Jeje disi/Karakter's krachten
(1980)–Edgar Cairo–
[pagina 150]
| |
Hoofdstuk zes(22)Maandagochtend. Waterkant. Aan de rechterkant van de straat worden enige historische gebouwen afgebroken. Enig protest steekt op, bij de menigte en onder die arbeiders, daarzo. Onder die arbeiders, vanwege de koele vroegte, vroege aanpak, ondanks nu het nauwelijks licht is. Bij de kleine menigte, die uit voorzorg aan die andere kant van de weg blijft staan, protestkreten om de verdwijnende schoonheid van dat gebouw. Die ouwe gevel... Dat ouwe balkon... Die hooghoge stoep, aan weerszijden kunstig na' voren gedraaid, waardoor de bouw alleen al, een uitnodiging inhoudt tot het opklimmen ervan. Enkele stoepzitters geven geweldig hard protest. Hier is een stukje van hun lands historie bezig te verdwijnen. Die historie van dat zitten kijken ook, na' wat er reilt en zeilt over de Srananliba, de Suriname-rivier, daar met z'n brede golfslag aan de overkant. Korjalen... Bauxietschepen... Passasjiers die juichend 't land verlaten... D'r gaat een nieuwe bank komen, daar, op die plaats waar nu wordt afgebroken. Ontwikkelingsbank, zeggen ze. Of - iets van Suralco. Niemand weet dat ding precies. Alleen de voorman misschien. Ma' die heeft geen tijd om uit te leggen. D'r wordt gewerkt met het premie-systeem. Reden waarom hij aanmaant tot: ‘Oen wroko! Ef noso pai n'o sari!’ Werken, of anders niet genoeg poen in de broekzak op fortnightGa naar voetnoot1 bij uitbetaling! Wie meer werkt, meer zwoegt, krijgt méér! Een van die arbeiders heft lied aan, uit z'n keelhol: A ponke dandawe....!
Pont(boot) in aantocht!
| |
[pagina 151]
| |
De anderen roepen fluks, met hun geroerde stemkracht: Awe! Awi!
Awe! Awi!
A wan' an'o!
Weer de aanhef, met daarop het spontane koor dat aan de arbeid tuigt. Bekende kreten, zeker daar, aan de Waterkant, waar vroeger die pontboten met hun platte bodem van die verliggende plantaasjes hun produkten - volgestouwd - aanvoerden. Aan wal, verkenners, die vervolgens vlug, die boodschap van boots arriveren rond schreeuwden en riepen om assistentie. Daarna de zich verzamelende menigte..., die kopers..., een blijde verwelkoming der plantaasjeschepen. Dan arbeid van het lossen, door de slaven aan wal, met een geweldig soort van levensblijheid tegemoet getreden: Oponke dandawe! Awe! Awi! Awe! Awi.........! Schallende kreten! Ditmaal nietmeer van de pontverbeiders! De aandacht heeft zichzelf gekeerd, naar een stinkvogel! Vogel die daar, op zoek na' aangespoelde rotzooi, door een vliegende schotel is getroffen. Vliegende schotel, plat stukje keisteen, door een jongensarm in z'n baan gebracht. De ondeugd van een spijbelaar! Vogel maakt op de golven z'n wanhopige bewegingen en zinkt. Er spelen zich wilde taferelen af, wanneer diezelfde vogel afgaat op 't af gehakte hoofd van een neger, die daar aan de waterkant, op een bamboestok staat gestoken! De beul lacht zeer tevreden: hij krijgt ekstra een rantsoen. De blanke kolonisten, al of niet wandelend met hunne dochteren, stam met genoegen in hun ooggaten te kijken. Op die grond daar, sporen van het houten kruis, waarop die nikker eerst geradbraakt is. Met een ijzeren staaf zijn gebeente aan stukken geslagen, terwijl hij zijn lippen opeen perst: hij zal niet zeggen waar zijn kameraden zijn. Jij, die opstandelingen, Marrons, die weglopers, die geboren zonen van Cham de Zwarte Jood! Er zal geweeklaag zijn en geknars van tanden.... Echter: niet bij dezen! Zij, zonen van Afrika, zuchten niet, kermen niet! Slaan alleen de ogen op en draaien d'rmee, verachtelijk de beul en zijn opdrachtgever aankijkend. | |
[pagina 152]
| |
‘Fon! Bassia! Fon!’ De opdracht tot het martelen, in zijn echo en herhaling, die door de tijden heen weerkaatst wordt! Echo die niet overstemd wordt, door de stemmen van die nèksdoeners daar, elke ochtend, in hun tori! ‘Ke! Masra! Ke!’ Het heeft iets van een smeekbede! De ene man, daar aan de Waterkant, hij lacht. Terwijl, die andere geeft zijn kommentaar: ‘Ke! Ach! Wat zijn wij, negers, wreed!’ Hij zegt dat, om de kleine spijbelaar die hij daarnet een klap tegen de kop trachtte te geven. Om het doden van die stinkvogel. Terwijl hij nieteens weet, hoe 't komt, dat daar altijd zoveel stinkvogels hebben rondgezeten. Altijd, - niet altíjd! Maar, áltijd, voor sínds zij werden aangetrokken, aangevoed, door stukgemarteld negervlees... De twee ouden van dagen in hun ochtendwandeling, driftig kwebbelend hun tori sprekend aan mond. Over hun dromen, laaste nacht! Over hun gang na' de bedelingGa naar voetnoot3, gisteren, eergister. Awe! Awi! Over hun fantasie! ‘Man! Hoor hier dan!’ zegt die ene. Bij hem, de woorden uitgesproken met dikke klanken: m-a-n-g, o-o-r i-e-r d-a-n-g! Het ene slikt hij in. Het andere dikt hij aan, halfsprekend door de neus. Een echte volksneger, lachend om zijn status van Waterkant-leegloop-Janus met buikvullend verhaalschat. Kijk, zijn trekbanden houden zijn broek omhoog, ma' zo, dat er een brede kof over zijn lang gesloopte schoenen heenslobbert. Zijn hoed schuins op zijn haardak. Achter zijn ene oor een potlood: schrijnwerker moet hij geweest zijn. Specialist in dooiekisten! Platte, wel te verstaan, van armelingen die geen hoge kist betalen kunnen. Ma' die dan ook hun lijkenneus krijgen platgeperst met dat deksel van die dooie kist. Vandaar dat hij zo zelf half uit zijn neus spreekt!, no? Baja! Die andere, een geboren luisteraar, van wie z'n mond krom staat, in de ene hoek dóórgetrokken na' het oor van 'em, alsof hij achterwaarts uit z'n baarmoeder is gekropen! Alsof de maan hem heeft beschenen tijdens een vrijersnacht! Alsof de duivel hem een klap gegeven heeft! Alsof hij is bewiestGa naar voetnoot4 om zijn gouden tanden, die nu op een rijtje ongehinderd blinken, door zijn lippen, als uit een geopend sardienblikje! Ach! Je hebt genoeg redenen te vinden, wáárom iemand als hij, krom staat of met scheefte gaat. Want het volk, de volksmond, weet het best en beter! Maar nu hij daar praat.... Luister! | |
[pagina 153]
| |
‘Ik Kwaku! Is Bochtesnijer roepen ze me no? Ik zeg je! In die tijd maakten ze geen grappen met je, zoals met die jongemensen nu! Wie schopt je?! Ze zouden je krombóeien!, zodat je scheef en kreupel groeide! Ze kortten je been fo je, laat je nóóitmeer je gang gaan! Als je je handen tegen je meester durfde op te heffen, (zoals ik die vrijpostige jeugd tegenwoordig eerbiedloos zie maken tegenover ons, ouderdomgezegenden,) dan was je je gehele arm levenslang kwijt! Ze brandden je gat voor je! Ma' tegenwoordig... nee!’ ‘Ach! Laat die tori's!’ mompelde een ander. ‘Dat zijn elke-dag-dinges! Vertel ons liever iets wat ons die gruweltijd voorbij laat gaan!’ ‘Fanmorgen proefde me hostie nie goed lekker!’ zei een kerkrat, die inmiddels was aangekropen. ‘Dus zeg, vertel iets, laat me dag toch goed worden!’ Aldus gevraagd aan Bochtesnijer. Ouwemans gekuch. Zitbank aan de Waterkant daarzo, was nu dan volgezeten. Na die ochtendsirene was alle voorbijgaande dnikte bekoeld. Tegenover deze zitbank, staande, een ouwe papá. Hij, vertellend, zoals dagelijks zijn geval was. Zijn mamantentori, ochtendverhaal, verhalend. Fo die luistermensen, oud, versleten, was hij net een soort van dagelijks brood. Je wist niet wat ging komen die dag. Of je wel goed je buik vol kreeg! Met z'n tori! Of je de ochtend daarop weer daar verschijnen zou. (‘Tan! Waar is Cornelju?’ ‘Hij is in den Heer ontgaan, baja!’ Eentje dood. ‘Ke, porti, ke!’ Een weggepinkte traan. En verder! Verder pratend tijd bezwerend! Verder luisterend reeds nu ‘ontgaand’ aan dit leven! Met luisteren na' al die tori's...) ‘Ija! Me mensen! Dan zoals ik zeg: hier aan deze zelfde Waterkant hier.... Nee! Ik wil nie zitten! Danki danki! Me wandelparaplu is stevig om te rusten op 't! En eh... ik moet me mense die me hore kunne zien toch, by time!’ Hij stond daar, wankelend, met steunen op zijn wandelstok, die ooit inderdaad een paraplu was, maar nu van baleinen en paraplugoed ontplukt. Alleen stok met handvat, in die grond onder z'n voet gepriemd, fo wat levendige standvastigheid. Eensklaps roept hij, meer dan mondig: Mama dí meki m'ooo...!
San di de kon de?
Moedertje lief! (die mij baarde!)
Wat komt daar aan?
| |
[pagina 154]
| |
Hij, verteller, met verbazing, hand vlak, fo z'n ooggat, starend naar de verte, na' dat goeveneurshuis. Dan weer, hoorde een oor 'em zang geven: Aloefroegengen loi e!
Aloefroegengen loi ba!
De ‘roffelklok’ heeft geluid!
O, de roffelklok heeft geluid!
Dan zeg ik je! In die tijd geen torenklok, ma' klokgeroffel van de drummannen! Elke dag militairen, trekkende door de stad! Om zes uur precies, met zonsneergang! En owee jij daar als neger! Als je onderweg was aan 't lopen, zonder permissie van je meester, meesteres!, masra of misi! Of zonder manumissie, die brief, die je moest hebben om te laten zien, dat je was vrijgekocht! Je hoofd ging d'raf met wegsnijen! Ik sweer fo je! Dáárom! Wat krante vandaag zegge, over slaaftijd is nie nieuw......!’ ‘No dwale! Joe a no skapoe!’ (Dwaal niet af! Je bent geen schaap!) kwam het snelle verwijt. Waarna vertelman: ‘Goed! Is goed! Ik was gekomen tot... die manumissie! Eh, ja!’ Daar zong hij weer, luider dan Spaanse lier die net gitaar tiktokkelde: Baja, san de kon de o!
Na oedoe ferfi ba!
Lediledi-oema!
A ke, mi Aloefroe Djani-o!
A no pikadoe!
A no pikadoe!
Na soetadoe! Na soetad'o,
mama di meki mi-e.....!
Wel! Wat daar aankomt...!
Ze is door hout(verf) geverfd!
Roodgeverfde vrouw!
Owee! mijn Roffel-Janus!
Geen bloedschande!
Geen bloedschande!
(beging zij) maar hoerendaad!
Moedertjelief!
Na deze voorzang, vóór het eigenlijk verhaal, begon hij, met te zeggen: ‘Dan in die tijd moesten negerinnen hoeren voor hun meester! En als ze hoerden, werden ze vaak ziek van scheepsmatrosi! Dan werden ze aan hun nek gebonden aan een koeietouw. Iemand, met touw in hand, achter ze, duwde ze naar de savanne, met een gevorkte tak achter! Ze werden roodgeverfd, rood hun lijf en lichaam, helemaal! Je denkt is spot?! En ze mochten nooit meer terug komen....’ | |
[pagina 155]
| |
‘Wat?! Huil niet!’ Een van die oude mannetjes barstte met tranen los. Hij kon nie met 't aanhoren van dat ding. Verwijten! Vertelman kreeg ze! Het was toch niet bedoeld, hun laaste dagen te bederven?! Al deze tori's, die ze hun leven lang hadden gehoord! En nu ze zelf in zo'n verstoten situatie verkeerden! Dan moesten ze wéér horen, over die verstoten mensen. Lang terug en nu, zelfde situasie! ‘Nono ba! Nono! A no kan!’ Het kon en mocht niet! Er moest dadelijk iets vrolijks komen, fo deze ochtendclan. Nunu! Voordat hun dag stuk ging, kapot. Snel een opwekkend lied gezongen: Kongo na Aljans'o!
Kongo borgoe!
Kongo na Aljans'o!
Kongo borgoe!
Den oema foe Aljans'o,
den no lobi kontanti-o!
Kongo na Aljansi,
kongo borgoe!
Kom mee
naar (plantaasje) Alliance!
Kom mee naar Alliance
en doe 't daar op krediet
De meiden van Alliance,
ze eisen geen kontant geld
voor hun (lijfelijke) diensten!
O, kom naar Alliance,
en doe 't op krediet!
Gelach! Die ouwe Bochtesnijer slingerde heen en weer, in een poging zijn fiefheid, te staan bewijzen met gedans. Hij had daarbij zijn wandelstok in de lucht gestoken, alsof hij omhoog priemde. Zijn blote voet in het gras, met draaitenen. Broekspijpen, broekvoet dus, opgerold. Een wit hemd aan z'n bast, met armhouders, die die mouwen van boven, een beetje deden poffen. Das dansent rondom z'n nekrondte! ‘O! Die meiden van Alliance....!’ Handen begerig grijpend naar niets.... niets dan gebeef.... flauw herlevende bronst.... Op die bank, de gewekte vrolijkheid: ‘Ga door! Baja! Hang ons niet halverwege buitenboord, baja! Vertel! Vertel een Anansi-tori!’ Die ouwe plansoen! Hij jeukt zijn baard. Stemgekraak komend uit geplooide wangen. Dat ding lijkt of hij uit 't leven is geblust. Maakt net, | |
[pagina 156]
| |
ofdat hij wil gaan zitten. Of hij z'n bil gaat zetten op die rustbank. ‘Ke porti!’ zuchten die anderen. ‘Hij kan niemeer baja!’ Ma' dat is zíjn bedrog aan grootje! Want hij veert op! Hoor wat hij te smoelzeggen heeft!:
(weer volgt dan een intro-liedje:) A taki, boi Anansi moi en gangan!
Boi Anansi moi en gangan!
Boi Anansi moi en ganggan, t'o...!
Aaj, boi Anansi moi en gangan: hoe kleine Anansi, de Spin, z'n grootje mooi te pakken krijgt! Ba Anansi gaat een goeie dag na' zijn Gangan, zijn grootje. Hij zegt: ‘Gangan woi!, wat ben je móoi!, ma' je bent óud!, dus..... spoedig ga je lijk zijn, fo de stinkvogel!’ Dan vraagt hij met een plotselinge mond: ‘Wat is je koni?’ Hoor wat die Gangan zegt no: ‘Ieder grootmens, heeft een koni, die hij heeft! Mijn koni, is mijn magische geheim! Anansi, luister!, .....donder op, voordat ik je een elleboogslag sla!’ Ma' hoor Anansi, hoe hij verder fo zijn zaak probeert: ‘Gangan, me grootje, 'kheb gedroomd! Ik heb gedroomd.... (Gangan schrikt één schrik!).... dat ze één groot gat waren aan 't graven, fo je lijk!’ Hoor Gangan van Anansi: ‘Woi! Dan ga ik spoedig lijk zijn, dóód van lichaam! Kom, ik ga je me “koni”, me magische geheim vertellen!’ Dan stopt ze met 't zeggen, begint weer met een maar. ‘Ma' ik ga je me geheim vertellen, fo de helft zoals onder ons die gewoonte is!’
Ah! Weer die singi, liedje hier: Woi! woi! woi!
Boi Anansi moi en gangan, t'o...!
Gangan zegt: ‘Luister hier, Anansi! Ik ga je me geheim geven, in deze vorm van een odo, spreekwoord! De helft van me koni, zegt: Lobi no pai, | |
[pagina 157]
| |
ma' moni tja lobi! Ija, me jonge!, verklaart ze: Liefde loonde niet, ma' met de komst van geld, kwam ook de liefde! Anansi bóós! Hij weet, ma' weet nèks! Hij kent de helft van die koni, in de vorm van dat spreekwoord. Ma' hij weet nie wat 't in de werkelijkheid wil zeggen. Hij zit, hij denkt, hij breekt zijn hoofd met prakkezeren.... totdat hij zijn gedachte fo je krijgt! Aaj! Oplossing fo dat raadsel gaat hij weten! Dan wat doet Anansi? Tan! Tan! Tan! Tan!, hij blijft die hele dag zo, rustig... totdat hij opeens muziek begint te spelen. Dan voor je denkt, krijgt Anansi winti: een geest bevliegt zijn hoofd! Dat is die geest die in Anansi komt, die geest van Anansi z'n dooie grootvader!, Anansi z'n Tata! Dan praat Anansi, met die stem van z'n dooie grootvader (jorka!) door z'n eigen neus. Gangan schrikt! San? Ze heeft toch nèks verkeerds gedaan, wat de wereld van het Donker onbehaaglijk is? Nee! Granp'pa z'n geest, begint. Hij maakt Gangan z'n donkere verwijt! Dat ze die ene helft nie moest geven, aan Anansi, die ene helft van dat geheim. Hoor die granp'pa z'n geest, pratend door die mond van Anansi: ‘Gangan! Wáárom heb je die jongen dat geheim gegeven? Weet je niet, dat hij is schurk?!’ Gangan schrikt d'r schrik! Ze denkt dat die echte geest van Anansi's grootvader daarzo is. Dan roept ze: ‘Nee! Ik heb 'em nie gezegd! Baja, wees nie kwaad, o jorkageeste, vol van overledenheid! Hij gaat nie weten, dat ik jou, z'n granp'pa, vroegertijd heb vrijgekocht als slaaf! Hij gaat nie weten hoeveel centen je weer hebt verdiend fo me! Hij gaat nie weten ook, noch met verstand daar aan z'n hoofd, noch met idee, dat ik al die vele centen heb bewaard, daarzo, onder me strokussen; strokussen die ik draag, achter me rug, onder me jakje!’ Dan, om gesprek daar, dicht te maken, te besluiten, roept ze diep in d'r ontzetting: ‘Baja, blijf goed in dodenland! Mijn liefde fo je, loonde eerstens niet! Ma' later kwam met geld van jouw kant ook de liefde! Rust en blijf goed, hòr!’ Al die tijd..... woi! woi! woi! boi Anansi... hij houdt z'n Gangan fo de gek! Hij's nie bezeten met een geest! Owie?! Nie hij! Hij's helderder dan heldermaan bij z'n hoofd! Volgende dag, met dag en dauw op slofjes van z'n Gangan, als ze wakker wordt: ze schreeuwt één schreeuw! Hoor Gangan! ‘Anansi! Kom hier! Míjn god! Iemand zo, heeft me geld gestolen.....’ | |
[pagina 158]
| |
Anansi komt, hij maakt z'n mond open, (meer open dan een geheim dat is geopenbaard!) Hij roept: ‘Gangan! Ik heb weer gedroomd!’ San? Gangan schrikt d'r schrikken weer! Anansi zegt: ‘Gangan! Die tweede helf van me droom van gister! Ik heb fo je geluk gedroomd! Ik heb gedroomd: me Tata, me grootvader zo, is gekomen met die geest van 'em. Dan heeft die geest een stuk met stro genomen van je jakje. Dan heeft die geest 't in een grootgroot gat gezet! Geest van Tata, me granp'pa, heeft dat gat weer dicht gemaakt! Dus: gangan! Lach met me! Wees blij no? Dat gat was wel gegraven, ma' 't was nie fo jou! Jij gaat dus lange lange leven......!’ Ah! Dan daarzo, aan de waterkant! Hoor hoe ze lachen om die tori! Schatergeluid en schaterend gezicht! Baja!, dit leven kent z'n lekkernijen: óók een halve oplossing van de magie die je moet hebben om te blijven ademhalen, no?! Plezier was echt je halve leven! ‘Aaj!, aji!’ riep een der ouwe rokdames in koto, ‘één van me kleinkleinkinders is precíes zoals Anansi!’ Weer lachen daar, en groter schreeuwlach zelfs bijna. Stinkvogel, ietsje verderop, 't vluchtte! Daar was teveel leven en levendigheid, die het doodse van verdriet verdreef! ‘Zo! Die zon wordt heet nu! Ik ga me voet oplichten!’ Een ouwe frodjadjabasja, zo'n voddenraper, die uit vuilnisbakken eet, hij staat met z'n voddenlichaam op. Net wankelende Luchtverteerder! Kijk hoe hij z'n gang daar gaat, voetstaps, om zelfs z'n eigen gang te kunnen overleven! Honger, 't drijft z'n buik na' verten op! ‘Goedoe, blijf goed hoor!’ Weer een ander maakt z'n weg. Anderen blijven even in kroet'kroetoe: gekibbel om lawaai van overkant. Ach, die werkers aan de nieuwe tijd. Wáárom zo vroeg met zoveel druktes? Genoeg was al, dat neger had tijd gevonden om te kunnen oud worden, is zo werd geoordeeld. Dit? Dat zwoegen daar? Was nieuwe slaafbestaan, vonden die ouwe tori-praters! Laa'n ze kijken, die jongemannen daar, met hun gezwoeg, om zelfs maar een hoge leeftijd te staan halen! Laat staan om eerbiedwaardig te worden: gelouterd door het leven, zoals zij! ‘...ija! Ija... mi goedoe! Blijf goed hoor...! Loop goed!’ Bochtesnijer, met z'n wandelparaplu. Hij laat zijn benen daar onder zijn buik, opstaan. Hij gaat zijn wegen gaan bewandelen, zoals het door Den Here hem gegeven is. Ach, ach, dit ouwe leven, onder aanzicht van de zonneschijn! Baja! Wat kon een mens doen dan? Ach! Keek na' z'n twee paar bedelcenten. | |
[pagina 159]
| |
Met krakende gebeenderte en kromte die 'em bijna kroek, laat hij zijn voeten lopen, helemaal hun gang gaand. ‘Kado pres mi!’, roept hij om 's Heren zegen. Een gouden ochtend no?, enkel door zijn verhalen. Leven, plezier was zelfs héél het leven, heelheel levensgeheim. | |
(23)Mai, in de vroege morgenvroeg, zong lied. Zij leek geboren wordend met het gloren. Plantaasjewind waaide aan haar. Zij leek een ander als de nacht daarvoor, zowel vrouw Mai, als vrouwe Luna: Licht. Vanuit die geborgenheid van de verte... Zij verliet haar gebroken huisje, daar op 't perceel. D'r man was boer. Met zeven kinderen, sommige op school gaand, sommige grond plantend, leefden zij. Het gewone bestaan van een half jaar onder water, half jaar droog. Nunu, was droog, geen natte tijd. Met voeten die als kenmerk de schraalheid van de Droge Tijd hadden (een droge huid en veel koendoe koendoe: voet knoestig) brak zij de aarde. Droge modderkluit vloog als een grijsbruine stoeistof omhoog. Die struiken ritseldroog. ‘Nemeste, majja!’ Ze kreeg d'r groet, ze gaf d'r groet. Een paar plattelandsgenoten, haasten hun schoen aan voet voorbij. Schoen zonder veter. Schoen ook zonder glans. Ach, wat wou een werkmansvoet? Als geen slang je maar beet gaf, op weg na' je werk, jij gaande. Voet mocht buitendien blij zijn, dat voet had schoene! Al was schoen schots en scheefs! Schoen werd gedragen, tót schoens uiterste bestaan! Die sika's, zandvlooien, deden hun aanval. (‘Laat ze! Als ze nie weten dat een mens heeft langer z'n bestaan dan grote vlooi, dan kleine vlooi! Mens z'n leven is geen sika's leven! Al moet een mens tien sika's hebben aan z'n voetvingers: hij leeft langer dan ze; ma' sika's zonder mens z'n voet... ze gaan dood van honger om mens z'n bloed! Hatjah!’) Een soort van denken die je voetkrampen en alle andere aanslagen, konsakaGa naar voetnoot1 in de | |
[pagina 160]
| |
regentijd niet te vergeten, deed overleven. Dan kwam ze nu, van zandgedeelte, op gebroken asfaltstraat. Dat was zes kilometer verder. Zon daar, gooide de dag open, met brandingen van licht, in stormkaders gehuld, die aanval deden op 't oog. Ontluiking van de weelde die het zien was... ach, 't was fo Mai geen powesie! Om vijf uur al, zo vroeg vroeg, op te staan. (‘HikGa naar voetnoot2 zeven uur werk zijn!’ zei ze, om de tijd van zeven uur dat ze op haar werk moest arriveren.) Dan kwam een skrankigeGa naar voetnoot3 bus voortrijden: een soort van snelijzer op snelle wiel. Sneltuig die mensen meenam fo wat geld. Dat geld, dat ze nie had fo bus. Dus vijf kwartier lang lopen na' d'r werk. D'r hele buik leek te gorgelen, wanneer dat ze aankwam, daar, bij meneer en mevrouw Mann. Geen tijd tot klagen, Mai! Want koffie moest gaan klaarmaken, fo ontbijt. Zij was tenslotte etensklaarmaakvrouw. Niewaar? Kreeg d'r betaling. Dan hoe vaak niet, nu weer, zo, moest ze horen van die bussjaffeur, (omdat ze nie meereed,) dat ze was een vervloekte tjamaar! Tjamaar: de laagste der kasten, onaanraakbare! Ze schold nieteens terug. Ach, als ze dat moest doen, daar, lopend in die lange plooirok van d'r, met d'r zilverboei aan voet, een bloes met lange mouw, een sluier op d'r hoofd met mooie kantrand, terwijl zonlicht haar begluurde. Zonlicht, de enig goeie buur uit stad. Van verre opvang plegend..... voor de verdiening van het dagelijkse brood van rijst, met toespijs: dahl, bhaat, chatni.... Mevrouw was boos om d'r telaat komen vandaag. Ach dat drupje regen! 't Had nog nieteens vijf minuut geregend, vond mevrouw. Weliswaar zwaar, maar dat was dit tropendom z'n last, niet de hare. En dat Mai nat geworden was: ze moest maar eens een ekstra stel kleren aanschaffen. Ze hadden toch een bediendekamer? Nou dan! Mevrouw kon geen begrip vatten, fo 't feit dat Mai niet bij die negerinnen, andere bediendes wou gaan zitten. Andere manieren? Ach, kom! Ze kon geen nèks begrijpen van een andere kultuur. Dat immigranten nog tè vers waren daarzo, om met die anderen te bemoeien. Dat wantrouwen kon men, vond ze, toch echt niet zover blijven drijven dat... rrrringggg! Bel schelde. Sisi, die ene negerin! Ook al telaat. Verdomme! ‘Sisi, ik zal je op deze manier moeten ontslaan!’ | |
[pagina 161]
| |
‘Nee Ifrow!’ ‘Wat nee mevrouw? Ben jij de baas of ik?’ ‘Is nie dát meen ik, Ifrow!’ Ze boog, een kniebuiging. Haalde d'r hoofddoek van d'r hoofd om 't te kijken. Iets scheelde d'raan. 't Had ook tekenen van haastig in model binden. ‘Ik meen: ik heb een reden fo vandaag, Ifrow. Als Ifrow wil horen...’ ‘Nou! Vertel mij wat! Ik heb absoluut niets te maken met dat leven van jullie thuis! Dit is míjn huis, waar iedereen die hier werkt optijd behoort te zijn, begrepen?’ ‘Ija, Ifrow!’ ‘Hatjah!’ Mevrouw kankerde nog door, wie weet, had Anansi d'r in d'r slaap op een slechte manier gekietteldGa naar voetnoot4, want ze leek van plan! Kwaaier als kwaaier worden. Had helemaal geen ‘umeur’ vandaag. En leek 't niet te zullen krijgen, ondanks spettering van zonlicht langs dat raam daar, groot, niet open. ‘Verdorie!’ riep ze, rood wordend van bui, d'r hele aangezicht leek brullerige bamboebosaapwijfje. ‘Verdorie! En dan te bedenken dat ik zowat als beste van dit land mijn bedienden betaal! Daar wil ik echt wat voor terug hebben!’ Meneer kwam netjes na' beneden. Hij had dat deel van 't huis, boven een heuvel, verlaten. Daar, bij boven, waar slaapkamers waren, en balkondeel ook van ze met ekstra woon/losjeerruim van de gastmensen, wanneer ze kwamen. Daalde zichzelf van die trap. Kijk 'em: twee godheden van goeveneurs konden nie met 'em wedden, zo gewichtig. ‘Wat is er aan de hand hier?’ vroeg hij. Hij snoof z'n neus, zónder die koffiereuk van elke dag, te vangen in 't. Bediendes keken, vooral Mai. Ze maakte hasti hasti al iets klaar voor 'em. Dan nu... ‘Wees toch niet zo benauwd!’ zei hij, heel opeens ongewoon fo zijn doen. Meestal zo, zij hij nèks nèks vóór hij één slorp koffie had gedronken. Dan nu... Ze wierp de blik van d'r hoofd omhoog, (omkijkend als zij was,) vanuit d'r oog met z'n optiek, die 'n mens bewust 't bestaan moet doen ervaren. Keek, hoger dan hoofd van 'em, daar waar hij was aan 't staan. Zag toch!: die trapbovenste, gemarkeerd met driehoek. Die driehoek, | |
[pagina 162]
| |
binnen in dat huis, het wapen van het goeveneurspaleis daarin nageaapt. Bij het goeveneurspaleis zelf, daar op 't Oranjeplein, stond 't wapen buiten aan de gevel. Hierzo, hier stond 't, door de vorige bewoner aangebracht, in huis. Een soort verborgen eerbetoon aan zichzelf. Met die gedachte: ‘Wij van de blanke top hier, vormen de werkelijke macht. Als Zijne Excellentie wil, kan hij 't komen verwijderen, haha!’ Net zoals altijd met de planters 't geval geweest was: de werkelijke macht bij onderdanen. De goeveneur slechts... uniform. Parade afnemend van 't apenvolk. Bij onlust door hen belaagd. En verder? Verder niets geen moer van moer z'n wezensdeel! Geen nèks dus! Nèks anders dan leegte van betekenis. De goeveneur als speelpop der kolonie! Hier stond Mann. En hij had 't voor 't zeggen. Basta! meneer kwam kalm zijn trap af tredend. Hij liep, vouw aan z'n broek, schoen aan z'n voet, z'n koffietafel tegemoet. Mevrouw slikte d'r ochtendwoorden in. Wacht! Later toch, wanneer meneer weg was! Maar toen ook Min, sjaffeur, iets telaat kwam, begon hij ook met z'n tiererij. Wat een land! Een volk zonder tijdsbesef! Om te vervloeken bijna! Meneer had zelf ook andere reden tot 't op na houden van kwaadheid. Als je nam, dat hij, ondanks grote slok met drank, zo slecht had liggen slapen. Dan kijk 'em, verroert die koffie met langzame hand, geheel gekleed en wel, zitten wachtend, nee, wensend geen ontbijt vandaag. ‘Ignatia?’ 't Was die nacht d'rvoor, met duisterheid aan hemel, duistere gedachte in z'n ziel om wat moest komen. ‘Ja Gerber?’ Een opgevrolijkte zucht, achter dat halve gordijn waarachter ze stond met d'r haar te kammen. Zijn stem had ongewone klank. ‘Ik... ik wil niet meer dat jij daarbij die Mulattin over de vloer komt!’ ‘Hm?’ Ze liet 't haar van d'r kapsel, even langs d'r oor daar schieten. Ah! De Mulattin! Wonend binnen haar dwarsstraat, waarin die Min, d'r sjaffeur, zo slecht kon parkeren. Parkeerde altijd net een straatje verder. Mulattin die d'r was aangeprezen, door een even gedistingeerde vrouw als zij, de vrouw van een tropenarts, Mella. Ach, die andere blanken ook, en een heel enkel hooggehuwde inlandse. Ze kwamen alle bij de Mulattin. Om zich te laten behagen in lauw sop en schoonheidsonderhoud op welke wijze ook daar nodig. Stel je voor: een land zonder één kapsalon! | |
[pagina 163]
| |
Waar moest ze anders gaan? Die Mulattin maakte een schoonheid van je, ook al was ze bastaard - was ze ééns met d'r vriendinnen. 't Was iemand, die juist die schoonheid van beide bloedsoorten, zowel dat blanke als dat zwarte, in één persoon kon uitdrukken. Kijk hoe mooi ze was geworden! Een mooie mengwater, mengbloed! Mooi en toch net! Mooi en toch gedistingeerd. Hij had d'r haar geroken, Gerber, net als opgemaakt met wilde geur van bosvijgen! En toch, het waas van witte bloemen, tam en sterk in toom om 't hoofd. Een vrouw werd ze, met iets van tomeloos en toch weer iets van tamheid, ingetogen, niet bóós. Die Igna! ‘Hm!’ maakte ze geluid aan mond, zonder dat deze opende fo woord. ‘Hm!’ ‘Jij vindt waarschijnlijk dat ik jaloers ben, niet?’ Gerber opende zijn keel om 't te zeggen. Hij lag, vlak onder 't wijdse licht van schemerlamp, gedempt tot iets wat werd beperkt: kamer verlicht door sterke lamp en toch... zo weinig licht dat je met vrede in je ogen rustig na' de dingen kon opzien. Zó was zijn stemming ook, te oordelen na' wat hij zei. Want 't kwam niet tot een volle aanval toch. Ze liet die kam zakken. ‘Goed! Als je 't niet wilt, dan doe ik 't niet. Ik ben je vrouw, tenslotte.’ Ze zei 't, met een soort van geheimzinnig verwijt. Misschien juist daarom. Hij vond niet dat hij d'r verwaarloosde, ook al vrat in dit verdomde land het akademisch doen en laten tweemaal zoveel tijd als anders. Maar... die inlanders, met hun volle bloed! Als de sjaffeur niet vlak voor 't huis parkeerde! 't Zou beginnen met gekonkel: ‘Mevraw?! Had je nie gehoord dan?! Z'heeft een liefdespersoon daar en daar! Gaat altijt zo, zonder Min, die sjaffeur! Dan laat ze d'rzelf opmaken, zodat ze mooi als een wát terugkomt!.....’ Die Mulattin! O god! Die gefaarlijk geweldig mooie Mulattin! Elke man in 't land scheen aan d'r hart te gaan! Ze zochten d'r! Ze zochten d'r! Als de bloem die geen bij kan ontwijken! ‘Ik eh.. ben daar nooit alleen! Meestal vertoef ik in gezelschap van Frankie's vrouw!’ ‘Dat kan mij niet schelen! Misschien juist daarom krijg je roddels! Mensen die menen dat ze altijd alles hebben gezien, en die juist daardoor geloofd worden, als je begrijpt wat ik bedoel!’ Hij werd een hoofdje kwaaier, te zien aan 't opzwellen van z'n gezicht. ‘Goed, ik ga d'r nietmeer heen! Ik zal me afzijdig houden van wat door De Moor en zijn vriend Brummal in hun “Eigen Dinges”-taaltje zo mooi pori-sma wordt genoemd!’ verzuchtte ze. ‘Als je maar weet, dat ik | |
[pagina 164]
| |
dan wèl ergens anders heen moet, voor mijn onderhoud. Ik ben niet van plan, juist door mijn status van getrouwd zijn met jóu, mij in het openbaar te tonen als.. als...’ Van zijn kant loosde een zucht. ‘Ach, dat bedoel ik ook weer niet! Als je maar...’ Z'n mond zweeg dubbel zwijgen. Dan opeens zo, zei hij, met glas van 'em in z'n hand, hij half op bed: ‘Als je maar zorgt dat je bij het tuig uit de buurt blijft!’ Want z'n gevoel had aan 'em lopen knagen toch. Z'n intelligente hoofd had 'em gezegd, dat 't misschien toch niet zo kwaad was wat ze deed. Ma' de twijfel dat hij d'r nie bij was, ook niet z'n sjaffeur die d'r kon kontroleren, zelfs geen enkele enkele bediende. Als ze niet daar mocht, dacht hij, zou ze, zo zei ze net, misschien wel ergens anders gaan. Ergens waar 't erger was. Dan maar de zaak zo laten blijven? Of... ‘Waarom,’ zo zei d'r eigen stem met klank die aarzeling wegvaagde, ‘waarom zou ik d'r eigenlijk niet hierheen laten komen? Ik heb ruimte... alles hier.’ Gerber keek op, met fronzige ogen. 't Was eigenlijk een beetje een vreemd idee. De mulattin onder zijn dak. Maar alen, waarom niet? 't Was zelfs beter, dan dat gedoe daar, in die buurt waar al dat tuig woonde. En waar zelfs al die ontuchtige koloniale wijven zich vertoonden. Ja, dit, dit was toch beter zo, in elk geval om te proberen. Ze kwam nu nader. Het was dieper nacht. ‘Hé,’ zei ze, met een soort verlaten stem. Keek na' d'r huid, die spikkel-spikkelGa naar voetnoot5 was geworden, een kwestie van dat warme klimaat. ‘Ik heb 't gevoel dat je me feitelijk iets anders wilde zeggen. Nu die kwestie over mijn schoonheidsonderhoud opgelost is, wil ik dat andere horen.’ Hij zei niets. Niets en nèks aan mompelachtige lippen met getril. Trok aan zijn dure kamerjas. Ma' moet hebben gedacht, zonder één twijfel: ‘Hm! Mijn vrouw, ze kent me! Dan moet ze de rest ook weten.’ En dan begon hij, net voordat een slok z'n keel tebinnen ging, over die kwestie met die Brummal. Ach, andere zaken liepen min of meer zoals berekend. Hij kon dat ding eenvoudig niet verdragen dat zo'n inlander, notabene door Europeanen opgevoed, hem tegenwerkte, hem blokte. Wacht! Hij zou 'em onder pressie zetten, zoals het land 't zei: z'n mars voor 'em leren! Koffie was uitgeroerd nu, zelfs een graadje kouwer, al ging dat in die tropenwarme ochtend nie zo geweldig snel fo je. Meneer liet z'n lip die | |
[pagina 165]
| |
koffie raken. Z'n blik aan oog afdwalend, een oogsprong nemend op mevrouw. Kijk d'r, bóós! Hij had enig idee waaromtrent, ma' zweeg wijselijk die mond van 'em. Hm! Liet Min weten, dat deze Janki moest ophalen. Want meneer Gerber had een plan. Of die goeie makker even kwam. Baja!
‘Ik heb grote vooruitgang in m'n onderzoek,’ zei Janki later, toen hij daar aan huis kwam aanzetten, ‘met mensen zoals Tanta Beki, zelfs Zus Leida op 't erf bij me, met d'r dochter Evi, en haar andere kinderen. Mijn vrouwelijke huisbediende, Zus Nette - ah! U kent haar wel, - is ook een goede informante! Prima gegevens! Ik weet alleen niet, wanneer precies het fajasitonlied is ontstaan. Weet je, Gerber, (hij vergat U te zeggen in zijn antoesjasme) dat we zelfs een lakoe-pré denken te organiseren? Die negers willen 't allemaal voor míj doen, gratis ook! Alleen moeten ze, zeggen ze, een goeie gelegenheid daarvoor zien te vinden. En ach, gezien hun tempo zal het nog wel even duren. Trouwens..., het ís een groot en langdurig spel dat om veel voorbereidende organisatie vraagt. Ik ben benieuwd. Sinds ze weten dat ik, als blanke, hun kultuur ben komen onderzoeken, zijn ze gek op me! Ik weet echt niet waarom, maar zowat iedereen die iets meent te kunnen op 't gebied van hun kultuur, komt bij me aankloppen. Ik hoef ze niets te geven, behalve... Je hebt zelf die grote flessen drank gezien. En die sigaren! 't Zijn net indianen!’ Gerber! Hij liet die Jan praten en praten! Ach, die vent was antoesjast ja, en 't was duidelijk dat bij hem iets uit de bus kwam. Ma' hij meende iets te moeten zeggen toch. Hoor 'em: ‘Eh, ...voortreffelijke koffie, niet?’ Dan daarna stoomde hij verder met: ‘Jan, ik heb je laten roepen, je begrijpt wel, dat ik je nodig heb. Mij heb jij pas nodig, op 't moment dat jij klaar bent met je onderzoek, dat wil zeggen, vóór je promotie. Maar dat moment ligt ver in 't verschiet nog, nietwaar? Ik heb je niet laten roepen, om te praten over de praktijk, zelfs niet over onderzoeksstrategie op dit moment, eh.. je bent toch wel wijs genoeg om het een en ander te kunnen. Ik wil je één ding zeggen: ga je gang en zoek alles uit wat ze je aan te bieden hebben. Tenslotte, vergaar je kennis. Al zou iemand als Brummal, of De Moor, willen spreken van kulturele uitbuiting! Haha..!’ | |
[pagina 166]
| |
Hij lachte kwiekjes met z'n Gerberse mond. Ergens zijn superintelligentie die hem tot de konklusie bracht, dat hij Janki met die woorden prachtig plaatste tussen al die andere kolonialen. Ja, zo'n blanke moest tenslotte ook z'n plaats weten. Goed fo de solidariteit, no? ‘Ik wil je zeggen... - nee, geen siroop, welke dan ook, Sisi! - dat je op moet passen. Het feit dat jij daar voorop van zo'n erf met voor 't grootste deel zwarten bent gaan wonen, heb ik nog kunnen goedkeuren, omdat ik wéét, dat jij daar “iets” mee bereikt. Ik hoop en weet zelfs, dat je 't zélf niet ziet, als een verlaging van je persoon - tenslotte ben je Europeaan en verdien je genoeg van onze kulturele stichting. Daar heb ík voor gezorgd. Maar, zoals 't me opvalt: je omgang met die mensen! Véél te vrij! Ik keur dat ten zeerste af. En toch! Ik moet het op de een of andere manier wel toelaten. Niet dat ik daar een verbetering van je studie-resultaten in zie. Maar jouw gedrag, jouw omgang met dat negervolkje is tenminste echt te noemen. De rest van ons, blanke top hier te lande, keurt ook alles van ze af. En toch misdragen zij zich erger dan die zwartjes. Laten hun zaad schieten in 't wilde weg! Maken hier kinderen als onkruid! Gelukkig! Jij bent trouw aan Fioor, daar aan jouw zijde! Maar je moet het me toegeven: het is een verdomd verpeste boedel hier! Wij Europeanen... wij blanken!’ Meer zo, hoefde niet zijn mond te zeggen. Janki had al begrepen. Hij dronk zijn koffie sneller als bedoeld. Voelde, hoe warmte niet kon ontwijken, borst van 'em brak zweet! Opende lichtjes z'n hemd. ‘Je hoeft 't echt niet benauwd te krijgen van dit alles wat ik zeg, althans, nog niet.’ Een smalende uitspraak, van Gerbers lippen. Kijk, z'n mond, net of 't woekertaal wou uitslaan! En dan, bedachtzaam daarzo: ‘Ik wil één ding zeggen! Kun jij aan die Brummal één ding voor me duidelijk maken?’ Janki keek op. Hij wist al! Liet z'n wenkbrauwen opgaan, zonder te zeggen: ‘En dat is?’ ‘En dat is, dat niet jij alleen, maar ook ik, weet heb van zijn fraudu... nou ja, z'n “onjuiste” handelingen op 't studievlak. Ik bedoel: eh... als hij dat weet, dan weet hij ook, waaróm ik hem opnieuw zal benaderen, met mijn voorstel. Je weet welk voorstel hè?’ Janki liet z'n hoofd voor 'em knikken. Hij begreep 't. Ma' één ding begreep hij met geen enkel verstand: waarom moest híj 't doen? | |
[pagina 167]
| |
Alsof die Gerber bijna magische macht over 'em had: ‘Je weet, ik doe m'n best om jou in al mijn opbouwende aktiviteiten te betrekken. Tenslotte zal ik èn jouw proefschrift moeten beoordelen èn ik zal jou moeten aanbevelen, na terugkeer in Europa, voor een goede positie. Haha... haha...!’ Hij lachte, echt geheel om niets! Of was 't om die Mulattin die hij daar voor 't eerst zag binnenkomen, lopend naar de privé ruimten, voor een schoonheidsbehandeling van mevrouw? Wachte! ‘Ik zal 't zeggen.’ zei Janki. ‘Maar dan niet eerst, nadat ik zijn kollega De Moor benaderd heb. Misschien dat zulks veel meer helpt. Die betekent voor Brummal nog veel meer dan ik. Als hij enig vermoeden heeft, dat een landgenoot van hem, iets van zijn, eh... mogelijk onjuiste handelingen bij 't verkrijgen van zijn titel afweet, dan moet hij toch wel... op zijn hoede zijn. Nietwaar?’ ‘Ah! Ik zie, dat jij jouw positie volkomen waardig bent, m'n beste Jan. Jazeker! Trouwens,... 't Gaat niet alleen om een vermoeden, maar misschien ook half weet hebben! Dat is veel sterker. Een indikatie bijvoorbeeld. Aanduiden op iets, waardoor De Moor aan Brummal iets zal vragen....’ Hij lachte, die Gerber, een lach, zo netjes als geen inlander zou voortbrengen. Dan bond hij z'n lach op z'n kaak vast, met een schok: ‘Alleen: ik hoop niet, dat die twee duvels juist elkaar vinden door zoiets! Want je weet: de duivel en zijn kameraad, worden verbonden door het vuur!’ Dan lachte hij weer losjes, ‘Ah! haha! Wil je wat drinken? Ik moet zo naar mijn kantoor.’ Janki stond op, klaarklaar om te verdwijnen al. Horen hoorde hij daar, hoe mevrouw stond te schelden op bediendes. Die ellendigen. Ze was weggeweest, teruggekomen, had een hoop waren gebracht, in huis gesjouwd door Min, die javaanse bediende, die ze uitlaadde uit z'n sjaffeurswagen. En nu, opeens, een groot stuk mals vlees was verdwenen, zomaar. Als 't niet tevoorschijn kwam, binnen het half uur, zo gooide mevrouw stem met oordeel, dan zouden er gewis ontslagen vallen. Kijk hoe iedereen zo angstvol! Stel je voor?! Mai verloor d'r werk? Of Sisi? Of die ander? Allemaal met hun kinderzorg, daar in krotten thuis, net ratten. Wie, wie zou ze dan te vreten geven? Mevrouw in elk geval niet, met d'r geprikkelde karakter, zoals die bediendes zeiden, vandaag. Achter een hekje, sprong Alex tevoorschijn. Aleksi, Leksi, die | |
[pagina 168]
| |
vandaag ook al telaat was, hoewel niemand van de bazen 't opmerkte, (meneer met zorg, mevrouw ook met zorgerijen.) Sluipen sloop hij, met drankhoofd, z'n riethoed op, vanachter een bosje die hijzelf had geplant. Hij had gewaad door water, was gelukkig bekend bij die hond van buren, want hij was daar langs gaan boren (met groeting van bediendes, ons kent onsGa naar voetnoot6). Dan was hij nu met opgerolde natte broek gekomen, had 't snelsnel gewisseld in dat tuinhuis achter die dennen. Nu zo, kwam hij met slippers aan z'n voetvinger tevoorschijn, z'n flardige hemd openopen, frodjadja-achtig. Fo zijn geluk zo, hoorde hij hoe mevrouw een mondje op los schold. Die bendebeesten! Gaf zij ze niet genoeg te eten? Dachten ze maar, dat ze haar zo konden plukken? Bediendes! Poeh! Toen, Aleksi, hij zag, vlakbij die hondenblijsplaats, hoe een grote verse bot lag. Raapte dat ding op. Bracht 't na' die keuken, gooide deur open. ‘Dak, Imneer! Dak, Ifrow!’ zo groette hij, ‘die honden hebben vandaag veels te vroeg gegeten!’ Mevrouw stond skame, met d'r mond vol tand. Nou ja, ze had wantrouwen in d'r personeel gehad. Dan wat? Waren ze dan echt van goud? Was 't niet menselijk van hun, zowel van haar, om bij een overvloed te stelen of om wantrouwig te zijn? Dat stelen mocht uiteraard niet, wantrouw hebben wel. En zo, ze hád d'r gelijk. En nu, vooral geen verder storen, door niemand, ze moest weg, weg, na' die Mulattin, ach, neenee, die moest daar kómen. (Ze wist niet dat deze persoon al op die gang daar na' d'r liep.) Om haar weer klaar te maken; vanmiddag een receptie. ‘Nietwaar Gerber?’ Hij was op weg al, met die meneer Jan. Was ze wéér kwaad, omdat die Min ze weg bracht. Verdorie! Ze kon echt geen kant uit die dag, letterlijk en ook figuurlijk niet. ‘Wie staat mij aan te staren?’ viel ze uit, naar de bediendes. Het was die tuinman echter, die daar voor haar stond: met korte broek voor 't eerst. Z'n negerbenen vol met haar en sterk spierend boven knie. ‘Schiet op!’ joeg ze 'em weg, vol vrouwelijke schaamte!, ‘Met bot en al!’ Blaften die honden fo ze, aan hunne ketens, woest en harder dan hard, echtechte herders. | |
[pagina 169]
| |
(24)Mandwe z'n granm'ma was toen jong van dagen nog, zoals die mensen dat ding riepenGa naar voetnoot1. Ze was vol liefdebaring fo degene die d'r in 't oog genomen had. Die d'r gezoend had zelfs, die dag, dichtbij die waterkraan, vlakbij die wilde struiken. Met stormy weather! Nu zo, werd zij met een officieel gezicht benaderd: wil je me vrouw worden? Een aanzoek die verliep volgens de normen van plantaasjedorp: grote mensen van één kant praten met grote mensen van die andere kant. Samen die ouders, dan pas die geliefden. In dit geval ouders nie wetend, dat geliefden makaar heel even hadden geproefd. Want als iemand had geweten... chm, mi boi! Hajdjakasa! Is geen weinig last zouden ze alletwee hebben gehad! ‘I law no?: Ben je gek aan je hoofd die lijkt op kassave die niet wil groeien? Mars, zak je staart daar! Je wil me naam en faam kapot gooien in deze plaats no? Jonge, weet je wat bere is? Gemeenschap hoor! Wij hier behoren toe, aan elk een ander! Zomaar hier, kan je geen dinges met een ander doen! Zeker geen mensendochter! Pasopoe! Want ik steek ter waarschuwing recht me vinger tot in je neusgat!’ Dan kwam een zegen afsmeking aan goeie goden, om bescherming. Ke, ach! Van welke kant 't kwaad, dat door een ongehoorzaam kind en hartstocht, goeie banden met makaar moesten verstoord worden? Zeker een slechte jeje in het spel, een kwade genus! Want hoe anders kon... o....! Zie je wel! Vandaar die laaste keer toen regen viel, dat bliksem juist op zo'n uitzonderlijke wijze sneed! Ja, dat ding bliksemde heel verdacht apart, net ofdat speciaal dát en dát huis daar in dat gehucht moest worden getroffen. Een kwaaie teken zo. Baja! Dan buitendien: natuurhuwelijk was een gewoon iets, ma' wanneer een mens, (juist wanneer jong,) zich niet kon intomen in z'n gevoel! Een zelfdisciplien, geleerd vanaf men weet niet hoeveel tijd! Wanneer een man nie kon intomen, z'n ballenpaar, dan was hij geen jongwenkeGa naar voetnoot2 waard! ‘Pikin! Kind! Je kan nie wachten tot je grootmens je tot die ander begeleidt! Zo vrijpostig! Met krasheid van lichaam!’ | |
[pagina 170]
| |
De autoriteit van 't ouderschap dat met strenge, zware hand werd uitgeoefend, was nu genegeerd. Een man kon zijn zoon daarvoor wel doodslaan, in het openbaar een schop geven, hoewel die zoon grootgroot! En dochter? Verstoten en verjaagd! Is zo waren die betrekkingen, van jaren her, toen, vroeg in 't jaar nieuwnieuwe bladeren aan die bomen. Dan Mandwe z'n granp'pa, nam Mandwe z'n granm'ma in huis. Een hutje, meer zo, hoefde niet. Familie had familie's grond daar, op plantaasjezijde, langs rivier met waterbruin, waaruit zo vis, nabij de aanplanting van nodige gewassen. Nabij de mensen, kleinklein dorp, gehucht. Mensen met mensen, overbruggen eenzaamheid met leven, no? Danzo, begonnen ze met kinderen te krijgen. Eén stuks voor één, tot aan getal van acht. Vijf jongens en drie meisjes. Vijfde zoon was Mandwe z'n p'pa, nu ergens zwervend door de grote stad. Stad, Foto, uitgezegd als: Fòtto! Dan Errol was z'n broertje Mandwe net terug aan 't brengen, die dag na vakansieviering, toen die granm'ma en die granp'pa weer hun kwaaie jeje over ze kregen. Eén ruzie weer daarzo. Die twee jongetjes, fo die deur daar staand. Houtdeur, houdt ze tegen van wat zich afspeelt daarbinnen. Ze weten nie wát! (Arm zij!, Is komen, komen ze aan, niewaar?) Ma' horen, horen ze wel, door open raam van hout, het half dichtmakende gordijn: ‘A frow disi! Deze vrouw! Ik zeg je!: jij met je negerhuismanieren...!’ ‘Ach, frrrèk! Wat ga jij mij komen leren? En? Sins die dag dat ik kind gemaakt heb fo je, heb je spijt dat jij bent met die negerin hier! Je kon me nie alleen laten daar op plantaasje! Die grootmensen van me zouden je dóódmaken, anders! En sins w'al jaren wonen in de stad! Kijk hoeveel kinderen we niet hebben gehad! Anderen moeten bedelen d'rvoor! Ma' god heeft ze stuk fo stuk, fo ons gesmeten! Dan sins ik jou ken feitelijk, dan verneder je me! Wel, laatGa naar voetnoot3 dat ik vrouw ben! Ik heb nooit je voeten vastgebonden, dat je nie kan weggaan na' een ander, zoals mannen in die stad hier met hun zes of zeven vrouwen! Ma' ik ben als negervrouw een last op je! God in de Here wéét!’ Een deur sloeg bram! Dan even stil. Dan gooide die deur weer zo bladambam! ‘Ja! Ik ben blij dat hier geen kind is, om te storen met z'n kindergeest | |
[pagina 171]
| |
aan 'em! Ma' is jammer ook: geen jeje die me tori kan horen! Want wat ik geslokt heb aan deze man! Het is alsof neger z'n duivelskant in 'em gekomen is! Zoveel mannen lopen van vrouwen weg, deze is gebleven, ma' met dubbelkwaaie kant! Ik heb kinderen gemaakt met je, ma' ik heb meer dan man gezwoegd om ze te eten geven! Wanneer die mensen hier in dit land praten over hun granm'ma..... hajja! (loosde ze kreet), dan weten ze waarover ze zijn aan 't praten! Want die lasten der voorgaande generasie! Míjn god! Is een wèry wèry hebi!: een last en een zwaarte! Op mensen die hier staan met twee voet op de grond! Hebi!, last! Is moeder heeft kinderen gemaakt, wel, is móeder moet ook modderploeter ploeteren fo ze!’ Ze scheen na te moeten denken over die laaste woorden van d'r. Granp'pa schuurde z'n keel en spuwde uit dat raam: ccchwwopp!! puhh!! Spuwsel vloog uit dat raam en teisterde die aardbodem. Mandwe met Errol staande op die stoep, daar aangekomen, om terug te keren. Mandwe, dralend om met z'n kleine vuist op die deur te slaan. Stel je voor: grote mensen maken hun ruzie, en dan kom je durven! Nee hoor! Hij haalde z'n hand omhoog, draaide z'n hoofd na' Errol. Errol? Hé, san? Errol was gevlogen! Alweer! Die was allang terug aan 't gaan, na' huis. Dan liet hij zo z'n broer staan fo die deur, met een taitai, een buidel kleren. Verder nèks anders. ‘Groet granm'ma fo me, hòr!’ had z'n m'ma geroepen, ‘en granp'pa ook van je, hoor mi boi! Zeg ze, ik geef ze dank fo hun zorg aan je. Ik ga een keertje komen, hòr!’ Dan had Zus Nette weer die zoon van d'r goed weggestuurd. Ze kon niemeer, met dat gestrij, elke uren van de dag, Mandwe vechtend met al die anderen. ‘Zus Nette! Die jonge van je lijkt op kikkerbuik!’ spotte toen Bochtesnijer met 'em, toen Mandwe met broek aan bil en schoen aan voet gereed stond voor z'n teruggang. ‘Ija, dan ga buurvrouw daar groeten!’ duwde z'n m'ma 'em. Daarna: ‘Ga bij Oom Bakko! Misschien heeft hij een afscheid fo je!’ Ze doelde dat hij misschien wat zou geven, fo de snoep, aan 't jongetje dat kwam groeten. Kikkerbuik? 't Woord fo kikkerbilletje! Die andere broertjes en zusjes begonnen direkt direkt: ‘Kikkerbuik! Kikkerbuik! Kikker...’ | |
[pagina 172]
| |
‘Sluiten jullie jullie w.c.!’ begon Zus Nette direkt met d'r waarschuwing. Dan voor je dacht, trok Errol al, aan die taitai, weg, het straatpad op. ‘Daaag.... daaag... godweet wanneer je gaat komen weer!’ Ma' nu zo, stond hij op die stoep. In plaats van klopklopklop, stond hij met veel draidrai te dralen. Hond van die buren kwam, hond keek 'em aan, hond ging, doodrustig ondanks dat geruzie dat na' buiten brak. Rat kwam ook koekeloeren, midden op een rat z'n dag. Rat keek, hoe hij was aan 't staan, op die kleine houten drempel. Rat keerde z'n staart voor 'em. Een wezenloze mens, zonder belang van leven, zoals dinges aan 'em leken, hij daar, gevat en ook gevangen in die schaduw onder voordak, zo vlakbij deur, waartegen zelfs bijna al z'n neus wou plakken! Plakken als doorgedrukte neus van armeman in platte doodkist onder deksel! Klopklopklopklopklop! ‘Joe a nengre, dan j'e foegá gi nengreGa naar voetnoot4!’ Ze schold, ze schold, ze gàf 'em. ‘Deze vrouw! J'hebt nie gehoord dat iemand klopt die deur no?’ ‘Ach! Kom geen nèks tegen me zeggen! Wie nie weet zo, gaat zeggen dat is liefhebben heeft ons verbonden! Terwijl...! Is nie ík heb dit leven gemaakt! Is nie ík heb gezorgd dat je jarenlang geen werk kon vinden! Ik zoek me goed, ik zoek me bestegoed. Ma' zodra ik iets doe wat nie goed is, dan ben ik als negerin die 't verkeerd doe! Aaj mensen! Mensen van deze wereld zonder kennis van een flink stuk vroegertijd gaan nie begrijpen wáár dat ik over praat! Ze gaan zeggen: is prietpraat van een negermens, zonder dat daar stevigheid van woord kan zetelen! Ze gaan nie kunnen voelen wat een mens als deze voelt, wanneer gesprek van deze zaken! Een man leeft vouwendertig jaar met vróuw, dan haat hij d'r, vernedert d'r! Waarom? Alleen goeie god van des hemels weet! Ik heb je kind gemaakt fo je, ma' dat was alles. Nowan tangi so: geen enkele enkele dankbaarheid! Wanneer ik oplossing van me onprettige gevoel bij negerkant zoek: bijna kan hij me uit huis gooien! Wanneer ik me plezier ga zoeken bij een kawnadans: ik kom terug: huisdeur gesloten! Ija, halve dag sta ik stoep te bedelen! Baja, laat me niet hartverscheurend praten tegen wind en lucht, boven de krachten van me zenuw dat ik gek word, deze dag hier aan me ogen! Want dinges! Dinges zijn gebéurd met me!’ | |
[pagina 173]
| |
‘Buurvrouw! Míjn god, míjn jezes! Tan tiri!’ Iemand daar kwam alweer kalmeren. Zo kwam dat ding, dat Mandwe langs die open deur kon thuis keren. Daar bij z'n granm'ma en z'n granp'pa, waar hij was in kweek. Hij? Hij kon nie begrijpen wat d'r gaande was. Maakte een vage verbinding, na' iets dat hij nie begrijpen mocht. Want alle grote-mensen dinges: ‘Mars! Wat wil een kind z'n smoel komen steken! Weg jo, parasiet!’ Ma' ondertussen, groot konijn knaagt aan een grote zwarte brok van steen. Konijn z'n poepe, als 't viel, kon 't huis doen schudden, zo groot en zwaarzwartig. ‘Buurvrouw, mens, maak je hoofd nie moe. Je bent al oudmens.....’ kwam één of andere buur sussen. Mandwe z'n granp'pa lopend door huis. Láát ze, die negerwijven, één potnat. ‘I boi joe!’ schreeuwde hij, van die nieuwgekomene attensie nemend, ‘ga je kleren weghalen.’ Hij meende dat Mandwe z'n kleren uit moest doen en andere moest aantrekken. Opvoedingstaak die hij nie wou staan vergeten. Terwijl, die vrouwen daar! Een l'lo tak'taki: praten, heleboel smoelpraat, zonder dat die kleine jongen goed kon weten, van hoe met waarom, het waarom van negerhuisleven, no? Later op dag, vlamde dat laaivuur weer op, van ruzie en konflikt aan huis daarzo bij ze, Mandwe, z'n granm'ma, granp'pa, binnen in hun drempel, tussen muur van deur en ramen. ‘Raak me nie aan! Als je durft om me te slaan! Hehéééééé! Ik krijg één winti-uitbarsting fo je, dat 't lijkt of ik ben gek geworden aan dat hoofd van me met doekbindsel hier! Aaj, me tata-god! Ke! Wat heeft deze negervrouw verdiend, en? Ik heb geen duivelsgeld gegeten, ik heb geen mensen dood gemaakt. Fade, als ik een vrouw was met lelijke manieren, dan had ik allang me zoons en dochters hier gestuurd om hun vader die met me woont te komen rammelen! Ma' ik doe nèks! Ik ben in huis met je, ik praat met je! Hele week zo, sins Mandwe is weg gaan gaan, heb je geen wóórd gezegd aan me! Ik maak thee fo je, jij maakt tjoeriGa naar voetnoot5 fo me! Ik zet brood fo je, je gooit 't weg! Een mens gaat nie geloven, wanneer dat hij hoort, wát fo kwaaie geest je bent, kwaaie karakter, kwaaie jeje in je! Míjn god, míjn god! Wat heb ik deze man gedaan dan? En? Met wat fo boetzweer loopt hij op z'n hart | |
[pagina 174]
| |
die 'em gaat laten openbarsten, en? Wie gaat me zeggen? Al jaar op jaar, sins ik ben met 'em, draagt hij een soort haternij, die niemand gaat begrijpen. Begin begin, alles zo goed! Totdat hij werk verliest, plantaasje wordt verkocht aan grote maatschappij. Maatschappij huurt die mensen twee maanden; dan daarna tijd, mogen ze weggaan, want ze mogen nie daar wonen meer. Wanneer broer van 'em gaat ruzie maken met een dronken hoofd, houwer in de hand, omdat hij is van z'n kostgrond weggejaagd, dan schiet een blankman van een kommisaris, z'n broer neer met een riwolfer. Andere familie, weggejaagd, die van mij ook. Hier in die stad loopt hij z'n werk te zoeken, jaar op jaar. Hij vindt niet. Als hij vindt, kan hij nie blijven. Want hij 'ft nooit geen school gelopen. Dan ga je denken: is plantaasje-neger, hij ként negerdinges en waardeert! Boeboe!: Integensdeel vindt hij dat alle kwaaie dinges komt van negerkant! Is nie ik heb 'em gestuurd, om een vrouw te hebben die naast van z'n werkloosheid kon gaan cent verdienen toch? Met waskleren, vuilkleren van mensen heb ik me kinderen eten gegeven en die man hier ook! Zoveel jaar lang. Is misschien daarom voelt hij zich verlaagd, z'n kra, z'n jeje, geest in 'em...’ Voordat ze verder kon, vloog iets tegen een schutting. Brakdibram! Ze rende, huilde. Buurvrouw kwam weer buik binden van d'r, en d'r hoofd. ‘Je moet nie zo staan schreeuwen. Laat je hart afkoelen, is nie goed fo je! Je kan op deze wijze een trekkingGa naar voetnoot6 krijgen! Láát, me schat.’ Toen pas, ook tijdens afkoeling der dag, begon dat ding te rustigen. Mandwe, in schaduw zittend op een bank. Kind van géén negen jaren goed en wel, kon horen wat d'r gaande was, al kon hij nie begrijpen. Begreep ook niet, waarom ze 'em paipai gaven: pak slaag, omdat hij had die ring kwijt gemaakt. Pas volgende dag, toen zon was aangebroken met z'n dagelijks optreden, vol ornaat van licht, gegoten om het zonnewezen, kreeg hij van hun, granm'ma, granp'pa, belofte dat ze voor 'em, ketting gingen kopen. Eentje, een stevige, van goud, een tarat'téGa naar voetnoot7 model. Om 'em te pliesen, z'n geest blij maken, sieraad aan een mens z'n lichaam! Zo hoorde 't ook, bij kind dat men opkweekte. Een sieraad, teken ook, dat men ouderlijk gezag over zich had. Elk kind zou daar graag van gaan dromen. Al moest 't fo je, tot 'n spookdroom komen! Mandwe no? | |
[pagina 175]
| |
(25)Buiten, onder dat raam aan die zijkant van dat grote oud-houten huis aan 't Molenpad, zoemde een marbons voorbij. ‘Wellicht de grootste wesp van het kontinent... Zwart, gemeen en gevaarlijk..... Als ze je steken kan je d'raan gaan...’ De zon wilde op z'n gezicht gaan schijnen, Janki. Ma' er kwam een wolk voor, zodat zijn kop nie verhelderd raakte. Hij zuchtte een zucht. Keek na' beneden. Daar: hij kon zó over de schutting kijken, naar naast, waar zijn bediende woonde. Een van die buurvrouwen aan het werk bij d'r wastobbe. Janki probeerde wat van haar hoogopgepakte borsten te beloeren. Ma' dat ding lukte niet toch. Want ze had een hoofddoek om haar schouders. Het was van een Curaçao's type, van een soort zacht materiaal, met geweldig veel kleine franjes, hangend over d'r vrouwsrug, die hij gedeeltelijk kon zien. Ze was het type van het volle pond, met veel wijvenvlees aan d'r heupwerk, waar ze heel opeens haar tot vuist gemaakte handen in pootte. Hij, daarboven in het raamgat, begreep niet waarom ze ophield. Een stuk zeep die d'r hand tot glijbaan had gemaakt? Maar dan zou ze iets moeten oprapen. De korenspier die zoek was? Dan zou ze haar handen in dat waswater moeten dompelen en flink graaien, het wasraam in de tobbe na' voren gooien of het desnoods eruit halen... Daar! Ach! Het was niets! Want ze ging weer rustig verder. Maar de kalmte en de rust waren voor hem, als daarboven in halfdroom verkerende toeschouwer, gebroken. Want de was werd nu in een veel hoger tempo geschrobberd. Iets speelde zich buiten z'n direkte gezicht af. En het hoofd ging daarbij heftig op en neer. Zij daar beneden, startte onverwachts een lied. En ze zong, een mond vol woorden, aan: Fa m'e si j' so,
dan j' weineke weinek!
Fa m'e si j' so,
dan j' weinek!
Naar ik zie,
ben je weinig waard!
Naar ik zie,
ben je weinig waard!
| |
[pagina 176]
| |
Een klein golvend melodietje. Ma' nie zomaarzo, voor nèks! Want plotseling was héél d'r houding te verklaren, uit het feit dat áchter een bosje, betekenisvol gekuch begon te klinken. Daar was iemand anders komen staan. Misschien om vuile dinges te wassen: er bonkte nu het geluid tot hem door, van metalen servies dat door elkaar werd geschud. Ook daar zeker ontwaakte driften. Snelsnel kwam het gezongen antwoord van een andere buurvrouw, die Janki echter niet kon zien: A taki, moi e kir' oema!
Ma swit' e kir' man!
We, mi na krindé k'kaperka!
Nakflind'r! Pe j' tan?!
Nee maar! Een vrouw heeft last van schoonheid!
Een man daarentegen, van de lust!
Welnu: ík ben een kapelle die op klaarlichte
dag vliegt! Nachtvlinder! Waar blijf je?!
‘Aha! Ze hebben ruzie!’ konstateerde Masra Janki nu met zijn snel ontwakende brein. ‘Ik zou die lelijk geachte nachtvlinder best willen vangen. Maar laat die dag-kapelle, die zo mooi is en netjes dat ze alleen bij daglicht fladdert, haar gezicht eens tonen!’ Maar de dag-kapelle kwam wijselijk niet tevoorschijn. Want het spel was pas begonnen. Tan! Als je had gedacht: mooi-prentje is voorbij, dan had je je vergissing! Hoor daar met Janki no: Meisje, mi jere: oema
no was' en krin! Foe sébi dé! Foe sébi dé! hehéééé...
Efoe Boen-Gado no ben de,
tingifowroe ben fré en gwe!
Meid, dit vernam ik: een bepáálde
vrouw waste haar pretplekje niet schoon! En dát voor 7 dagen!
Voor 'n week! Hahaaaa.
(geschater) Als de goeie God er niet was geweest, dan
hadden stinkvogels haar weggevoerd!
| |
[pagina 177]
| |
Janki, die weliswaar niet elk woord begreep, ma' toch na die twee maanden gestudeer en eerdere hoofdbrekerij héél veel, moest zich inhouden. Om nie een grote lach te schreeuwgeven! Hij stak eerst tot aan zijn ellebogen uit dat venster. Ma' nu zo, trok hij z'n bovenborst terug en liet alleen zijn onderhoofd op dat vensterbank rusten om niet te worden opgemerkt. Dit, dit was ál te interessant! Dit kon je nooit uit boeken krijgen! Daar klonk de stem van die wasvrouw met d'r tobbe weer. Een beetje schor van emosie. Ma' toch kwiek als een spartelende vis, d'r spetterstem, net of ze uit d'r keelgat goochelt: ...Joe no jere foe Jeti Abroketi?
A mèit a morsoe no kaka!
Sébi koroe Kajanakomki,
a dape Jeti de koenkoen!
Hoorde je dat, van Jetje Abroquetje?
Die meid is smerig als de schijt!
Kommetjes uit Cayenne, die zéven gulden per stuk
kosten, daarin
(in zulke kostbaarheden)
daarin doet ze haar grote boodschap!
D'r viel een potdeksel op die grond. Klengelengeleng..! Pal daarop mooi en melodievol gezongen het venijnige antwoord, waarbij de echte naam van de aangezongene er niet toe deed. Deze liederen, echte eksempels, vol indirekt verwijzingen naar de gebreken van de ander, werden gezongen vol met strijdtaktiek. Wat een toestand! Janki voelde z'n buitenkant rood worden met spanning. Hij lichtte zijn kaak van dat vensterbank en keek behoedzaam om. Kijken of Floor nu niet de boel kwam bederven. Ma' die was blijkbaar beneden in dat huis zwerfkat aan 't spelen. Snel richtte hij zijn attentie weer op de ‘dames’ daar beneden, die geen idee hadden van zijn spiederij. Dan a mèit pesa!:
Dan kondre kaba!
| |
[pagina 178]
| |
Fisi drai! Dagoe drai!
Kati drai bere!
Granmandjari soet' en kanoe!
Woi, mi ofsiri, woi!
Woi, mi ofsiri, mi blank'ofsiri!
Woi, mi ofsiri-korporari!
Woi, mi majoro-ofsiri de!
Alasani drai bere!
Toen ging die meid langs!:
En het land vergíng!
De vissen keerden zich dood op hun rug!
De honden staken hun dooie poten in de lucht!
De katten keerden zich dood op hun rug!
Bij het paleis van de Gouverneur sloeg
men alarm met kanonschoten!
En de officier (als vrijer?)
schreeuwde het uit van wanhoop!
Hij dook naar binnen en kronkelde van lachlust. Als een wijf zó stinken moest! Hahaha! Eensklaps stokte zijn gelach in z'n nekgat. Hij, Janki, rende na' dat bed van mahoniehout, pakte daar op het nachtkastje een schrift en maakte een paar aantekeningen. Dan haastte hij zichzelf gawgaw terug naar zijn spionsplek. Het heen en weer zingen was even gestopt. Een derde dame, van het erf-wijven-kaliber (men noemde ze ‘forebber-tanta's’: wijven die niet stuk te krijgen waren) was erbij komen staan. Eigenlijk stond ze niet. Ze had een prasarabezem, afkomstig van een palmboom, in de hand. Daarmee ging ze dat stukje vóór haar huis bezemen. Heel traag gebeurde dat en zonder één enkele geweldige haast. Het was duidelijk, dat ding, dat ze erop uit was, dat tweetal tot op de grond van hun jeje te beschimpzingen! Weineke, weineke, weineke, weinek!
Weinig! (= waardeloos, nietig), weinig....
| |
[pagina 179]
| |
schrobde die één weer haar was, al mondje zingend. Die ander, vuile borden wassend, gaf haar partij: Abbatwaar!, abbatwaar!, abbatwaar baja!...
De derde, zich vermakend om die twee, ging zo'n beetje ritmisch mee dat erf bezemen. Totdat de niet-schoolgaande kindertjes erbij kwamen. Dan raakte dat spel bedorven. Want aangezien het was geen kínderspel, besloten die grote mensen ermee op te houden schimpliederen te zingen. Ma' nie zonder tussenkomst en veel praterij meer. Buitendien was de onbekende zangeres daar achter de struik klaar. Want met veel blikgeluid werd de afwas weggevoerd, ‘Ija! Me dinges zijn skóón! Ik ben skóón ook!’ Masra Janki hing in zijn nieuwsgierigheid iets teveel uit dat raam in zijn poging d'r te zien, met dat loeroog van 'em. De kinderen straften dat onmiddellijk af met gejoel en geroep van: ‘Kijk die witte duivel daar! Een witte jorka! Een witte jorka!’ Snel trok hij zich terug, sloot dat raam en haastte zich nu naar beneden, waar Floor wel de koffie klaar zou hebben laten maken. Die trap dus afgezakt, met alle ervaring van zonet, verser dan koffie in 'em!
Drie vrouwen had je, op bezoek gekomen: Tanta Beki, Zus Desna en mede ook, Vrouw Weeser, die avond. Ze zaten alledrie zo, op een rijtje, hoewel die goeie bakra-heer ze had geroepen om meer in kringvorm te gaan zitten. Dan zou alles meer lijken op gezelschap. Nu leek dat ding meer, op drie schoolklaskinderen, zittend op hun bil als verlegen awari'sGa naar voetnoot1, bij makaar gekropen, tegenover gestrenge schoolmeester! Ma' volgens hun, hadden ze best hun warmpje zo! Ija! Vrolijke dinges van mensen! Die vrouw van Masra Janki was nie thuis. Dus konden die drie vrolijk en vrij kwebbelen. ‘Kwè, kwè, kwè’ zo schaterde hun wereldse gelach. Met daarop weer ten overvloede ‘woi! woi! woi!’ Wat heerlijk baja! Ze vermaakten zich met deze magere Janki, die als zo weinig andere bakra's ongereserveerd tegen hun stond. Hij vróeg | |
[pagina 180]
| |
zelfs naar hun kultuur! Meisje!!! Zoiets was in hun ‘historie’ nog nie voorgekomen! Baja! Tanta Beki, de lekkere!, ze sprong op van het zitten op d'r dikke bibs, d'r vetsappige bakadjari! Hóór d'r, met gespreide armen: ‘Meneer, ik ga wat voor u zingen! Maar u moet nie verlegen komen worden hoor!’ (1954 die ik je zeg, toch. Hóór d'r taalsmoelwerk baja!) Ziedaar! Die bakra had het kaakschaamrood nog voordat er verder één woord was gezegd, laat staan gezongen! ‘Kwè, kwè, kwè....!’ Daar ging het wijfgeschater weer! Ze schudde met haar golvende bovenlijf! Hoor d'r: A taki, kiriwo, kiriwo
den boi he...
Den boi,
den d'a konde'e!
Kiriwo, kiriwo,
waki den ba...
Den boi,
den d'a waka...!
Kiriwo, kiriwo,
o, de jongens!
De jongens,
o, ze zijn me wat!
Kiriwo, kiriwo,
kijk eens naar ze:
De jongens,
ze zijn op stap!
Ma' dan, telkens wanneer Tanta Beki die eerste twee regels zong, met een kleine variatie in die tweede regel, sprongen de andere twee vrouwen er tussenin, dat antwoord gevend in een soort van koor. Masra Janki zat met geboeide geest te kijken. Hij had al wat geleerd en kon zo halfjes halfjes begrijpen, waar ze 't over hadden. Alleen, wanneer Tanta Beki de regels Kiriwo, kiriwo
grit' a taja
Kiriwo, kiriwo,
schuur die tajer-knol!
zong, dan raakte hij de kluts kwijt. Hij stopte 't entoesiaste drietal even en vroeg wat het laatste betekende. Ditmaal scheen dat houten huisje van Janki te schudden op z'n stenen voet! | |
[pagina 181]
| |
Wat een gelach der dames! ‘Kwè, kwè, kwè, kwè, kwè!’ Buurt brak, ik swéér fo je! ‘Zeg 'em fo me, baja!’ riep Vrouw Weeser. Haar stem scheen altijd te echo roepen. Vandaar dat ze ook bijna alles scheen te moeten staan herhalen: ‘Zeg 'em fo me, leg 'em uit, baja, wat die tajer schuren betekent!’ ‘Hihihihihi’, lachte ze opnieuw, en ingehouden. En ze schudde met d'r na' beneden hangende hoofd - waarop een Frans'edeGa naar voetnoot2 - alsof ze stikte van plezier. ‘Aj meneer! Je gaat me doodmaken!’ giechelde Zus Desna, ‘Je gaat me doodmaken met plezier!’ Wat een avond! Om zo fo Janki te komen zingen! Dan toen riep Tanta Beki, met haar gedrag van een autoriteitwijf toch: ‘Kalméér! Kalméér! Wachte, we gaan meneer die wijsheid wijs maken! Zingen weer! Dan gaan we 't doen!’ Daar zong ze weer, over de op stap zijnde jongens, die natuurlijk geen meid met rust zouden laten! Ze zong, en zong, zong met herhalen, met wederzang van die anderen en die mee-neuriënde ‘wit-boi’ totdat ze opeens riep: ‘Grit' a taja!’ (Schuur die tajer!) En ziedaar: de twee andere vrouwen sprongen op. Hup! Opo ala joe kra: al je geesteskrachten losgegooid en daar gingen ze, dansend op en neer. Ma' al heel spoedig gooiden ze makaars onderlijf tegen elkaar en ‘schuurden’, ‘raspten de wortelknol die de tajer was.’ (Aardig refreintje no?: schuur die tajer!) Hij schaterde grote geluiden uit! God god! Wat een leven! Dat deze mensen na eeuwen van onderdrukking nog zo vrijelijk hun levenslusten konden laten gaan! Dat was een wonder in zijn Europese ogen. Maar to the point: dit waren dames die het deden! En waarschijnlijk sloeg die knol op heel iets anders. Als ze maar schuurden! Maar 't maakte geen verschil of je nu de ‘gewone’ paartjes voor je had. Dit was meer dan gewóón, zoals het hem reeds op de boot door De Moor was verteld. Ja, die meiden! Ze deden een mati-wroko: gíngen met elkaar! Of anders gebruikten ze de korenspier, maiskolfdus, waar al de maiskorrels van af waren gesnoept. Die ‘korenspier’ diende weliswaar fo de was met de hand bij de tobbe. Ma' ja... de natuur had zoveel dinges voorhanden en als een vrouw niet swanger wilde worden, buik krijgen, dan was er | |
[pagina 182]
| |
altijd wel een uitgekiende manier om haar lusten toch te botvieren. Die mannen! Die konden desnoods ‘boom bijten’ van geilheid, krasse lust! Ma' als zo'n vrouw echtecht nie swanger worden wilde, dan werd ze het ook niet. Dan schuurde ze hem desnoods!, die tajer!, ma' met vriendin... En o, me Janki! Had hij niet bijna elke middag via de radio in de verzoekplatenprogramma's, massa's aanvragen gehoord? Steeds van: vriendin die en die, voor ‘hare zeer geliefde en gewaardeerde vriendin’ die en die? Dát waren de grote mati-sma, de grote lesbiennes van het land. En met ere! Want naam en toenaam werden genoemd! En owee als er een man tussen durfde te komen! Ze vochten gewoon met 'em, totdat hij opgaf! Plotseling rende die gedachte dwars door z'n hoofd, dat ze met ‘de jongens’ weleens ‘de meiden’ zouden kunnen hebben bedoeld. Vandaar dat intens lachen onder 't zingen! Ma' daaraan twijfelde hij even later weer. Ach, wat gaf dat? Als buitenstaander, maar waarschijnlijk ook als binnenstaander, wist je al, dat zulke liederen steeds een klein geheimpje in zich hielden. D'r zat iets van waarheid èn onwaarheid in. Die hele en halve geheimen der volkskultuur! Een waarachtig zingen over de dingen des levens, die zich op de meest onwaarschijnlijke manier voordeden! Dat was centraal gegeven. De rest was je buik uitleven, in Hollanse termen, je hart uitstorten. Want hij, met zijn Europese intellekt, was geneigd het laatste zinnetje van de tajer in feite als onzin te bestempelen. Het had geen binding met de rest van de tekst en was dus ongeldig, no? Behalve... behalve als er onbarmhartig werd geschuurd met onderlijven. Dan, ja, dán was alles méér dan reëel, vooral omdat het onder zijn gestudeerde ogen plaats vond, met alle schúúrrealiteit van gewijfte! ‘Meiden! Oen wani wan bita? Willen jullie een bitter?’ vroeg hij. En natuurlijk waren ze van de partij! Tanta Beki wilde echter op dat vroegavondse uur nog geen dram hebben. Ze had die ochtend al uitgebreid bij de Loekoeman, de Ziener gezeten. Eén van haar oudste zonen was in strafhuis, djail terecht gekomen. Welke misdaad hij had gedaan, wist ze nog niet. Ma' ze trachtte en verzocht, om dat via die bewuste Loekoeman te weten te komen. Plus zocht ze direkt een magisch voorwerp, die ze op bezoekuur aan hem zou gaan staan overhandigen. Zonder zulke dinges aan die | |
[pagina 183]
| |
gevangeniswachters te laten zien. Hij zou daarna daardoor gevrijwaard worden van schuld, en dus geen straf krijgen! En dus weer binnen de kortste tijd opnieuw bij z'n huis verschijnen. Dus wilde ze geen dram, die al tezeer haar gedachten daaromtrent zouden losmaken. Droevige dinges achter pretgeschuur, no? Ma' wel wilde ze een djogo: volle liter pils die ze binnen de kortste tijd in een machtige slok achter d'r keelgat zou laten weggorgelen! ‘Baja, mi dja! Ik ben met héél me jeje op je gekomen, hoor! Wat jammer dat deze bakra geen po koe speelt! Hier!’ Zie liep na' Masra Janki! ‘Hier! Als je geen drumstokken kan slaan, dan kan je zeker pottedeksel slaan!’ Dus gaf ze hem twee deksels van de pannen, die Janki's vrouw inderhaast van d'r vertrek, die avond, op tafel had laten staan. Ze waren dikke potten van zwaar aluminium, dat eerst als grondstof het land uitgevoerd was en in vertienvoudigde prijs als pot weer was ingevoerd en verkocht. Hij, als blanke uit Europa, had nu de kans dat aan den lijve mee te maken, wat het betekende. Gelukkig fo z'n mars, dat hij een blankemans beurs had! ‘Goedoe, geef hier!’ Daar begon het lied opnieuw, met ditmaal Masra Janki stampend in een hopeloos ritme met zijn twee benen en tegelijk de deksels tegen elkaar slaand. Dat, dat was originele muziek! Dat was iets hypernieuws. Maar het werkte! En het werkte, tot die vrouw van 'em heel plotseling kwam binnen dringen, en dat gezelschap in opperste uitbundigheid aantrof. De ‘dames’, elkaar schuins aankijkend, gingen vrolijk verder. Janki had, toen dat hij ze uit hun Van Dijkbuurt liet komen halen via Zus Leida, zo gezégd met z'n bakramond: ‘Mi wawansade naoso!’ Hij zou - als man - alleen zijn. Zeker ook, als bakra! Dan nu zo,.... Maar er zat vanaf toen iets gebrokends in die sfeer, wat even later goed tot uiting kwam, toen het volgende lied volgde. Want dat ding was een wals. En dat was, vergeleken met dat vorige, nog heilig. Ma' het gaf niet! Lied was lied!, no? Dus zong Tanta Beki, ditmaal weer tussen die anderen op het rijtje, langzaam de driekwartsmaat wiegelend: Kon si da prodo: wenke, a de weri!
Moimoi boketi, a vasi a de!
| |
[pagina 184]
| |
Ma efi da baiman, a de mankeri:
moi wenkemoi, a no de seri jete!
Dan efi joe trobi en, waki en maniri:
a de wan rowsoe, sondro soemeri!
Kom eens kijken hoe mooi die juffrouw gekleed is!
Als een prachtig boeket in een vaas!
Maar als er niemand is die 't boeket koopt,
is die schone juffer als boeket nog lang niet verkocht!
En als je 't haar hof maakt, kijk dan hoe ze zich
gedraagt:
Zij is als een roos zonder geur(igheid!)
‘Mooi! Mooi! Mooi!’ Flamingo klapte d'r handen! Prachtig van stijl, en een heuse wals!, echt Europees! Ma' haar echtgenoot wilde van ze het volkse, dat èchte. Echter, hij kon het op dat moment niet meer krijgen. Want de dames besloten het wat kalmer aan te doen. Ija! Nu geen djompo-djompo meer op de vloer, maar rustig en kalmpjes zitten, laat de vroege avondwind uit dat venster op je waaien. Dan ken je luieren met je bittertje. En tori praten. Gewoon praten dus, om het praten. Of af en toe, zoals het gans de bedoeling van deze magertjes uitgevallen Janki was, een ècht verhaal, anansi-tori, of iets uit slaventijd. Of een eigen ‘ondervindingsverhaal’ die door één of andere rondbazuiner à la Bochtesnijer verteld was, kwijtraken aan de tapte. Want duidelijk was, dat hij bezig was met een onderzoek. Dan hoe hij zo, z'n grootgeweldige apparaat meegesjouwd had naar op een stoel toen ze kwamen, zagen ze de draaiende rollen die je stem (en dus je geest!) opnamen, vooral in het allereerste begin, met een zekere mate van ‘geheim-vrees’ aan. Stel je voor, dat je je kra & jeje kwijtte aan die bakra? Nono baja! |
|