Mattanja van den Bos
Over Gerhard Falkner
Taal waar je je telkens opnieuw aan stoot, dat is waar dichter, schrijver en vertaler Gerhard Falkner (Schwabach, 1951) op uit is. Hij debuteerde met de dichtbundel so beginnen am körper die tage in 1981. In 2016 verscheen zijn debuutroman en magnum opus Apollokalypse.
De missie van Falkner is het hogere taalgebruik in stand te houden, de ‘gehobene Sprache’, in weerwil van het vlotte taalgebruik dat steeds meer de norm wordt. Hij doet dat door de taal te blijven verbinden met de klassieken middels een twist - een twist die in de taal zelf zit en in de clash met moderne elementen uit de cultuur. Hij verrast de lezer door van ritme te veranderen, plotseling een andere afslag te nemen, of door het bewuste gebruik van clichés die vervolgens uit elkaar gerukt worden.
Zijn tweede roman Romeo oder Julia gaat uit van een existentiële kwestie, zijn of niet-zijn, leven of dood. Hoofdpersoon Kurt Prinzhorn wordt slachtoffer van een bizarre stalking. De dichter en schrijver wordt door een vrouw gevolgd van Innsbruck naar Moskou en van daar naar Madrid. Prinzhorn vraagt zich af wie de vrouw is die zoveel weet van zijn leven en zijn denkwereld terwijl de herinnering aan zijn eigen verleden wordt vertroebeld door zijn actuele liefdesavonturen. De roman is doorspekt met verwijzingen naar de klassieke literatuur, de popcultuur, mode en film. Die fungeren als betekenisgevers voor wat men ziet en wat voor verbanden er gelegd worden. Prinzhorn noemt zichzelf niet alleen ‘Romeo’ maar ook ‘Tristan’ en ‘Werther’, voor hem voornamelijk een versiertruc. Wie de ‘Julia’ in zijn verhaal is, weet hij niet. Wat voor de schrijver spel is, blijkt zijn stalker doodserieus te nemen. Men kan niet precies weten wat de impact van woorden op een ander is, tegelijkertijd staat vast dat ieder woord een beslissing in zich draagt.
Romeo oder Julia stond op de shortlist van de Deutscher Buchpreis.
De crux van het verhaal is Kurt Prinzhorns gedicht:
de jubileumuitgave van je lichaam
de zogenoemde Leipziger uitgave van 1998
een paar heerlijke paperbacks
met een armband vol stekels om de smalle
en dan nog talrijke betekenisvolle blikken
met een speelduur van nu al vier jaar
commentaren, kritiek en hermeneutiek
over gelach, tranen en excessen
ten slotte nog een paar gedichten
die, nadat ze explodeerden in mijn hart,
neerregenden op ons krakkemikkige huisje
in de stofzuigerzak te belanden