| |
| |
| |
Tiende hoofdstuk
De jonge vrouw uit de apotheek rookte een sigaret in zijn winkel, aandachtig op de tenen balancerend als gereed tot een sprong. Een paar andere klanten kwamen en gingen. ‘U bent niet gekomen,’ zei ze tegen Dirk toen ze alleen waren, ‘en u zoudt een gewaardeerde gast zijn geweest.’ ‘Bevalt het nieuwe huis?’ vroeg hij en zag in een flits de hoge witten bedden van zaal C derde etage.
Ze antwoordde op een toon alsof dat vanzelf sprak, ‘de plannen daarvoor waren al lang gerijpt,’ zei ze.
Hij vermeed het naar haar te kijken; speelde ze de vrouw uit een andere wereld dan de zijne, wilde ze hem naar die wereld doen verlangen? Vrouwen konden wreed zijn. Ze had een nieuwe sigaret aangestoken. ‘Je hoort van mannen die hun levenlang het raadsel vrouw trachten op te lossen,’ zei ze, ‘nooit het tegenovergestelde. Maar als ik ermee begin en denk de eerste te zijn zal ik over andere vrouwen lezen die me vóór zijn geweest.’ Ze lachte en keek naar de golvende vitrage van het binnenraam. Plotseling vroeg ze: ‘Hoe is 't met uw zoon?’
Het hoofd buigend vertelde hij over Berries ziekte. Zijn vrouw, die nu bij de jongen was, had gezegd: ‘bel maar niet op, ik kom wel weer thuis.’ Hij wist niet wat te doen en moest maar afwachten.
De vrouw tegenover hem scheen te aarzelen tussen zwijgen en praten.
‘Tja,’ zei ze, ‘het is maar goed dat we niets hoeven te wensen, het gaat buiten ons om, leven en dood.’ Hij zag haar donkere ogen glanzen. Ze ging voort: ‘Het opent wel perspectieven, zo'n ernstig geval. Indertijd stond mijn vader erop dat ik naar kantoor zou gaan; ik was zeven- | |
| |
tien en wilde nog wat leren, - hij lag al jaren ziek en had angst voor armoede. Toen is hij toch nog onverwacht gestorven, en ik kon mijn leven in eigen handen nemen. Dat was mijn eerste werkelijk bezit, of bewustwording van bezit, - en weten dat we nooit iets meer zullen hebben.’ Ze wierp nog een blik op de alkoof en nam afscheid. Misschien zou hij haar woorden later terugvinden, dacht Dirk, voor het ogenblik was het hem goed dat ze ging. De ochtend sleepte zich voort; als er geen klanten waren, geen vertegenwoordiger met zijn praatjes, keek Dirk naar de hemel, waarin het winterlicht al scheen te doven. - Als er niets bijzonders gebeurt, had Koos gezegd, hoor je niet van me. Als de medicijnen niet helpen en alles grauw bleef - of wit om dat bed - Berries ziekte kon niet onbeslist blijven. Een vreemde afspraak, wat noemde Koos ‘bijzonder?’ Hij zou die avond bellen, in de apotheek misschien, die vrouw was nu toch op de hoogte. Dat wilde zeggen: Ze wist van Berries ziekte, wist dat het eigen leven ons enig bezit uitmaakte, maar wat betekende dat nog? - ieder leven bleef een ondoorgrondelijk geheim. Mogelijk was die apothekeres nieuwsgierig naar hem omdat hij met bebloede handen voor haar had gestaan, - misschien dacht ze dat een schuit met oud roest het symbool was van zijn leven. Dan kende ze Koos niet. Hij kneep de handen tot vuisten.
Er kwam een jonge vrouw binnen. ‘Van As,’ zei ze, ‘kijk je weer in de lucht, wat zie je daar toch? Man, ze gaan ons huis afbreken, saneren, noemen ze dat. Komt het jouwe nog niet aan de beurt? - kan je een vogelkooitje huren.’ Ze lachte en hij deed gewillig mee. ‘Zou je vrouw een keer het deurtje open latenstaan en weg was je - een sijsie meer in de lucht. Nou, geef mij maar shag en vloeitjes.’
| |
| |
Een nieuwe klant, een jonge kerel, wist te vertellen hoeveel huizen er zouden worden gesloopt. De Jordaan zou de Jordaan niet meer zijn, hij verhuisde dan maar naar het Geuzenveld, daar lagen de helden van vroeger begraven.
‘Je kletst,’ zei de vrouw, maar Dirk ving een blik van de ander op.
‘Dat's een Kenau,’ zei hij en liep weg.
Wat later begon het te regenen; als het hard gaat, krijg ik schuilers, dacht Dirk. Hij had zich een kop koffie willen maken, maar vergat dat weer, en bleef naar de lucht kijken.
Toen Koos verscheen, vroeg in de middag, had hij nog niets gedronken of gegeten; hij zag haar bovenlijf door het glas van de deur, ze leek even te aarzelen en een seconde later begreep hij dat ze moeite had met de koffer in haar hand. Komt Berrie terug? ging het door hem heen. Ze richtte de blik niet op hem, liep de gang door en zette de koffer pas neer in de kamer.
‘Zo, daar ben ik.’ Ze verschoof een schaaltje op het buffet en ging voort: ‘Om zes uur vanmorgen was het afgelopen; ja, je zult het zeker wel hebben gedacht, eindelijk kon ik mijn hand op zijn ogen leggen. Heel stuntelig, je zou zeggen bangelijk, zo was dat heengaan.’
Dirk stond tussen haar en de tafel; hij wist dat ze over Berrie sprak, hij dacht aan de woorden: toen is hij toch nog onverwacht gestorven - waar had hij die gehoord? Hij wilde vragen: Wat zit er in die koffer? maar schrok daarvoor terug en vond niets om te zeggen. Het forse lichaam van Koos trof hem; ze kon niet zijn veranderd in die paar dagen, of toch: door maar stil aan Berries bed te zitten en zijn ogen dicht te drukken? Berrie was dood,
| |
| |
het maakte hem, de vader, tot een anderen man - een sijsie meer in de lucht, - nee, een mens met een zwaar hart. ‘Waarom,’ vroeg hij, ‘heb je me niets laten weten?’ en terwijl hij die woorden sprak, zwol de droefheid in hem en deed zijn keel trillen.
Koos had haar mantel afgelegd en porde in de kachel. Zich oprichtend zei ze: ‘Wat moest ik je laten weten? Het kind was bewusteloos, eigenlijk al die tijd, je had er niks an, en de dokter hield maar vol dat hij niet kon zeggen welke kant het zou uitgaan. Het was maar zitten, zo nu en dan eens kijken en de tijd verdrijven met andere patienten. Vanmorgen had ik je een telegram kunnen sturen, ik heb nog aan iemand gevraagd: Waar is hier het postkantoor? Had je het gewild, - alleen in huis zijn en met zo'n papiertje in je handen staan? Ik was nog bang dat je wat geks zou doen, naar Schellingwou lopen of zo. Nou ben ik tenminste bij je en kunnen we praten.’ Hij vroeg: ‘Zal ik de winkel sluiten - wegens sterfgeval?’ ‘Welnee,’ zei ze, ‘geen gekheid, alleen de dag van de begrafenis. We moeten nu de tanden op elkaar zetten en - ne...’
‘Wanneer is de begrafenis?’
‘Vrijdag; die vent zei eerst zaterdag, maar dat heb ik niet genomen. Hij wist het vanmorgen om acht uur al, dus tijd genoeg om te passen en te meten, en de zaterdag is ons vetste happie.’
Ze bukte naar de koffer, hij hoorde de winkeldeur en wendde zich af. Het was hem of hij in een ander lichaam liep, zo slap waren zijn knieën, zijn rug zo moe en stram. Er stond een klant die hij kende, een zwijgzaam mens; hij vroeg niet: ‘Waarmee kan ik u helpen?’ alle woorden leken te zijn uitgedoofd.
| |
| |
‘Van As,’ zei de man, ‘wat zal ik doen, mijn pijp smaakt me niet meer.’
Langzaam antwoordde Dirk: ‘Dan zou ik niet roken.’
De ander knikte, een frons in het voorhoofd. ‘Tja, dat lijkt erg simpel, maar als het leven ons niet meer smaakt, kunnen we het moeilijk laten staan.’
Daarop viel een zwijgen; door de ampele vitrage heen zag Dirk de schim van Koos. We moeten nou de tanden op elkaar zetten, had ze gezegd; bedoelde ze: om het bittere te slikken? Berrie was dood, hij, Dirk, zou nog éénmaal naar Ermelo gaan, daarna was het uit, hij geloofde niet in een hemel van gelukzaligheid.
‘Ik ben een beetje vies van mijn ouwe pijp,’ zei de man tegenover hem, ‘ik zal maar een nieuwe kopen. Die stop ik dan in mijn zak en laat hem door mijn handen glijden, - zo'n ding voelt prettig aan.’
Dirk greep een doos waarin pijpen op wit satijn lagen gebed; hij had geen grote voorraad, een goede pijp verkocht hij eens in het jaar. De man was spraakzaam uit dépit, dacht hij, - wat moest er al in hem zijn gebeurd voor hij vies werd van zichzelf...
De koop vergde nog enkele minuten, waarin weinig woorden vielen, toen sloot Dirk de deur achter zijn klant en liep terug naar de alkoof, waar de tafel vol lag met nagelaten bezittingen van Berrie.
‘Misschien kan jij er wat van gebruiken,’ zei Koos, ‘maar het ondergoed is wel erg oud. Stel je voor: Kouber beweerde dat Berrie geen koffer had gehad, - we hebben er heibel om gekregen.’ Ze hield een interlock hemd omhoog. ‘De jongen was fors, ik kan de zijnaden wat innemen.’
Hij antwoordde: ‘Ik heb hemden genoeg.’
| |
| |
‘Nou ja, genoeg...’ Ze trok met de schouders. ‘Jij hebt je levenlang gedacht dat jij niet slijt, je bent verwonderd als je een gat ziet.’
Hij zweeg en dacht aan Berrie, vragen doemden in hem op en kwamen toch niet over zijn lippen, - hij had Berries dood aanvaard, zoals hij alle leven had aanvaard. Hij wist dat Koos op het tochtige zolderkamertje bij de Koubers had geslapen - maar mogelijk had ze de laatste nacht gewaakt? Waarom vroeg hij daar niet naar, en naar de woorden van den dokter, de hoofdzuster, den begrafenisondernemer? De zaterdag was hun vetste hapje? - lang niet altijd, dikwijls was het de vrijdag geweest. Hij zou het weekend willen sluiten, niet omdat hij weg moest, maar bij wijze van rouw, zou naar Zandvoort willen gaan om de donkere zee te zien en de nog zwartere hemel. Opeens wist hij op Oudejaarsavond de dood te hebben gezocht, zijn eigen dood, en die niet te hebben kunnen vinden. Je raapte een schelp op, een leeg omhulsel, daar zag je dan weer een beeld van het leven in, en zo ging je maar voort, de dood van een ander raakte je leven, - er was niet anders dan het leven, hoe kaal en armelijk ook. Dat moest die vrouw uit de apotheek hebben bedoeld, - ze was het zich al op haar zeventiende jaar bewust geworden. Jij bent verwonderd als je een gat ziet,’ had Koos gezegd - en hij glimlachte even daarom - je zag de versleten plekken, je ademde erover, legde je hand erop, - dan genas het weer.
Koos verlegde en schikte de stapeltjes ondergoed, zoals een kind speelt met zijn geringe bezit. ‘Vrijdag moeten we zijn bovenkleren meenemen,’ zei ze, ‘Kouber heeft het kostgeld voor de hele maand - is Berrie niet de derde januari naar het ziekenhuis gegaan? - en dan durft hij | |
| |
nog te liegen om een koffertje.’ Van verontwaardiging knarsten de woorden in haar keel. ‘Toch is dat wijf erger dan hij,’ ging ze voort, ‘hij heeft tenminste lol in zijn buik, zij niet. En ze is zo stiekum, je betrapt haar nergens op, behalve dan op die televisie. Misschien heeft ze ergens een brandkast met juwelen, je weet nooit, of ze spaart en schraapt voor een familiegraf.’ Zich strekkend zuchtte ze. ‘Ik zal thee zetten; - mijn thuiskomst is precies zoals ik had gedacht: alles bij het ouwe.’
Haastig zei hij: ‘Ik ben blij dat je er bent, maar je had me wat moeten laten weten.’
Met schampere blik overzag ze de tafel. ‘Wist jij niet dat het zou aflopen?’ Hij zweeg en ze pakte Berries bezittingen weer in de koffer.
Plotseling vroeg ze: ‘Heb je nog wat van Wim Pelsen gehoord - of van Mia?’
Een ogenblik moest hij zich bezinnen, toen schudde hij het hoofd. ‘Nee, niets; het is stil geweest zonder jou, ook in de zaak - minder belangstelling dan toen je op het politiebureau zat.’
Van terzijde keek ze naar hem met half dichtgeknepen ogen. ‘Zo, denk je daar nog wel eens aan?’ Nu stootte ze een lachje uit. ‘Ik heb Molly niet vermoord, hè? en Berrie ook niet.’
Hij schrok van de drift in haar, waarmee ze zichzelf leek te beschuldigen. Ze hadden de jongen thuis moeten halen toen hij zo hoestte, met Kersttijd, maar hijzelf, de vader, had hem weggebracht, ver weg in de kou van dat open dorp. En in dat schone witte bed, terwijl een zuster zijn pols voelde, was Berrie verstijfd. Bevroren. De winter was ook koud en lang, misschien zou het nooit meer voorjaar worden.
| |
| |
Hij zag de koffer tussen de tafelpoten staan, Koos was naar de keuken gelopen. Nu moest er iemand de winkel binnenlopen, dat hij weg kon uit deze ruimte, waarin Berrie duizendmaal was gestorven doordat niemand aan hem dacht, zich even bewust werd van ongestoordheid nu de jongen niet meer thuis was. - Ons geweten is gewoonlijk ver weg, dacht hij.
De koffer droeg hij naar het slaapvertrekje, waar het wat lichter was dan in de alkoof en toch schemerig tussen oude, vuile gevels en het grijze gat van de lucht. Vrijdag de begrafenis, - hij wist niet eens wáár, maar zag weer de verlaten wegen tussen winterse tuinen, waar hij was verdwaald, niet recht willende weten wat hij zocht. Anderen zouden het weten, vrijdag, nooit was een mens lijdzamer dan op een begrafenis.
Nu liep hij de winkel in zonder dat Koos het hem belette, - er viel blijkbaar niet te praten over Berries dood, alles was volgens plan verlopen, de moeder had gewaakt, haar tijd zoekbrengend met andere patienten, zieken die beter zouden worden, terwijl Berrie was opgegeven. Coby en Jet wilden naar hem kijken omdat hij zou sterven, maar Jet dorst niet, en Kees, de havenopzichter, vond niets te doen aan dat bed, - hijzelf trouwens evenmin. - Zou hij Lida om een portretje vragen? - nou dan... Het was nu voorbij, alleen de begrafenis moest nog komen.
Hij trok de lade uit waarin de vogelschelp lag en nam het ding tussen de vingers; waarom had hij hem niet aan Berrie gegeven om onder zijn kussen te leggen? Het zou weinig kracht kosten de schelp tussen duim en wijsvinger fijn te knijpen, de mens vermocht heel wat meer, hij zou nog leren de zon te vernielen. Dan redde de natuur het weer door zich aan te passen, in een miljard jaren bereik- | |
| |
te ze wel iets. De dood van een mens werd nietig daarbij, hoe zwaar zijn leven mocht zijn geweest.
Koos kwam de winkel in met haar theeblaadje.
‘Geen klanten,’ zei ze, ‘toch drinken we altijd staande, - maar dat verandert misschien nog eens. Als jij effies aande meiden kon schrijven...’
Haar stem klonk opgewekt en hij begreep haar niet onmiddellijk, totdat de uitdrukking van haar gezicht hem trof, wankelend tussen vrees en blijdschap.
Hij vroeg: ‘Weten ze het nog niet?’ en zij, al drinkend: ‘Hoe zouden ze? Nou ja, ze weten genoeg, maar...’
Bijna glimlachte hij. ‘Maar ze moeten het toch wéten.’ De Koubers, zei Koos, hadden over rouwkaarten gepraat, ze wisten een goeden drukker, maar die hadden zij in de Jordaan misschien ook? Ze had geantwoord: ‘Mijn man hoeft geen reclame-aanbiedingen te doen, van die vodjes, drie in iedere bus, met het snoepje-van-de-week.’ En toen Xantippe nog doorzeuren over die drukker, om haar te doen voelen dat het hun toch te prijzig zou zijn, en Berrie nou niet direct iemand was om kaarten voor te sturen. Een klant onderbrak haar woorden en Dirk zei zichzelf: ‘alles kan wachten.’
Hij schreef zijn dochters terwijl Koos voor het eten zorgde en wilde daarbij Coby onderscheiden van Jet, maar zag hen niet duidelijk voor zich. De jongste had nog weinig vaste vorm; - waarom dacht hij nu aan een pijp, die stevig in de hand lag, goed om te betasten? - Ik verwacht je op de begrafenis, schreef hij en ging in gedachten voort: zonder bloemen voor de dode en zonder tranen om jezelf, maar als het kan zijn met begrip voor het leven. Je moeder heeft al tweemaal gezongen in de keuken, zomaar een brokje melodie; toen het tot haar doordrong, brak ze | |
| |
af. We zullen daar niet over praten, zij en ik. - Hij schreef dit niet, hij noemde alleen dag en uur, en dat ze elkaar aan het station zouden ontmoeten. - Het zou een korte plechtigheid zijn, voegde hij eraan toe, met meer dragers dan belangstellenden, en opkijkend zei hij bij zichzelf: ‘dit zeg ik zonder bitterheid.’
Onder het eten voelde hij de onrust van Koos, het meest in een geforceerd zwijgen, - en wist niet hoe haar te helpen. Hij vroeg of alles was geregeld voor vrijdag; ze knikte en zei dat het haar erg was meegevallen, ze bedoelde: wat er viel te bedisselen door haarzelf, die kraai had het haar uit handen genomen. Natuurlijk, daar hadden ze altijd voor betaald, maar het trof je toch met ‘mevrouw Van As’ voor en na.
Daarmee scheen dat onderwerp te zijn uitgeput. Wat later merkte ze op: ‘Dit wordt mijn eerste begrafenis na die van Molly; toen kon ik mijn grijze mantelpakje aantrekken, dat's nou te koud.’
Hij vroeg of ze een nieuwe mantel wou kopen; ze dacht even na en zei: ‘Nee, ik ben niet een vrouw die alles aan haar lijf hangt en de Koubers lap ik aan mijn laars.’
‘Ze zullen niet komen,’ zei hij, waarop Koos een schampere kreet gaf.
‘Wacht es - ze zijn zo goed voor de jongen geweest.’
‘Maar de winkel sluiten?’
Ze antwoordde: ‘Een uurtje - hij is ouderling, moet je denken.’
Beiden stonden ze op, hij ging zijn brieven posten.
In de avond kwam Mia met haar monteur; ze droeg niet het Legeruniform, ze had een rood fluwelen mutsje over de oren getrokken en haar ogen glansden, maar nu ze moest spreken haperde haar stem.
| |
| |
Ik kom naar Berrie vragen,’ zei ze, ‘dit is mijn verloofde, Evert de Vries.’ De jonge man herhaalde die naam en drukte Dirk krachtig de hand. Toen ze hoorde dat Berrie was gestorven, zei Mia: ‘Ik zag het aan uw gezicht.’
Maar voor je dat had gezien, dacht Dirk, was je Berrie vergeten.
‘Kind,’ zei hij, ‘ik wens je geluk; kom binnen samen, mijn vrouw zal ook blij zijn.’
Koos kwam hun al tegemoet, omhelsde Mia toen ze de jongeling zag, noemde haar Roodkapje en maakte het meisje verlegen met haar vreugd. In de binnenkamer werd Berries naam genoemd.
‘De stakkerd,’ zei Koos, ‘hij heeft tot het laatst met je portefulje gespeeld, het ding geliefkoosd tussen zijn handen zoals hij het nooit een vrouw had mogen doen. Kind, er is een zware zorg van ons weggenomen.’
De jonge mensen bogen het hoofd en vonden geen woorden meer.
‘Drie dagen heb ik bij hem gezeten en heb om zo te zeggen de dood bespied, - dan weet je op het laatst niet meer wat het leven is. Toen is Berrie eruit verlost en voor ons zou een nieuw leven kunnen beginnen, - tenminste als we dat aandurven.’
Bij die laatste woorden vermoedde Dirk een zijdelingse blik op hem, even schamper als haar stem had geklonken. Nu vroeg ze Mia theewater op te zetten in de keuken en zuchtte met een langgerekt hè - hè.
Er was veel gebeurd sinds dat ogenblik van sterven, een ogenblik dat telkens terugkwam.
‘Het is in alles,’ zei ze, ‘je stapt in de trein - het gezicht van de jongen verstrakt en wordt van was; - je praat met Kouber - Berrie duwt niet meer tegen je elleboog;
| |
| |
de doodbidder spelt zijn naam - hij heeft geen naam meer nodig.’
Mia's vriend zei: ‘Maar u sprak van een nieuw leven.’ Het meisje kwam terug en ging weer naast hem zitten; hij nam haar hand in de zijne.
‘Heb ik daarvan gesproken? - dat komt dan misschien na de begrafenis. Jongmens, ik heb fatsoen in mijn lijf, en één zwaluw maakt nog geen zomer.’ In de stilte die volgde voelde Dirk zich beklemd. Had Koos in het wildeweg naar woorden gegrepen? - wat maakte haar zo onrustig? ‘En jullie,’ ging ze voort, ‘je vraagt tegenwoordig niet meer: Hebben jullie trouwplannen, je vraagt: hebben jullie kans op een woninkje.’
‘Verloofd zijn betekent trouwplannen hebben,’ zei Evert en streelde Mia's hand.
‘Die plannen bouwen nog geen huis - jawel, een luchtkasteel, en als er een kind komt, val je door de wolken. De man brengt het er gewoonlijk levend af, zelfs zonder veel kleerscheuren, - naar de rest vraagt hij niet.
‘We nemen de tijd om te sparen,’ zei Mia, ‘we willen niet op afbetaling beginnen.’ Dat klonk schuchter verdedigend en Dirk zei bij zichzelf: Zo was haar stem toen ze mij onder de arm nam, die eerste avond op de wal; het is een lief kind, we zullen haar niet vaak meer zien.
Sparen was een goed ding, zei Koos, je krachten sparen, - als vrouw en moeder wist je nooit hoe hoog de rekening liep. Ze trok de mond scheef en knikte verscheidene malen.
Je kon altijd bijladen, zei Evert, de mens was een accu, en Koos weer: Maar als je teveel moest laden, ging de accu kapot. Ze gaf haar hoofd een ruk en keek Mia aan. ‘Kookt dat water nog niet? toen Berrie naast je zat lette je | |
| |
beter op.’ Onderwijl liep zijzelf naar de deur en lachte. ‘Ik lijk wel de boze stiefmoeder; toch ben ik niet zo kwaad, maar het is een rare dag vandaag.’
Dirk zag de jonge mensen naar elkaar kijken. Het meisje fluisterde: ‘We moesten maar gaan, het is Berrie's sterfdag,’ en de ander knikte. Toch bleven ze roerloos zitten als door te zware gedachten beklemd en Dirk stoorde hen niet. De tijd leek hem stil te staan, hij zonk weg in de doffe geluiden van een stad bij winteravond.
‘Ik schenk meteen in,’ zei Koos terugkerend uit de keuken, ‘thee en bruidstranen moeten niet bitter zijn. Weet je nog, man, dat ik eres een prijs heb gewonnen met een slagzin? Dat was in het begin van ons huwelijk. Ik had koppierijter moeten worden, op school was ik haantje-devoorste, maar met die wilde meiden aan mijn rokken ging het niet, - en later Berrie, de stakkerd. Als moeder voel je je leven naar omlaag gaan.’ Haar blik rustte even op de jonge mensen. ‘Nou ja, ik zal mijn mond houden, jullie zijn jong en verliefd.’ Meesmuilend gaf ze de thee rond. ‘Verliefdheid staat op alle markten hoog aangeschreven, want het is een natuurprodukt, net als roomboter, - maar een lange verloving is een koelhuis, dat zou ik jullie echt niet raden. Mijn man en ik zijn maar vier maanden verloofd geweest, hij had het smerig te pakken en ik vond mezelf al oud met tweeentwintig. Nou denk ik: zou een mens zich zijn levenlang blijven vergissen? Misschien wel, hè? Dan zou Onze Lieve Heer ons moeten uitlachen: Ik heb jullie verstand gegeven en je doet er zo stom mee.’ Haar gezicht was vaalbleek geworden, daarin waren de ogen donkere streepjes achter oude, rimpelige leden. Nog eenmaal had Dirk haar zo gezien, vlak na de geboorte van Berrie, toen ze nog niets wist van haar zoon.
| |
| |
Nu wist ze het einde.
Bijna onmerkbaar gaf hij de jonge mensen een teken met het hoofd dat ze zouden trachten zich te redden uit deze ondergang.
Ze stonden tegelijk op en namen afscheid. Dirk sloot de deur achter hen. Buiten was het donker, - maar hij dacht aan een groot licht.
De dag van de begrafenis was zonloos en grimmig koud. Coby en Jet namen de trein over Utrecht, de mannen konden geen vrij nemen voor de dood van een zwager, zoals de oudste dochter haar vader en moeder had bericht.
‘Ze liegen het,’ had Koos gezegd, ‘een werknemer kan tegenwoordig alles, maar ik neem het ze niet kwalijk,’ en meteen daarop: ‘Het zal een zielig partijtje worden.’
Vóór ze gingen moest Dirk een biljet schrijven om op de deurruit de plakken. Zijn vrouw stelde voor: Alleen vandaag gesloten wegens sterfgeval; - hij wilde die eerste twee woorden weglaten.
‘Doe nou niet eigenwijs,’ zei Koos, ‘de mensen zouden denken dat we voorgoed sluiten.’
‘Dat denkt niemand.’
‘Jawel - een sterfgeval blijft altijd een sterfgeval, - maar alleen vandaag zijn we dicht.’
‘Achter “alleen vandaag” hoor je: Morgen steken we de vlag uit.’
‘En wat zou dat?’
‘Het is geen stijl.’
Bijna was het kibbelen geworden, Koos verscheurde het eerst beschreven blad papier, volgens haar zeggen per ongeluk, waarop Dirk een tweede schreef, nog langzamer,
| |
| |
in grote, gelijkmatige letters, hoewel zijn hand lichtelijk beefde. ‘Had het laten drukken,’ zei ze nog smalend, maar daarop antwoordde hij niet meer.
Op weg naar het station stak ze haar arm door de zijne. ‘Geloof bij alles in het leven dat dit de laatste beproeving is,’ zei ze; ‘dat heb ik in ons buurtkrantje gelezen, ik onthoud zulke dingen.’
‘Je geheugen is best,’ zei hij, ‘maar ik weet het niet, van die laatste beproeving.’
Hij voelde de druk van haar arm. ‘O, jij bent iemand die geen troost wil, - ik snap dat niet, en dat ik het altijd met je heb uitgehouden...’
Het trof hem dat ze nerveus was, en de woorden: ‘Ik wil geen fopspeen’ hield hij binnen.
Een paar stappen verder zei ze: ‘Toch hoop ik dat er iemand bidt aan het graf, - ken jij het “Onze Vader” nog uit je hoofd?’
Hij begon: ‘“Onze Vader, die in de hemelen zijt’ en voelde de winterkou in zijn longen dringen. ‘Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome, zowel in de hemel als ook op de aarde. Geef ons heden ons dagelijks brood.’ De wind sloeg hem in het gezicht.
‘Toch is het een vreemd gebed,’ zei ze, ‘hoe kan je iemand die in de hemel is om brood vragen?’
‘Och, dat is maar bedoeld om jezelf duidelijk te maken wat de mens nodig heeft.’
‘Om mij duidelijk te maken dat ik een boterham moet eten? - Nou zeg...’ Ze gaf hem een por met haar elleboog, maar zei een ogenblik later: ‘Vanmorgen kon ik niets door mijn keel krijgen.’
Hij antwoordde: ‘Dat heb ik gezien,’ en dacht: Geef ons de innerlijke rust om te gedijen. Ze greep naar haar hoed,
| |
| |
waaraan de wind rukte en stond even stil. ‘We lijken wel zo'n paar amechtige oudjes,’ zei ze in een poging tot zelfspot.
Verder gaand vroeg hij zich af of hij beter zou zijn geworden als hij meer morele moed had kunnen opbrengen. Toen er na de oorlog telkens nieuwe namen van verzetshelden opdoken, had hij gedacht: Ik ben altijd al in het verzet geweest - hoewel weinig heldhaftig - tijdens de oorlog die rondom mij heeft gesmeuld. Wat maken wij ons druk over plotselinge, bijzondere vijanden? Iedere mens is mijn geboren vijand, maar de noodzaak leert zeggen: onze geboren vriend, en daarnaar moeten wij handelen. De gedachte ontroerde hem opnieuw. Koos, aan zijn arm, klaagde over de ruwe wind op het open stationsplein. ‘Wat een weer,’ zei ze, ‘en ik moet naar een begrafenis.’ Hij wist geen betere troost dan: ‘Straks zit je in een verwarmde trein,’ maar ze trok de schouders op. ‘Dan heb je een schoonzoon met een wagen.’
‘Eerst werken,’ zei hij, ‘dan een wagen.’
‘O; dat geldt niet voor ons, hè?’
‘De trein is goedkoper en sneller.’
Onder de rit spraken ze niet veel. Toen ze Putten voorbij waren zei Koos: ‘Als er niemand is, kan je moeilijk bedanken voor de belangstelling. Bij Molly waren zoveel mensen...’
Hij dacht: Een vrouw van Molly's allure is wat anders dan een achterlijke jongen, maar zei hardop: ‘Het aantal doet er niet toe, en als er niemand is zal ik de dragers bedanken voor hun werk.’
Ze gaf hem een argwanende blik, maar zweeg.
Volgens afspraak troffen ze Coby en Jet in de stationswachtkamer van Ermelo; hun koffie dampte nog. Dirk | |
| |
zag hoe de dochters anders dan gewoonlijk hun moeder omhelsden: het gold een begrafenis, en ook hij onderwierp zich aan een kus. ‘We zullen gaan,’ zei hij. Coby protesteerde zwakjes: er was nog tijd. - Goed, ze konden hun koffie drinken. Hij nam een stoel, die hij achteruit schoof alsof hij er niet bij hoorde, en wachtte. De jonge vrouwen dronken haastig. Onder het naar buiten lopen zei de jongste tegen haar vader: ‘Jaap kon echt niet komen, ze zijn aan de jaarbalans begonnen,’ en Coby, achter hen: ‘Aan de havens is doorlopend balans.’
In een lange zwarte auto reden zij naar het ziekenhuis en werden naar de achterdeur verwezen, waar de lijkwagen klaar stond. Daar stapten ze uit omdat de chauffeur het portier opende. In een smalle gang bleven ze staan; - geen bank om op te zitten, geen mens te zien. Vragend keken ze om zich heen, alsof ze antwoord verwachtten van de muren. Coby toonde zich het eerst ongeduldig, - ze vond het geen manier, en dan Jet, die in positie was.
Jet zou wel eens langer moeten staan, meende de moeder. Daarop viel er niets meer te zeggen en ze vermeden het elkaar aan te zien.
Dirk keek naar de korrelig witte wanden, de granieten vloer; het schaarse licht viel door de bovenruit van vlakke, grijs geschilderde deuren. Uit één van die deuren zou iemand op hen toekomen, dacht hij, uit de tweede van links misschien, maar er was ook nog een zijgang aan het eind, - er was waarschijnlijk een labyrinth van gangen, en ergens lag het lichaam van Berrie. Wist iemand nog waar, of werd er navraag gedaan, eerst vrij achteloos, dan al dringender: Waar is het lijk van dien ongelukkigen jongen? - Maar er was natuurlijk een dodenkamertje, een | |
| |
soort kast met goede ventilatie, geen daglicht. Met de vingertoppen streek hij langs de muur, die hard en scherp was als een rasp, mortel van grof steengruis, het beste materiaal voor grafkelders, dacht hij.
Onhoorbaar drentelde hij heen en weer, zag telkens eens de drie vrouwen staan, die hem tot poppen werden, meer dan levensgroot, poppen met uitdrukkingsloze gezichten. Hij schuwde het dichtbij te komen, dan zouden ze misschien gaan praten. Alle deuren bleven gesloten; - in de zijgang was niemand te zien. Maar een ogenblik later deed het gerucht van een voetstap hem opkijken; een aanspreker kwam naar hen toe, vroeg of iemand de dode voor het laatst wilde zien. Omdat de vrouwen schrokken en het hoofd schudden, zei hij: ‘Ja, ik,’ liet zich voorgaan en betrad een kamertje om de hoek van de zijgang. Er brandde licht boven de baar, het raam was verduisterd, langs de wand stonden een paar stoelen. Voorzichtig keek hij naar Berries kop en werd ontroerd door de verandering daarin: wangen en lippen waren geslonken, de kleine neus was scherp geworden. Kinderlijke trekken, dacht hij, en toch een volwassene; de jongen had hem vertederd doordat hij de onschuld van het dier bezat. Maar het wezen van het dier schrijnde de mens niet, - er was ook nooit de band als tussen vader en zoon. Daar knelde het: Berrie was zijn zoon geweest, niet zijn hond. Hij zou Koos alles vergeven, hij zou het ‘Onze Vader’ voor haar bidden aan het graf, ook al bleef hij erin steken. Had ze geen gelijk als ze deze begrafenis ‘een zielig partijtje’ noemde? Ze stond daar nog in die koude gang, ze was geen pop meer, maar een vrouw die nu, na Berrie, zijn erbarmen nodig had. - Zonder nog een blik op de dode te slaan wendde hij zich af, knikte de mannen toe die buiten de | |
| |
deur gereed stonden. Hij herkende Koos, maar nauwelijks de dochters.
‘Het is nu gauw gebeurd,’ zei hij en stak zijn arm door de hare.
Op het kerkhof volgden ze de kist, die naar het graf werd gedragen. Om de kuil stonden een paar wachtenden: het echtpaar Kouber, een man met hoge hoed en paraplu, enkele vrouwen, een jong meisje. Koos fluisterde hem in: ‘Is dat Lida?’
Hij trok de wenkbrauwen op. ‘En je hebt haar in Harderwijk gezien.’
Ja, dacht hij, maar ik herken haar niet.
Er werd gevraagd of iemand wilde spreken; de man met de paraplu kwam naar voren, nam de hoge hoed af, keek een ogenblik aandachtig daarin en beurde het hoofd met een ruk op. De overledene, zei hij, was korte poos zijn leerling ter catechisatie geweest; ondanks veel goede wil had het tot lidmaatschap van de kerk niet kunnen komen. God, in zijn ondoorgrondelijke goedheid, had dit jonge leven doen eindigen, de ziel tot zich nemend in eeuwigheid. Veel woorden waren hier niet op hun plaats, maar hij wilde bidden. En hij bad het ‘Onze Vader’ van aanvang tot amen met heldere en toch weke stem en trad weer een stap terug.
Het meisje, zag Dirk, hield zich zoveel mogelijk schuil achter de vrouwen. Het was heel koud, de kleine menselijke adempluim bleef een ogenblik zichtbaar in de lucht. Er klonk een zachte snik, die van niemand anders dan van Jet kon komen; Koos fronste het voorhoofd. Daar geen spreker zich meer meldde, dankte Dirk voor de belangstelling. Op de kist, bedekt door een lijkwade, lag een palmtak met enkele witte lelies. Dralend wendde men | |
| |
zich af, de zusters het eerst; Jet, de zakdoek tegen de mond gedrukt, hing in Coby's arm. Eén der vrouwen, het opgeworpen zand trotserend, bukte zich naar het graf en nam een slip van het lint tussen de vingers. Toen ze niets daarop vond geschreven liet ze het gegêneerd weer vallen. Lida was al verdwenen, ze moest gauw naar school terug, dacht Dirk; zijn blik zocht haar niet in de verte. De Koubers keken elkaar aan en sloten de dominee in; langs een ander pad dan ze waren gekomen verwijderden zich de dragers.
Het was onder een treurwilg op een kruispunt dat de ouders van de jongen werden gecondoleerd, en Dirk dankte de predikant nogmaals voor zijn komst. Het ‘Onze Vader’ was een eeuwig sterkend gebed, zei de man, en zette zijn kraag op tegen de wind. Kouber nodigde hen op een kop koffie, - de dominee was tot zijn spijt verhinderd, de zusters wilden zo gauw mogelijk naar huis, Coby om Jantje, Jet om haar nerveuze staat. Ze namen de zwarte auto, die buiten het kerkhof stond, de anderen konden lopen, zei Dirk, maar Kouber protesteerde: Waren ze drie jaar lang de pleegouders van Berrie geweest om nu in die snerpende wind te worden gezet? - Ze hadden wat anders verwacht.
De vader van Berrie verontschuldigde zich: hij had niet geweten of ze beide weg konden uit de zaak, maar erkende zijn fout. Iedereen kon instappen, hijzelf ging bij voorkeur lopen - en zou wel verdwalen, dacht hij heimelijk. Laconiek zei de chauffeur dat hij mijnheer zou oppikken, zodra hij de dames naar de trein had gebracht, als mijnheer maar rechtdoor wou lopen.
Dirk beloofde het en de volle wagen reed weg.
Na enkele minuten tegen de wind te zijn ingegaan zei hij | |
| |
tegen zichzelf: het is alsof ik dit al eerder heb beleefd, zelfs meer dan eens: ik doe iets fout, en dan ben ik alleen en mijn hart klopt zwaar. Op Oudejaarsavond aan het strand, of na ieder bezoek aan dit boosaardige dorp? Zijn gedachten sprongen. Die palmtak met lelies, besteld op aandringen van Koos, wilde hij vergeten, ze pasten niet bij het lichaam dat hij in de dodenkluis had gezien. Door de bloemen zagen de mensen het lijk niet meer, - en dachten ze daardoor sterker aan de levende? Misschien wel - dan was Koos gerechtvaardigd. Ook dit had hij eerder beleefd: de drang aan Koos vast te houden, haar alles te vergeven - al wist hij niet wat ze zou hebben misdaan. Zo, de woorden zoekend voor wat in hem opwelde, liep hij voort, voelde zijn kaken verstijfd door de kou, maar dacht niet meer aan de auto, tot die bij hem stilstond en hij stemmen hoorde.
Koos, achterin, gaf hem een knipoog, hij moest aan de andere kant van de dorre mevrouw Kouber plaats nemen. ‘We hebben u op een kop koffie gevraagd,’ zei de vrouw, ‘om eens te kunnen praten.’ En na een ogenblik van zwijgen: ‘Ik wil daar niet op vooruit lopen, maar u schijnt nooit te hebben beseft wat het voor ons is geweest die jongen in huis te hebben. - Uw zoon,’ voegde ze er met nadruk aan toe.
Schamper en indringend zei Koos: ‘Wij weten het heel goed, wij hebben hem vijftien jaar in huis gehad.’
‘U bent de ouders - of u was de ouders - dat maakt verschil.’
‘En u bent er dik voor betaald, dat maakt ook verschil.’ Kouber, die naast de chauffeur zat, keek lachend achterom. ‘Mijn vrouw is er anders niet dik van geworden,’ zei hij.
| |
| |
Koos gaf lik op stuk: ‘Maar tv hebben jullie wel.’
Ruzie en gebeden, dacht Dirk, slaan naar buiten als rook en vlammen.
Met trillend hart zei hij: ‘Wij zullen u thuis brengen, daarna rijden mijn vrouw en ik door naar het station. Er valt niets meer te praten.’
Kouber antwoordde: ‘Laf ben je altijd geweest.’
‘Kom man,’ zei de chauffeur, ‘laat je niet zo kennen.’ En, even het hoofd wendend: ‘Ik hoor zo het een en ander op de terugrit, - hangt er natuurlijk van af welke volgwagen ik rijd, maar in de eerste - en dat is hier de enige - kan het heet toegaan. Ik veronderstel dat hier geen erfeniskwestie is en dat het zo'n beetje geharrewar blijft, - maar dán moest u horen!’ Even liet hij het stuur los om de handen omhoog te slaan, toen nam hij voorzichtig de bocht en zette zijn wagen stil.
‘Zo - ga ik door of niet?’
‘Wij gaan door,’ zei Dirk, ‘aan het station zullen we ook koffie kunnen krijgen.’ Hij hielp mevrouw Kouber uitstappen, schoof terug op de bank naast Koos en legde een ogenblik zijn hand op haar knie. Ook Kouber was uitgestapt, de chauffeur reikte naar het portier en trok het krachtig dicht.
‘Ik weet niet,’ zei Koos toen ze weer reden, ‘ik had op dat stel nog wel een paar schoten willen lossen.’
Dirk haalde diep adem. ‘Het is beter zo,’ zei hij zacht, ‘we hebben Berrie begraven.’
|
|