Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 185]
| |
Hoofdstuk zeven(26)‘Verpeste generatie? Ach, kwatsch! Nonsens in de reinste zin van 't woord! Ongehoord eigenlijk! In dit land waar 't volk nauwelijks iets presteert en alleen maar parasiteert op Europa's kunnen? Hah! Er wordt bij 't leven gekletst door die zogeheten revolutionaire nationalisten! M'n geleerde reet!, als je mij die kreet vergeeft! (Veegde mond af, met een servet, schoof van ontbijten weg, van tafel.) Twee jaar lang, zolang ik hier ben, en hier nog zal zijn, zullen mijn bedienden dankzij mij, ruim kunnen vreten. En hun kinderen ook, hun kleinkinderen voor zover zij eraan toe zijn, hun familieleden! Ze leiden hun bestaan, afhankelijk van mij. En dan dat eeuwige geklets, dat wij, blanke Europeanen, hah!, Hollanders!, Kolonisten!, hun geschiedenis zouden hebben verpest! Verpatst! Hah! Die lui mogen blij zijn, dat we ze als volk geschapen hebben! Dat samenraapsel uit gods bonte koffieketel die hij klaargestoomd heeft als ondrinkbaar zuipsel! Ach, waarom zou ik me langer druk maken over dat alles? Ze haasten zich te leven, van alle mogelijke uitvindingen onzerzijds! En over nog geen vijfentwintig jaar vreten ze nóg uit onze zak! Al dat hoegeheten bewustmakende gedoe! We zullen zien wie zich werkelijk om de oneffenheden in de diepte van zijn ziel bekommert! Niemand natuurlijk! Materialistische hebberigheid! Dat is het! We mogen blij zijn, als we ze straks niet krijgen als invasie op ons dak: een volk dat zich aanbiedt als huisknecht en dienstmeid in Holland, al is 't niet in de letterlijke zin des woords! Eh... breng mij maar wat fruit!’ D'r kwam een heerlijk, sappig stuk papajavrucht. Hij hield van fruitigheid, zo vroeg, spaarzaam gegeten. Dan zou hij zijn verdwijning zoeken, na' werkkamer of kantoor, ofte bespreking op een van de vele koloniale instellingen, naar hijzelf had verkozen. | |
[pagina 186]
| |
Die Gerber Mann, professor in opvoedingsleer! Gekomen als hij was, om opvoedingsgebreken van 't volk te effenen. Een achtenswaardig man, die net weer een pamflet van de beweging Eigen Dinges had gelezen. Was mede ondertekend door die Brummal. ‘Hah!’ Die ochtend was gekomen: zo moesmoesoe: ochtendvol, als je 't zo kon zeggen met die mond van je. En met gedachte, die doordrongen raakte van de levens. Het zand, rul van de ligging van de aardkorst, dempte voeten. ‘Aaj, la’ me snel maken, me werk te gaan werken fo me! Wie anders gaat me kinderen te eten geven, met hun zwerfvaders? Me twee been onder me lichaam, zijn zo moeiig van de hele dag staan. Gister nog met ekstra dienst op avend! Masra Janki, baas van me, had z'n visiteermensen bij z'n huis gekomen voor 'em. Ik weet nie wat die masra zoekt met negerdinges! Heeft ze weer gevraagd om Lakoe-spel fo ze te spelen! Dan kijk 'em: blauwe oog met blanke ooghaar heeft hij! Vecht achter neger z'n kultuurdinges aan! Míjn god, als hij weet, welke hebiGa naar voetnoot1 wij voelen omtrent onze dinges wege! Is verlagen doet hij met zichzelf!: lagi wroko! Want welke witman houdt van negerdinges... afèn. Ik vind me brood daarzo... hmmm! Die negerdeur hier aan straat hoor! Dat ding wil nie sluitzaam zijn! Laat ik 't laten hoor! Kijk hoe die voorstraat vuil is hier, zo ongebezemd.... Die kinderen hebben héle nacht zo, geregeerd! Wie nie hun doen kent, gaat zeggen: is een kwaaie ding regeert ze! Baja! Sins die ene van z'n granp'pa en granm'ma was gekomen, paspas, heeft hij ze ellendig verwildering gegeven!, die anderen. Dan had ik juist gedacht van omgekeerd! Want zíj zijn meer dan wild-onrustig... Faj j' de? Morgoe! Ik geef groet, je hoort me niet!... Klopklop!, meneer, ifrow, ik ben kekome....’ De ochtend, vulde eigen komst aan, met 't snikken van de nacht. Vol van verborgenheden kwamen stralen. Die vroege uren duurden net zoals die lengte van de werkelijke uurwerken ze aangaven. Dan vielen zij ineens tot niets. Bomen ontwaakten. Konden niet vergaan, binnen het uur. De huizen eveneens. Tevens de straten. Die wereld leek van lange duur. 't Hád iets wat de dag vertraagde. Zo onmogelijk dat je 't niet kon weten. Behalve dat je voelde, hoezeer vlees je was, teruggekeerd van | |
[pagina 187]
| |
dwaalgangen van slaap. En dan opeens wat mórgen was: 't stond voor je, alsof 't ergens te betasten was met aanraak! En dan te merken, dat 't aanhield op je af te komen! Onzegbaar, tegenhoudbaar niet: de mamanten! Zus Leida schreeuwde één huil, die ochtend. ‘San doe joe, mi goedoe? Wáárom huil je dan zo hardverscheurend!’ Dokter had daags d'rvoor d'r defenetief gezegd: die kleine kind die je hebt aan huis, die jonge, hij gaat nooitmeer beteren! Z'n geest in 'em is geschift! Z'n jeje wil nie dóórbreken, zoals een zon achtereen wolk komt aanbreken, met z'n verstand in z'n hoofd, die zoon van je. Fo dáárom dat hij hele dag, nèks doet. Hij denkt niet, nee, hij slijmert rond. Hij gaat helaas geen enkele besef hebben, van wat die wereld is om ons hier heen! Wat moest ze Joesoe, p'pa van 'em zeggen dan? Mensen hun mond had al geloften: van haar kant, rustten kwaaie erfgeesten, koenoe, als een soort erfzonde op die jeje, die geest van de jongen! Dan wát kon ze doen d'raan? D'r buik had ook meer gebaard: Evi bijvoorbeeld, dochter die nu huis schoonmaakte. Ging nie na' school, ging nie na' werk. Ze was een thuisdochter, wachtend op tót ze vol met rijpte was, om een man te nemen. Nu zo, was ze vuil aan 't uitkloppen, van een deurmat, jute-zak die als zodanig werd gebruikt. ‘Evi...!! Evi me kind! Sta nie zo op je been te staan! Dit kind! is je aantrekking toon je aan de wereld no? Kijk hoe je wéér gescheurde jurk hebt aan lichaam! StrapsGa naar voetnoot2 valt omlaag! Dalek gaan mensen kijken hoe mooi jong je bent! Mars, ga in huis, jo!’ De meest efficiënte wijze om een dochter te bewaken, no? Een dochter, enig werkelijke goed. En rijkdom, die met niets ter wereld kon worden vergeleken, zelfs nie met grote rijke huizen. Dan boven, achter, (kijk zachjes!) bij die jaloezieën van Masra Janki z'n huis, klapt zacht een raam dicht. ‘Iemand’ had staan kijken na' die schone spruit, daar bij die erfput. ‘Evi meisje! Je hoofd is hard! Je hóórt niet no? Ik kom je één baks geven, dat je smoelwerk gaat bloeden! Ik sweer fo je....!!’ Die ochtend brak aan! Ochtend, óchtend!! Mamanten! ‘Als je een ezel hebt, met zevenmaal één maag, aan welk ander dier stel je 't gelijk?’ Zeventienmaal nagedacht, zo leek dat ding. Dan volgde mond z'n uitspraak: | |
[pagina 188]
| |
‘Aan... een mens!’ ‘Aaj! Ik kan zíen!: Jullie zijn wijze kinderen!’ De Moor, weer bezig, als een onderwijsman, voor zijn klas staand. Heel het volk voor hem uitgespreid, daar zittend in de banken. Ma' dan wel zeer zwaarhoofdig, vol van slaap, zo leek dat ding. ‘Aaj, ik kan zien, dat jullie beginnen met wakker te beginnen te worden!’ Hij versprak zich, en met opzet. Die klas daar, meteen basterend in gelach uit. Ha...! Meester is dom! Meester maakt fout! De meesters, vroegeren, uit slavernijtijd, díe waren ja, altijd fouten aan 't maken. Maar deze meester? Deze was niet zoals die anderen zelf een fout! Deze was meester Ronaldus. Alleen grote mensen mochten 'em De Moor noemen. En dan, alleen als ze 'em kenden, van kultuurdinges. ‘De Moor van Venetië!’ riepen die jongens voor 'em, achter die rug van 'em, met de brede kant van hun mond. Dan draaide hij om. Wie, wie had geroepen? Jonge, als hij je kreeg, met mars! Hij strafte je wreeddadig! Ma' kijk, wanneer hij leerlingen betrapte op 't spreken van hun taal die ze ook thuis hadden, dan zei z'n eigen mond zelf: ‘Jonge, ik verbied je niet! Ik waarschuw je alleen, om 't niet hier te spreken. Wat je wil zeggen, is jóuw zaak! Ma' laat me oor nie horen, anders ga ik je moeten straffen!’ Want takki-takki mocht niet toch! Z'n vader zelf was onderwijsman geweest. Dus hij kende dat ding, die M.O.-meneer, met zijn Mulo-leerlingen voor ogen. Thuis, thuis ja, dan speelde hij een andere soort van pré. Pré: spel van de taal. Dan las hij uit z'n kinderboek, fo die kleine, toekomstige generasie, met hun opsteekhoofdjes, aankomend in de rijen mensheid. Vertelde van Meester Bandai, de hindoestaan die aan een klas met ook negerkinderen les gaf. Van Sjori, de eeuwig in het nadeel zijnde arme jongen, een ter wereld geboren spijbelaar! Van Sjori z'n moeder, op school gekomen. Hoor-lees no: ‘Die meester slaat die bel, bengelengelengeleng......!!’ (Ja, de meester sloeg met de bel, van klingelingeling!, zo lúidde dat, in zuiver Hollands. Ma' nu:) Van dat meisje dat nie gegeten had, op school kwam met alleen één bakoveGa naar voetnoot3 op d'r maag. Natuurlijk kon ze geen les leren! Van die hindoestaanse kinderen die ouders moesten helpen planten. Weer van Sjori, spijbelt achter de markt, wordt met pro-wagen van | |
[pagina 189]
| |
die polisie op school gebracht: schande in ogen van die anderen (na schande om zijn armoede!) Kinderen die zich sowieso schaamden, omdat ze, eerste schooldag van 't jaar, geen nieuwe kleren aan hun lichaam hadden, geen nieuwe of goeie schoenen ook aan voet. Anderen, bleven de hele week weg, om die schande nie te hebben..! Vertellen ook, echt mooie ‘tori geven’, van hoe Sinterklaas met witte gezicht, een zwarte meebracht, die als kwaaie persoon de zwarte kinderen mocht bedreigen. Wit was dus goed en zwart was slecht! ‘Is nie zo meester?’ ‘Hou je bek, en leer je lesdinges, eksakt!’ Ze zouden 'em nie willen missen, mensen van die school, hun Moor. Want hij was goeie kracht, op officiële staatsschool daar. Staatsschool die hij goed trachtte te brengen op het peil der bizondere, van katholiek en protestant. Want doordien díe bevoorrecht waren, van staatswege, hele ouwe koloniale politiek, bleven juist achterbuurtkinderen, met een donkere huid en vieze kleren, díe bleven gaan, na' de minderwaardige staatsscholen. Ma' dan: door z'n meewerking aan Ons Eigen Dinges, de beweging opkomend fo volkskultuur, begonnen hier en daar paar stemmen al te zeggen: ‘Wacht hoor! Wat De Moor doet kan niet hoor!’ 't Begin van tegenwerking was aldaar, al was 't bij de diverse personen, om veel meer dan alleen één, en een enkele redenen. Dan kwam de fluwelen ochtend wederom, vol van satijnen klank, hoezeer ook die klank leek op 't goud der dageraad, haar weelde...
‘Jana, me schat! Hou je van mij, je man, Aleksi?’ ‘Ach Alex! Je verveeltGa naar voetnoot4! Je weet toch?’ Hij had een keer weer winti gekregen, onkruid spittend in die tuin van Gerber Mann. Dan zo, had niemand 't gemerkt. Buiten Mai misschien, die kookster, toen ze eventjes een doek moest komen halen, die was weg gaan waaien in die vervelend d'r haren laten wapperende wind. ‘Nah, Alex, bhai! Kaiseh?’ Geen antwoord. ‘Mi taki fa go?’ probeerde ze het nu, nie in háár taal, ma' in die van | |
[pagina 190]
| |
zíjn mond. Geen antwoord. Ze keerde uit die tuin terug, denkend dat hij was in gedachten gezonken. Ofdat hij was een beetje dronken. Ach, dan onweerachtige slechte weer! Wáárom hij nie binnen zitten, achter, laat die andere bediendes zoals bijvoorbeeld Sisi, 'em iets te eten geven? Al mocht dat niet, ...een glaasje ijswater, of een glas met lauwdampende thee! Dan nu was hij gebukt aan 't zitten. Hoe kon ze weet krijgen van 't feit, dat hij in heel-soort andere sfeer verkeerde? Ach, wie nie begreep, kon nie begrijpen! Nee, asjeblieft, tang'tangi!, danki-danki, niet wéér denken aan dat soort winti: bevlieging, waarbij je een geest over je krijgt (Yoruba? Tata Boenoekewewaleku? Of Papaneger die z'n ziel van honderd jaar tevoren in Alex ontlaadde met opnieuw te leven? Of Loewangoe-neger, fel van verzet? Misschien dat wel.. nee, ook zulks niet! Geen geest in elk geval die je deed rondrennen, desnoods met houwer om mensen te kappen, of een weg, dwars door de oerwouden!) Dit was een stille geest, een stille winti. Net soort visioen, die snel kwam en weer snel verdween. Hij kon je zelf met geen mogelijkheid gaan zeggen, wát hij had gezien. Hoogstens zei hij verkeerd per ongeluk zo'n dag, wanneer hij thuis kwam, bijvoorbeeld: ‘Mi si benfoto:’ ik heb het FortGa naar voetnoot5 van binnen gezien. ‘Dan welk fort dan zo?’ Hij kon nie weten. Kon nie begrijpen, dat 't een ouwe uitdrukking was, die aangevuld met andere woorden, betekende dat... Ja? Wat wás werkelijke betekenis dan? ‘Zeg dan, Aleksi, zeg met die negermond van je, voordat ik doodval fo je, van nieuwsgierigheden! Zeg!, zeg!, zeg!’ Hij kon nèks zeggen! Want hij had opeens een oude tijd beleefd. Zomaar, zonder dat hij wist, had hij in één stuk flits, 'n hap verleden van hemzelf of van die van slaventijden, lang terug, ervaren. Hoe? Geen mens kon 'em staan zeggen met uitleggen! ‘ZijnGa naar voetnoot6 die tori's die hij heeft gehoord over die tijd! Ze vliegen na' z'n hoofd! Die neger wordt bij wijlen goedgoed gek, ik swéér fo je!’ Zo zou dat worden uitgelegd, als mensen wisten. Ja, als!
Ochtend ontwaakte: mamanten! Een lied, bezongen door een lied! | |
[pagina 191]
| |
Een dag, die nooit een dag was, zonder dat 't had, ergens begin; zonder dat dát begin liet zien, wáár 't precies begonnen was. Je was jezelf zeker als je wist, dat zon áánscheen, schoon van gezicht. Een niet te peilen woordeloos gedicht van stralen die je streelden. Mamanten! Janki, hij was z'n hoofd aan 't breken. Over de werkelijke datum van het lied Fajasiton. Had hijzelf, die dag d'rvoor (achter die jaloezieën staand, starend na' dat lege erf, achter, met die put, zonder één spelende erfkind des erfhuizes,) niet z'n hoofd gebroken over die datum? Ma, dan ook wel op eigen wijze. ‘Fajasiton, no bron mi so!’ Vuursteen / hete steen (of: hete kool), brand mij niet zo. Op eigen dubbelslachtige manier, vertaalde hij 't, met: ‘Hete bal, neuk me niet zo!’ Dat kon, dat kón! 't Was de dubbelzinnigheid van díe taal, die hij zo percies geleerd had. Siton: steen, kool. Faja: heet, vuur, vurig. Siton: steen, kool, teelbal. Faja: heet, vurig, kras. Ah! Kras: geil, hitsig! Een faja-siton die wrijvend tegen iets anders, hitte overdroeg. Meer hoefde hij niet te denken. Hij stond daar, onderbroek half omlaag. Keek na' z'n blanke bal. Dat ding hing, met enkele kaalrooie plekken. Hij jeukte 't. Keek weer: die plooien van z'n slappe hangbal. ‘God, wat een onding!’ dacht hij vol met zelfspotternij. Met z'n twee vingers pakte hij die magere plooihuid vast. Tilde z'n balzak op, zo uit gezakte onderbroek. Had net zo goed, langs die zijkant aan die dij die bal kunnen vangen. Dat ding hing meestal toch d'ruit, katoenen kledij! Hij liftte 't. Keek, oordeelde, dat z'n bal erg goed kon bengelen. Zwaaide ten bewijze daarvan lichtjes met 't, lichtjes, om geen ballepijn. Dan dacht hij: ‘Ja, m'n bal! Het werk dat jij daar te doen hebt, is werkelijk groots! Groots en zwaar!’ Hij wachtte. Hoorde frafra, lichtjes dus, hoe Flamingo door dat huis die plankvloer kraakte. Als in een erotische komedie ging hij door. Pompte een woord aan lip: ‘Maar dát werk komt zeker af!’ Dan liet hij, buiten die mannenkool van 'em, z'n bal omlaag gas geven. Een ballelucht steeg omhoog, netals die stem van Floor daar: ‘Moet je koffie?’ ‘Ik kom al,’ ratelde hij d'r terug. Ging op zoek naar verhullende kleding. ‘De grootste wonderen en wonderdaden,’ is net zo oordeelde hij, in praatgenoegen, ‘zijn dingen van het duister.’ Zeer wijsgerig! Die | |
[pagina 192]
| |
Masra Janki, vroegvroeg alreeds uit de veer.
De echte ochtend, ochtend aan de poorten van de ogen. Ochtend, de ware, had geen mijden fo de negerdeur, aan straat, aan stoep van huis, ook binnendrempel komend. Mamanten! O-eeee!! ‘Mandwe, je staat nie op no?’ Mamanten aan de ramen, aan de deur. Granm'ma en granp'pa zorg gevend aan hun kleine huiskind. Mandwe gedweeë kweekschaap, schopte zich 't lichaam op, omhoog, opstaand van z'n papaja waarop hij was aan 't slapen. Een mensekind, dalek op weg na' school. Om later als een grootmens met 't gedrag van toen in 't achterhoofd, een mens te zijn van later. Bloem? Bloem buiten, kreeg een honderdmaal plansoen van honderd spruiten. Iets verderop, kakte een hond z'n drollestront. Een mens was mens z'n wereld waardig. Oordeelde ook, in ochtend daar, de kakkerlak, sripsrap! schuivende weg, weg, wachtend af, die dinges van de nacht. Nacht, nacht van later, uren vol vergankelijkheid. Ze gingen komen, buiten al wat was een droom. En dan die dag zelf, zwaar met licht op iedereen afstevenend. 't Leek, ontkoombaar niet, een soort van waarheid! Is nie zo, me beste dagvreetman, die uur heet, met je hartslag per minuut? Of is 't anders? Een soort van dodelijke gedateerdheid van de dingen? Vraag 't, aan stille winti, no? | |
(27)M'ma m'ma zondag!: Hele hele zondag zo! Een dag waarop een mens z'n ziel met rust diende te korresponderen vanaf een kristenmens z'n hart. Deze mensen die bezig waren, waren heidens bezig, no? ‘Jana! Jo vleesgedrocht! Kom te voorschijn jo!’ Twee zusters van Alex, ze waren daar gekomen. Om Jana te regeren toch! Dus om | |
[pagina 193]
| |
varkentje Jana even te wassen, zogezegd! Want wat zij gedaan had, volgens hun, met die broer van ze... ‘Jana!’ Geen antwoord. Alleen buurmensen komen staan kijken met hun koekeloer aan ogen. Kijk hoe ze stonden, om sensasie! ‘Jana, jo m'mapimaGa naar voetnoot1! J'hebt je man gezakt! Zodanig en wel, dat hij wil alles fo je doen! Hij heeft zelfs azijn gedronken!’ Dan met een poosje stilte tussenin: ‘Die meid vliegt na' z'n hoofd! Dit? Is géén natuurliefde meer! Is zwarte dinges!’ Een man die in vertwijfeling om liefde azijn dronk. Zo'n uiterste! Waar zou je 't vinden? Kijk de hele stad rond met je eige ogen aan je hoofd: al die mannen mannen! Ze hadden of één vrouw! Vrouw die ze getemd hadden fo hun lustdoel, hun huishouding, bediendewerk met veredeling. Of ze hadden húizen vol met buitenvrouwen. Ma' een man die zomaarzo kon blijven, dat z'n vrouw alles kon doen en laten wat ze wou? Een man die fo z'n vrouw de dood wou kiezen? Owaar zoiemand te vinden? Je zoekt je hoofd krom! Nergens ga je vinden! Behalve in die stad van Jana! Want lopend vuurwerk had verspreid toch: ‘Aleksi zo en zo, is veegvoet fo z'n wijfje! Hij's onder d'r rok! Hij heeft die pap gegeten! Ze heeft 'em tot awege gemaakt! Een verwijfde en slappe man zonder wil! Ze heeft 'em onder d'r voetzool! Ze heeft 'em suf! Ze heeft 'em gesooid! Ze heeft 'em gekroid!’ Hoeveel manieren waren dat niet, om te lopen zeggen, dat een vrouw een man d'ronder had? En wat dat had fo konsekwensies.... mi boi! Hálve stad weet! (‘E, Aleksi, waar ga je?’ roepen ze op straat voor 'em. ‘Je hebt zo'n vaart! Het lijkt of iets je dwingt om nergens meer te blijven!’ Dan tegen iemand anders geroepen: ‘Kijk, Alex! Boenboen sma pkin: een mensenzoon, op deze wereld! Is door z'n vrouw zo danig onder de voet gezet, dat hij heeft geen tijd meer om na' kafé te gaan! Overal waar hij gaat d'r stinkrok wappert achter 'em aan, laat hij weer met spoed en haast thuis gaan zitten!’) Alex, hij had gevochten al, alleen om dat soort prietpraat. Ma' hoe kon je heel de stedelingenaantallen daar overwinnen? Hij, Aleksi, werkman, grassnijbaas, nu zo, bij z'n baas op Zorg & Hoop, een tuinman. (‘Dan heeft die mèit geen schande dat ze 't heeft gedaan! Aaj, 't is | |
[pagina 194]
| |
bekend gaan worden, wat ze in d'r “negerij van 't donker” heeft gedaan! Duistere daden worden licht! Ija, wat in duister is gedaan, krijgt z'n daglicht, mi goedoe!’) Ze was dus volgens die mond van mensen, naar een bonoeman gegaan. Alweer! Een vrouw die d'r man onder de duim kon krijgen, door via de medicijnman met magie te werken. Dan kreeg ze via kwade krachten, de geest van haar man onder de knie. En dan, dan kon ze alles gedaan van 'em krijgen. Hij zou tóch bij d'r blijven, levenslang. Zo heette dan die daad: kroi: als het ware, binden, door een liefdesdrank. Ma' 't was geen drank alleen, op pap, waarmee aan iemand een of ander middel werd gegeven. 't Was ook puur magie. Zwarte magie. Negerdinges dus. Met werking van de zwarte krachten. (‘Liefde? Liefde is sterk toch! Ma' nie zo, baja! Om een man in 't zand te laten kruipen, net of slang! Want Alex, hij drinkt z'n azijn voor 'em! Die sooimanGa naar voetnoot2!’) Een man? Hij kon een vrouw versieren. Vrouw vínden, zoals 't vinden heette (‘A fen' wan mèit! A e nai en mars!’: ‘Hij heeft een meid gevonden! Hij naait d'r naaiwerk!’) Hij flonste met d'r: flirtpartij. Hij schijnde d'r, zoals die flirt ook heette. Ja, je kon iemand schijnen, met een soort van schijnsel in je houding. Had je sukses, dan vond je een naai daar: je kreeg je zin, vol van de seks! Sommige mannen hadden zoveel meiden, zónder dat ze opvallend mooi waren of grote auto rejen, of groot huis. Zulke mannen zo, werden betichtigd van een ware kwaaie hand. (‘Hé me schat! Kom een dansje nemen no? Me hart verteert van je, hoe ik je zie, me poppeloppe schoonheid... hhhhmmmm!’) Dan terwijl zo'n vent met die meid ging dansen, daar op dansplaats, zwaaide hij met een bewieste zakdoek! Bewiest: behekst dus, mét magie. Vóór avond viel, mi boi, al was ze nog zo kuisig: die meid viel voor 'em, met open tussenbenen. Hij kon d'r nemen hoe hij wou! Want is zo werkt die magie van mensen met een kwaaie hand toch! Kunnen doen en laten wat ze willen met zo'n gevonden meid! Ze kan geen nèks, ze heeft geen wil meer! Als hij z'n dinges nie direkt doet met d'r, en d'r zelfs na' huis laat gaan zonder bevrediging van z'n worst, dan komt ze mooimooi thuis. Dan hoor, wat daarzo gaat gebeuren: ‘Meisje waar ben je gegaan? Zo laat kom je? M'ma m'ma zondag, en dan ga je lopen dansen! Kijk: avondkerkuur! Je ziel gaat geen rust vinden! Ik waarschouw!’ | |
[pagina 195]
| |
Ah! Nog voor 't morgenochtend was (net ofdat mond 't kon voorzien!) meisje wordt gek van prakkezeren aan die jongen! Zo werkte dat ding van kwaaie hand. Een man, kon een vrouw vergekken met 't. Hij had zodanig powa, liefdeskrachten over d'r, dat ze slavin was! Hij kon d'r schop geven, ze zou z'n voetzool zoenen, zo gevaarlijk geweldig werkte z'n magie! Ma' een man, die gekroid was door een vrouw! (‘Míjn god! Ik griezel van vergruwing! Praat die tori niet! Dat een vrouw een man zo kan verlagen! Míjn god! Baja!’) Dat was 't laagste van 't laagste! Mensen hun mond vol fantasie, lieten 't werken. Want dat papje dat hij volgens hun had gedronken, om zover te komen dat z'n gebroken geest haar gans gewillig was... dat papje! 't Was zeker geen echte pap! 't Was menstruwasiewater in z'n eten! Wanneer hij dat eenmaal zonder te willen en te weten, had gegeten en gedronken (‘Aaj me schat! J'had lekker gekookt vandaag! Ik voel me net een weistier, zo sterk en kras!’) dan was hij haar slaaf! ‘Zo!’ kon mevrouwtje nu zeggen, met 't meest geruste hart ter wereld, ‘zo! Lieve boy van me, dan kom je al je gewerkte centen, die je van je baas hebt gekregen, fo me op tafel zetten, hòr!’ En dan dééd zo'n man 't ook! Legde heel z'n portemonnee op tafel. Vrouw kon nemen wat ze wou! Kon 'em zelfs onder 't tellen van de centjes, sturen om d'r schijtpot te gaan ledigen, in 't openbaar in de weecee! Hij zou 't doen, hij móest 't doen. Want zo werkte magie van kroi: een man, te onderdanigen door z'n vrouwlief. Hij had geen zeggenschap meer over eigen doen of laten. Want hij was voetenveegfiguur geworden! ‘Kom likken!’ kon ze zeggen, en hij zou 't doen, d'r pantje likken! Dan als ze een grote puf uit d'r bil liet, kon ze hèm ervan betichtigen! (‘Deze man! Wat puf je zo? Je stinkt als een goot! Je lijkt op een bigi p'poe!’) Hij zou zelfs ja knikken, en dankbaar wezen. Ma' echte kroi, ging anders toe: een vrouw, pakte een vuile onderbroek van d'r man, of een zweetborstrok waarmee hij gewerkt had. Dan ging ze na' een bonoeman, die 't karwei ging doen. Dan vroeg ze: ‘Hoeveel ga ik betalen?’ ‘Zoveel zoveel!’ kreeg ze dan te horen. Hij was natuurlijk zelf man en wist, hoe zulke vrouwen verlang hadden, om hun man thuis, te onderwerpen. Dus hij, met z'n magie... hij kon geld vragen! Dan wanneer ze eens was met 'em, kon dat ding gedaan worden. Zo'n bewieste onderbroek onder d'r slaapkussen... en meneertje was de | |
[pagina 196]
| |
grootste dekker tijdens vrijerij! Nooitmeer zou hij z'n zaad gaan ergens anders spuiten! Ze hoefde dan als een soort Kleopatra d'r vinger naar 'em te snappen (‘snep!!’)Ga naar voetnoot3 en dan kwam hij aangevlogen. (‘Ija me schat, je wil dat ding, no?’) En dan zo, hij gaf d'r, alles wat ze had gewild: hij gaf d'r ‘lichaam’. Sliep dus braaf met haar op kommando. Een pittiger wijfje, gierig op de centjes, joeg zo'n vent d'r deur uit, met: ‘Ga jo beest jo! Met je bal tussen je benen en je boomstam! Mars, ga geld verdienen fo me! En durf me nie te komen zeggen, dat je nie gewerkt hebt vandaag, want anders...’ Sanksie, dus straf zou zijn, als hij nie bracht wat ze vroeg, dat hij z'n zin nie kreeg wanneer hij wou naaien. Of hij zou nie kunnen spieren in nabijheid van d'r poenète, wanneer ze d'r benen voor 'em breedde om te komen naaien in d'r openwatergat daar aan d'r onderste, met al d'r zeden! Hij zou niets kunnen, hij, een man! Zo werkte dat soort magie magie. Een man kon doen, een vrouw ook, ieder op hun eigen wijze, een geliefde in de ban houden. Althans, 't volk geloofde zo, en zo was dat ding misschien ook, getuige vele van verhoudingen. Wellicht dat daarom zo vaak mannen vrouw verlieten, als ze ook maar enige idee hadden van neiging of karakter tot kroi. Dus als ze vermoedden dat die vrouw iets uithaalde om ze te houwen. 't Was goedkoop ook, j'hoefde nie te zorgen fo die vrouw; en als ze vroegen waarom mán z'n vrouw liet, hoefde hij z'n mond maar schuins te laten staan met: ‘A frow soekoe foe kroi mi: ze heeft gezocht om me te kruien!’ Dan was de hele stad vertoornd met háár! Niemand wraakte op hem! Wat een meidengedaante! Om te trachten een kerel zoiets aan te doen! Want kroi, vasthouden met kwaaie magie... Weg met die stinkonder van een smeerlappemeid! En hij? Hij was natuurlijk held! (‘Aaj, een man, met kool tussen z'n benen! Hij heeft durf! Je kan zien!’) Of een man zorgde d'rvoor, dat hij gedurig z'n vrouw aftuigde, liefst iets van elke dag. (‘Naai d'r, elke dag, totdat d'r pantje bostGa naar voetnoot4! 't Heeft geen zorg! Dáárvoor heeft ze een gat in 't onder! En voor nergens anders! Dan als ze asranti is fo je, een tegenwerpige vrouw, dan timmer je d'r met een stok op d'r kop! Laat d'r bloeden! Scheur d'r kleren van d'r lichaam! Trek één klap op d'r gezicht! D'r hele wang moet lijken op | |
[pagina 197]
| |
een aardebol, zo moet 't zwellen! Dan trekje d'r vlechten aan d'r hoofd! Je schudt d'r, bonkt d'r zo bap!! tegen die schutting van je huis! Laat d'r schreeuwen om innig genade! Dan pas is ze echt je vrouw!’) Met kommentaar d'rachter: ‘Aaj, vrouwen? Je moet echt geen grap maken met ze! Want als een vrouw een man karakterloos maakt, mi jonge! Je kan beter jezelf in verdrinkingswater gooien! Je bent lager dan een hond op vier poten, ik swéér!’ Dan stel je vóór nu, in dat geval van Alex, dat met zulke beginselen, 't straatvolk te horen krijgt, dat Aleksi door z'n vrouw is ‘gekruid’! Mi jeses man! Dat ding was skame! (‘Me jeses, Alex! God zij je genadig! Dat een vrouw je mishandelt, met wat onder d'r rok is! Een vis met z'n stinkgat, is beter dan dát! Me santa!! Hel van didibri!’) Want volgens hen, had Alex dus die pap gegeten, met alle ‘lekkernij’ d'rbij! Dan nu waren die zusters van 'em thuis gekomen. Om die meid Jana te ramperneren. Hoor ze daar no: ‘Aaj, we zijn naar een bonoeman geweest! Hij'ft in 't duister gekeken en gezien. Hij'ft nie gelogen!’ Waaromtrent kon niemand zeggen. Want ze wilden niet te hard praten, over die pap. Ma' iedereen al, wíst! (‘A k'ka tingi dot'oio f' Jana.....’ Hoor ze schelden dat Jana's gat stinkt!) Voor je dacht, jonge, één sensa!: gróótgrote sensasie! Ma' Dodo rende op d'r zwakke benen. Was net aan 't waskleren schrobberen, met een korespier, en geblokte zeep, in een kuip die op een sardienkist stond, buiten, vlak zo, naast d'r huis, met inplanting van d'r blote voeten op die grond daar. Toen ze hoorde wat fo soort ‘hello’ daar aan die poort. ‘Oen m'mapima! Wat zijn jullie komen doen? Mars weg, voordat ik jullie doodmaak!’ Arm zij! Een ouwige vrouw, die een kleine blaaswind in de lucht kon omwaaien, zo zwak was ze. Dan zou ze mensen gaan staan doodmaken. Is om te lachen fo je!, no? Alex, hij was d'r niet. Was nog nie terug van vogeltjeswedstrijd, waar ze die zangbekjes lieten zingen toch. Z'n kinderen waren aan 't spelen. Twee kleine zo, ze waren thuis, begonnen daar, met één gehuil, dat je óórdoof werd d'rvan. Wèèèèèèè!!! Ma' Jana zelf was aan 't keukenen. Bezemde mooi die keukengrond in huis schoon, vlak onder die plek waar in de bottelarie een vierkante kast hing, met 'n mondje spijs, tegen de mieren, aan een touw, met een | |
[pagina 198]
| |
soort stankkruid, dat ze niet d'rlangs kwamen om al die spijs te gaan bederven (voor die fijne mieren, die hele kleine, die je bijna nie kon kwijt maken.) ‘Wacht even hoor,’ dacht ze, ‘wat hoort me oor aan me hoofd hier, deze zondag!’ Voordat ze zelf wou nadenken, vloog ze met bezem en al, in een paspas aangetrokken klokkeroksoort, na' buiten. ‘Oen sakasaka....!’ schold ze. Vóórdat je dacht: buurt laat z'n dagtaak varen, laat z'n dagtaak nog alleen bestaan uit toekijken, met ook behagen. Dinges gebéuren toch!, ophef, bradjari! Méér zo zelfs: Eén joegoe joegoe! Eén dege dege! Een opschudding daarzo, aan huis! Dan hoor die ene zus: ‘Ik zeg, je hebt je man d'ronder! Is nie jíj hebt 'em gemaakt! Allang wou Alex weggaan! Is allang ja! Hij heeft me zelf met z'n eigen mond gezegd, dat hij je wil weglaten! Fo wááaarom laat je hem nie gaan? En? Je houdt 'em daar: tussen je benen! Strontmeid! Hoe je loopt als een zekerpot! (Ze bedoelde: trage sekrepatoe: trage schildpad!) Jo gedaantelinge! Jo vreselijke wijf met snater!’ Die andere zus stond voor je dacht, met d'r langste vinger onder Jana's neus: ‘Die k'ka die je gemaakt hebt...!’ (Al d'r borsten aan d'r lichaam schudden feest! Wat een bewogenheid, van ganser harten!) ‘Meisje ik zeg je! Enigste reden dat we 'em nie komen halen zijn geweest, is dat we weten dat hij weer bij je gaat komen! Want... eh..!’ (Hier wou ze schreeuwen: ‘hij 'ft je pap gedronken!’ Ma' ze hield zich danig in, dat ze alleen met voet op grond kon stampen.) Jana was zo kwaad, om deze uitleg. Ze hief die bezem hoog. Wappa!! Eén klap tegen die hersens van Alex z'n zuster. Ma' Dodo kwam aanrennen, van 't halen van een doek, die ze om d'r buik wou binden, vóór die scheldpartij daarzo. 't Was telaat! Andere zuster van Aleksi greep Jana. Draaide d'r arm uit z'n schroef, zo njèp! Jana duwde d'r met elleboog tegen d'r baarmoederplaats in d'r buik. ‘Waaaiii!!’ Kleren scheurden, stemmen schreeuwden, anderen sloegen bont en blauw. Mensen kwamen rennend aan: ‘Oen kaba! Stop hier met strijen! Jullie zijn geen vlees!’ Dat vlees sloeg op meti: wilde dieren werden bedoeld met vlees. ‘Jullie zijn geen vlezen, jullie.. is móeder heeft jullie tot mens geworpen!’ ‘Wat fo mars kom jíj dat’, zéggen!....’ Eén halen en trekken, dat 't nie mooi meer was. | |
[pagina 199]
| |
Ma' Dodo voelde hoe d'r hart sloeg bidimbadambidambam! Ze dacht, dat ze was aan 't doodgaan. Me goeie god! Mensen droegen d'r naar een zijkant, met een houtstellaasje daar. (‘Ma Dodo, láát dinges! Kalmeer jezelf, baja, kalm aan! Dalek komt dood je halen en dan vind je ook geen rust!’ zeiden ze. Met hun oog gericht op die twee allesrampenerende zusters.) Ze stonden, waren nog nie klaar, hoe je ze zo zag. Jana, met d'r gedraaide hand! Ze rende in huis, met: ‘Pe a koekroe-nefi de?: Waar is me slachtmes? Waar me slachtmes?’ Toen ze dat mes nie gauw kon vinden, greep ze bripbrap! één of ander scherpkantig ding. ‘Dede! Dede!’ riep ze, met alle vrouwenrauwte in d'r hooggeslagen stem, die middag. ‘Dede! Doodgaan gaat gebeuren hierzo! Dede! Doodgaan! Dede! Dood!’ Iedereen koud van schrik. ‘Nono! Nono!’ Nee!!! Houtdeur daar, 't klapte open. Beiderzijds aan huis, nu open! Dat huis gaapte achter d'r rug de leegte uit, vol met die schreeuw van kinderen, eentje greep zelfs d'r rok. ‘Mars jo!’ Kind vloog van stoep, sloeg bloedlip tegen stoeprand, mensen grepen 't. Een kerel daarzo, met haar op z'n borst (speelde altijd graag gitaar, met melodie van Moonlight Serenade), hij nam één stap zo, maar, naar voren. Hoor 'em, lucht snijdend met kapotte stem, een stempel onder aan de hemel drukkend, zo vol met kracht: ‘Jana!! Ik wíl niet!’ Ze gehoorzaamde. Liet d'r geheven arm zakken, die hij in no time had vastgegrepen. Kijk d'r staan! Net anti-bevrijdingsbeeld! Jana met dat aanstaande moordmes! Een van Alex z'n zussen, had intussen plank daar losgerukt van die wand. 't Was te zwaar fo d'r, ma' ze had temakenGa naar voetnoot5! Ze tilde dat ding hoog in die lucht. Vanaf veilige afstand schreeuwde ze al: ‘Kom! Kom jo! Koedoentoe! Laat ik je zestigenGa naar voetnoot6! (Ze zou dit gedrocht dus afmaken.) Ik sla je, tot je regenmodder wordt, jo sakasaka jo!’ Andere zus hield gescheurde rok vlak fo d'r schoot. Om nie d'r schaamdeel bloot te laten zien. Dan wie komt net op dat moment aan? Nee, niet die Alex! Híj kwam later pas. Op dat moment van zondag kwam Mandwe. Hij zag, nee, hij zag nèks! Hoorde alleen maar. | |
[pagina 200]
| |
Hoorde hoe die mensen scholden. Fo de rest: die hele negerpoort was vol met mensen. Allemaal in samendrang. Eénjoegoejoegoe! Zo een jege jege! Wat een opschudding zo, zo daar aan 't erf! Spelen was hij weer gaan spelen, kwam terug, om etenstijd, bij z'n granm'ma en granp'pa daar aan huis. Dan nu... hij komt, met speelbal in hand, komt hij kijken. Net op 't moment dat ze die kinderen wegjagen. ‘Mars jo! Dit zijn fo grote mensen zaken! Rekje staart weg!’ Zodoende weer, had hij z'n zoveelste ervaring. Was 't alweer iets met Alex? Of was dit anders? Was z'n granm'ma daar weer? Thuis, zo dacht hij, ging hij spai spelen: de spieder. Kijken of hij uit 't gedrag van z'n granp'pa kon wijs worden. Wanneer die met z'n zwijgritueel bij ruzie bleef, weer dagenlang, dan kon Mandwe weten: 't was negerdinges. Die granm'ma, ach: ze zou weer zenuwachtig zijn, netals die keer met aarden kuip. En hij, wat kon hij anders doen dan voorbereiden? Denken aan school van maandag en z'n buik gaan vullen. Tijd was iets wat zichzelf bracht. Tijd was wat ging; ook met 'em daar, straat lopend, met geprakkezeer. Zodanig zelfs, dat een ezelkar 'em bijna sloeg, wanneer niet die ezeldrijver 'em met een snauw gebokt had, met z'n: ‘Jonge, ga opzij!’ Verder die ezelman hardop gedachte lozend: ‘Kinderen van deze tijd! Ze lopen met teveel dinges aan hun hersentomtom!’ Mandwe zo'n kind dus, met teveel aan hoofd. Hersentomtom! Z'n hersenbrei! Dan kijk dat grote hoofd op kindersmalle lijf! Die ezelman! Geen wonder dat hij ezel was aan 't drijven, met z'n boerikiwagi! Ezel met zeven magen no? Later, toen Alex thuis kwam, hoorde hij verhaal. Treurnis in stad en rond omtrent z'n woning. Jana stond op, om 'em weg te jagen. Dodo troostte. Dan Alex zelf, met nog vogelfluiterij aan hoofd vanwaar hij kwam bij wedstrijd! Alex, wat zo, kon hij doen? Die vrouw daar, die hij liefhad, door zijn familie belaagd. Ach, ach, zo vond hij, laat d'r maar die zaak laten. Haar gedraaide hand op azijnGa naar voetnoot7, gezwollen en met windsel, vond hij schoon genoeg te zwaar fo een mens. Het allerzwaarste... ‘Jana, ik bid je! Jana, me troetel! Laat me nie alleen, me oema!’ 't Bleef dat hij in snikken uitbarstte! Die domme mensen van familie! | |
[pagina 201]
| |
Zij met hun bederfzucht, vond hij. Ma' dan: als zíj 'em ooit gezien zouden hebben, zo onderdanig aan deze vrouw! Ik geloof, ze zouden 'em nie alleen vervloeken! En ook geen medelijden hebben om dit soort gedrag! Dat ding zou het bewijs van Jana's kwaaie doen zijn! Ze gingen 'em nieteens villen ook! Ze.. ze.... wat moest je in godsnaam met zo'n negervent beginnen? Als je 'em zelfs een vent kon noemen! Die sooiman!, slappeling! Met laagwaterkarakter! | |
(28)MááNG!! IK GEEF GEEN TORI HOOR! IK BEN GEFááRLIJK!Ga naar voetnoot1 Eerste schooldag, nieuwe jaar! Hiepiepiep, hoeree! Sang? Mááng!... Dat ding was oktober toch. Dan kijk schoolerf, zo netjes! Geen enkele broko broko dinges! Dus geen rommels. En schóónmaakster had alle plaatsen mooi mooi schoong gemaakt. Alle inkipatoes zo, waren leeg zonder één druppel met inkt! (De Moor! Hij was weer bezig dat verhaal te leren aan die kinderen. Ze luisterden, of lazen zelf, in eigen tongval van Nederlands, naar dat verhaal over die eerste dag van 't nieuwe jaar op school daar! Verhaal van schoongemaakte schoolerf, lege inktpotten. En van kinderen die zich lieten bewonderen met alle soorten uitroeptekens d'rbij!)
Dan kijk ze fo me: al die kinderen kinderen daarzo! Vroeg vroeg waren ze gekomen. Sommige droegen nieuwe borstrok. Sommige hadden gewone rubberen patapedo's, zachte schoen, aan hun voete. Dat waren die jonges! Want | |
[pagina 202]
| |
die meisjes hadden bijna iedereen, mooie jurken met een lint in hun haar op hun hoofd daar. Ze maakten hun mode: prodo hoor!, kap'manja! Lieten dus zien hoe mooi ze waren opgemaakt met kleren. (Een van die kinderen bij De Moor was aan 't schuiven, een beetje, op dat bankje, terwijl dat andere kind begon te lezen. Het verhaal van die aankomst van kinderen, op 't schooiert: hoe ze gekleed waren, de jongens, de meisjes, eerste schooldag. Vooral hun tekenen van armoede: geen leren schoenen maar rubberen (gym)schoenen. Een goedkope borstrok van katoen en geen mooi hemd. En toch, armemanskinderen, zoals ze werden afgeschilderd, ze genoten van hun schamele kledij, voelden zich modieus en mooi!)
Eén ding. Ze moest buiten schoolerf goed kijken, wanneer oversteken gaand. Want dat verkeer daar, was ferradelijk druk! Stel je voor, mááng!, met al die baisiggels, bussen en die oto's! En buitendien, behalve verkeer met motor of van ijzer, ook: die boeriki-wagi, ezelkarren! Alle verkeer, met zoveel lopende mensen op trotwaar ook, daar, zo vlak fo school z'n negerpoort. (Het was te gek wat daar gedaan werd: overstekende kinderen, bij hun komst vlak buiten de ‘negerpoort’, de grote poort aan straat. Negerpoort, genoemd naar het zijpoortje aan die voorkant van die grote percelen in de stad, waar vroeger negers doorheen moesten. Wie schopte ze om die mooie en deftige ingang te kiezen, bij dat huis der slavenmeester met zijn hoge stoepen? Stoepen, gebouwd van rode bakstenen, geïmporteerd uit Holland, met schepen die kwamen, via Afrika z'n kust. Terwijl.... die schepen brachten rijkdommen weer weg, katoen, suiker, koffie, kakao... In één enkel woord, ‘negerpoort’, flitsten hele geschiedenissen door 't hoofd van De Moor. Hij kuchte z'n kuch, liet doorlezen. Die kinderen! Hoeveel moeite hadden ze niet om 't verhaal te lezen? Dan toch! 't Was hun taal, hun wereld! Echter: mensen hadden al geroepen, dat ze gek gingen worden! Zoals die kweekvader van ze optrad: om ze te leren praten met een negermond! Kon daar iets goeds uit komen? Dan kwamen die eerste kinderen uit 't verhaal op school. Gelach bij die kinderen van De Moor. Hoor ze no:) | |
[pagina 203]
| |
Lena kwam daarzo. Ze was aan 't lopen met Harold. Harold was d'r kleinbroertje! Hij had een boro broekoe aan z'n bille, broekbil met gat d'rin. Die kinderen begonnen met te lachen. ‘Wúúúúúú!’ Ma' 't was nie om die boro bille broek. Behalve dat: Harold was na' barbier gegaan. Om z'n bijna kaalkale hoofd, schreeuwden ze voor 'em: ‘Kreb'ede!’ Dan nog een keertje, met harde mond hoor!: ‘Kreb'ede, botro-bari!’ Plagerij om vers geknipte korthaar. (Kinderen daar, zittend onder dat hoge venster in De Moor z'n houten huis, in koloniale stijl gebouwd - een oudkommissaris z'n woning geweest - hadden die kinderen hun pret. Ze herkenden die plagerij van makaar: schreeuwen tegen zo'n jongen met z'n platte haar, dat z'n hoofd zo kaal was als een leeg botervat! Leeg en glad! Wat een wonder dat ze nie met hun handpalm d'rover gingen strijken. Of platte hand d'rop slaan, zo plats!!) Daar, door de drempel vergaard, zaten ze, in lessituasie, De Moor en zijn kinderen. Die aangenomen kinderen, die twee. Ze waren zo jong, nog geen negen jaren. Hún kon hij nog de echtheid van hun werkelijke situasie overbrengen, dacht hij, met z'n hoofd van idealist. Deze, waren nog niet zo oud als zijn kinderen van zijn schoolklas, waar hij z'n brood verdiende. Die openbare school, met kinderen, boven de vijftien al. Die mochten blij zijn, als ze al die van bovenaf opgelegde normen konden overleven en de lagere school halen. Wat kon een neger, zeker volkskind ook, dan onaangetast die geïmporteerde blankemanskultuur aanleren? Niet dat kultuur leren zelf kwaad was. Ma' die koloniale naäping... Als hij nie deed, was hij de k'ka! Hij met z'n mulo-leraar gezicht op mensen daar! En buitendien: als onderwijzer, hoorde hij elke volksinvloed, ook bij hindoestaan of indiaan, eruit te slaan. Maar vooral en zeker bij negers! Zijn kollega's hadden tamarindezweep in hun klas. Tamarindezweep die de machthebbers al eeuwenlang gebruikt hadden, om de bast van de neger van z'n lichaam weg te zwepen, als hij ongehorig durfde te zijn. Sommige onderwijzers sloegen met hun vuist of knuist. Met opgetrokken mouwen: ‘Je móet leren!’ Ze sloegen stierig wild, zonder maar in te gaan op wat ze leerden aan die inlanders. Inlanders? Landskinderen, bedoel je! Toekomstkinderen, volwassenen der jaren zeventig en tachtig. Die waren daar, deze wèry wèry | |
[pagina 204]
| |
vijftigerjarentijds in schoolbank, met poep in hun broek soms, angsten, fo de meester, die ze onderwees, in naam der koningin en der blanke beschaving. Kerk, Staat, Maatschappij, ook al zat ze vol met deze inferieure rassen, volgens de theorie der Kolésie: Het Bestuurs Kollege der Witte Wijze Mannen, blanke top. Nog altijd weer dat superkoloniale! Geschraagd door beschaafde negers voor het merendeel, die kristen waren en hunne barbarijen hadden afgezworen. Die fel en goed het evangelie uitdroegen aan de kruipige massa onder hen! Die stinkbuurten, vol stinkgoten, windsels en wonden, gezwollen filariabenen, zich dekkend met bladeren soms, omdat ze geen deken hadden! Vretend uit bananebladeren, zuipend en bedelend over straat z'n vieze stoepen. Krom van mond en krom van geest! Achterlijk, eeuwig gedoemd te zijn onderworpen aan de geest der Westerse Beschaving! Dat samenraapsel mocht blij zijn, dat hun iets ter beschaving aangeboden werd: kultuur! Dan nu, ...nee! De Moor! Met z'n aan twee kanten knijpende situasie: op de landsschool de kinderen ‘beschaving’ leren. En dan thuis, die kinderen van 'em, in privé ook zijn beschaving lerend: hun ware geest op hun zelf projekterend, iets wat verboden was. ‘Pas op man, met dat ding!’ De Moor z'n vrouw riep. ‘Als Lanti je betrapt, dan word je opgesloten!’ Lanti, de staat, polisie, justisie no? ‘Ik? Ik werk thuis met deze kinderen! Zelfs al moeten ze na' de officiële school! Ik leer ze thuis, wat ík wil, met mijn onderwijzersakte, hoge graad bovendien, gehaald in niets minder dan Holland!’ Hij zei 't met spot en overtuiging, wetend dat ze hem formeel niet konden pakken. Dat boek ook, waaruit het voorlezen en vertellen ging, dat manuskript, het revolutionaire kinderboek, bewaarde hij als een geheim. Ja, die kinderen mochten met anderen d'rover praten. Ma' niemand kon 't bewijs in handen krijgen. Voorlopig althans, dacht hij. Misschien misschien, wanneer de grote Eigen Dinges als beweging groots zou worden, werkelijk van 't gehele volk, en wanneer ook met een akkountant als die Brummal, geld gevonden zou worden: dan hád hij 't juiste geestelijke klimaat en de middelen. Om 't hele onderwijsbeleid te gaan ombuigen. Met zelfrespekt als basis van de opvoeding. Ma' zover was 't nog niet. Hij voelde zelfde adem der verontwaardiging opstijgen, warmer dan de wind, die hij van voren begon te krijgen: mensen die 'em | |
[pagina 205]
| |
tegenwerkten (‘Die neger krijgt verbeelding! Hij ruikt z'n stinken!’) Ze hadden nog geen bewijs op 'em! Ma' dat gedoe al, met Ons Eigen Dinges! 't Maakte kans op karrières kapot! Hoe kon je anders, als landskind, tot de koloniale top door dringen, ánders dan door ‘onderwijs te genieten?’ Jezelf volledig aan te passen aan die met blanke import-norm gedomineerde maatschappij, met al z'n sanksies! Dan wanneer je dát deed, dan kwam je, voor zover een neger omhoog kon worden geschopt. Niet al te ver dus! Want bóven je, moest altijd weer de subtop zijn: van mulatten, lichtkleurige halfbloeden, bastaarden genoemd. Die grootoom van Brummal, vriend van deze Moor, was ook zo'n halfbloed, een basra bakra. Hij had 't zover geschopt, dat hij openbare beslissingen kon nemen. Aangaande 't land, ook voor 't onderwijs.... En Brummal met z'n gelddeskundigheid... Als hij gedragen kon, volgens de eisen, Brummal zou een groot man zijn, geaksepteerd, ondanks zijn donker gekleurde huid, veel donkerder dan zijn lichtbruine grootvader. Als hij maar gezagstrouw was geweest! Trouw aan koloniale norm. Een zoon des lands, gezonden na' buitenland fo opvoeding! En nu teruggekeerd, met zulke vreselijke ideeën, over waardering van volkskultuur en Eigen Dinges! Geen wonder dat hij dreigde te worden verschopt! ‘Pappa, je bent nie meer aan 't lezen!’ riepen die kinderen tegen De Moor. ‘San?’ Hij was even gaan dwalen over denkbrug, met gedachtes.
Lena kwam daarzo. Ze was met Harold... eh... ah!: ‘Laat ze me broertje dreigen.’ Lena zei zo, om 't plagen van die anderen. ‘J'hebt nèks temaken, hoor Haroldje!’
Dan Johnnie, een vervelende jongen, stond te schreeuwen met z'n mond, z'n ogen zó groot, net die vis die ze koet'ai roepen! Hoor 'em: ‘Eén en één is meesterbeen!’ (Die kinderen lachten. Dat jongetje vlak voor De Moor, en dat meisje, met d'r gevlochten dikke negerhaar, dat volgens algemene opinie tot het taaiste haar en het verdomdste ter wereld hoorde! Ze zaten, | |
[pagina 206]
| |
hoorden hun meester, De Moor, netals in 't verhaal. 't Leek ofdat zíj 't waren. Alsof dat verhaal over ze ging! Echter: zij zaten met nette kleren aan, met leren schoen, met kousen zelfs! Geen broko broko broekoe: broek, gerafeld, schots en scheef aan lichaam, met gaten gaten! Nee, ze waren ook gewassen, netjes ruikend, door de negerin met wie De Moor getrouwd was. Een mooie vrouw! Een goedsnappende negerin ook. Die begréép waarom hij loslopende kinderen een opvoeding wou geven. Loslopende kinderen! Er was een mooi gezongen volkslied: als je een vrouw ziet, kijk dan of (de onderkant van) haar mg rolt! En als ze van achteren rollebolt - ef en baka e lolo! - dan moet je haar van voren bol doen staan: je moet haar een buikje geven! Ja, een vrouw was om snelsnel zwanger te maken! Ma' dáárna? Misschien dat jaren later de generaties 't antwoord zouden weten. Ma' niet deze voorlopige. Deze vrouw echter, een ontwikkelde negerin, zij wíst. Soms, met pijn en moeite, had hij haar bewust gemaakt van de historische situasie. Dan nu zo was ze strijdbaar vrouw, daar, aan zijn ene zijde. Aan die andere zijde, zijn familie. Afkeurend om geadopteerde kinderen. Dat was onkruid! Slang zelf in huis halend, zeiden ze, was hij. En vergetend ook, waren ze met die uitspraak van ze, dat een slang volgens de negergodsdienst Winti helemaal geen vals beest was! Integendeel! Een slang godheid! Of: slang was de symboliek van vrije natuur, van kontakt met de aarde, van de mens z'n eigen karakter, als einde van een voedselketen... van... van iets speciaals! Maar net niet van die totaal uit andere kultuur geleerde symboliek, dat slang was giftig! Hadden de Europeanen daar niet de slechte kant van hun eigen wezen in geprojekteerd? In de slang? Moest een neger 't dáárom op die manier leren? Men kende toch eigen kwaaie geesten? En fo zelfs zo iemand met 't karakter van een slang bestond er hoop: de erfzonde wordt vergeven, aldus bijbelt er ergens spraak! Je ziel wordt blank. Ma' de neger, die zijn vader in het kruis keek, negers, zonen van Cham! Bestond er enige vergiffenis daarvoor? Nooit en tenimmer! Ze waren altijd gedoemd te zwerven over god z'n aarde! Een teorie waarmee je als negerkind opgroeide... Arm te zijn, onderworpen, slaafs van geest, en lui en karakterloos... dat wás ze aangeleerd, ingepraat, ingeslagen zelfs! Ze waren minderwaardig en 't enigste wat een neger een ander kon uitschelden | |
[pagina 207]
| |
was: ‘Geddout, jo fokking nigger!’ Bloed! Tranen van bloed! Dát ging er vloeien, als je goed nadacht d'rover. Zielsverdriet! Afgezien van alle bloed, dat uit dit denken al was voortgestroomd uit vele wonden, in tijden dat je om je leed geen tranen mocht laten. Vroeger, ja vroeger... zo lang geleden ook! Ach, slavernij z'n tijd, ach, vergeet... De geest gaat soms ver weg van al z'n werkelijkheden, duikt nietmeer in het verleden, goddank. 't Kijkt naar de luister van vandaag, de dingen om een mens z'n heen: zoals in een open bos, de zonnestraal, het zonnelicht, schittering en met weelde... 't Laat je gauw 't bos vergeten, vol gevaren, waar je net door bent geweest, onzeker van je eigen adem!
‘Pappa is moe vandaag! Gaan jullie spelen.’ De Moor, hij liet z'n stemkracht horen. Eén en één is meesterbeen! Een rijmpje, achteloos door kinderen gezegd. Als ze weet konden hebben, hoeveel hoofdbrekens de leerman had! Hoe diep z'n gedachten, daar in geest. Iets wat op z'n gedachten inwerkte. Kijk, z'n smalle gezicht, met die twee hoge beenjukken... ze waren hard, bijna net asege, die koningskever met z'n wapen in z'n gezicht! Hij, had z'n wapen áchter 't gezicht: een masker, daarna volgde die inhoud van z'n hoofd. Waarin, iets, niemand wist precies. Je kon alleen maar raden, netals hijzelf, z'n ogen gooiend door dat raam... ‘Tan?! Kijk wie is aan 't komen daarzo!.... Kinderen, gaan jullie spelen!’ Die vrouw van 'em kwam al lopen aankondigen. Ze wist niet, dat hij de komende persoon gezien had. Hoor d'r: ‘é!, die bakraGa naar voetnoot2 komt hier op ons! Je weet wie ik bedoel: Jan Verwoeven! ...ja, (zei ze tegen de aankomende)... loopt u maar door na' zijn werkkamer! ...Kinderen, komen jullie hálen!’ Dan ging ze weg, weg, om wandeling te maken met ze! Ze bracht ze na' die moeder van d'r man, die nèks begreep van al z'n negerstreken, zoals ze uitklaagde aan d'r schoondochter! Deze soort van dochter, die ze, omdat zij ook al negerin was, getrouwd met zoonlief, ook al niet begreep. Welke neger verlaagde zichzelf - met zo'n ontwikkeling in 't hoofd ook! - door met een negerin met krentenkop te gaan trouwen? Als ze buitenvrouw was geweest, okee! Ma' echte, getrouwde, | |
[pagina 208]
| |
binnenshuise vrouw? E'èn! Ze kon echt nie begrijpen! Nee! Die moeder van De Moor, kon dat ding niemeer verstaan. Een negerin was ze, die nie begreep wáárom haar zoon weer met een negerin kwam aanzetten. ‘Hé Janki! Hoe gaat 't met je?’ vroeg De Moor, zijn gast groet gevend. Janki lachte. Zei, niet zoals zijn gastheer in het Nederlands zijn groet, ma' in het Sranan Tongo: ‘Faigo?’ Even beschamende toneel: een zwarte praat met wittemanstaal, terwijl witman 'em aanspreekt met zwarte mond! 't Leek soort levensparodie, de kern van een dramatische historie. ‘Mi de boen!’ korrigeerde De Moor snel zichzelf. ‘Ik merk dat je net les hebt gegeven.’ zei Janki, ook al in de volkse omgangstaal. Ze bleven even door praten. Ja, hij had les gegeven ja, aan zijn twee kinderen, geadopteerde, en vooral negerzwarte! Alsof 't kinderen van hemzelf waren. Vraag z'n vrouw! Janki maakte paar komplimenten. Gooide z'n ogen op een schrift daar liggend.
Ma' meester kon nie horen. Want meester was aan 't praten met schoonmáákster. Schoongmaakster was die moeder van Sjori. Sjori was ook een jongen van die school. Hoor no: Sjori was weer blijven zitten toch! Tanpokojanki!, blijvenzittertje. En Sjori z'n moeder, ging bijna niemeer weten, wat ze met Sjori moest gaan doen. Fo dát, was ze bij meester gekomen: ‘Meester, míjn god, me jeses! Ik heb Sjori met z'n vader gemaakt! Z'n vader wil me niet! Ma' deze kind, is didibri zelf, duivel! Al is hij neger, toch kan hij gedraging leren! Ma' hij spijbelt, kwijbelt en doet zoveel dinges die een kind maken tot wilderkind! Ach meester! Als ik ga beginnen met vertellen! U gaat geen oren genoeg hebben! Hoe je me hier ziet staan, een wiswasi-oema, onaanzienlijk, zo lawlaw....’ Meester zweeg met z'n hele gehersende hoofd. Hij was die bel al aan 't houwen, fo schooluur, om te slaan. ‘Dan meester, luister hier: ga nie kwaad worden fo me! Ma' ik heb 'em nie gestuurd op school, want hij'ft geen nieuwe kleren aan zijn lijf! Baja! Z'n vader geeft me geen enkele cent! Dan wat zo, moet ik doen dan? Ik kan geen schoene fo z'n voet onder 'em kopen! Is fo daarom komt hij | |
[pagina 209]
| |
altijd met delailaGa naar voetnoot3 onder z'n voetzool.’ Hoor meester: ‘Mevrouw, ik heb u al zoveel keer gezegd, dat u moet Sjori nie thuis laten blijven, om vuile borden te schrobben en gaanderij te bezemen. Want als hij groot gaat worden, kan hij nergens gaan! Is sopiman gaat hij worden, net z'n vader, dronken langs straat, zonder werk, zonder leven! So!’ Toen sloeg meester die bel. Pinge linge linge linge lingggggg!
‘Prachtig! Prachtig!’ riep Janki, nu z'n eigen moedertaal bezigend. ‘Mooi kinderverhaal, alleen, één ding klopt niet!’ De Moor! Hij had Janki staan observeren, terwijl deze zijn geleerde ogen liet glijzaam zijn over het kinderboekje in inlandse stijl. Een mager Hollandse gedaante, wangen ingevallen van de nachtwerkstudiën. Verder z'n witte pak aan, tropendress. Met een houten wandelstafje in zijn handen. Een staafje hout, met bosnegerinsnede, houtsnijwerk. Ach die Jan! Pronkte met negerkultuur! Als hij wist! Wat neger zelf voelde in z'n ziel z'n diep z'n grenseloosheid! Als hij wist! (‘Jullie! Jullie gaan bloed en zweet met tranen huilen! Jullie gaan nie weten waar vandaan dat leed!’ Gezegd over diegenen die later nie zouden weten over hun diepste wonden.) Kijk 'em, een elegante man, met mooie bruinleer schoenen aan. Broek goed aan bil. Mooie vouw d'rin. Vrouw met bediende aan huis, zorgden voor 'em, onberispelijke Janki. (‘Dan wat kunnen we doen dan? En? Wij? Wij zijn neger! Is maar, dat we ons leed verdragen!’) Dan met een diepe zucht (‘Ija baja! God heeft z'n ongerechtigheid!’) ‘Mooi verhaal, zei ik, maar één ding is fout: de onderwijzer zelf! Hij mag niet zoals de inlander spreken. Dat weet je, Moor! Als je zo doorgaat krijg je moeilijkheden. Niet met die kinderen natuurlijk. Maar... je weet 't wel! Een meester móet zelf 't goede voorbeeld zijn, van wat volgens de maatschappij opvoeden is. Zo is 't nu eenmaal.’ Terwijl hij sprak, realiseerde Janki zich in wat fo posisie híj z'n taal had. Hij was vriend van De Moor, anders kon hij nieteens daar | |
[pagina 210]
| |
komen. Stond positief tegenover al deze volksdingen. Maar hij was blank ook. En afhankelijk buitendien, van iemand, een professor, die z'n baas was en die hem kon laten vallen. Een man, met zwaar Europees gevormd karakter. Dat op zichzelf misschien geen kwaad. Ma' dat superieure gevoel fo kultur! Maakte geen spot met etiketten. Alwel... hij, Gerber, was ergens goed voor 't personeel, voor ieder die voor 'em werkte. Dus geen kwaaie mens no? Maar hij wou díenst en zoals 't bij diensten hoorde, ook de juiste soort van onderdanigheid. Zo was dat, zo bleef dat. Hij, Janki, was gekomen met een boodschap. Of hij wou of niet, hij moest die overdragen. Tegelijkertijd, was hij geen loze boodschapper. Hij was een vriend, die iets kwam brengen wat tot vijandschap kon leiden. Dan buítendien: 't moest in z'n voordeel werken ook, op geldelijk gebied uiteindelijk. Buitendien, hij was getuige ook.... Brummal.... ‘Wacht even!’ riep De Moor, getroffen door die taal van Janki, over de opvoedersrol. En daar ging 't gesprek. Of ze nu met hun deur vielen in huis of niet, 't ware onderwerp van het gesprek zou aan de orde komen: dat wat professor Gerber Mann op Brummal wou overgebracht. Nee, nee, misschien nieteens een boodschap. Wel een speciaal soort gevoel verwekken. Het gevoel dat hij koöpereren móest. De akkountant, zijn familie. Als van die kant 't voorstel werd ondersteund, tot oprichting der Snelle Kweekschool. Dan was 't goed! Europa met Europaas geld kon dan er niet omheen. En dan... ‘Vergeef het me, dat ik zo snel en resoluut over dit soort van dingen oordeel,’ zei Janki, met z'n vingers strijkend door zijn hoofdharen. ‘Ach, ik ben ook maar overzee daar opgevoed.’ Toen werd dat gesprek gesnejen door'n paar klanken die geen regelmaat leken te hebben. Want op straat, paar meters verder, werd gevecht gehouwen. Drie vrouwen, twee tegader, die een derde afrosten op straat. Dat ding ging weer daar, om een buitenmán. Zijn vrouwen, elkaar plukkend met agressie. Wie, wie zou ze wijzen op 't fatale van hun sittewaasie? Een opvoeder? Laat mensen niet in gorgellach uitbasteren! Met mars!, zonder één grasieGa naar voetnoot4!! | |
[pagina 211]
| |
(29)Gravin Guyave, zij kwam! Gravin Guyave, de Mulattinne, zoals mensen haar met soort van vrouwsverdubbeling aanduiding gaven. Een Mulattin was al een vrouwelijke halfbloed negerinne, halfbloed blanke, een mengwater, een bastaardesse. Zij was ook volbloed vrouw van wezen! Netals die rijpe peer waarnaar ze naam had: Goejaba: Guyave, rijp, pittig (dus vol echte pitten), en geel, soms roodachtig, ma' dan fo degenen die haar van binnen te zien kregen. Of wie d'r proefde: ze had smaak no k'ka! Kijk die guyave-perelijn langs lichaam vallen! Rondingen: ze had ze, baja! Chm! Dan kwam ze aandraven, Gravinne! Hoefde d'rzelf niet te mooien, kwam ook zo, fo Mevrouw, die Madam Igna, daar, bij 't grote Zorg & Hoop huis. Klinggggggg!! ‘Is mevrouw thuis?’ Die voorpoort open, binnenpoort (geen negerdeur, ma' breed en grootstatig) ook open. Een bediende komt d'r oog uitkijken. ‘W'is daar dan?’ met langgerekte letter w, aanplakkend tegen de gerekte i ook: ‘Wwwwwwiiiiss daar dang?’ Typische uitspraak van een ingeborene in 't land daar, met veel neusgeruis, eindigend met hoorbare g. ‘Mevrouw, iemand is bij dat poort aan 't staan!’ ‘Laat maar binnen, wil je?’ Als ze had gewouwen, hoefde ze niet! Bediende, om niet op verzoek te reageren! Dan kwam Malata, zoals mensen ook d'r noemden, Malata kwam binnen. Zij danste als vanzelf in d'r rok aan lichaam, zo'n natuurvorm van grasie had ze. Dan tegelijk, de waardigheid van een vorstinne, al was ze maar Gravin Guyave! ‘Hier, deze kant op!’ Dat huis was verder leegleeg, als een dooie kist, wachtend op lijk dat leefde langs de laatste strohalm van iemand, onder dokters handen laatste plukjes adem zaaiend: kijk zolang leven is, zolang ook hoop, dat doodkist weer kan opgeborgen worden, dat de groeisels van een leven, taai soort gras, niet uitdorren, niet omknakken, dat mens zelf, niet zal vergaan, een vrucht van mensenschoot... afèn afèn! Blakend van leven, die Gravin, geloosd door Mevrouw Igna naar de ruimten. Waar schoonheid aan haar, aan mevrouw daar, werd gekweekt. Mai was gaan inkoop maken bij een slagerij. Een van bediendes, ziek. | |
[pagina 212]
| |
Ander was net ontslagen, om dat mannen haar tot bij mevrouw d'r huis, daar op 't werk, waren komen fluiten: fffffjjjjwww! M'ma m'ma dag: midden op de dag dus! Als katten azend op d'r wijfjesdeel! Mevrouw moest er niet aan denken, aan zúlke beelden: dat een rondgeurend wijfjesdeel van zo'n bediendewijfje heel de buurt zou vullen, met aantrekking van man op straat: kijk ze, voorpoort staat vol, met grote grote tollies, staande klaar klaar, gezwollen koppen, scheurens toe gespannen, om hun zaad te spatspuwen als een soort van spetterregen, dwars door wind en zonneschijnsel, daarzo, wemelend fo de deur. Mannen, mannen, mannen! Al die inlanders, van wie in de blanke top gekonkeld werd, dat zij waren gebouwd als bomen: ‘Hé, heb je.... al een ....zó eentje gehad?’ Ondeugende gesprekken, bij de Mulattin thuis, van blanke officiersvrouwen, die schoonheid kwamen halen, háár mooimakerij en zo. Zelfs Frankie z'n vrouw kwam daarzo bij die Mulattin thuis, al leefden ze verder apart van iedereen, met oog alleen fo eigen heil. ‘Oh! Je bedoelt zo'n neger, met z'n kloten als kokosnoten?’ Gedurfde uitspraak! ‘Psssssttt!’ Ach! 't Was een spelletje van ze! Z'hadden hun kring, hun krans van deftige mevrouwen. Als ze onder elkaar waren, een paar maar, dan was 't genoeg. Een stuk beschaving viel soms weg, onthullend, ook fo die Gravin. Een titel die zij kreeg, van al die ‘mevrouwen’. Als zij d'r mond maar hield, naast d'r oren; ze werd betááld. Ze hoorde al die roddels, konkelarijen, aan. Wist van iedereen zowat alles, kwalen, goeïgheden. Zolang ze d'r mond in d'r gedaante maar hield, kon zij goed leven van hun geldbetaling. Daardoor, chm!, hoefde ze weer geen vaste man tot haarzelf toe te laten, zolang zij nie zelf wilde. Misschien daarom, in plaats van al die dure wijven, was juist zij begeerde buit. Die Mulattinne, Mulattesse! Malata-Oema, Vrouw Gravin Guyave! Dan deze mevrouw, Igna, mocht nietmeer komen bij d'r huis, al zei mevrouw zelf dat ze niets meer hebben wou van 't kransje. En wat stond deftigdoeneriger, dan zo'n schoonheidmaakster te laten kómen? Sérvies aan huis? En?! (Dat en zo neusklankvol weer uitgekraamd als engggg??) Meneer was ook d'r niet, natuurlijk. Na' buro, kantoor, offise, zoals dinges 't mooiste klonken. Pradon?, eh, pardon!, meneer is naar zijn.... offise! Of dat nou werkelijk zo was... Ach, mevrouw bekommerde zich niet, | |
[pagina 213]
| |
om Gerbers akties, als hij maar gedwee de deur uitging, na' 't ritueel van zijn ontbijten. Dan kon zij uitbesteden gaan. Of net zoals in dit geval, met een badruimte zitten en een kamer vol met geuren. Wachtend op schoonheidsaanbrenging van andere persoon, haar hand. Dan was nu Mulattin gekomen. ‘Wiesse?’ zo toen, begon mevrouw, tegen Gravin Guyave, die in werkelijkheid haar naam had in het echt, ‘Wiesse, o,..... ik word de laatste tijd, zo moe, zo moe!’ Ze liet d'r benen zichzelf strekken, Mevrouw Mann, handen geplaatst in handen van de Mulattin, die zorg d'rvoor nam, dat alle vuil weg werd gekrabd vanonder nagels enzovoort. ‘Ik ben zo moe!.... ahhhhh, móe van dit land! Van alles eigenlijk!’ Ze zweeg d'r hele mond vol tanden, inklusief d'r tong, die ze ook ongebruikt liet, om geen nèks te zeggen. Dan die Gravin, gewend aan dit soort dinges, die deel waren van 't praktizeren, liet d'r maar gaan. ‘Zo móe!’ Net of mevrouw, d'r stem wou horen weerkaatst in spiegel fo d'r daarzo. ‘En ik ben 't zat ook! Eerst die warmte elke dag! Je kan het je niet voorstellen: iemand als ik, met een hoofd vol herinneringen aan winters! Die warmte van hier, breekt je... maakt je lui en moe! Moe! Ja... eh... 't is natuurlijk wat anders, dan wanneer je inlander bent! ('t Leek of ze ekskuus zocht voor zo'n woord als luiheid. Luiheid van de inlanders, de koelies, blakamans, neger, hindoestaan, javaan, alles, inlander van geboorte, één potnat. Al hekelde d'r man die houding van ze, om geen vlot presteren, veel meer en konsekwenter als zij, ze kon 't met hem eens zijn, hoe was hoe!) Maar ik weet 't niet! Ik word er elke dag zo rood van! Kijk m'n huid eens! Als ik jou niet had, met al die heerlijke baden die je aanbeveelt, al die geheime sappen die een mens tegen de avond weer wat leven geven en die z'n geest tot een geheimenis verwekken, sochtends... waar zou ik moeten blijven?’ Ze zweeg een poosje. Adem reutelde uit d'r geopende mond. Die lippen aan die praatmond van iemand als zij, ze trokken scherpstrak. Wat zou weer komen dan? En? ‘Ik heb Madam Jeanette geproefd! Nooitmeer! Nooit en tenimmer!’ riep ze uit. Het ging om pepersoort, waar zij 't over had. Die Madam Jeanette, mooie, maar ook heetste peper. Een pepere peper, volgens inlandse mond. Gelukkig dat niet zij 't had aanbevolen, dacht de Mulattin. Mevrouw was al twee gedachte-tegels verder, op weg met wandeling | |
[pagina 214]
| |
door straten, daar in 't hoofd van d'r, met dat geprezen gladde haar, dat zou gewassen worden, dalek dalek. ‘Oh! Ik heb weer eens een brief gehad. Van wie dacht je? Van m'n kinderen! Ze hebben een prachtige zomer daar! Met veel behagen en plezier! De kindermeid is trouw en alles gaat goed met ze. Die kleine levensgenieters!’ Dat laatste zei ze, mond beweging gevend met een weinig elasticiteit, vol van jaloezie. ‘En wat doe ik hier? Ja! Niks eigenlijk! Recepties bezoeken. Praatjes maken met de kliek! Au! Pas op met die nagel, hij's een tikkeltje gebroken toen ik de klassiek chinese vaas omstootte bijna. Die, met al die afbeeldingen van paringen... je hebt 'em zeker gezien hè, vlak naast de trap met die driehoek en 't wapen van dit land erboven. Wat vond je ervan?’ D'r kwam geen antwoord vol van duidelijkheden. Dus mevrouw liet weer d'r adem rochelen; 't kwam blijkbaar door d'r vermoeidheid, óf doordat ze ietwat krom zat, bijna geforceerd. Een hele tijd scheen zo voorbij te vliegen, inklusief die mooigrote libelle fo dat raam, die binnen keek, met vleugels in de trilling. Dat insekt, bekeek vanuit z'n duizend ogen, 't interieur, met mensen daarin, bijna stil, met houding, lichaam in kleine beweging: 't moest fo de libel zijn gaan lijken, net ofdat zij kwam uit een kokon, mevrouw daarzo, ver achter ruit, schoonheden makend, daar aan huis. Mevrouw in doek gewrongen, met krèm op d'r gezicht. Terwijl libelle eensklaps was verdwenen. ‘Nou moet ik zeggen: 't is vermoeiend ook hoor! Eerst dat achterin zitten in de auto. In het begin is het leuk te zien: de kindertjes met dikke buikjes! De vrouwen, ondanks armoede met een overvloed aan kledij! En merkwaardig genoeg, zelfs de mannen! Vooral wanneer 't gaat om traditionele kledij waarin je ze zoveel ziet: ze bedekken bijna 't hele lichaam, vooral javaan en hindoestaan. Die negerinnen ook trouwens met... eh... hun koto! Ja, koto-misi zijn ze dan! Haha! Terwijl wij Europeanen op zo'n heet moment van de dag, de minste kledij trachten aan te houden. Schouders en hals in elk geval bloot. Wel netjes, maar toch... ik moet er niet aan denken! Die middeleeuwse gewaden! Wel een hoed op natuurlijk... kijk, ik heb daar die voor vandaag hangen. Vind je 't niet prachtig? Met die vóile ervoor?’ (Ze zei: vwail.) Alweer klonk een bevestigend geluid. Gravin Guyave was een goeie kenster van de mensengeest. 't Hoorde bij 't vak, ze meer te bieden, dan | |
[pagina 215]
| |
wat schoonheid als komfort alleen. Je liet ze praten... praten, maar niet over wezenlijke dingen. Anders moest je ze afkappen, vond ze, tenminste, doen alsof, zodat ze later geen wraak namen met verstoting, of inhouding van loon, omdat ze ‘teveel’ hadden gegeven. ‘Mijn man...’ ‘Mevrouw, uw haar valt hier en daar uit. U krijgt schilfers.’ ‘Ah! Ik bemerk dat je d'r bent nog, ja, doe maar wat ekstra eieren in de shampo. Of wordt 't bier vandaag? Ik moet die rijstpap-shampo niet hoor..... Net wat ik zei: mijn man...’ De zetel kreeg een duw na' voren. Mulattin deed d'r werk al te goed. ‘Wat maak je me nou? Oh! Ik zie het al. Ik zit veel te ongemakkelijk. Wacht! Pak dat kussen voor me.... goed zo!’ (Beneden hoorde je Mai zingen, teruggekeerde Mai, met Hindoelied.) Mevrouw, zij zelf begon, voorzichtig opnieuw een heel verhaal, over recepties en wie ze daar niet ontmoette. De officieren, charmant, maar toch zo opgeblazen. De ambtenaren, zonder één greintje fut, papieren mannen. De klowns: zij die niet blank waren, maar zich als blank gedroegen, onechte mensfiguren. De zwarte blanken, enkele die 't verder dan ver hadden geschopt! Ja, je kon ze op de gelakte nagels van een paar vingers tellen. De bizondere, zoals de hoofdkommandant, een werkelijk knappe figuur, de gouverneur, een lege man, opsmukkerig, maar ergens levend met zijn waarheden. Hij heette Curriesse, een naam van ver familie van haar, daar in Holland. Dan die topambtenaar, een Hoofdcommies, lid van Bestuurs Kollege, die ouwe Brummal! Een werkelijk ideale figuur, die zijn zes onderscheidingen van koloniënwege, zeer verdiend had, naar haar smaak. Ze vertelde over die bediende die ze had ontslagen. Uit voorzorg. Want een der Zorg & Hoop bewoners, blanken uit die villawijk, had meegemaakt dat ze ‘geloerd’, begluurd was door een knecht. In slaventijd zou die ongetwijfeld de ogen hebben verloren. Maar nu werd die bestraft met zes maanden suikerriet kappen. Een straf die ekonomisch ook iets leverde, vond ze. Alleen: 't zou háár niet gebeuren, merkte ze op. Met geen ínlander. Ze sprak die in van inlander zo uit, dat 't meer weg had van inboorling: savage, wilde. Dan toch: ze was zó gesteld op al die wilde smaak van kruiden, nee, niet in 't eten, maar de geuren van bloemen, nee asjeblieft, geen Madame Jeanette, die peper! Wel weer stroop van de markoesa, de | |
[pagina 216]
| |
zuurzak, zelfs gember, hoewel heet ook weer. En dan die nachten, zo zwoel, zo verleidelijk. Vanachter plantanen, die bakovebomen, en de bamboebossen, de grote rubberbomen van de burentuin! Oh! Mens, wat een natuurweelde. En toch: ‘Ik vind 't allemaal zo vermoeiend. Was ik maar een roman aan 't lezen, daar, in een of andere soirée, in plaats van -’ Ze dacht nu, aan de drummen, die ze hoorde, vaak, savens, van verder dan ver: wildheden van de imboorling, uitgeleefd in dat barbaarse gedoe! Wetten tot het verbod van al dat heidense gedoe, hadden 't niet kunnen stuiten, helaas. Ze waren diep zichzelf gebleven, vond ze, ondanks dat hoge onderwijs. En beschaving, hen zo liefderijk aangeboden! Ah! D'r man kon ervan praten. En ze begreep werkelijk niet, dat iemand, zoals Jan (trouwens, zijn vrouw, Floor ook, die hem in arbeid volgen moest,) zich bezig kon houden met lage kultuur! Ja, ze begreep het wel: het heidendom moest ook gekend! Om 't des te efficiënter te kunnen vernietigen. Na promotie, natuurlijk, van Jan op dezelfde stof. Maar toch, dat Jan en Floor hun negerbediendes dorsten aan te raken! Al gaf de huid niet af, 't had iets hoogst onbetamelijk, vond ze. Je moest alle kontakt met hun barbarendom vermijden. Kijk maar naar die blanke die 't had gedurfd, een negerin tot vrouw te nemen! Was op onverklaarbare wijze... onee!, vermoord! Nee, niet door de officiëlen, die zelf zoveel negermensen als maitresses hadden! Voor zover je dat kon dulden, als uiting van pure hartstocht. Maar dat men zo eentje tot vrouw kon nemen? Bah! Ze zag als het ware een zwart gat, toen ze even ópbukte, naar buiten ziend, hoe tuinman Alex net voorover stond. Met z'n uit driekwartspijp uitstekende sterke mannebenen, vol met van dat taaie draaikolkig krullerige haar. En daaronder, zijn stevige spierkuiten. Ze walgde even, zakte weg in stoel. Die ene blanke man, was zeker weer het slachtoffer van een of andere rituele moord. Schandalig, vond ze. Schandalig, zeker, ja, jawel! En hoogst onbetamelijk, nietwaar? Poeh! Bwwwah!! Al die tijd zo dan, deed die Mulattin haar best weer. Zij, zelf schóón figurant in 't spel dat leven heette, gaf de ander schoonheid. Ze deed haar werk, en verdween. | |
[pagina 217]
| |
Dan later, toen dat meneer was thuis gekomen en ze hadden gegeten, kreeg men ruzie, meneer en mevrouw. Mevrouw was niet weg gaan gaan, ma' had die andere bediende na' de markt gestuurd. En bij 't dessert, van na het eten, was een nieuwe vrucht, die meneer nie gewend was te eten. Heerlijk, zoals hij later zei, dat wel. Ma' waarom niet zoals gebruikelijk, bananen (bakoven, zeiden inlanders), of papajavrucht? Of sinaasappel, misschien schaars in deze tijd, of ander gewoon vertrouwd soort fruit? Dachten ze dat hij als Europeaan al die dingen ging vreten die zijzelf netals de mieren plachten op te peuzelen, soms met bast en al? Wáárom geen geselekteerd fruit? Waarom die op een peer lijkende vrucht? Oooohhhhh! 't Was guyave! Een vrucht vol pitten, dat wel ja. Of hij 't lekker had gevonden? Ja, dat wel ja. Heerlijk zelfs! Ma' één ding, daarom ruzie ook: hij had die vrucht al ingebeten. Een hap genomen dus, en terwijl hij in de ene helft kauwde, zag hij tot zijn immense schrik, hoe uit de andere helft een larve kroop. Zo'n dikke! Godgansverschrikkelijk! Zulks, zo klaagde hij, kon nooit en te nimmer mán als hij daar overkomen, wanneer je 't hield bij een banaan of sinaasappel. Maar dit! Dit? Vrucht, mooi ma' bedorven! Met z'n verschrikkelijk geurend aroma? Des te verraderlijker fruit! ‘Weg met dat ding!’ zo schreeuwde hij, terwijl Mai rende, bijna viel om knie te breken. Dan, hij stond op, net niet met vol gevoel van zijn bevrediging. ‘Zal ik ander fruit laten brengen? Ja, kijk: ik ben zelf niet naar de markt geweest... trouwens... ik koop 't fruit bij een speciale zaak... eh... ik had..’ Meer hoefde ze te zeggen, niet. Koffie wou hij, gans Europeesche koffie! Niets liever, dan te gieten door zijn keel, iets wat al eeuwen hem als Europeaan vertrouwd was. En dat wás hij, Masra Meneer Professor Gerber Mann, dienaar des Vaderlands in Tropendeel van 't Koloniale Rijk waarvan ze zeiden dat 't binnenkort moest worden Koninkrijk. |
|