schuinse loopgang van 'em! Een van die kinderen daar, zat weg te dromen, helemaal zo, hangend | |
[pagina 219]
| |
op een houten zijstellaasje langs een huis. ‘Hé joe! Slaapje staande?’ riep Bochtesnijer. Hij was geen man om 't onjuiste van de wereld in te zien en 't zo te laten. (Was met ‘gefilosofideer’ - is zo zei hij - van mening, dat indien een mens een mening had, die mening niet die mens mocht worden. Anders....) Het kind stond nóg te sikkepitten, met slaap aan z'n hersens. Aaaaahhh!! ‘Jo slaappilaar die geen wakkerwording heeft! Ik ga een patatluis sturen om je kuiten fo je wakker te bijten, la' je dat hele erf rondrennen jo!’ riep Bochtesnijer fo dat slaapkind. Dan tegen een ander kind, dat met een baddoek liep te waaien: ‘Stop dat ding jo! Zie je niet: je gaat grote mensen slaan! Ik ga je grote mensen fo je zeggen, hòr! Kleine koedoentoe jo!’ Kind was dus duivelsgedrochtje. Hij was echt gierig op 't uiten van dat soort van ochtendkommentaar, wanneer hij 't erf uitging. Dan kijk: hij loopt z'n schuinse gang. Z'n tanden in z'n mond vol holen. Zegt zodanig zoveel, dat je 'em soms niemeer begrijpen gaat, hoe hij.... (hóór 'em weer schreeuwen dan:) ‘Hé! Moforadio! Mondradio, fa? Fa? Fa?’ Het ging om iemand die hij was aan 't tegenkomen. Mondradio, die Babbelaar die alle nieuws rond konkelt, is een andere kerel. Hoe lijkt dat ding, of hij nieuws heeft: ‘J'hebt nie gehoord wat is gebeurd?’ ‘Nono! Zeg 't gauw gauw aan mensen die hier met hun oren staan!’ ‘Een ezel heeft een hond gebeten, daar achter de stad!’ ‘Frrek jo! Grappemaker!’ De Bochtesnijer had een echte nieuws verwacht. Geen tapperij van grap! Hoor hoe hij vloek uitbastert: ‘Dan heeft die ezel die hond zeker aan z'n mars gebeten no? Jo ellendeling!’ ‘Scheld nie zo man! Is grap ben ik aan 't maken!... Hoe.. hoe gaat dat ding met je? Geef me een tabaka van je! Dán pas weet ik echte nieuws fo je..ssssstttt: hoor hierzo: die persoon van je daar.... (laat ik zachtjes praten hoor, want wind heeft oren als een olifant!)... die persoon van dat huis met groene baddoek die hangt daarzo.... heeft een affaire....’ (Wie zou gaan hardop durven zeggen dat ze Zus Nette bedoelden!) Twee ouwe manke kereltjes, als versleten persoontjes, staan te konkelen. Dan komt er iemand uit dat huis: ‘Wie van de kinderen heeft die baddoek hierzo gehangen? En?! In plaats van dinges eerst spoeling te geven! Die morserij! Die fiesterij! Dat ding hangt en 't stinkt als ik weet nie wat! Deze kinderen! Ze gaan een mens doodmaken! Met hun | |
[pagina 220]
| |
nonsenserij!’ Dan hoorde je d'r stem al roepen, terwijl ze daarzo was aan 't staan, met verderop die twee, Bochtesnijman en Mondradio die alle nieuws uitdeelde. Twee kale mannetjes met hun trekbandGa naar voetnoot3 aan broek die aan hun lichaam zweefde. Hoor Zus Nette: ‘Errol..! Drika! Paulus.....! Alfred! Marsen jullie na' hier, die persoon die die baddoek hier heeft gehangen! Als ik van werk kom en 't is nie weg nog, ik ríet jullie!’ Dan ging ze heen, al klagende na die bedreiging: ‘Om een mens z'n schande zodanig te laten hangen dat 't is buiten zienbaar fo iedereen! Vuile vuile baddoek.....!’ Dan was ze weg, werkte fo d'r, d'r werk. Mooimooi! Negen uur waren we, zo ongeveer dat tijdstip, toen ze even d'r rug moest staan trekken. Even uitrusten dus, want ze werd moe. Dag vorderde gestaag, met traagheid aan de uren. Ma' 't ging, hoe nie hoe: jaloezieën beneden waren geveegd, klapramen ook, deur, met deurpost, waar ze gordijn achter hadden geposteerd. Vloerplanken, schoon van naden. KweridontafelGa naar voetnoot4 met schone doek. Bloemen gesnejen daar in huis, met water. 't Gaf fris af! Zitstoelen, alle vier zo, op hun plaats rond tafel, met ekstra boboistoeroe, die hobbelstoel, in wijde hoek gezet, bij boekenkastje van dat mooie bruinhardhout gemaakt. Niets zo, leek zonder glans en met een stofje! Niets zo, ontsnapt aan d'r gedegen zorg. Achterin ook schoon, bij gaanderij, bij keukenachter, en bij zijkamer waar was eettafel, met servieskast van die dagen. Nu nog boven gaan en gaan verschonen. Ze pakte dweil, Zus Nette, in haar kleren staande, doek om 't hoofd met strakheid gebonden. Ze pakte dweil met emmer, nie zoveel water dat 't klodderklotste en viel met zware druppel op die houten trap omhoog na' bovenverdieping, met die slaapkamers. Nono! Rustig, en met kalmte van het talmen, liep ze, als onhoorbaar een soort mensengedaante, gevangen in aktiviteiten. Geruisloos als de Jorkageest die Boodschap brengt aan mensenziel, al was 't maar gedachte, of in nood. De Werkengel die de Rust brengt van Behagen: in een soort taal aan mond tartende beschrijving! Daar ging ze, treden met de voet verslindend, trap opstijgend, naar het hoog. ‘...kunnen bij hen bevolkingsgroepen worden uitgeroeid? Ze hebben niet genoeg mentale massa! Om te moorden, massaal! Geen | |
[pagina 221]
| |
brokstukken van kultuur die bij hen af zouden kunnen breken, van monumentale rotsen die ze zouden hebben opgebouwd...! Zij hebben weliswaar hun lelekoe: historische last & zwaarte! Zitten met in hun geestdiepte, de verbittering ervan. Toch: zij kennen niet die massale vernietiging van -’ Zus Nette schrok! Durfde geen voet te schuiven. Stond met emmer en al, boven aan trap, één hand geklonken aan die leuning. Stel je voor dat ze stoorde! Want Masra Janki! Hij liep, heel zachtjes op die gang. Z'n rug gekeerd na' d'r. Floor, Mevrouw Floor, was uit dat huis. En d'r man, die gezegd had dat hij mensen verwachtte! Zij had gedacht: meneer is op z'n kamer. Als ze komen gaj'k 'em roepen. Dan nu: meneer loopt! Meneer praat hardop, laat muren horen! ‘Maar wij..wij van Europa! De door kultuur geperveteerde mens! Mens!’ Het laatste zei hij, met zoveel minachting, zoveel ontgoocheling! Heel zijn ziel moest hem hebben losgelaten, diffuus zijn geworden: een losse atoom die uit zijn baan breekt en een stilvernietigende eksplosie teweeg brengt in een massa: zielemassa, áls die kon bestaan. Hij leek ontgoocheld, kapotgeslagen, van zijn mensgedaante daar ontwrongen! ‘Míjn god!’ Wat was gebeurd met deze man? Hadden négers 'em iets gedaan, dat hij zo was aan 't staan, zoals ze 'em nooit verslagen had gezien? Of blanken? Hij?! Man des eenvouds! Zo voorovervallend gebroken gebukt van zwaartegang om iets uit ziel z'n diepte? Hij, de huisman? Ze wou kuchen, om 'em storing te geven, dat hij opschrok, uit z'n gepeins. Dan kon ze verder lopen, verder dweilen. Ach, zij, Zus Nette, een bediende! Wat kon ze weten, van het leven van een man, ver overzee? Hij was uit gans andere kultuur, hoog, geprezen, technisch, knap, en ondoorgrondelijk voor neger. Dan buitendien: ze was bediende, zonder enige besef van leven, dat wou zeggen: dát soort dingen, waar een bakra intellektueel zijn geest aan ophing. En toch: zij, als bediendevrouw, verstond, dat iets verschrikkelijks mankeerde. Alleen: wát precies, 't bleef geheim. Alleen een engel kon 't weten. Ze stond nog steeds genageld, zonder 't te weten. Hij, hij bleef staan, paar stappen stil, vol ruimte van zijn lichaam, die hem was. En had neiging om te zien, daarbuiten, naar de blinden, buiten, roepend met het oog naar schijnsels. De zon buiten scheen zonlicht erop los! Het | |
[pagina 222]
| |
leven brak warm van het behagen. De planten waren groener dan het mos. En bloem ook, blóeide, zij het iets trager dan 't insektendom dat ging krioelen. Binnen, leek hij verloren, een soort wrange powesie. Iets, iets, mankeerde 'em, nog steeds. Dan keerde hij zich om, voor 't.... ‘E'èm meneer! Ekskuseer!’ Dan voor je dacht, sjobdeGa naar voetnoot5 ze die emmer verder en dat water. Hoorde een zucht van hem, met buiten ook roepstem: ‘Evi! Eeeeviiiiii! Dit kind! Wáárom zo, speel je op dat erf? Grote grote kind, i lepi sote!’ Zij met d'r rijpheid! Evi riep terug! Een engel moest ze zijn, komend van daar nabij de put. Vrouw Nette wou éénmaal gedachte krijgen, dat die Masra misschien had geloerd naar Evi. Ma' dan, ach, nono! Ze bemoeide niet! Wat híj getoond had aan verslagenheid, zoals ze 'em nooit zo had gezien... een ziel kon weten dat 't was iets anders. ‘Bakra's’, zo oordeelde d'r geest, die helder was van ochtendse belevenis, ‘bakra's hebben ook hun hebi's!’ Aldus verwees ze eigenlijk haarzelf, naar de lasten die het blank zijn met zich droeg. Menende ook, dat wat een neger te verduren had gehad, erger móest wezen. Ma' dan verder prakkezeren? Nono, nie haar! Ze hoefde geen ingewikkelde gedachtegangen te volgen. Zij was schrobster. Is nie zo?
Elf uur waren we, toen dat Floor, Mevrouw Verwoeven, (‘Oh nee! Noem me maar écht Vrouw Floor hoor! Ik ben tenslotte ook maar 'n mens, net zoals jullie negers in dit land’,) d'r thuiskomst kwam uitvoeren. Je hoorde leven bruisen daar op straat: poponnnnnn!! Koperen toeter aan auto die langs passeert. Iemand fluit z'n kleinvogeltjesmelodij!: ‘Ftttttiiiiwww! Frifriwww!!’ Was 't twatwa-vogel? Hij werd beantwoord, door een echte ofte niet: er kwam een soort van tegenmelodij: twitwitwitwitwi......! Toe-toe twatwa, zo zou 't iemand zeggen: twee-gewijze, de twatwa-vogeltjes! ‘Ssssswiswiswiswiswiiiii....! Swèèèèè swè sssssswwwoh!!’ 't Leventje had daar z'n lust. 't Leek ofdat dat ding druk wou worden, die straat daar, vol gedachten ook. ‘Hei daar! Faigo?Ga naar voetnoot6 Je kijkt, ma' je ziet me met geen óóg op deze dag! | |
[pagina 223]
| |
J'e pré no siGa naar voetnoot7! Als 't betalingsdag was, dan ging je zíen, no? Joe f'froektoe jo!’ F'froektoe: een speels vervloekte persoon!, dus niet echt gemeend, maar wel in 't echt gezegd, met woorden die zich sloegen aan de ruimte. Dat ding gaf soort gedachte: j'hebt een beeld. J'hebt de weerkaatsing d'rvan, een weerspiegeling. Dan in die weerspiegeling van, laat zeggen zo, een veld met gras en bloem, tracht een hand met mes en houwer, dat gras te kappen en die bloem te plukken. Beeld en weerspiegeld beeld, zij ondergaan dezelfde handeling. 't Weggesnejen gras in 't weerspiegeld beeld, of weggeplukte bloem in ditobeeld, blijft net zoals in 't werkelijke beeld. Problemen komen pas, wanneer de hand in 't weerspiegelde, een bloem aanreikt aan iemand in 't weerspiegelende... Als dát kon, hád een ezel zeven magen! En wás een drempel méér dan iets wat mensen in een huis verzamelde, drempel was reeds zelf deur: een streep waarover mens ging en gevangen werd, per definitie breuk plegend met de wetten van iets wat buiten was. Dan was konijn ook dat verschrikkelijke dier, met knaagkarakter. En wat was een mens als Janki dan? Kijk! Kijk! Je gooide oog door 't raam, lángs venster, met aan binnenzijde 't meest geslaagd portret van iemand, vredig ogend, en gevangen op een wezenlijk moment. (Maar niet zijn wezensmoment! Want dat lag buiten, in een handeling:) Kijk! Hagedis springt, draait, rent, sprint met haast door 't stof dat opwaait. Het ongebruikelijke ongeluk op straat! Het is net ofdat meneer Janki, die z'n trap alkomt na' hier beneden, buiten op de staart der hagedis getrapt heeft! Hagedis verliest z'n staart, maakt rare sprong, kijkt met de ogen die verschrikkelijk spraakzaam zijn en verdwijnt wrats-wroets door 't zand daar, in zijn hol, vlak aan die stoep vooraan bij Janki's huis. Waar ligt die staart? Waar is die vervloektese staart? Staart die net vertrapt werd door een voet! Hagedis krijgt een tweede staart. Hagedis kruipt dalek dalek weer uit 't zand, zijn ogen vol alweer, van slaapdenken - voor zover hagedis 't kan, daar, buiten, langs diezelfde stoep, aan straat, waar leven bruisend is. ‘Hé Vrouw Nette toch! Is er iets met je? Je kijkt en hoort niet dat mijn vrouw daar op de stoep staat! Doe eens open!’ | |
[pagina 224]
| |
Dan kwam Floor, aanlopende Floor wezend, óver drempel, met een frisse geest, huis in. ‘Hallo! Ik dacht dat ik van 't binnengebeuren werd uitgesloten!’ Zo spotte aldus zij. Alsof Janki iets met Nette zou doen! ‘Nee, ma' j'k was uw portret hier aan de muur, naast raam, aan 't kijken,’ vond Zus Nette uitvlucht. Ze had ook zo lang gedweild. ‘'t Is precies net u!’ gaf ze een kompliment ook. ‘Dank je!’ ‘Alleen: ik vind het iets teveel geretoucheerd’. riep Janki. Dan ergens, in een diepte, kwam die hand weer, die toucheerde met aanraking. Vanuit het geportretteerde beeld, een glimlach aanreikend aan Floor. Wéér wet van werkelijkheid gebroken, no? Glimlach zelfs in aanplant op Floor d'r gezicht, zonder één schok in deze wereldwerkelijkheid: ‘Ah! 't Is vakwerk, vind ik!’ Dat riep ze. Mevrouw Floor! Vol van het uiterlijk, dat ze zo treffend hadden uitgedrukt, in woordweerspiegeling, met hun ‘Flamingo!’ Ze was mooi slanki slanki, een beetje blossig rood, met meer iets bruinigs, nu de zon zo dagelijks een daglicht lang aanhield. En warmte d'r lichaam iets teveel wou teisteren. Want 't werd droge tijd aldaar. Ze liep na' 't achterhuis, terwijl d'r man meeging. En Nette even voorop bleef, om ze gelegenheid te geven tot gesprek. Ze gooide d'r gezicht na' buiten, langs gordijn, tussen die klapramen met kleine jaloezie. Dat pennetje gedraaid.... en open gingen al die rijen groen. Hing nu, iets, na' buiten... ehhhh... voel die daglucht! ‘Ik vind dat je iets te lang bent weggebleven Floor!’ Gesprek kwam los, daar in 't achterhuis. ‘Hoezo?’ ‘Jazeker! Ik hoop niet dat je...’ ‘Wou je soms denken dat ik mij door mensen laat ophouden? Spraakzame straatvleiers bijvoorbeeld?’ Ze zei 't, hoewel hij dat niet verwachtte van een Flamingo zoals zij. ‘Ik bedoel niet die negers op straat. Dat je met ze praat is niets bizonders! Ook bedoel ik niet die Hollandse kliek. Ik vind ze misselijk, onze eigen mensen’. Dan bleef 't even stil. Nee, zo had meneer 't niet bedoeld, vond hij. En zij vond dat hij veel teveel nadenkend uitzag. Maar vroeg niet waarover hij dat nadenken deed. Hij scheen haar gedachten uit te pluizen, want ineens zei hij: ‘Het verdomde fajasiton-lied! Als ik 't maar kon dateren! O, was er maar iemand die me eksakt kon helpen!’ | |
[pagina 225]
| |
De schriftelijke bronnen faalden. En iedereen leek zomaar wat ervan te weten. ‘Fajasiton? Ja..eh..dat was die tijd van Fourgeoud! Paar eeuwen terug, dat wel. Maar eh...’ 't Hoefde nietmeer. ‘Fajasiton? Oh! Dat was toen de Fransen de kolonie kaapten. Dan en dan, & toen en toen!’ (‘En toen en toen en toen... bigi bere njan pampoen!’ Zo rijmden kinderen hun onzin!) Nou, misschien dat 't was verbasterd. Dan moest 't zijn..even kijken.... 1700-zoveel, toen Cassard daar kwam, in de kolonie met z'n schepen! Een Fransman, in oorlog met Holland, de kolonie kapend. (Alweer, zoveelste uitleg.) ‘Of 't is net zo'n nonsenslied als dat van Peroen Peroen! Geënt op Peronne, een kommandant of zo?’ Ach, die negerkinderen! Behalve dat ze kinderbekjes hadden die sowieso taal vervormden, kwam daar ook nog bij, dat deze mensen letters aten. Ja, ze zeiden: jonges en bedoelden jongens.... ‘Maak je toch niet zo druk!’ zei Floor. Dan ging ze weer, bleef buiten al die zorg van 'em. 't Was zijn werk tenslotte. Als ze 'em helpen kon, ja dan! Maar nu... Vooraan, aan raam, hing heel even Zus Nette. ‘Ifrow Leida! Faj' tan dan?’ ‘Ija me schat! Ik ben goed, hòr!’ Vrouw Leida voorop aan die poort.’ Tegen d'r Evi: ‘Meisje spring na' die winkel daar op die hoek! Die chinees is nie dicht!... (klaagde) Whoeh!, een benauwdheid komt na' de grond hier, met dit weersgesteldheid, deze dag!.... Tan! Je wil nie gaan? Jurrek te kort? Begin nie met me!Ga naar voetnoot8 Mars snelsnel en ga! Als je terugbent ga ik die zaak met je vechten!....’ Dan verdween die dochter, ook verdween Zus Leida, op 't erf. Een hond jankte z'n jank! Twee hagedissen vrijden in de zandbodems. Dan opeens zo, toen Nette opkeek, had ze een affaire: een mooie doglamanGa naar voetnoot9 zo, rende na' d'r toe: ‘Hé me schat! Tangtangi! Ik verzoek je: kom daar en daar! Elke dag zie ik je! Elke dag loer ik je, na je werk als je gaat! Ik ga dood om je hoofd, me schat...!’ ‘Nette? Wie is dat daar?’ De stem van Floor, Mevrouw Verwoeven. ‘Eh..niemand mevrouw!’ Ze was betrapt. Dan toen meneer ook daar verscheen: ‘Eh... pardon! Is geen privé! Is eh.... Mandwe z'n p'pa! Hij | |
[pagina 226]
| |
was fo me komen geld gaan brengen! Om fo die kind te zorgen!’ Zo loog ze. Bang als ze was, om een ontslag. ‘Ah..! Ja, die jongen, die dat lied voor mij gezongen had! Ooooo! Ik begrijp 't wel hoor!’ Ze was zo blij! Dit waren echte mensen, vond ze! Want wat ze wist, van andere mevrouwen! Mijn God! Neger z'n huis, als rattekooi, dreef op hun al of niet welwillig zijn. Want als zij werd ontslagen... nee, gedachte daaraan wou ze niet! Dan liever... nee, die afspraak ook niet! Met zo'n zoetgestemde twatwa-mond figuur zeker, die mooi z'n woorden had gefloten? Alhoewel... Eten die dag zo, was speciaal lekker gemaakt, alsof om een speciale reden. Ma' wie zou weten wie z'n dag had, toen middagzon met z'n siësta, mens z'n hoofd daarzo liet wegslapen? Ga-ga-ga-ga...... pen!! | |
(31)November was dat ding. Die zon scheen niemeer zo warm. En iedereen op school daar, was klaar met vertellen over dinges die hij had gedaan tijdens vakansie viering. Een meneer was iets tegen meester Bandai komen staan zeggen. Zachjes maar. Dan was hij eventjes gebleven. Toen moesten ze in de rij gaan staan. Ooooo.....!, die meneer was dokter no? Want hij had witte jas. Mááng! Twee vrouwen met een uniform waren met 'em: zusters toch! ‘Iedereen moet z'n kleren weghalen! Jonges bij jonges en meisjes bij meisjes. Júllie gaan daarzo! En júllie gaan daarzo!’ Eerst ging je achter een gordijn. Dan kwam je, met blote lichaam, soso skin bij een weegschaal, bij die ene dikke zuster. Die stond te kijken hoeveel pond en gram ze waren. Dan na' die andere zuster, nie zo vet, waar ook een lange lat stond, om te meten. Bij dokter zelf, moest iedereen z'n tong wijzen. En daarzo kon geen niemand bullebak staan | |
[pagina 227]
| |
maken, hoor! E'èn! Dokter z'n naam was Tjin. Hoor 'em, tegen die Harold dan: ‘Jonge! Heb je je mond gewasse?’ Hoor Harold no: (hij schaamt fo die anderen toch!): ‘Ija! Met kor'faja, dokter!’ ‘Kor'faja? Je bedoelt: houtskool! aha...’ ‘Ija dokter, me moeder zegt: ik moet me tanden skuren. Ik heb geen borstel en kolgeetGa naar voetnoot1 om me tand te borstelen met 't.’ Dokter gaf glimlach. (Geen borstel en geen tandpasta.) Hij maakte opmerking over het schoonmaken, elke dag, en goed spoelen voordat je slaapt. En dokter Tjin heeft ook gezegd: ‘Eet nie teveel lek'tongo!Ga naar voetnoot2 En bewaar je centen!’ Toen al die andere kinderen lachten om Harold met standje, zei die dokter Tjin: ‘Houwen jullie jullie mond! En maak niet als een aap! Harold is arm, ma' z'n mond is niet aan 't stinken!’
Hij stond, hij keek, met twee soorten gevoelens. Een was van pret, omdat 't met dat kinderboek goed was. Goed levendig, precies zoals die kinderen 't beleefden, en geen wereld die fo hen vreemd was. Ma' dan weer het andere gevoel, van een soort hopeloos vastlopend ideaal. Mensen waren hem gaan tegenen!: anti spelen, tegenwerken in het echt zelfs. Hij was fo hun een ekstremist. En buitendien, zoals ook Janki met z'n bakra voorkomen gezegd had (z'n eigen vrouw had ook geroepen): ‘Maar dat is toch waanzin? De grote mensen in dit boek praten verkeerd! Zij pràten niet zo, in werkelijkheid! Ze zijn opgevoed, zoals die dokter! Denk je dat een geleerde dokter ‘banab'ba-Hollands’, zo gebroken en onderontwikkeld, gaat staan praten?’ Fo één moment had hij, De Moor, haar aangekeken. Als zelfs zij | |
[pagina 228]
| |
nietmeer vertrouwen in hem had. En had hij dat ding nie zo vaak als mogelijk staan uitleggen? 't Ging om nieuwe soort van opvoeding, veel meer aansluiting gevend bij de eigen realiteit. ‘De zaak is zo, m'n beste, dat je beter bij de volkstaal kunt beginnen’, zo zei Janki, toen, bij dat bezoek van 'em. De Moor herinnerde zich het bezoek van 'em, staande daarzo, vlak bij dat venster. Bijna symbolisch: twee praatmensen in diskussie over wát of wát, hun blik uitgooiend na' uit 't raam. Wat was daar buiten dan? Natuur..dan meters verderop wat mensen. Landsvrouwen, die ruzie brabrabra! maakten! Dan waren juist zulke van deze mensen, de ware opvoeders der generasie. ‘Mi n' abi k'ka!’Ga naar voetnoot3 een kreet, dwars door de lucht gesprongen. 't Tartte oor en zenuw aan een mensenhoofd. Hoe te beginnen? Hoe te eindigen? Natuurlijk, dat Sranan, taal waarmee ze bezig waren op het centrum. Daar, bij Ons Eigen Dinges. Dat was neger z'n moedertaal. Ma' die Moor! Hij wist al, dat een fase áchter deze fase van de volkstaal zou komen. Komen móest zelfs, zulks was ook de werkelijkheid. Want af van alle nationalisme: met al die plantage-hindoestanen en javanen. Al die bosnegers en indianen... dat hollands, zou blijvend zijn. Dat was een feit. Tweede feit: iedereen zou 't hollands anders spreken, naar de afkomst van zijn moedertaal. Ma' juist daarop begonnen al die preken. Want 't moest volgens blank-europeaan z'n mond gesproken. De kulturele transplantasie... om 't zacht te uiten. Ja, dat van 't ophalen van 't Sranan, dat was de eerste fase: slavernij vergeten, door uitbundige geprijs van Nengre-Tongo, Negertaal, zoals men 't zei. Eerste bevrijdingsfase met puur eigen taal! Dan daarna.....
‘Ik ben echter gekomen voor iets anders’, had Janki gezegd. Dan wát zo dan? En? De Moor dacht na. Hij kon dat ding gewoonweg nie geloven eerst. Brummal, een man van fraude? Wanneer? Hoe? Fo wát dan zo? Nee, geen zwartmakerij, blaka, van Janki. Hij móest gaan praten over dát! N'no, man! A no kan! Het kon niet anders! De zon was grimmen gaan, die middag; dag waarop hij d'rover sprak. | |
[pagina 229]
| |
De Moor was na dat gesprek met Janki bij z'n huis, nu na' dat huis van El Negro gegaan. Om 'em te vragen toch, je wéét inmiddels! Kwam aan daar, man met stuk verbolgenheid, kwaadheid op z'n gezicht. Dan El Negro, die 'em groet gaf, zag 't: iets was aan de hand. Ma' hij begon, met een soort afleiding van stemming. Hoor 'em fo je, no: ‘E..brada! Fa? Hoe gaat 't? Ik had gedacht dat je zou komen hier, met Frankie! We horen eigenlijk als drieën bij makaar... van vroeger!’ Dan zweeg z'n mond met tussenpoos. Want De Moor reageerde niet met vrolijk zijn toch. Hoor El Negro weer dan: ‘Ach! Wat lui ik over Frankie! Kijk, sinds we zijn gekomen met die boot uit Holland, is hij plotseling een ander mens geworden. Je weet: theorie over volksbevrijding en praktijk, zijn twee dingen’. Dan zei hij met veel betekenis dragende zinstuk: ‘...en velen bekommeren zich na hun studie, terug in hun vaderland, alleen nog over hun eigen portefeuille!’ Dat zou op Frankie slaan toch. Of op meer mensen? Hij keek, nu anders, gewoon! Gesprek, met bijtsfeer, kon beginnen, kwaad van tong, kon worden uitgeleverd aan het oor. De Moor, met al z'n komst, kon zeggen nu! Hij wachtte! ‘E,’ zei De Moor tegen z'n vriend El Negro, Brummal, die de naam, had, ‘é, man! Wat heb ik gehoord van je!’ De Moor was helemaal gegaan bij Brummal. ‘San dan? Zeker alweer die roddelkommando's! Ze hebben je verteld, dat knokploeg, na' onze volgende vergadering wil komen? Laat knokploeg komen! Een volksbeweging kan je zo nie stuiten. Ze hebben 't geprobeerd, sins slaventijd al: moord op Kodjo, Mentor en Present. Al waren die zelf door hun omstandigheid gewelddadig! En Baron, Bonni... (Brummal met praatmond). Dan weer, die Anton de Kom..; ma' wij! Wat doen we? Práten over volkse kultuur!’ El Negro! Hij balde z'n vuisten, sloeg tegen die stenen wand van z'n gemetseld huis. ‘Ze blokken je, overal waar je komt! Me grootoom wordt bestookt om me! Ze willen ons zelfs 't land uitjagen, nee, nie met deportasiebevel om door die Duitsers te worden afgemaakt, zoals Anton De Kom! Prettiger: je krijgt ditmaal volgens neokoloniale regels brief met opdracht tot het verlaten van de kolonie, om... iets moois in 't moederland te mogen doen. Zoals onderzoek bijvoorbeeld. Planning gaan studeren, met | |
[pagina 230]
| |
toekomstperspektief... je reinste omkoping! Hier! Lees dit geschrift dat ik geen brief durf te noemen! Noem 't koeiestront!’ Het was 'em opgevallen al, dat De Moor met z'n mond stil was aan 't blijven. Wat? Eh, kwam hij dan om iets anders? ‘Hier! Je kijkt net ongelovige...’ Hij wou zeggen Thomas. Verried daarmee zijn positief kristelijke opvoeding. Om díe als 't ware weg te werken zei hij snel: ‘..ongelovige Judas! Ja, hij geloofde niet dat ze hem echt goud gingen geven!’ Hij deed iets fouts en maakt 't goed: Judas kreeg geen goud, ma' zilverlingen. En met die uitspraak liet die Negro zien, dat hij z'n bijbelleer nietmeer goed kende. Ach, blanke maakte tenslotte neger tot iets exact blankachtigs! vond hij met redenering. De hele wereld vol van hun beschaving. Beschaving, no? Vandaar dat half Europa half Europa had staan uitroeien met 2e Wereld Oorlog! Die blanken! Leerden je lezen en schrijven... en maakten tegelijk direkt je kultuur kapot! Hij zei 't laatste niet. Hij keek. Hmmm? De Moor zo vreemd glanzig van ogen. ‘San e psa? Vertel me gauw gauw!’ riep hij. ‘Ik heb gehoord: j'hept bedrog gepleegd’, zei nu De Moor, met woorden als een soort van mondspoeling. ‘San?’ Een taal, als klinkende munt geslagen! Uit El Negro's mondwerk. ‘Financieel bedrog! Zij het, op papier!’ ‘Hoezo?’ El Negro schrok! Dan nam hij pose: ‘Vele vogels hebben getracht te zingen zoals vogel FensiGa naar voetnoot4 zong! Ma' allen zongen vals. Zeg op, la' me horen!’ ‘Janki heeft me gezegd, dat je examenfraude hebt gepleegd. Jij, Brummal, jij, zo'n idealist nu! Ik wil horen! Is dat ding waar?’ Stilte bleef daar hangen, niet verdreven wordend door geluiden, knaagdieren of vogelenzang der tokeh, twatwa, kerkbel niet ver met storen.... De Moor ging zitten, als bij dubbele zweepslag die telde fo één enkele, in slaventijd, wanneer je door basja werd afgeranseld en geen pijn je sneed, omdat je ongevoelig held was van de scène: negerslaag krijgt z'n bestraffing.... dan wát had je gedaan? Geen nèks misschien, puurpure onschuld... ‘Dus je hebt schuld daaraan! Aaj boi!’ riep De Moor. Hij wreef z'n handen fo z'n oog een ogenblik. Dan tussendoor keek hij na Negro. | |
[pagina 231]
| |
Robuuste man, ipsi, zoals ze zeiden. Met bruine tint aan huid en verre ziel. De onpeilbaarheid van een kra geleid door 't dagelijkse doen en laten van zo'n jeje maakte des te pijnvoller 't moment. Je wist nooit zeker of en wat iemand gedaan had. Bleef afhankelijk van verklaring die je oor daar hoorde. ‘Ah! Mi no wan' taki man! 't Moet een klein ding zijn geweest, dat ik zelfs vergeten had. Ma' .....hoezo kom je d'rop! Want je kijkt net of je me al hebt veroordeeld! Ik bedoel: wat is die reden dat Masra Janki je zoiets komt zeggen?’ Pose was storend nu, en ook De Moor begreep. Wat hij niet kon verstaan, was, wat die vriend d'rtoe gedreven had, om zelfs die vraag te komen stellen. Dus hij: ‘Hoe is Janki 't te weten gekomen?’ Bevende hand, aan Brummal, met z'n bloedvaten duidelijk zichtbaar aan die lichtgespikkelde manchet met dekorasie. Hij begon daarzo zweet uit te breken. Dat ding leek, net of hij was aan 't keuren: een test ondergaan, groot groot gerecht, waarin beklaagde, klein van wezen. Kijk na' die ogen van De Moor: gericht als een vinger hun blik, ontoombaar onontkoombaar, los gegooide zielsvraag op 'em af, El Negro! ‘Ik..eh..ach! Hoe Janki 't weet, is voorlopig nie belangrijk! Kijk:’ ‘Dan zweeg hij daar, geheel en al. Liet hersens langs kanalen gaan, waarlangs men z'n gedachte z'n geleiding is gewoon te geven. Hoe verder met dat prakkezeren? ‘Luister...! Kijk-luister: één ding begrijp ik niet! Waarom kom je nu met die tori?’ Hij zocht, hij dacht, hij dacht. Dan sprong hij, zonder zulks in het echt te doen; net een anansi: spin op zoek na' balkgat fo z'n ontspringing van de slachtingsdans: ‘Godverdomme! Die m'mapima! Nu pas begrijp ik het! Hij is gestuurd door Gerber Mann! Die vuile k'ka bakra!’ Zo vloekte hij met wraak z'n vloek. De Moor gaf geen beweging en geen kenbaar teken van zoiets als aangedaan zijn ofte welbewogen. Hij zat, met hand onder z'n kakoembe. Keek en keek. Die ogen, ógen! ‘Je begrijpt dat ik niet zomaar dit ga laten gebeuren! Mann stuurt figuur om via jou mij te komen sjanteren! Die vervloekteling! Je ziet hoe ze samenspannen om ons te breken! Ze kunnen niet geloven dat je sukses hebt, met je eigen volk! Laatst: een moedertje komt na' me toe; ze pakt me hand. Ze zegt, een mondvol tegen me: ‘Meneer! Ik ben maar | |
[pagina 232]
| |
een gangan zonder geleerdheid, baja! Ma' ik dank u! Mi taki grantangi foe a respeki di joe e kweki agen gi nengre!’Ga naar voetnoot5 Respekt? Respekt? Wie had respekt verdiend? Fo wat? ‘Deze man, je weet nie hoe 't komt! Ik moest, ik móest! Maar wat is erger? Zo'n soort kleine misstap van mij die allang vergeten is. Of.... of.... nee, niet alleen afpersing en chantage van zijn kant, ma' een heel volk probeert Mann af te zetten met een schijnplan! Een schijnplan noem ik 't ja, dat edele plan van die “professor”! Want met z'n geldverslindende ideeën wil hij meer dan snel dit volk opbouwen. Om eigen zak rijker te maken. Noem je dát karakter? Een man, die buitendien al is gearriveerd? Jonge, je weet niet! Denkt: ik kom uit deftige familie, no, met grootoom die top-koloniale macht heeft! Ma' ze zijn, net zoals ik je al vaak gezegd heb, geestelijk failliet! Ze zijn... afèn! (Hij zweeg even). Maar ik weet: die gefaarlijk geweldige professor no?! Hij met z'n machinale hersens! Stelt plan op! Wil absolute zekerheid dat z'n plannen gaan slagen. Heeft míj nodig, als de enigste akkountant in dit onderontwikkelde land. Míjn deskundige handtekening, ja! En de invloed van mijn hooggewaardeerde grootoom! Dan zijn we rond: dat plan kan nie verkeerd gaan! Meneer krijgt z'n ding gedaan, z'n geld. Dan dit land dan? Opgescheept zitten met een stel hoofden, ontwikkeld naar westers model. En toch: niets kunnen uitrichten, omdat geen verdere faciliteit er is, of geen verdere centjes! Dan kan dit land gaan verder bedelen no? En een top van intelligensia die 't land armer maakt krijgen, no? De nieuwe toppers, goed, om de ouwe machten te vervangen... en te handhaven in hun ouwe belangen! Mi no o doe!: ik werk in elk geval nie mee!’ De Moor stond op. Was dit nu de persoon, in wie hij als een vriend geloofd had? Een financier, die geklaagd had, dat alles beneden nivo was - iedereen wist - ma' die met volle overtuiging en inzet... ach! Hij begon al weg te gaan, een desillusie rijker. ‘E man! No gwe! Ga nie weg! Zo fokop!’ De Moor, reeds aan de deur, hij keert zich om. ‘En is 't nog geen grotere schande dat je mij om een “onthulling” van een kwaadwillige witman in de steek laat? Denk aan 't werk dat we doen! Al krijg ik naam van foefoerman, frauduleuze misdadiger! Dan wat?! Dát werk, werk voor 't volk, is toch iets veel belangrijkers? En? In | |
[pagina 233]
| |
plaats van met mij hier te solidariseren! Kost wat kost, die koloniale invloed breken! Dan maak je ónze vriendschap kapót! Juist doordien! Ga, als je wil, ga fo je! Ik zal zien!’ En De Moor daar aan de deur, hij zag wat poort was, om te gaan. Hoorde behalve dat, ook buitendien de stem van Negro. Wie weet, had die gelijk, misschien misschien! Hij draalde om 'em in de steek te laten. | |
(32)Orgeldraaiman was langs aan 't komen. Met veel van liedjes, zingend uit geheel z'n keel. ‘Mi goedoe, hoor me dan! Geef me je oor!
Datra z'n liefje, is weggeboord!Ga naar voetnoot1
Leven op leven is daar verloren!
Dokter is ziek, ma' van liefde teloor!’
Ach! Elk leven kende zo zijn zang, al was die niet vol romantiek. Deze, Datra, de Doc, moest weer zo'n openbare figuur zijn, die werd bezongen. Een tori, een schandaal wellicht, van iemand met z'n openbare ambt. Dan iedereen wist over wie gezongen! Ieder wist wie dat liefje had gekaapt! Een soort van openbare krant, die straatgezongen liederen, met kommentaar d'rbij van mensen. Djigrek!, djigrek!, orgel draait! Orgel blijft lopen, door kapotte straten. Orgelman, ouwe mesties, sjokt z'n leven voort. Hij gaat z'n gang door al die wijken. Baja, geef 'em een paar centjes als je hebt gehoord! Hij moet ook leven rekken, no? Netals die mensen die hun werk gemaakt hebben d'rvan, om met ‘lobi-singi’, in gezamenlijke koor te gaan staan zingen, over schandaal in liefdesaffaire. Straat gaat dan dicht, om een persoons verdriet. | |
[pagina 234]
| |
Opgeroepen en bekoorlijk verwoord door zulk een dameskoor met groot muziek. Kijk: mensen met hun lichaam staande, koekeloerend. Degene die dat liefje heeft gekaapd gaat geen plezier hebben! Want hóór die tongen! Kijk die rokken, die refreingewijs omhoog gaan: je kan hun bille vreten, jo bedrieger van de liefde! Haha! Haha! Dan op dat erf, half onder een boom, waar dat zij wonen, zit Dodo. Met Jana en paar andere mensen. Aleksi trekt z'n slaap voor 'em. Hij ligt zo gans en al gemoedloos en gerekt, z'n adem te verkwisten. Hemel is open zonder enige verdonkering. Een goeie middag, om 't te beleven. Zomaarzo, ija, midden in al je leven, één zo'n dag. ‘Meisje, je moet nie op de dag zo, lopen met die po! Mars ga 't weer terugbrengen in thuis!’ Een kind vermaand, omdat 't laat overdag..nee, nie allenig hoorde 't niet!Ga naar voetnoot2 Je had ook mensen zittend daar! Dan stel je voor! Al die erfmensen, van daar wonend zo, met hun gevulde buik daar, onder boom z'n neergeworpen schaduw'! Al die mensen mensen, moeten die po gaan ruiken, no? Die morserij! Die fiesterij! Nono baja! E'èn! Nee hoor! ‘Ija, dan zoals ik gezegd had....’ Dodo liet mondwerk verhaal zo, breien. ‘Je weet niet wat gebeuren gaat! Wanneer ze een wis'manGa naar voetnoot3 aan touw binden! Hij moet fo alles wat hij in 't donker heeft gedaan, vertellen en boete geven! Hij moet zelvens bekenning geven van dinges die hij gaat doen! Beste, van z'n eigen schuld! Die kwaaie dinges! Een openbare biechterij, ik sweer fo je, mi goedoe! Leven staat op hel! A so a de!’ ‘Klopklopklopklopklop!’ ‘Ja, wie daar aan me kampdeur?’ Diep in het dorp in het bos gebeurt 't. Mensen aan de deur: ‘Is ik!’ Dan voor je dacht, nadien, werd deze man z'n huis uitgeslobberd. Ze binden 'em, met touw en alles. Eerst hem opzoeken, dan pakken, dan in 't openbaar beschuldigen. Fo gewaande heksernij. ‘Zo! Somelanga: al zo lang loeren we je! Eindelijk hebben we je gekregen! Jo valse gedaante! Jo kwaaie geest verwekker! Hoeveel mensen heb je gewiest?Ga naar voetnoot4 Taki: Praat en zeg!’ Hij zwijgt, hij zwijgt. Zijn baard staat nat van breek-uit-zweten. Vanwaar die aantijging? Vanwaar dit openbaar verhoren dan? En? Is hij dan niet een medicijnman? Zoals vele? | |
[pagina 235]
| |
Zonder angst, hij staat, zoals ze 'em kennen. Ah! Ze hebben zich geprepareerd, met hún magie, om 'em te halen no? Nu is hij vast gebonden. Eentje wil 'em doodslaan met een kodja: ‘Ik sla je hoofd, laat 't openbasteren! Jo vervloektese ellendeling! Jo....’ ‘Nono! Nono! Laat 'em! Weg met die kodja waarmee je 'em gaat knuppelen! Ik wil nu horen wie me aangedaan heeft! Is jíj, bonoe, jij geestenman, hebt een leba gestuurd op me familie? Zo'n leba-geest! Zwerft me hele huis door! Savens hebben die mensen van me huis geen rust! Of je wéét! Míjn god! Kijk hoe al me haar op me hoofd hierzo is aan 't witten! Deze ellendeling! A wisi mi! Hij'ft kwaaie leba-geest fo me gestuurd!’ Dan volgde een dans, om deze manneheks, beschuldigd van kwaaie magie, die iedereen zou hebben benadeeld. ‘Ke! Ke! Ke!’ Het woord kan nauwelijks worden uitgepresst! Een ander weer, klaagt: ‘Is jij hebt me kind gedood! Ik baarde 't, ik maakte 't! Dan tien dag, na geboorte zo, een kwaaie jorka is gekomen! Heeft die beebie z'n nek met z'n geesteskracht omgedraaid, zo prèp!’ Die bonoeman, aan touw gebonden in die openbare terechtstelling, krijgt van 't vrouwtje dat net sprak, een klap, zo wrrèp!! ‘We a kaba a mofo! A kaba a spoen!’ (‘De pot verteerd en niets meer over’) Een grote kerel, bang fo afgoderij, zoals dat spel van zwarte magie heette, kwam nu af, op die wis'man. ‘Ik heb me werk verloren. Eten heb ik niemeer! Ik ga je leren wat is wat! Je hebt een kwaaie objaGa naar voetnoot5 aan me gegeven! Ik die heb hout gekapt en geld gebracht aan je!’ Hij wou 'em timmeren, zonder één vrees. Wat maakte, dat de man met z'n magie, zo plotsklaps openbaar ten offer viel? Wáárom altijd, hadden ze vrees fo zulke mensen, iedereen, de een met kwaaie geest, de ander met ik weet nie wat? Dan plotsklaps zo, iedereen samen, al die kwellingen en ongerief, met boze droom en onbehagen, pijnen, ziekte, nood op nood, alles zo, werd ten schuld geschoven aan die ene persoon! Met z'n gevreesde macht! Z'n heksetalent! Z'n bemoeienis van diepe nacht en... ‘Aaj! Die satan! Kijk hoe ze 'em hebben gebonden! Hij kan z'n eigen kant niet uit! Wel, hij gaat al z'n kwaaie daden moeten zeggen, voor hij doodgeslagen wordt hier!’ Voor je dacht, die ondervraging, een reeks stemmen aan z'n hoofd! | |
[pagina 236]
| |
‘...Is jij had die vrouw van me een kroiGa naar voetnoot6 gegeven? Om me vast te houwen, no? Wel, ik ben bij een grotere “baas” gegaan! Hij'ft me verlost! Ik heb die vrouw geslagen met een grote houten bout! Ze is malengri!: kan nie goed lopen meer! Ik heb straf gegeten, in polisiehuis! Ma' jij dan? Eindelijk ga ik je slaan, nabínnen in je graf, om te bederven! Néém hier!’ ‘Nono! Nee! Sla niet nog! Me beurt is nog nie gekomen! Ik moet dinges luiken uit me hart z'n bodem! Die vervloekte! Bonoeman! Is jij had die jongmeisje een luchtbuikGa naar voetnoot7 gegeven? Luchtbuik: ze is zwanger, ma' ze is niet echt! Want een geest is in d'r buik, no?’ ‘Ga weg! Jo! Je liegt! Want die kind heeft een beebie in geheim gekregen! Ma' die beebie was een bakroe! Een geest met groot hoofd, kwelgeest! Fo dáárom mag niemand die beebie kijken!’ Een andere albino, witte neger, zonder z'n pigment, bleef zwijgend toekijken. Een kind. Men had gedachte over 't, ma' ja, een kind gaf altijd medelijden. Zo'n albino kon zelfs een godheid wezen. Wie had geweten? ‘Aaj! Dan die fles, die je begraven had, onder me drempel... met kwaaie geest d'rin! Vandaar dat ik drie van me mamboi, me zoons, heb verloren! Drie jongknapen zo! Een boot met ze is omgeduikeld! Alledrie zo, weg uit leven! M'e kir' joe!: ik verpletter je!’ ‘Nee! Maak 'em nie dood! No ete!: nog niet!’ Alles zo, moest gebiecht. De wisiman aan touw gebonden, werd gemarteld met een stok. Zwepen zweepten ze 'em. Schelden: ze scholden dat z'n oren braken. Kijk 'em, zweet breekt z'n lichaam uit zo brriwww!! Z'n tanden bijten makaar, z'n tong verlengt zich tot een taaie toestand, hangend langs z'n lip. Halfdooie boeteman is hij geworden! Adem is dan een mens z'n last! De wilde keer der zielsgetijden! Hij hijgt, hij zweet z'n lichaam los! Kapot gemaakt door woord, dalek gaat hij dan drijven door een bosrivier. Een lijk.... Nono! Ze zeggen: eens, bijvoorbeeld om te laten zien wat mensdom kan, wast een bonoeman iemand. Iemand kreeg dus een rituele wassing bij een priesterman. Zeven indiaanse geesten, op die persoon. Een van ze, de hoofdmatador, voornaamste geest, is in z'n hoofd gevlogen! Voor je had gedacht, is die persoon gaan wegrennen, vanonder kalebas met waswater. Hij rende met die indiaangeest aan z'n hoofd, na' die rivier. Is gesprongen d'rin, en is acht dagen lang onder water | |
[pagina 237]
| |
gaan blijven. Achtste dag zo, is hij weer boven gekomen. Hij heeft z'n lichaam gedroogd, z'n kleren, alles. Dan is hij weer gerust na' huis komen lopen, met z'n: ‘Aaj, mi doro! 'Kben komen kijken of jullie leven!’ Echt gebeurd, ja, echt, echt waar! Een mens z'n geest, kon dinges presteren....... Ma' deze? Verguisd-vergooide bonoeman? Wis'man, de heksfiguur die werd gegooid, met band en al, aan hand en voet, te water? Die watergeesten gingen 'em nie aksepteren! Geen langer, dan drie keer ondergaand en boven komend, net als bij verdrinkende persoon. Dan spuwen ze 'em weer na' boven, z'n lijk, z'n dooie lichaam, zonder hem! Want hij is nèks geworden dan een kwaaie geest, jorka, die iedereen bedreigen wil! Dat kwaad in mensen, zelfs na hun dood! Dat kwaad was onverdrinkbaar, no? Aaj dan! Rivier wóu nie zo iemand! Wie dan wel? Al die gedierten gedierten! Wilden ze 'em? Nono! Nee! Hij ging verrotten, die wis'man! Met kwaaie verwenserij d'rbij! Dan wist nu iedereen uit z'n omgeving, wie aanstichter was geweest, van al die kwaaie dinges die waren gepasseerd. Aaj, eindelijk een soort van lediging der ziele! Vreugde met z'n halleluja, al was dat niet van kerke! Het dorp, kampoe, bere, was als gemeenschap van z'n kwaad verlost.... ‘Dodo? San j' sdon e prakseri so dan?’ ‘Wel, me kind, Jana! Wat ik aan 't prakkezeren ben? Wie gaat 't weten? Deze tijd is nu gans anders. We doden niemeer openbaar. Wie baja, wie moet ik die schuld geven?’ Ze zei nie van wat, met die geplooide ouderdom-vreetmond van d'r, kassave in gekookte vorm wegwerkend achter de middaguren aan. Wie moest zij nu de schuld geven, van heel die tori met Aleksi? Die vechtpartijen, ruzies: aan komen schelden van familie, en die kwaaie naam die hij gekregen had, ook zij? Zitten maar kon je zitten op je bille! Horen hoe iemand op dat erf oefent, op valse gitaar. Dan zucht je een zucht, net als zij. Dan brruuukk!, je ademt uit (net of een luchtprop op je maag was, onder 't eten). Dan met de hand, het lichaam daar gevoed zonder een vork of lepel. (‘San? Wat kom je zeggen? Dat ik nie mag heten met me hand? Frrek!, jo! We zijn hier nie bij bakra's thuis, met hun blanke manieren! Híer, is negerhuis hoor! Brruuuuk! Ekskuus! Je kan zien dat me hart teveel | |
[pagina 238]
| |
bloed heeft, dat 't moet pompen door me lichaam! Want alle eten in me buik, gaat veels te snel op! Ik heb een soort versnelde vertering! Baja! Wie weet, zit niet een kwaaie bakroegeest in me lichaam, die me eten opeet, zodraas ik zelf klaar ben met eten opeten! Chm!’ Dan kommentaar natuurlijk: ‘Mens! Zeg geen dommigheden!’ Dan weer een ander kommentaar: ‘Hoor daar! Leeftijd maakt ouwe mensen levensdronken! Vandaar dat ik jou die jong bent nu om liefde vraag! Laat ons dat ding gaan doen, no?’) Ma' toen dan, dat moment zo, juist nu dus, alweer netals met toeval van 't Kwaad of Goed, sprong Aleksi op. Hij schreeuwde fo die mensen daarzo, middaguur, met ze vergaard: ‘Mensen! Mi gado, mi jeje di e tja mi!Ga naar voetnoot8 Ik heb een droom gedroomd!’ Waarop langs lijnen van verwondering de kommentaren: ‘Baja! Alex! Praat dan! Zeg dan!’ Ma' Alex z'n mond daar aan z'n bovenlichaam, zei nèks. Fo wáárom was hij begonnen eigenlijk? En? Was dat ding nie beter, om z'n hoofd te houwen? En? Ma' afèn! Omdat een tori om te praten is gemaakt. En omdat een droom ter droom gegeven is door jeje in een mens, die zijn ervaring mondeling kan wedergeven.... En vooral omdat mensen zó nieuwsgierig zijn (‘Njoenskreki: nieuwschrikkig!’), dáárom moet hij 't vertellen. Dan kijkt Alex, droomhoofdig nog, gezeten in zijn broek zonder één borstrok. Op stellaasje waarop hij was aan 't slapen. Dan is hij gewakkerd, dan nu opent hij z'n mond. Nie om te spreken, om te gapen eerder. Als een ontsnapte aan de dood! Die mag 't volgend keer proberen! Met blote bast en blote buik zit hij. Hij wijdt zijn leven aan nu-tijd! ‘Aaj dan, ma' mensen! Zo heb ik gedroomd: (Hij kwam met een odo, spreekwoord en gezegde:) Di ati ab' en soro, a pot' a basi a waka! Basja we, awe! Aloekoedoendoen, krio'o papa! (Het hart uit zich, gedreven door het leed der mensen! Nou dan, hóórt dit aan!: mens met z'n verhaal!) Iets van een halfgezongen lied kwam uit 'em drijven: Sondongo neng'e!
Sondongo neng'e!,
foe teki boekar' ati,
Zwarte verraders!
Zwarte verraders!,
die het hart van de blanke meester
| |
[pagina 239]
| |
pot' a joe bato tètè!
Son de na dé-o,
kaba neng' a no yobo!
in zichzelf hebben opgeslagen!
De zon zelf is de dag, zo hoog;
maar de slaaf is z'n meester niet!
San? Ze schrokken! Dit? Dit was toch niet wat ze waren gewend, van masra Aleksi? Wat kreeg hij plotseling zo dan? Had hij teveel in zon gelegen met z'n snurkerij die mensen radeloos maakt aan hun hoofd? En? Wachte! ‘....wan moi pranasi ben de....’ Daarzo, begon hij een verhaal, over een Grootplantaasje. Met slavenmenners, basja's, meesters, en hun slaven. Het wrede leven zoals men dat eeuw lang geleden kende. Maar dan zo van nabij verteld, dat 't leek ofdat hij daar ter plaatse was: ‘Loekoe! Die plaats daar, met die maalsteen! Is híer begon die opstand! Fluistering van slaaf, één aan die ander! Een lijk van een persoon die is overleden. Dan ligt dat lijk daar, op parade! Anderen huilden, anderen brachten eten. Dan voor die lijk begraven ging worden, hadden ze afspraak: dan gingen ze een dans houwen, dansfeest. Want om een reden kon 't nie later! Kijk... hé... Vriend Kokoneri! Wat doe jij hier? en? Ben jij die vluchtboodschap komen doorgeven aan Kwakwaboetoe? Dan heet hij zo nog? Grandmeester heeft 'em toch omgekristend tot Johannes? Wel Johannes van den Goede Broeders! Wát zo ben jij komen doen?’ Er volgde een afrikaanse zinsnede, onnavolgbaar gezegd, nog minder van duidelijkheid vernomen. (‘Míjn god! Hij spreekt hier kromanti: geheimtaal van de negers!’) Dan ging Aleksi verder, net ofdat hij in een andere eeuw met iemand had gesproken. ‘Wel dan zo! Toen ze klaar waren die dag, met koffie malen en met werk geven. Dan hielden ze hun feest, hun dansen. Afspraak was gemaakt. Dan volgens afspraak, (slavenmeester kan nie weten), dansen ze: trom slaat! Die rateldinges schudden krekrekre, schelp waarop mond, maakt muziek zo, pjjjjoe.....! Dan ook die snareninstrument van neger, tokkelt tovergeest aan ze: dansen, dansen, al die winti wintiGa naar voetnoot9 komen. Alle soort van geest komt op! Mensen danken ze, want ze gaan vlucht maken.... | |
[pagina 240]
| |
Dasso mi kankan krio'!
Aye, mama!
We da mi kankan fel'o..!
Aye mama!
Krio'o..kri'e.., krio'o... kri'e!
Krio', krio', krio' krio'...
We dasso kankan krio'o...
Aye mama!!
Het zij zo, o, mijn negers!
Ja, het geschiede!
Nou, wij zijn helemaal klaar ervoor!
Ja, laat 't gebeuren!
O, kriool-neger, o neger, neger, neger...
neger, neger, neger, neger...
Het zij zo, o, mijn negers!
Ja, 't geschiede!
Wat geschieden moest volgens dat zo hartstochtelijk gezongen lied? Een vlucht! Weglaten van geheel plantage daarzo! Weg, ál van die mensen zouden gaan die nacht. Nomo, ma' hoe ze dansen zo, handen als vleugels, voet waait over die grond: he-ho, he-ho, hoho hééééééé, danzo eensklaps van plotseling rent één na' voren! Eén dansende slaafneger, hij rent! Gooit een lied uit keel, met alle schreeuwen: Liboya de na noja so
Liboya de na noja so
A gwangwan fe, ma' boy, a no.... ho!
'Boya a de na noja so.... ho,
Liboya de na noja so.........!
Er schuilt een boa-slang onder ons!
Er schuilt een boa-slang onder ons!
Hij zit hier vast en wel, maar zal geen
kwaad doen kunnen, nee, onee!
Er zit een boa-slang onder ons!
Ze hebben 't verstaan: verraad! Mijn tata!Ga naar voetnoot10 Kijk! Kijk rond! Wie, danser... drummer..wie verschuilt z'n gezicht? Daar! Ogen richten op | |
[pagina 241]
| |
die neger daar... hij schuift, langzaam, langzaam... wil rennen, weg, weg! Die lo-dongo nengre: zo laaghartig, om de vlucht der katiboslaven aan de blankmeester te verraden... boa-slang! Hij wurgt de gemeenschap! Hou 'em! Hou 'em! Vóór je denkt, steken ze een priem in 'em! Ah! Hij ligt gestorven en bloedt nog! BasjaGa naar voetnoot11 komt met een lange zweep, die slavendrijver: ‘Wat gebeurt hierzo? San? En?’ Dan ‘Grootmeester’, Granmasra, met zijn slaapkleren. Hij is het zat, die barbarij-kabaal! Wat? Kandelaren met hun kaarsen, steken vuren aan van toorts en... Daarzo: daar ligt hij. Basja wéét al wáárom. ‘Fo wáárom is hij doodgemaakt?’ roept uit hem stem. Dan, hun verklaring is eenvoudig groot: ‘Wie een dode schendt, moet zelfmoord plegen, zo dus, zegt de negerwet. De dode bovengronds kan beter weten! Deze man heeft die dooie, die we gaan begraven, iets kwaads gedaan. Dan heeft die geest der dooie 'em gestraft!’ Aldus was de gemeenschap ééns, dat die schuld van die neergepriemde slaaf, die verrader, werd gezocht in lijkschennis. Ze hadden vóór hem, toch een opgebaarde dode, om wie 't feest gegeven werd? Welnu! Natuurwetten hadden gesproken. ‘Alex! Alex! Word goedgoed wakker! Geef me antwoord met je geest! Dit kan geen waarheid zijn! Dit.... is een winti die hij krijgt om te vertellen! Een bevlieging!’ Aleksi zelf kon ook nie geloven. Waar had hij dit verhaal gehoord, dan? Waar? Dat was geen kleinigheid! Om zo'n gebeurtenis te beleven! Me jé! Hij had dat laatste half uur nieteens geslapen! Want hij hoorde iemand iets zeggen over wis'man. Dat was zeker die dichtbij zittende Ma Dodo met haar gemompel over een heksenfiguur die in het openbaar verhoord werd. Dan hoorde hij een mond eten, zo tèptjèp! Smakken, noemden blanken dat. ‘Tjèptjèp... mars! Kijk die kip, zonder kuikens! Die moederkip komt hier na' mensen kijken waar ik zit! Dan gooi ik een stuk kippebot weg! Dan wil kip ook kippebot eten! Zo vrijpostig, net of 't gaat kunnen! (maakt geluid) Dagoe!: hond! Kom hier hond! Ik roep dat hond, laat dat hond die kip hier komen wegbijten! Want hond maakt geen grap met bottenwerk! Hond eet zelvens levende kip op!’ Al dat kommentaar van Ma Dodo, daar zittend. | |
[pagina 242]
| |
Hij had ze ook gehoord, die woorden, gericht tot dat publiek op 't erf. Hmmmm? Had hij werkelijk nie gerust dan, na al dat werken in zo'n tuin? Dan thuis komen en arriveren? Dan slapen doen, zoals siësta? Hmmm? Hij met z'n schoongeslapen hoofd kon nie begrijpen! Alex! Dan wacht! Hij had ook orgel horen draaien. Keek. Nono! Niets van een orgel over straat. Hmmm? Wat gebeurde zo met deze man dan? Ze hadden 'em toch nie bewiest?, behekst? ‘Jana, me schat! Kom me glas nieuw vol maken!’ Hij wou ijswater. Om tot de realiteit te gaan afkoelen. Want je wist nooit: wanneer gegeten en gaan liggen! De zon verschoof en kwam boven je hoofd. Dan was je mens in slaap en merkte niet, hoe warm je werd, vol van aparte broeiwarmte. Hersens, (zeiden die mensen nie zo?), hersens konden koken? Als varkenslever zou 't uitzien. Wanneer pas natuurlijk je hoofd opengesnejen! (‘Ga weg jo, met griezelheid van dit soort tori's! Mars! Ik wil nie horen over kookhersen!’) Ma' dan een mens, met jeje die hij zelf was, hij met z'n menselijke geest! Hoe kon je al of niet bepalen of je droomde? Dit... dit verhaal, zonet zonet verteld en helemaal beleefd vanuit een andere eeuw: een afscheidsfeest fo een opgebaarde katiboneger: slaaf die was overleden. Slaven houden afscheidsdans! Dan tegelijk een afspraak van ze, om te vluchten. Een heidense bijeenkomst met geheim! Dan die verrader, die boaslang.... Moord op hem, vlak ter plaatse, gepleegd. Twee doden nu! Basja komt! Granmasra komt....! Een hoofd, gekookt, dan vol met hersenwerk. Hoe kon een mens leven d'rmee? een witte dokter zou gaan denken aan een zonnesteek. Ma' dit? Dit simultaan beleven van een andere realiteit? Dit had verbinding met des negers levensader. Ma' hoe die liep, wist ook geen levend mens. Zeker geen Alex! ‘Baja! Ik sta op, hòr! Mi lichaam wordt zo moeiig! Ik heb sins gisteren kleren gezet in een tobbe, laat ze slapenGa naar voetnoot12. Ik ga ze wassen, anders koken ze van vuile schuim’. Hoor hoe Jana als huisvrouw weer aan d'r werk ging. Dan was daar weer een zorg opgeruimd. Namiddag gloeide. | |
[pagina 243]
| |
(33)Er was iets, als het kwaaie licht. Dat was dan duisternis, ook daar aan hemel. Dan had je goeie licht ook, netals de zon z'n spetterlicht aan droge ogen in de ochtend. ‘Sepersh’, dacht Mai, die hindoestaanse kookbediende, daar in soort meditasie, wachtend op een busvervoer. Ze was gaan moeiig worden. Al die dagen, werkdagen zo, achter makaar. Na' werk lopen, dan weer lopen na' d'r huis. Fo wáárom ze nie thuis bleef om fo kinderen te zorgen? D'r man, met kinderen, ze werkten ook! Alleen: een ander soort werk, planten van gewassen in de rijstgronden. Dan zij Mai: inkomen halend uit d'r stadsarbeid, daar werkend bij Professor Mann. Om geld te halen, om kosten te betalen. D'r man wou opzet van een klein bedrijf. Ze had 't eigenlijk nie gewild, gaan werken fo mensen, hoe je d'r daar zag staan: zo met d'r vrouwskleer aan, vroeg in de morgenstille diepte van het begin van al die dagen. Aathma de ziel, was levend, in verhouding tot permaathma: zij, als een mens, tot iets gericht als god. Als dat bestond! Was werk hebben niet zoiets als liefde voor een god kweken? Want dan tenminste wist je: je had eten? Baath!: rijst, ja elke dag? Aaah? Nah! Die rijstaanplanting thuis! Wie kon 't weten, dat ze als gezin met armoe pinaarden? Ondervoed zelfs, waren ze met hun twaalven. Rijst die ze als opbrengst van hun perceeltje verkochten ging per afspraak. Dus alles opgekocht door één persoon of niets verkocht. Of, ach, soms wist ze, achter de markt buiten de tussenhandelaar zelf wat te verkopen d'rvan, zoals zovele van die ouwe hindoestanen. Rijst had, bij hun eten dan een beetje dahl erop, van die pési, bonen. Dan chatni, om 't peperig te kunnen eten. Hadden ze niet door 't Zwarte Licht dat dwars door al die jaarsgetijen zat, een stuk armoe gekregen? Om geld te krijgen en een stuk toekomst te kopen, dáárvoor was ze bij een mevrouw gegaan: gaan geld verdienen fo een masjine! Een echte landbouwmasjine! Droge tijd was gekomen, netals elk jaar. Droge tijd was zo droog geweest, dat alles schroeiplek had, van binnen of buiten. Bomen, struiken. Alles uitgedord en droogdroog. Dan was droge tijd lang gaan blijven, langer dan wanneer normaal die regen kwam. | |
[pagina 244]
| |
Regen? Bleef uit, die hemeldrup die niet neerkwam. Dan voor je dacht: een uitgeruïneerde planterij. Een slecht oogstjaar! Ze hadden katha gehouwen. Een soort van feest, fo afwending van ongeluk. Van vooral soort van reiniging. Aaj, precies zoals die negerburen riepen: ‘Z'hebben lelekoe!’ Hetgeen verwijt was van: ze hebben onheil geërfd uit India toen ze als immigranten kwamen! Misschien was 't ver uit India geërfde ziele-onrust. De vrijheid nemen, zulks opzij te zetten. Dat was op zichzelf al een ‘lelekoe’. Dan stond ze daar, niet dood, toch nieuwgeboren, nieuwe karma!, nieuwe zielsinhoud! Mai op die ochtend, om aan 't werk te gaan. ‘Pèpennnnnnnn!’ Auto zo, busje, reed voorbij. ‘Nah!’ Nee dus! Z'hadden, tweede bus al, d'r weer nie genomen. Fo wáárom dan? Omdat ze met die speciale sjaffeur nooit mee reed? Moesten ze d'r daarom laten staan? Of wilden sommige sjaffeurs als man niet, dat zo'n vrouw ging werken, in de stad? Of waren weer die godsdiensttwisten tussen moslims en hindoes, ook hier rollen aan 't spelen? Laast, met die feesten ‘van het licht’ notabene, Dewali! Ze hadden zo gevochten, dat je nie kon weten. Moslim kontra Hindi! Bijna net indianen waarvan mensen zeggen dat zij, indiaan, hun wraak opsparen. Gelukkig dat zoiets bestond als: vrede achteraf en achter alles aan. Dan kwam een auto. 't Nam d'r weg, voerde d'r mee...... Ergens, in een andere buitenwijk, was Min, die javaan, net wakker aan 't worden. Hoorde de dorpsman, uitend Koran. Die Moslimziel! Goed en wel, de woorden van z'n Allah! Ma' als hij nie maakte, dat hij op z'n werk kwam! Sjaffeuren fo meneer, daar op z'n Zorg & Hoop. Min wast gezicht, hij diektGa naar voetnoot1 z'n keel, spuwt pjahhh! z'n grote drabvies slijm uit, pjittehh! Dan trekt hij aan, van boven, lange borstrok, hangend als een vlag rond 't midden van z'n lijf, als op windloze dag. Onderbroek heeft hij voorlopig geen, ook nodig niet, met deze superbostrok. Ma' nu hij na'z'n werk gaat gaan, spoelt hij hele hete thee door z'n keelgat. Hij eet gekookte nasi, netals in de desa ergens vroeger bij familie. Schreeuwt iets tegen Ma-e, z'n vrouw. Kinderen daar wakker wakker! Nee, dit was heus geen djarang kepang als feest voor 'em. Dit was een harde dag! Dan als hij niet z'n loopvoet met afstand afleggen koesterde, kon hij z'n elvendertigGa naar voetnoot2 kinderen geen eten geven. | |
[pagina 245]
| |
Hij gooide broek aan lichaam, schoen aan voet, na aantrekking van kousen. Dan een hemd over de rest, kamde z'n haren met z'n kokosnoot-olie. Dan spiendeGa naar voetnoot3 hij, na' werk gaand! Kijk daar: Min de sjaffeur-werkman! Hij gaat vroegvroeg, werk onthullend als het ware op zijn weg. ‘Anders, gezin niet eten!’ roept z'n mond. Neemt een stuk droog brood mee, fo smiddags. Dalek, hij rijen gaat, met auto fo z'n baas ‘Manir’. Grootgrote otto, met een grote motor. Eerst fo de start soort draaidinges steken en opdraaien aan die motor. Dan aanzwengelen.... vroevroevrrrroemmmmm! Zorg maken, dat de wagen nie djorkt, dus dat die motor nie stikt. Goeie gasolien... wagen moet rennen! Hij heeft sjaffeur spelen geleerd, van koeiewagen. ‘Koe weg breng moet? Koe optil, koe gooi in koewagen, open-achter. Dan wagen rij maken, groegroemmmmm! Over een landweg, ach, als jongen klein’. Zijn story over hoe hij 't vroeger deed. 't Was een soort genade dat hij aangenomen was. Netals bij Mai, zo had Manir Gerber volgens hem gezegd: ‘Koeli-vrouw? Voor koken ik vertrouw! Javaan-man? Jij voor rij, ik vertrouw! Géén neger! Neger alleen moet schoonmaak huis! Want lui zijn, dronken ook en niet goed schoon!’ Zo was Mai aangenomen als kookster. Dan was Min sjaffeur geworden. Dan Sisi, buiten die andere ontslagen huisschoonmaakster. Sisi de negerin. Kijk, ochtend vroegvroeg nog, zij ook zo, ging op weg. ‘Oen no wiki ete, oen fervloektese beeste?’ Schelden al, op die kinderen, die geen slaap konden wegschudden van hun hoofd. Ze sliepen onder lappengoed, kamer vol stank, van afsluiting tegen muskiet. Zij hadden hun flitten geflit. Dat wil zeggen: insekticide gespoten. Man, liefdesaanloopman, had ook geslapen bij Sisi; hij was weggegaan die ochtend vroeger dan een kinderoog ontwaakte. Dan nu was ze weer in d'r rol van vrouw die in d'r eentje die kinderen opvoedt: ‘Ik zeg hópstaan! Als ik nie zie, dat jullie jullie zelf oplichten van die kale vloer hier: chm! (ze gooide d'r handen in d'r zijbekken!), dan góói ik één pot kookwater op jullie! Jullie luie beesten!’ Omdraaiend na' die keuken gaand, mompelde ze ook even: ‘Is fo dáárom kan een bakra geen goed spreken van een neger!’ | |
[pagina 246]
| |
Ach al die vooroordelen, lééfden bij die persoon! Een blanke die nooit een goed woord over zou hebben voor een neger..... Was 't nie zwaar genoeg al: Sisi mèt een gezin van dertien figuren, kinderen, als kleine leba's, van die geesten, op d'r. Dan had ze geen vaste man, dan een ‘komen-slaper’. Dan werkte ze, de gehele dag. Huis borstelen (fade: zoals 't uitzag: gister had ze weer badkamer staan schoonschrobberen! Voor mevrouw natuurlijk! Vooral omdat die andere bediende was ontslag gegeven. Want mannen kwamen bij d'r, no?) Dan mooi dat Sisi nu fo twee mensen moest werk doen! Kon geen staking maken. Hoe? (‘Ija mevrouw! Ija mevrouw! Ija mevrouw! Ik ga alle werk doen, ija! Prisis zoals mevrouw me zegt om te doen ja....’) Maar: in de ogen van 't volk was dat luiheid van de neger. Ja, deftig werd geroepen: ze zijn indolent. En zij zelf, geloofden 't. Of... zochten zieleheil bij een medicijnman, loekoeman. Nee, niet alleen uit natuurgeloof. Trouwens, welke neger kon zijn winti-geloof met aan- en afvlieggeesten die bezit namen van je hoofd (net als die kerels die een kind kwamen verwekken en weer weggingen!), welke neger kon 't ‘godsdienst’ noemen? Afkodré was 't! Afgoderij, basta! Al die barbaarse negerachtigheden! Afgoderij! Baja! Mohammedaan (kijk Min, de javaan, met z'n volledige gezin!) had grote Wereldgodsdienst. Met heilige boeken, zoals Koran. Ja, die godsdienst van de Moslim! Dát was godsdienst! Echt! Erkend! Dan kwam die Hindoestaan (koeli no? Pas op hoe je ze noemt!). Hindoestaan had ook Moslim-geloof. Of was gewoon kind van z'n Hindoeïsme. Ze zeiden zelf: 't is meer een levensleer, hatjah! Geen godsdienst. Echter: 't werd beschouwd als een Wereldgodsdienst! Met veda's: kerkelijke wet, geschreven in heilige boeken. Ze hadden pandiths, en sadu's: heilige mannen vanuit praktijk of meditasie, leerbeschouwing. So, naast alle geloof van de geïmmigreerde aziaten, met hun wereldgodsdienst achter ze, volop in de diepte van hun geest, een stuk background gevend, intens leven, vol van waardigheid.... wat kon die neger zetten? Naast karma van wedergeboorte op een hoger peil? Hij kon z'n geldverslinderij neersmijten, van kabaal maken bij een medicijnman, no? Of... haha... hij kon de blanke ziel zien te zoeken! Via dat Kristendom dat hem verlossing gaf. Hij, neger, moest altijd eerst een ander zijn, om daarna pas misschien zichzelf te worden! | |
[pagina 247]
| |
‘Oen didibri! Oen skin no moe blaka leki oen jeje! Oen jeje no moe bilaka leki oen skin!’Ga naar voetnoot4 Noch zwart te zijn van lichaam ('t was immers straf van God dat ze zwart waren, onkambare kroeshaar hadden, lui waren en gezapig, agressief, danslustig en alleen d'rop uit, om via hun grootbomige ‘negerkool’ tussen benen, voortplanting in elke willekeurige baarmoeder te pompen naar ballelust!) Ook god z'n medelijden was 't, dat de heidense negerziel niet hoefde te verrotten, ma' gered kon worden van de eeuwige duisternis van hunne afgoderijen. Ziedaar, waarom de negerman zelf geen enkele geloof had in zijn eigen hogelijkheid van mogelijkheden om de armoe van dit leven te ontstijgen. En negervrouw dag aan dag, pinarend klaagde om zo, haare lijden. En men gans geen geloof had tot de vorming van een eigen maatschappij. (‘Mars jo! Wat kom je mij zoeken? En? Om te naaien maar raak! Dan kijk: die neger heeft geen korreltje rijst om te vreten! Dan zoekt hij naai!’ Taal uit de mond van zelf een zwarte meid....) DE zwarte vrouw, die DE zwarte man verachtte! ‘Oen opo dan?’ De kinderen van Sisi, langzaamaan opstaand. ‘Ahhhhh....! ‘Nog nie gewend aan nieuwe dag. Wie moest ze trouwens sturing geven overdag? Wanneer hun m'ma weg was? Ach,.... ‘Jullie zijn nie wakker! Jullie buik is tweemaal wakker al! Mars ga weg van dat eten! Ga eerst baden!’ Hoor Sisi's scheldmond! Dan begon die dag fo d'r op gang te komen, met d'r eigen vlucht van huis. Rennend na' werk gaand, weg van de sloppen. Baja, kijk hoe daar zon brak aan. Ma' ba,Ga naar voetnoot5 kijk dan die drie bediendes, later op ochtend zo, hoe ze hun dienst gaven aan meneer en mevrouw, in hun grote huis op Zorg & Hoop. Min, Mai, en Sisi, buiten daar, vierde persoon Aleksi. ‘Manir’ werd weggerejen, na een klaagzang onder dekking van een koffiedrankje ekstra, over hoe slecht leven in dit land was gaande. Draaide z'n mond nie om, fo een paar echte vloeken aan 't adres van iedereen: de luie inlanders, gezapige kolonialen! Bedorven en failliete boedel was 't. Wachtte de dag af, dat hij weg kon gaan. Kijk hoe hij in z'n wagen stapte en verdween, groot-breed zittend op zware lederbank, gevat tussen het chroom en staal van het rijdend karkas! Die poppenhuizen! Die wormstekige vruchtbomen! Die wormbuikige pestkinderen! Die vieze straten vol met stof en gaten die geen | |
[pagina 248]
| |
luiaards konden vullen! Die sloomtrage gang van zaken! Brrwwuh! Dan kwam nog regen, godverdriedikkedulleme!, de boel daar overstromen, straat en kuil! Met vastblijven lopen van die wagen! Dan wachten op verlossing (omrijgang kon ook niemeer). Zelfs geen terugrijen na' huis! Lopen ging ook niet! Kijk hoe jezesvergodklerekristus!, die wagen binnen ook al langzaam volliep....
Dan op 't werk, thuis, mevrouw regeert: ‘Sisi, je hebt die badkuip niet gewassen, gisteren! Wat een lakse manier van doen!’ ‘Ija mevrouw! Ik...’ ‘Spreek me niet tegen!’ Ach, 't was geen terreur van d'r, zo kwaad ook weer, vond ze zichzelf niet. Alleen: die Mulattin zou komen weer, straks-later! Dan zou ze moeten worden mooigemaakt in een schoon huis. Die regen die nu losbrak? Wie niet kwam, die had geen brood, zo dacht ze aan de Mulattin. En aan d'r man: ze hoopte dat hij al gearriveerd was op kantoor. Zo'n grote wagen kon elke hindernis nemen: kuil, ondergelopen straat... alles! En dan, met Min, die gewend was koeien achter in de laadbak te hebben. (Heus, Manir, wás geen beestekoe! Tan! Wachte! Wíe staat zo'n gedachte toe? En? En aan wie? Zeg hardop!) Dan Mai! ‘Ik weet niet wát je voor ons hebt gekookt! Karma of darma! (Ze had van die twee woorden uit de Hindoestanen godsdienst gehoord, ma' wist zij véél wat die rottermen betekenden!) In elk geval heb je m'n man een lichte diarrhee bezorgd! Nog één keer en 't is afgelopen!’ Mevrouw toch! Zo regerend vanochtend! Mai op d'r beurt, zei helemaal geen woord. Had pret om regen buiten. Min, ver van daar, in z'n grote sjaffeurswagen, achter stuur, zat pret te hebben! Pret om die regen: eindelijk landbouwverlossing! Min, met z'n familie op het platteland, distrikt! Mai, met d'r man en andere familie ook, mèt 't gezin in de landbouw! Beide dus blij om zegen van regen. Sisi, nie blij om afstraffende taal en leugen zelfs van mevrouw. Ze kon nèks zeggen toch. Liep heen en weder. Dacht aan thuis: die opgehangen wasgoed werd weer nat, fo de zoveelste keer. Ach, me j'jé! Ze zouden misschien vanavond moeten slapen op een harde houten grond zonder één onderlegger onder hun lichaam, zonder die gewassen en genatte kleren ook, door regen. Aajbaja, portisma geluk!: het geluk der armen! | |
[pagina 249]
| |
Dan weer mevrouw, die Igna! Wist vooral zelf niet waarom ze zo kwaad deed tegen ieder en zichzelf. Nee, geen leeftijdsprobleem. Misschien, die spanning van de regen daar aan lucht, een lichtelucht van zon en schijnsel... dan later op die dag, verdonkering, snelsnel... dan nu die regen. Ach, als 't zo was, dan moest die hoofdpijnspanning die ze had, gaan zakken. Of kwam 't doordien ze niet mooier meer kon worden dan ze was? Want met dat komen thuis van die Mulattin, was ieder méér op d'r gaan letten. Of ze nu mooier uitzag, na privé-behandeling. Recepties, vol van fluisteringen! Over gedaalde smaak, gezonken schoonheid en verarmde persoonlijkheid. Wat kon een Mulattin doen aan zoiets? Pam!, kwam die tuinman d'r weer storen: ‘Ifrow! Ik ben u komen bidden! Meneer is weg no? Meneer had me gezegd: ik moet een kokos planten, nieuwe soort, had ik gehoord. Hij had een noot gegeven ook d'rvoor! Die honden hebben gespeeld met 't. Ik weet niet waar dat ze 't hebben gevoetbald! Dus ik kom even binnenachter me oog gooien om te kijken. Dan als ik 't vind: mooi weer, no? Om te planten!’ 't Leek, of al die verpeste bedienden blij waren met dit weer! Net dat soort van weer voor lager personeel. Zelfs die Sisi, zeggend dat benauwigheden d'r die laatste tijd zo uitbroeiden! Van warmte zeker, dat vleesnest! Dan hoe mevrouw zo stond te denken... pllllanggg! Wie komt daar dan? Aha! Verlossing! Mulattin! Zo vroeg, vroeger dan afgesproken? ‘Ija, mevrouw! Want anders loopt me straat te zinken! En dan kan ik niemeer weggaan’. Zo was ze dus gekomen, 't onheil ontvluchtend van voorspelde bui aan lucht! Ze zuchtte weer d'r zucht, mevrouw Igna. ‘Zie je’ dacht ze, met een soort bewonderenswaardige openhartigheid, ma' dan wel alleen gedácht, nooit uitgesproken!, ‘wij, m'n man en ik, zitten zo opgesloten in deze stenen luksekooi, dat we niets van 't natuurgebeuren merken! Niets, absoluut niets!’ Ze trok die schouwers van d'r omhoog. Sisi, passerend, verwachtte weer een scheldpartij! Kijk frons daar aan mevrouw d'r gladhaarhoofd! Baja ren je voeten onder je weg! ‘Sisi, waarom zo'n haast? Heb je iets te verbergen? Je hebt toch niets gestolen?’ ‘Nono, Ifrow!’ Dan kroop ze, rattig henen, naar die bewaarplaats van schoonmaakdinges. Mai in die keuken hield d'rzelf in | |
[pagina 250]
| |
verborgenheid. Gaf zelfs geen kuch, geen klacht, geen nèks. Zong ook niet, zoals ze soms deed, zo zachjes maar, al was 't om te laten zien, dat ze bestond. Fo d'rzelf, eigen innerlijke orkestrasie horend, met tadjaGa naar voetnoot6 ritme slaand en sitar getokkel gevend! Naast levenslast, ook levenslust. Dan die Aleksi, buiten aan dat raam, zoals ze 'em zag: gebukt als elke neger, waarvan zij in keuken, niets begreep en weinig mee wou te maken hebben. Waarvoor nieuwsgierig zijn? was d'r geleerd. Dan buitendien: zwarte barbaarsheid... afèn bekend verhaal. Toch, zij had konstatering dat Aleksi was veranderd. Oogspiedend vanaf achtervenster had ze, Mai, laatste tijden vaak genoeg gezien, hoe hij verandering van houding had, zo plotseling! Dan was 't weg weer, vóór ze in de gaten had. Kijk 'em, staan diekend in de regen, een gat, voor 't planten van de kokosnootboom! Daar, vruchtbaar van z'n handeling... Ajakje! Wedoedoe! Badimbadim! Basja hoewesanini.... Wát was hij aan 't zeggen? Míjn karma!! Als ze niet ging lopen vertellen aan mevrouw, dat d'r was wat met 'em! Anders! Chm! Mevrouw ging die vent misschien ontslaan!, bang om grijperij van zijn kant! Want neger kreeg winti aan z'n hoofd, die trance, die aanvlieging! Ma' neger moest nie gek zijn, om een seksbevlieging te krijgen, daar in 't wittemanshuis! Anders zo, kon hij jarenlang weer thuis gaan zitten, zonder werken! Of in gevangenis gaan! ‘Plinging...!!’ Bel belde! Wie was daarzo dan? Tan....!! Masra Gerber! Helemaal teruggekeerd! Hij was onderweg gaan blijven steken met die wagen van 'em. Vloekte niets uit, ma' je zag dat hij een zwaarder bui was, dan daarbuiten. Dat gansvervloekte land! Met natte schoen en natte broek, paraplu bovenhoofds gehouwen daar, door Min, die zelfs binnen in huis nóg paraplu omhoog was aan 't houden. (‘Stop maar stommeling!’) Dan, binnenkomend, met een adder in de gronden van zijn ziel, gooide hij (van z'n modderschoen omhoog kijkend) z'n oog omhoog: zág, zág..... die Mulattin. Staande, een wezen, een godin aan huis, van rijkdom in de geest, gegoten in omhulsel van belichaming. De mooiste vrouw van 't hele land. De kruising van het zwarte en het witte bloed.... ‘Ach, m'n man!’ viel mevrouw Mann hem, troostend om de hals. Sleurde hem mee, naar de privéruimten, zonder hem voor te stellen aan de Mulattin. Laat d'r maar wachten. Ma' voorstellen van hem aan | |
[pagina 251]
| |
haar, hoefde ook geenszins niet of nooit! Hij, had goed gezien: net of hij heel dat wezen kende! Een verbijsterend mooie vrouw, Gravin Guyave! Edel en adellijk! Met geur van diepnatuurlijke verleidselen, de windsels van de oerwouden, lianen, waartussen wilde guyaven groeien, en bloeien, stom van schitterende taal. |
|