De betoverde wereld
(1691-1693)–Balthasar Bekker–
[pagina 67]
| |
§. 1.DE sevende en laatste plaatse, Deut. 18: 10, 14. daarwe nu toekomen, is so gewightigh en van sulken breed beslagh, dat naawlix dit gansche hoofdstuk daar toe groot genoeg sal zijn. Want niet alleenlik zijn daar alle soorten der gebruikelikste Wichleryen van dien tijd, en onder Israel bekend, by een gesteld: maar dat het meeste hier moet gelden, gesteld in vergelijkinge, en tegen onse Hoofprofeet, dien sy alleen, en boven Moses horen; en d'anderen daar buiten, of daar tegen, alle even seer verwerpen moesten. Want men wil doch, dat ook de Duivel self een Koningrijke tegen dat van Christus heeft; so ook ene Schole tegen die van Christus: en een Priesterdom, dat tegen 't sijne aangesteld, de menschen, in de toverscholen onderwesen, hem ook leert offerhanden doen; gelijk het ook Danaeus in mijn I. b. XXII. §. 12. bescheidelik voor oogen stelt. Hier word nu al dat volk by een gesteld, dat tegen onsen groten Leeraar staat; en altemaal geweerd, of immers wel sorgvuldiglik gemijd moet worden, indien men hem gehoor sal geven. Want om ons tot geen vorderen saken, dan die tot ons bestek behoren, uit te laten, so stellen wy voor af vast, dat die Profeet, van welken God op 't 15. en 18. vs. belofte doet, de Heere IESUS is. §. 2. Om alles echter van den grond af op te neemen, (also daarna op dese plaatse niet besonders meer te doen sal zijn) so staat te merken, dat hier het volk van Moses hertelik gewaarschowd word, voor allerhande leeringe en Leeraars, die tot bestuur van 's menschen levens streek, by sonderlingen voorval van die Heidenen geraadvraagd wierd: en dat om tweederleye reden, waarom hen dat niet paste, en dat het hen ook niet te raden was. Het paste niet: om dat het grouwelen van dese heidensche Kanaanyten waren, voor hen gansch niet betamelijk om na te volgen. Dit seit het 9. vs. Wanneerge komt in 't land, dat u de HEERE uwe God sal geven; so sult gy niet leeren doen na de grouwelen derselver volkeren. Dat selve word daar naar op't 12 nader aangedrongen; want al wie sulx doet is den HEERE een grouwel. En buiten dat so was 't genoegh, dat sy van dese volkeren door Gods genadige verkiesinge genoegsaam onderscheiden waren; en daarom van d'Afgoden tot den waren God bekeerd, ook met der Heidenen gewaanden godspraak geen gemeenschap moest hebben. Want dese volkeren (seit hy op 't 14. vs.) die gy sult erven, horen na Guichelaars (![]() ![]() | |
[pagina 68]
| |
uwe God en heeft u sulx niet toegelaten. Ende dit, na dat hy te voren geseit hadde op het 13. vs. Opreght, opreght sult gy zijn, met den Heere uwen God: te kennen gevende, dat sy den waren God nu dienende, de anderen verlaten moesten, en niet op twee gedachten hinken; 1 Kon. 18: 21. also Gods Tempel en der Afgoden geen gemeenschap t'samen hebben. 2. Kor. 6: 16. §. 3. Nu volgt de tweede reden, waarom het Israel ook sonder die voorgaande reden niet te raden was: en schoon sy dat voorseide onderscheid niet wel begrepen, genoegsaam konde dienen, om hen van sulken doen op 't kraghtigst af te schrikken. Dat seit hy verder op het 12. vs. Om deser grouwelen wille verdelgtse de HEERE uwe God voor uw aangesighte uit de besittinge. Wat soude 't baten, datse door sulken sterken hand van so veel tekenen en wond[e]ren, verlost uit d' allermoeijelikste slaverny, nu 40. jaren lang gesworven hebbende door veel vervaarlike woestijnen,
Per varios casus, per tot discrima rerum;
Met veel gevaar en swarigheid,
Door duisend wegen omgeleid;
en eindelik 't beloofde Land betredende: daar in niet souden konnen duren? Maar wat mogt Israel daar van versekeren, so sy den waren God nu so wel kennende, noch deden als de gene die hem niet en kennen? en ydele Godspraak volgende verdichten Goden d'eere deden van den waren God, en hunne dienaars neffens of in plaatse der Profeten gingen vragen? En hadden dese Heidenen, niet beeter weetende, om datse beter moesten weten, daar door hun land en goed, en lijf en leven al met een verbeurd: hoe souden sy daar by bestaan, die 't so wel wisten, die so schonen wett in handen, en die grote wonderen noch ook voor ogen hadden: indiense 't selfde deden waarom de andere volkeren verdreven waren. §. 4. Dat dit nu alles word geseid in tegenstellingen van onsen algemenen Opperleeraar Iesus, die Profeet, die na den inhoud deser Proefezye in de wereld komen soude: (Ioh. 6: 14.) dat blijkt uit dien, dat hy tot tweemaal toe daar tusschen beiden van hem spreekt. En eerst, na dat hy op 't 14. vs. geseid hadde, dat God hen niet en hadde toegelaten, na guichelaars en waarseggers te horen: na wien dan? Enen Profeet (seit hy op 't 15. vs) uit het midden van u, uit uwe broederen, als my, sal u de HEERE uwe God verwekken; na hem sult gy horen. Sy hadden tot so lange sich te houden aan de Wet van Mose, den Knecht des Heeren, tot dat hy nader soude tot hen spreken door den Sone. Mal. 4: 4. Heb. 1: 1. en 2: 1: 6. Daarna gebied hy also sterk, na dien Profeet te horen, als hy verboden hadde d'anderen te vragen: voor reden geevende, dat hy daar toe van God gelast en onderright sal zijn; en dreigende derhalven, dat hy de ongehorigen wel swaarlik straffen sal. Het eerste: wederhalende de vorige belofte, seit hy op 't 18. vs. Ik sal mijne woorden in sijnen mond geven, en hy sal tot hen spreken alles wat ik hem gebieden sal. Het ander volgt terstond daar aan: vs. 19. De man die niet sal | |
[pagina 69]
| |
horen na mijne woorden, die hy in mijnen name spreken sal, van dien sal ik het soeken. §. 5. En om voor al gewis te zijn in dit gevoelen, dat Moses in 't verbieden van die weetenschappen, konsten, handelingen in het 10. en 11. vs. (waartoe ik nu terstond sal komen) geen andere verstaan wil hebben, dan die maar op doling in de Leere sien, en tegen Gods geopenbaarde Wetten strijdig zijn: so stelt hy noch daar by op 't 20. vs de straffe des doods, by sulken mensche te verbeuren, die veinsen moghte, wel geen van die voornoemde wicchelaars, maar een Profeet des waren Gods te zijn; indien daar iemand so hoogmoediglik mocht handelen, een woord in 's HEEREN naam te spreken, 't welk hy hem niet geboden hadde; om datse niet bedrogen wierden. Of ook indien maar een so onbeschaamd moght zijn, om self in 't eigen uitverkoren land des volx van Israel, en by dat volk te spreken in den naam van andere verdighte Goden. Maar of die straffe op alsulken schendaad daar gesteld, niet hinderde dat echter sulke valsche Leeraars noch gevonden wierden: op dat d' opregten evenwel daar mede niet bedrogen waren, so geeft hy op het einde te verstaan, waar by het woord te kennen soude zijn, dat God de HEERE niet gesproken hadde; waar van (gelijk hier voor VIII. §. 15. eens geseit is) hier na in 't XV. hoofdstuk noch besonder sal gesproken worden. §. 6. Wat nu de namen self betreft, waarmede dit verboden en verdichte Godspraak hier word uitgedrukt: sy zijn meest alle hier te voren al verklaard; gelijk op ieder in 't vervolg sal aangewesen werden, en die ons noch niet voorgekomen zijn, hier op het naaste uit te leggen. De draad der rede heeft 'er negen aan malkanderen geregen: waar van de eerste niet alleen tot noch toe ons niet voorgekomen is, maar ook sich twijfelachtig aansien laat, of hier wel toe behoort. Want het ontwijselik een slag van Afgodsdienst geweest is, daar in bestaande, dat d' ouders hunne kinderen den koperen beelde van Saturnus, heeft gevuurd, (dat meintmen dat de so genaamde Moloch der Hebreërs is) in d' armen gaven, en so een gruwelofferhande deden; of datse die op eigen armen tusschen twee vuren door gedragen, en onbeschadigd blijvende, daar door versekerd hielden voor het ongeluk en tegenspoed: gelijk daar af verschillende gevoelens zijn; derwelker sommigen het eerste, anderen het laatste, en wederom noch anderen het alle beide voor waarachtig houden. Men mag daar van eens nasien Lev. 18: 21. en 20: 2: 2. Kon. 17: 17. en 23: 10. Nu in den laatsten sin soo was het seker slagh van wicchelrye: insonderheid indien daar by komt het gene de doorleerde Iak. Alting, mijn seer waarde en getrouwe meester eertijds in de Hebreewsche tale, ter dese plaatse seit: en 't gene ik by Seldenus, Drusius, Vossius, Goodwijn en anderen niet vinde: te weten, dat sy meinden na die so gepleegde offerhande in den Droom van Godverlicht te worden, aangaande 't gene namaals te gebeuren stonde. Indien dat is, so heeft' et reden, waarom de Dromen by alle dese wicchelrye niet genoemd zijn; die echter buiten allen twijfel mede tot | |
[pagina 70]
| |
dit doen behoren: want dan soude dit in plaats der Droombediedinge hier staan, en dese snoodste en verfoeijelijxste wijse als by uitneementheid in plaats van alle d'andere getekend zijn. §. 7. Doch d'eerste soorte die met duidelike onderscheidinge betekend word, is hier degene die met waarnemen omgaat, (d' Oversetters hadden voor 't oversien waargissingen gesteld)![]() ![]() §. 8. Waar nu dat quaad in steekt dat sal behalven 't gene op 't begin van dit kapittel in 't gemeen geseid is, hier na noch wel wat nader aangewesen worden. Hier is 't genoeg, dat van den Duivel niet alleen geen meldinge gedaan, maar elders ook betekend word, dat het geheel wat anders is. Want de kosemijm of waarseggingen des Konings van Babel Ezech. 21: 21. bestonden in de pijlen te slijpen, de Terafijm te vragen, en de lever te besien. Het slijpen van de pijlen soudemen met reden mogen denken dat op de voorbereidselen des oorlogs sag; also de pijlen moeten scherp zijn, sose schaden sullen: ten ware dat het woord Waarsegginge voorgegaan zijnde, noch twee andere volgden, die ter selfde sake behoren. Ik sal my hier niet dieper in die plaatse geven, om dat deselve noch in 't naaste hoofdstuk op sich self besien moet worden. Maar ook niet een van alle d'andere, daar ons dit woord, daar van afgeleid, ontmoet, brengt met sich 't allerminste teken | |
[pagina 71]
| |
van den Duivel. Ik salse hier alle aantekenen, die ik behalven de voornoemde vinden kan, en laten 't oordeel aan den Leser. Num. 22: 17. en 23. 23. Ios. 13: 22. 1 Sam. 6: 2. en 28: 8. 2. Kon 17: 17. Spr. 16: 10. Ies. 3: 2. en 44: 25. Ier. 14: 14. en 27: 9. en 29: 8. Ezech. 12: 24. en 13: 6, 7. en 22; 28. Mich. 3: 6, 7. Zach. 10: 2. Van desen hebben wy alreeds verscheidene verhandeld: en self de gene daar Saul tot de Toveresse segt; voorseg my door den waarseggenden Geest. 1 Sam. 28: 8. doch met eene gesien VI. §. 8.---16. dat daar de Duivel niet eens by te passe quam. En d'overige plaatsen sullen wy noch in 't naastvolgende hoofdstuk elk besonder doorgaan en besien. §. 9. (2) De twee soorte der verbodene wicchelrye is![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() | |
[pagina 72]
| |
(4) Den ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() | |
[pagina 73]
| |
‘een middel om het lichaam te genesen. Dit is het naaste dat men hier van seggen kan; geen ander Iode sal het beter doen: en 't komt ook met Ioodsche lettergrillen, in 't I. boek XIII. §. 9--12 gedacht, wel over een. Doch daar uit sietmen ook met een, dat self een Iode eer op allerhande oorsaak denkt, dan dat hy de besweeringe aan Duivels kracht, of enige gemeinschap van die menschen met denselven, toepassen soude: §. 13. De twee die hier aan volgen zijn (6)![]() ![]() ![]() ![]() | |
[pagina 74]
| |
dit versta ik even eens als 't andere: sy dromen 't mogelik wel eens in slaap, waar aan sy wakende, en ylhoofdig vastende, so dikwijls en so sterk te voren dachten. §. 15. Doch dat van beiden nopende de graven word gesegd, komt met dat gene over een 't welk aan de Ioden eertijds wierd verweeten, datse waren sittende by de graven, en vernachtende by degenen die bewaard wierden, of, in de holen, of verborgene, of woeste plaatsen, of bewaarde begravenissen: gelijk het andere vertalen, en 't ook van onse Oversetters aangetekend is. Iesa. 65: 4. Dit heeft my Musculus wel best en breedst verklaard. Sy vraagden, seit hy, aan de doden, en van de Daemons (hy seit à Daemonibus, en met à Diabolo van den Duivel,) 't gene sy begeerig waren om te weten. Dus satense of binnen of tusschen de graven, de verschijningen der Doden uithalende; en vernachteden in woeste plaatsen, spreidden daar de vellen der geofferde beesten en gingen daar op liggen slapen; om in den droom so te verneemen 'tgene te gebeuren stond. Siet (seit hy verder) wat kan de bygelovigheid niet doen: maar niet, wat kan de Duivel doen? Doch hoe het ook van anderen verklaard magh worden of wat misschien die menschen self daar af geloofden: Maimonides een Iode self, geloofde niet, so als terstond §. 12. gesien is, dat dese menschen door den Duivel deden, of van hem te weten quamen, 't gene sy op dese wijse quamen vragen. En sekerlik, de Schrift op 't diepste uitgehaald, geeft niet de minste openinge van 't gene dat daar na gelijkt. Wy hebben met de Wetten nu gedaan; derhalven laat ons voorts tot andere plaatsen overstappen. |
|