Raster. Nieuwe reeks. Jaargang 1983 (nrs. 25-28)
(1983)– [tijdschrift] Raster–
[pagina 66]
| |
Hans Tentije
| |
[pagina 67]
| |
seren; het meest platvloerse in woorden te verbinden met het metafysiese: - pogingen die tegen beter weten in steeds weer opnieuw worden ondernomen. Zulke konfrontaties, de manieren waarop allerlei kontrasten op elkaar gaan inwerken, hebben dan wel niet het opheffen van die antithesen tot gevolg, tòch kunnen er wonderlijke kristallisaties van betekenissen plaatsvinden. De zin van het schrijven schuilt in het schrijven zelf. Een schrijven dat met het gaan en het zijn hoe langer hoe meer synoniem wordt, tot het tenslotte zal samenvallen met het eindpunt van de tijd. - De dood als enig mogelijke, alles omvattende synthese. In feite is iedere tekst van Beckett te lezen als een ‘Fin de partie’. Wanneer Molloy in de naar hem genoemde romanGa naar eind5. zijn relaas begint, heeft hij waarschijnlijk juist zijn voorlaatste grote krachtsinspanning achter de rug. Hij bevindt zich nu in de kamer van zijn moeder. Of ze dood is, al dood was toen hij er gebracht werd, kan hij zich niet herinneren. Zijn verslag (geschreven in opdracht van een vage en verder ook onduidelijk blijvende persoon) is een verward verhaal over zijn speurtocht naar zijn moeder. Die moederfiguur is door het geheugen vervormd, door de verbeelding nauwelijks meer tot leven te wekken. Op zijn tocht beweegt Molloy zich op krukken voort. Soms maakt hij gebruik van een fiets: ‘...een kettingloze fiets met vrijloop, als zoiets bestaat.’ Het vertelperspektief is volkomen onbetrouwbaar. Flarden fantasie en herinneringsbeelden vermengen zich met af en toe heel reëel klinkende beweringen. Maar alle feiten en redenaties worden vaak meteen ondergraven doordat Molloy hun waarde in twijfel trekt en vervolgens weer met andere waarschijnlijkheden op de proppen komt. Zo is zijn zoeken naar zijn moeder misschien eerder een zoeken naar zichzelf: een reis door het eigen chaotiese innerlijk, langs alle (taal)wegen die maar begaanbaar zijn. Molloy's beschrijving eindigt op het moment dat hij zelfs kruipend niet meer vooruit kan komen. Op de bodem van een greppel gelegen wacht hij de hulp af die ‘een stem’ hem even daarvoor beloofde. En zo zijn we, ondanks een hiaat, terug bij het begin, daar waar Molloy in zijn moeders kamer de pen opneemt. De andere helft van het boek wordt in beslag genomen door een rapport dat eveneens onder druk tot stand komt. Aan het woord is nu ene Moran, die op zekere dag bevel heeft gekregen zich ‘om Molloy te bekommeren.’ Morans zwerftocht lijkt in verscheidene opzichten op | |
[pagina 68]
| |
die van Molloy. Het zoeken van beiden is een blind zoeken, gevangen als ze zitten in het labyrint van hun wanen. Het resultaat van hun doorstane ellende is het echec. Dat Molloy weinig meer te verliezen heeft maar misschien eerder nog iets zou kunnen terugwinnen (‘le Temps Perdu’, zijn zoekgeraakte herinneringen), maakt hem op zich tot een minder tragiese figuur dan Moran, die - in de kracht van zijn leven - langzaam aan in de vernieling raakt. Tegen de tijd dat hij op zijn beurt zijn bevindingen op papier moet gaan zetten, is hij kreupel en psychies totaal ontredderd. Hij noteert: ‘Het is middernacht. De regen klettert tegen de ramen.’ Met deze twee zinnen was hij halverwege het boek zijn rapport ook werkelijk begonnen. Einde en begin zouden volkomen in elkaar zijn overgevloeid, als die zinnen aan het slot niet prompt werden ontkend: ‘Het was geen middernacht. Het regende niet.’ Hoewel de kontinuïteit duidelijk wordt verstoord, ontstaat hier eveneens de suggestie van een cirkelgang, van de verschrikking van het vicieuze dat als eeuwige straf in het mythiese denken zo'n voorname plaats inneemt. De essayist Ludovic Janvier komt in zijn studie Pour Samuel BeckettGa naar eind6. zelfs tot de volgende konklusie: ‘... la fin de l'un nous jette au commencement de l'autre. Le livre est une spirale (...) qui nous propose une montée sans fin, aussitôt la descente qui l'achève, et ainsi de suite. Voilà le mobile qui représente le parcours de l'être, malgré lui, vers le pays de meilleure connaissance.’ Dit laatste is nog maar de vraag, omdat de lezer zich voor dezelfde interpretatieproblemen gesteld ziet als de hoofdpersonen; geen al-wetende verteller die hem verder helpt. De verhalen van Moran en Molloy komen niet echt rond. Het mysterie blijft ondanks hun manke stormlopen en schaarse ogenblikken van helderheid intakt. En of het nu om cirkelbewegingen (die elkaar al dan niet ergens snijden) of om een spiraalvorm gaat, daarbinnen koncentreert zich het leven. Via tegenspraak en paradoks is geprobeerd de tijd stil te zetten, te elimineren, uit de tekst te werken. Een gedicht dat qua struktuur overeenkomst vertoont met de roman Molloy, is La Mouche, te vinden in twee vrij recent verschenen verzamelbundels: Collected Poems in English and French en Poèmes suivi de mirlitonnadesGa naar eind7.: | |
[pagina 69]
| |
De Vliegtussen 't schouwspel en mij
de ruit
leeg op haar na
vliegensvlug
geregen in haar zwarte darmen
radeloze sprieten gevouwen vleugels
gebogen poten leegte opzuigende mond
't blauw uitwissend te pletter vallend op 't onzichtbare
onder m'n machteloze duim gooit ze
de zee en de vredige hemel ondersteboven
Hoewel het tussen 1937 en 1939 moet zijn ontstaan (samen met elf andere oorspronkelijk in het frans geschreven gedichten publiceerde Beckett het voor het eerst in Les Temps Modernes van november 1946), lijkt het een moment dat geput is uit de gedachtenstroom van een van zijn latere personages. Of liever gezegd: op een ogenblik van epifanie uit zo'n monologue intérieur - van een fragmentariese maar toch totale helderheid. Wat Hugh Kenner ooit eens heeft opgemerkt omtrent Molloy, geldt even zo goed voor dit gedicht: ‘There is never an obscure sentence. Absolute precision, absolute, almost finicky certainty attends the grip of these sentences upon meaning. And yet the uncertainties occur, and pervade (...).’Ga naar eind8. En dat ondanks de feitelijke onvertaalbaarheid van de vierde regel; het ‘ventre à terre’ uit de franse tekst (‘buik op/over de grond’, ‘in vliegende vaart’, terwijl het woord ‘ventre’ ook voorkomt in de betekenis van ‘vrouwtjesdier’, ‘wijfje’) verliest helaas in het nederlands enkele niet weg te denken implikaties. De beginregels zijn paradoksaal en misleidend. De woorden ‘tussen 't schouwspel en mij’ doen veronderstellen dat er aan de andere kant van het glas tenminste iets te zien, te beleven valt. Maar wat er gebeurt - of gebeuren gaat -, vindt juist niet daar plaats, nauwelijks ook op of tegen het raam: het speelt zich voornamelijk af in het hoofd van de toeschouwer. De ‘ruit’ is ‘leeg op haar na’. Het ene tafereel heeft voor | |
[pagina 70]
| |
het andere moeten wijken. Pas in de laatste regel verschijnt het van meet af aan verzwegen uitzicht, maar dan is het door een onaanzienlijk insekt binnen de kortste keren definitief (?) ondersteboven gegooid. Het procédé is haast filmies. De kamera staat als het ware op veraf ingesteld maar zoomt, nog voordat er van enige registratie van hetgeen binnen het gezichtsveld ligt sprake heeft kunnen zijn, op de vlieg in. Achteraf bezien is het uitzicht ‘out of focus’ steeds nadrukkelijk aanwezig geweest. Aan het eind van het gedicht wordt het onverwacht scherp naar voren gehaald. De dieptewerking die zo ontstaat, krijgt ondanks of juist dank zij alle konkreetheid een bijna symboliese dimensie. Niet dat daarmee de beelden - het kameraoog op oneindig - werkelijk stilvallen. Integendeel. Wat eenmaal is aangezwengeld, in gang is gezet, lijkt niet meer te stuiten. In de achtste regel is een mogelijke aanwijzing te vinden die pleit voor een niet-lineaire interpretatie. Want werd ‘'t blauw’ (dat van het schouwspel, van hemel en zee) immers niet direkt al, zij het voor even maar, uitgewist? En impliceert ‘'t onzichtbare’ soms niet meer dan enkel de lege ruit? Chronologie en kausaliteit worden door de elkaar verdringende indrukken verstoord. De vlieg heeft een dominerende, regisserende invloed: ze bepaalt het kijken van de toeschouwer, dwingt hem zijn blik van buiten naar binnen te verleggen - en van binnen weer naar buiten. Het repeterende, de omcirkelende beweging van het gedicht vangt op een prachtige manier het wezen van de vlieg. Ze is tot op haar darmen doorzichtig gemaakt; haar nietigheid tekent zich tegen glas en achtergrond genadeloos scherp af. Maar het volle licht valt tegelijkertijd ook op de onbeduidendheid van de kijker, die niet bij machte is om - al was het maar met zijn duim - dit noodlottige circuit te doorbreken. Het uitzicht, het verschiet van de leegte eist zijn rechten tenslotte blijvend op. Dat is het vacuüm dat binnen dit gedicht gekreëerd wordt; het stroomt vol tijd, alvorens het zich wel aan het tijdloze moet uitleveren.
Een ander gedicht dat terechtkwam in Les Temps Modernes van november 1946 droeg de titel Dieppe. Het vormt met de in 1948 geschreven gedichten je suis ce cours de sable qui glisse, que ferais-je sans ce monde | |
[pagina 71]
| |
sans visage sans questions en je voudrais que mon amour meure de laatste afdeling (onder de titel Quatre Poèmes) van de in 1961 verschenen bundel Poems in English.Ga naar eind9. De engelstalige versies ervan, die Beckett zelf maakte, zijn naast de oorspronkelijke teksten afgedrukt. Dat gebeurt in deze Rasteraflevering eveneens, omdat het wellicht interessant is om te zien welke vrijheden de schrijver zichzelf hier en daar heeft toegestaan en hoe dicht hij daarentegen op andere plaatsen in de buurt van het origineel is gebleven. Beckett heeft die samenhang later verbroken: in de beide eerder genoemde verzamelbundels staat Dieppe los van de andere drie, terwijl de nummering uiteraard is komen te vervallen. Enkele regels vinden in de Collected Poems in English and French voorlopig hun definitieve vorm.Ga naar eind10. - Bij mijn vertaling in het nederlands heb ik de franse tekst gevolgd, omdat die niet alleen kompakter maar vooral ook indringender is. Deze ‘Dieppe-gedichten’ (zo zijn ze indertijd wel eens aangeduid) mogen ondanks hun nummering niet als een soort cyklus worden beschouwd: de titel van de afdeling verzet zich daar al tegen. Bovendien bestaan er geen indikaties dat er naar iets buiten hun eigen kontekst verwezen wordt. Toch is waarschijnlijk de verleiding groot om zekere verbanden te gaan leggen. Maar àls er van enige koherentie gesproken zou kunnen worden, mogen thematiese overeenkomsten daarbij nauwelijks het uitgangspunt vormen, omdat ook in Becketts poëzie slechts geringe variaties op de bekende thema's voorkomen. Wat je hoogstens zou kunnen zeggen, is dat enkele elementen op een opvallende manier in verschillende van deze gedichten terugkeren. De mysterieuze eenvoud van Dieppe is moeilijk te ontraadselen. Ruimte en tijd tussen ‘de laatste eb’ en de bewoonde wereld van ‘de oude lichten’ lijken vervuld van eenzaamheid en doelloosheid. Mogelijk is er aan het rechtsomkeert maken een niet te overwinnen aarzeling voorafgegaan, waardoor deze eb niet werkelijk de laatste wordt. Onwillekeurig moet ik denken aan een passage uit Molloy: ‘...misschien ben ik in de war met een ander, eerder verblijf, want dit zal mijn laatste zijn, mijn voorlaatste, er is nooit een laatste, aan de zee.’ (p. 98). - De diverse betekenissen van het woord ‘encore’ (het nederlands kent geen bruikbaar ekwivalent) zorgen alleen in het frans voor een grotere meerduidigheid. | |
[pagina 72]
| |
Een dergelijk probleem doet zich natuurlijk vaker voor. Zo ook bij de eerste regel van het tweede gedicht, waar zowel ‘ik volg...’ als ‘ik ben...’ gelezen had moeten kunnen worden. - De tegenstellingen die aan het slot van beide strofen gebruikt zijn, lopen bijna als vanzelf in elkaar over. Het moment waarop einde en begin, het zich openen en weer sluiten van die deur synchroon worden, is even logies als onontkoombaar. De cirkel komt net zo snel rond als in La Mouche. Hier is de kortstondigheid een ‘kostbaar ogenblik’ dat zich op zoiets ongrijpbaars als de mist aftekent. Het gedicht vive morte ma seule saisonGa naar eind11. benadert de dood op een weliswaar andere maar toch vergelijkbare wijze: leve dood m'n enige seizoen
witte lelies chrysanten
levendige verlaten nesten
modder van de aprilbladeren
mooie dagen grijs van rijp
Als er één tekst is waarin Beckett zich voortdurend uitspreekt over de tekortkomingen van het spreken en het onvermogen om te zwijgen, dan is dat zonder twijfel de roman L'Innommable.Ga naar eind12. Een even naamloos en bedacht personage als in de Teksten zomaar heeft daarin het woord weten te nemen, maar hij doet dat verbetener, wanhopiger nog. Ludovic Janvier acht het niet onmogelijk om in que ferais-je sans ce monde sans visa ge sans questions een kommentaar te zien van de schrijver zelf op zijn gehele oeuvre.Ga naar eind13. Dat is een wat voorbarige konklusie. Bovendien negeert hij het aparte geluid van deze ‘stem tussen de stemmen’. De toon is mild, berustend bijna. Weer een andere stem dan bijvoorbeeld in het volgende gedichtGa naar eind14.: muziek van de onverschilligheid
hart tijd lucht vuur zand
van de stilte 't instorten van liefdes
| |
[pagina 73]
| |
overstem hun stemmen zodat
ik me niet meer hoor
zwijgen
Tenslotte is er het heel direkte, openlijk lyriese je voudrais que mon amour meure. Het zeer wordt hierin zo kernachtig en schitterend verwoord, dat er van deze kant maar beter een gepast stilzwijgen op kan volgen. |
|