| |
| |
| |
De Denker.
No. 231.
Den 1 Juny 1767.
[Brief van den Predikant Eerlyk Junior, om het Moffelen in 't Godsdienstige wiskonstig te beletten; by gelegenheid van het uitgeeven van No. 223. en 224.]
Jurata lingua est: mente juravi nihil.
Euripides.
HEt Karakter van den Weleerwaardigen Schryver des volgenden Briefs is te beminnelyk, deszelfs Inhoud te gewigtig, en de meeste Aanmerkingen in denzelven voorkoomende zyn te juist om hem mynen Leezeren te onthouden. Dus luidt hy.
| |
Myn Heer en Medebroeder!
NOoit heb ik uwe Vertoogen geleezen; daar ik my nu over begin te beschuldigen. Ik ben een Predikant van de Praedomineerende Kerke deezer Landen. Een Man van dat karakter moet voor alle dingen zorg draagen zynen Naam ongeschonden te bewaaren, zal hy vrugt van zynen dienst verwagten; 't welk altoos myne bedoeling is geweest, sedert ik my aan den dienst der Heiligen heb overgegeeven. Men moet zich ten dien einde, zoo veel met Waarheid en Deugd bestaanbaar is, naar de vooroordeelen der menschen schikken, en sommige dingen, om der zwakke broederen wille, nalaaten, die in zichzelven niet ongeoorloofd zyn. De meesten onder ons ergeren zich aan Werken van dien aart, als het uwe is; inzonderheid als zy
| |
| |
weeten dat het niet uit den Schoot der Kerke komt, ('t welk in 't algemeen geloofd wordt, schoon het my thans zeer bedenkelyk voorkomt,) en dikwyls rouleert om derzelver Sentimenten belachchelyk en bespottelyk te maaken, en derzelver Hoofden braaf te hekelen en op het lelykste ten toon te stellen, gelyk men gelooft en u daar over beschuldigt. Ik vond het uit dien hoofde niet raadzaam uwe weekelyksche Blaadjes te leezen, om altoos een vry woord te hebben dat ik den tyd met het leezen van zulke Prullen niet doorbreng: ook, om de waerheid te zeggen, had ik nimmer lust noch trek, om zulke gevoelens, die ik voor Heilig houd, in boert te hooren doorstryken, en het karakter van luiden, onder welken ik de Eer heb te behooren, op eene laffe en ongezoutene wyze lustig over den hekel te zien haalen; zoo als men my van u vertelde. Ik liet dan na, uwe Vertoogen te leezen, uit een pryswaardig beginsel; alhoewel eenige zwakheid van vooroordeel (en wie is daar van toch geheel bevryd?) my daarvan teffens deed afzien.
Uwe Vertoogen van den 6 en 13 April, [No. 223 en No. 224] maakten te veel gerugts, om ze niet te leezen. Men vertelde my dat het Impertinente, Eer-en Faam-roovende Stukjes waaren, geschreeven om de Leerstellingen onzer Kerke op eene vuile en boosaartige wyze te streepen, en derzelver Geestelyken, volgens gewoonte, op het lelykste ten toon te stellen; als of het menschen waaren, die uit het getal van alle braave en eerlyke luiden behooren uitgemonsterd te worden. Ik las dezelven met de sterkste vooringenoomenheid, met welke ik ooit eenigen Arminiaanschen Schryver heb geleezen. Ik was daardoor juist in staat alles ten allerergsten te duiden, en byna uit ieder woord Venyn te zuigen; doch konde 'er niets, dat naar de minste afkeerigheid van de Sentimenten onzer Kerke en eenige Kwaadaartigheid zweemt, hoe zeer ik zogte, in vinden: integendeel worden in die Stukjes, zonder omweegen allen zulke gebreken ten toon gesteld, daar een eerlyk man van gruwen moet, en die ik in myn binnenste verfoei.
Die Moffelaars, (om my van uwe uitdrukking te bedienen,) zyn duizendmaal erger, dan de bitterste Arminiaanen. De eersten zyn heimelyke, de laatsten openbaare vyanden onzer Kerke. Wy worden door de eersten in ons eigen Lighaam verraaden. Dat zien onze Verstandige Godgeleerden duidelyk. De Heer B..... heeft
| |
| |
daarom, onder voorwensel van het op V....... en soortgelyke Vyanden van den Kristelyken Godsdienst gemunt te hebben, die Knaapen schooon gestreept, en getoond dat hy een Man is, die iets zeggen durft.
Ik wenschte wel dat die Heer 'er heimelyk niet zoo wat onder gemengd hadt, waar uit men schier zoude moeten besluiten, als of hy van gedagten is, dat de Overheid nog al iets te maaken heeft in het voortplanten van sommige en het onderdrukken van andere begrippen in den Godsdienst. Ik hoop dat ik den Man niet regt begreepen heb. Dat zou naar Papery zweemen. Een regt geaart Protestant gebruikt andere Wapenen, het Gezond Verstand en Gods Woord, om de Waarheid voortteplanten en de Kettery te keer te gaan; nimmer roept hy den Souverein te hulp; deeze heeft, zyns Oordeels, niets met de byzondere Begrippen der Onderdaanen te maaken, maar alleen zorg te draagen, dat zy zich als goede Burgers, stil en vreedzaam, gedraagen, en Tol en Schatting betaalen; by hem is God alleen Heer van 't Geweeten, aan wien een ieder, de Overheid zoo wel, als de allergeringste Onderdaan, voor zichzelven Rekenschap zal moeten geeven; de Overheid te beduiden, dat zy die en die Begrippen, als zielschadelyk en God onteerend, niet behooren te dulden, laat hy voor de Roomsche Geestelykheid, die anders geen kans ziet Meester van de Kerk te blijven en over Groot en Kleen braaf den Baas te Speelen. - In Spanje kan geen Protestant duuren; hy moet zwygen of sterven. Dit verfoeien wy; dit zien wy aan voor de grootste verongelyking; wy denken dat de Souverein daar geen regt toe heeft; dat men de arme Protestanten hun Geweeten vry moest laaten beleeven en hun onverhinderd, zoo wel als den bigotsten Pausgezinden, toelaaten de Godheid volgens hunne Overtuiging te dienen; en ik geloof dat wy 'er wel over denken. Maar hoe strookt het dan dat wy ons ooit in goeden ernst zouden kunnen diets maken, dat diezelfde handelwyze, die in Spanje niet deugt, goed zou zyn in Nederland? Hebben wy Brieven van den Hemel, die ons daar toe veroorlooven? men toone ze ons of zwyge; en laate elk die Vryheid, die ons als Menschen en als Kristenen alleen dierbaar is. Onze Burgervaders gelooven niet dat zy 'er zyn, maar dat het Opperweezen het regt alleen aan zich heeft behou- | |
| |
den om over 's menschen Geweeten te heerschen, en daarom laaten zy elk zyne begrippen vry en onverhinderd belyden, leeren en beleeven. Zy draagen zorg, dat de een den anderen, ter oorzaake van den Godsdienst, niet benadeele of onderdrukke. Dit hebben zy onlangs getoond in eene Nabuurige Provincie, in spyt der booze Heerschzugt, Trouwens als de Heeren geen Meester waaren, dan liep alles in de war. Wy hebben met het Raadhuis niets te maaken. Op den Kansel is het onze post onzen Toehoorderen, op eene bescheidene wyze, onder het oog te brengen, wat zy te gelooven en te betragten hebben; wy net op de maat, en volgens de Regelen onzer Kerke: daar mogen wy geen enkel woord af- of toedoen, of wy zyn Guiten en Meinedigen, gelyk de Lutherschen, die de Onveranderde Augsburgsche Confessie bezwooren hebben, zyn zouden, indien zy zich niet even stipt by dezelve houden, als de Roomsche Kerk aan de Besluiten van 't Concilie van Trenten. Die geene Belydenis hebben van menschelyk maakzel moeten zich alleen met de Heilige Schriften vergenoegen.
Tegen lieden, die eenig Leerstelzel bezwooren hebben, en zich daar aan niet stipt houden, heeft de Heer B..... het gemunt. En op het moffelen van zulke Predicanten, die anderen tot hunne Kerkgemeenschap toelaaten, als zy volgens hunne vrywillige verbintenis daar toe mogen toelaaten, hebt gy het, in uwe gemelde Vertoogen, gelaaden. Ik zie met u die Knaapen met de uiterste verontwaardiging aan. Geene woorden kunnen te sterk zyn om hunne snoode handelwyze uittedrukken. Myn Oom Eerlyk (No. 224) schynt geenen raad te weeten, om zulks die Heeren te beletten: 't is ook een moeilyk stuk: 't beste dat ik 'er op weet is hen by den Souverein als Meinedigen aanteklaagen; die zal dan wel regt doen. De Formulieren moeten agter den bank, of de zoogenoemde Toleranten, anders Moffelaars, ter Kerke uit; daar is anders niet op; de Kerk moet zuiver blyven; het mag gaan zoo 't wil. Als de Souverein, die zekerlyk regt heeft zulke schikkingen te maaken, als hem deswege goedunkt, goed mogte vinden het strenge der Formulieren eenigzins te maatigen en eenige Oogluiking te gebruiken, daar men voor begint te vreezen, dan zyn wy 'er mede gefopt; dan moeten wy het met het boelt- | |
| |
je zoo goed maaken, als wy kunnen, gelyk nu de Dissenters moeten doen; die baas is moet baas blyven.
't Doet my wonder, dat myn Oom Eerlyk uwen Raad niet verzogt heeft, hoe men best die knaapen uit de Kerk zal houden, die tot ons overkoomen onder voorgeeven dat zy Gereformeerd zyn, terwyl zy het heimelyk en in hun hart met Luther, Menno of Armyn houden? Daar zie ik wel kans toe. Het zyn meest al ryke lieden, die zich by ons vervoegen; het is die Knaapen om een ampt te doen, om mede eenen veeg uit de pan te hebben. De gewoonte heeft gewild dat iemand, zoo draa hy Lidmaat by ons is geworden, aanstonds geregtigd is tot alle de Privilegien of Praerogativen, die aan onze Kerk gehegt zyn; dit wilde ik een weinig veranderd hebben; eerst behoorden zy eenige Proefjaaren doortestaan; daar zou ik ten minsten vier of zes jaaren toestellen, en zou eenige beproefde regtzinnige Leden onzer Kerke verzoeken, om hen van slap tot stap nategaan, en naauwkeurig te letten of zy, geduurende dien tyd, zich wel in alle opzigten volgens de Regelen onzer Kerke gedraagen, en niet eenig zweemsel van vermoeden geeven dat de oude Adam 'er nog in zit Staan zy de Proefjaaren door, zonder eenige verdenking te geeven, dan zou ik hun in de zes volgende jaaren permitteeren om twee of drie jaaren Schepen te zyn; mits dat zy daar toe verstands en kundigheids genoeg bezitten. En gaat het geduurende deeze twaalf jaaren volgens het Oordeel der Keurmeesteren zoo, dat 'er niets op te zeggen valt, dan zou het hun moe ten vrystaan zoo wel te mogen staan na de aanzienlykste Posten, als zulken, die door de geboorte daar toe geregtigd zyn. Doch, zoo men in de Proefjaaren eenig zweemsel van Onregtzinnigheid ontdekte, behoorde menze op het stinkbankje te laaten zitten, en, zoc de aap uit de mouw kwam in de volgende zes jaaren, zouden zy zich in hunnen ouden dag moeten laaten vergenoegen met den Tytel van wel Edele Gestrenge Heer, Oud-Scheepen der Stad **; het welk zekerlyk eers genoeg zou zyn voor een' Man van geene Conscientie. De Bedieningen aan alle Protestanten, zonder onderscheid te geeven, daar de Heer Irenophilus Orthodoxus, [No. 204,] op aandringt, is wel het gereedste middel om dit alles voortekoomen; doch onze Kerk heeft nu dat Voorregt. Dat
| |
| |
men heeft houdt men gaarne. Ook is dit eene Politike zaak, daar Eerlykheid noch Oneerlykheid niet by te pas komt. Ik voor my, konde de Souverein zulks goedvinden, zou 'er niet tegen hebben. Als de Kerk maar zuiver blyft, is 't my genoeg. Uiterlyk Aanzien is geen noodzaakelyk Kenmerk van de waare Kerke; maar de Zuiverheid in de Leer, voor zoo verre die de grondslag is van eene goede Betragting.
Eene Bedenking hebben sommigen tegen uwe meergemelde Vertoogen gemaakt, die ook tegen deeze myne Bedenkenkingen is te maaken, of wy namelyk geene Mannetjes in de Maan schilderen en praaten van Luiden, die 'er niet zyn. Was dat waar, hoe zou ik my verheugen! Maar, God betere het! Wat soort van volk is 't, dat tot ons overkomt? Heertjes, die gaarne wat meer Figuur willen staan in de waereld, dan de Staat, waar in zy gebooren zyn en opgevoed, toelaat; Juffertjes, die of onder haare Gezindheid niet aan eenen Man kunnen koomen, of die hunkeren na den Tytel van Mevrouw, dat onder de Dissenters zoo algemeen niet is, als by ons.
Kan men nu denken dat zulke Persoonen, (anderen koomen zelden of nooit tot ons over,) het waarlyk doen uit overtuiging dés gemoeds? Neen, Broeder! Figuur te slaan, eenen Man te hebben, Mevrouw te heeten, zyn de laage en snoode beginselen, waar door zy overgehaald worden, om zich by ons Genootschap te vervoegen. Daar moet dan Gemoffeld of eene Belydenis gedaan worden strydig met de waare meening zyns harten, dewyl men met geenen grond altoos vooronderstellen kan dat juist in zulke zulke Persoonen, die Geld hebben, of net op dien tyd als 'er zich eene goede Gelegenheid of Party opdoet, om zyne waereldsche oogmerken te bevorderen, eene overtuiging des harten zou plaats hebben wegens de verkeertheid dier Begrippen, die men in zyne jongheid inzoog, en wel zulke Bevattingen, die geheel strydig zyn met die van onze Kerk.
Myne Moeder Zaliger, een allerbraafst en waarlyk Godvrugtig mensch, was wonderlyk in den schik, als zy hoorde dat 'er iemand tot ons overkwam; zy schreef het aan eene byzondere Goddelyke Werking toe. Schoon ik met haar overtuigd ben, in spyt der Pelagiaans gezinden, dat God kragtdaadig en onweerstaandbaar werkt, heb ik
| |
| |
echter te veel eerbieds voor Gods Handelingen met de menschen, om dat gedugt Opperweezen dingen toe te schryven, waar in men duidelyke blyken bespeurt van geene gemeene menschelyke zwakheid, maar van de allersnoodste gebreken, Onopregtheid namelyk, Verkragting van 't Geweeten, eene doemwaerdige Geveinsdheid en godlooze Huichelary. Hoe zeer ik ook ingenoomen ben met myne God dienstige begrippen; en welk eenen afkeer ik ook hebbe van de Leergronden der Pelagiaanen, (daar ik de Lutherschen, Mennisten en Arminiaanen voorhoude, om dat zy eenen vryen wille leeren,) zoo heb ik echter nog veel sterkeren afkeer van menschen, die in schyn Gereformeerd zyn, en het in hun hart met Luther, Menno of Armyn houden, of zich uit waereldsche inzigten by ons vervoegen, zonder van de waarheid onzer Leere in hun gemoed volkoomen overtuigd te zyn, om dat de Laatsten en Ketters en snoode Huichelaars te gelyk zyn, daar de Eersten maar alleen Ketters zyn en ondertusschen Braave en Eerlyke menschen kunnen weezen. Voor de Eersten is misschien nog hoop van Zaligheid, maar voor de Laatsten geene verwagting altoos. Die in den Hemel zal koomen, moet een Eerlyk mensch zyn. 't Zyn de afschuwelykste denkbeelden te denken dat de Hemel eene Verblyfsplaats zou kunnen zyn van zulke Guiten, die de menschelyke Maatschappy niet zou kunnen dulden, indien ze regt ontdekt konden worden.
Ga dan maar voort, Myn Heer! met de ondeugden en gebreken onzer tydgenooten te keer te gaan. Ontzie geen mensch. Bekreun U niet of sommigen het kwaalyk neemen. De waarheid wil dikwyls niet gehoord worden. Kunt gy goedvinden deezen Brief eene plaats te geeven in uw Werk, dan zal ik gelegenheid hebben te verneemen, of myne gedagten, om het Moffelen voortekoomen, en de Kerk zuiver te houden, aanneemelyk geoordeeld worden. Hier door zult gy my en de goede zaak dienst doen.
Ik ben
Uw Vriend en Medebroeder,
EERLYK Junior.
1767.
| |
| |
***
Ik verheug my over het regt dat de Weleerwaardige Heer Eerlyk Junior my doet, van te gelooven dat ik geene byzondere Sekte beldoel; maar alleen, als Nationaal Schryver, tot een Oogmerk heb de Ondeugd, waar en by wien zy ook huisvest, onbeschroomd te keer te gaan. Op zyne aanmoediging word ik op nieuw aangespoord om mynen Vaderlanderen, onder de toelaating der Hemelsche Voorzienigheid, niet slegts te vermaaken, maar ook, zoo 't mogelyk is, te verbeteren.
D.F.
Deze Vertoogen worden uitgegeven, te Amsterdam, by de Erven van F. Houttuyn, en zyn, ieder Maandag, by dezelven te bekomen; en, wyders, te Arnhem by W. Troost, Dordrecht A. Blussé, Haarlem J. Bosch, Delft E.v.d. Smout, 's Gravenhage P. van Thol en E. Boucquet, Leiden P.v.d. Eik, Rotterdam R. Arrenberg, Monnikendam T. Tjallingius, Middelburg P. Gillissen, Vlissingen P. de Payenaar, Utrecht G.v.d. Veer, Leeuwarden H.A. de Chalmot, Harlingen F.v.d. Plaats, Sneek R. Zeylstra, en Groningen J. Crebas.
|
|