| |
| |
| |
Negende hoofdstuk
De eerste zondag van het nieuwe jaar reed de wagen van Kees en Coby voor, met Jantje naast het stuur op moeders schoot, Jet en Jaap op de achterbank. Lachend liep Koos hun tegemoet en ving het kind in de open armen, het aan de borst drukkend alsof ze het lang had gemist. Dirk, die in de winkeldeur stond, zag het alles aan: de hem maar vaag bekende gestalten, groot in het grijze, nevelige licht, het drukke gebaren van Koos, de gespannen lijnen van haar lichaam, haar volle woorden van welkom. Was haar vreugde geveinsd? - hij ontgaf het zich.
Toen ze om de tafel zaten vroeg Kees, de havenarbeider, naar Berrie. De zusters moesten hun broer eens opzoeken, had moeder geschreven; hij zou graag rijden, maar nam niet meer dan drie volwassenen mee. Rustig keek hij de kleine kring rond, waarin een zwijgen viel.
Zij was eergisteren in Ermelo geweest, zei Koos, en zou dus thuisblijven bij het kind. Jaap, de aankomende accountant, zei wat boeken bij zich te hebben, die hij wilde inzien, - hij stond zijn plaats aan zijn schoonvader af. Koos gaf haar man daarop een blik waarin de waarschuwing lag zich niet te verzetten.
Hij knikte; het bezoekuur was van twee tot half vier, ze konden elkaar aflossen.
Of Berries toestand zorgelijk was, vroeg Jet, en knipperde met de ogen. Ze wist niet of ze in de eerste plaats om haar ongelukkigen broer was gekomen, ging ze met hoge en wankele stem voort, er gebeurde zo veel tegelijk, ze wilde haar ouders zeggen dat ze over een half jaar een kind zou krijgen, als alles goed ging - en ze hoopte op een dochtertje.
| |
| |
‘Meid!’ riep Koos, ‘wat heb je dat lang kunnen stilhouden, en voor je eigen moeder!’
Jet snoot haar neus. ‘Nou ja, moe, ik ben ongerust geweest, maar de dokter heeft gezegd dat ik niet bang hoefde te zijn voor een abnormaal kind.’
‘Het kan altijd gebeuren,’ zei de schoonzoon, ‘spontaan optreden, maar de kans is uiterst klein. Eigenlijk hadden we het nog niet gewild, maar..,’
‘Klets niet,’ zei Kees, ‘welke man wil een kind?’ Zich bukkend trok hij Jantje, die op de grond speelde, aan één voet naar zich toe, zodat de jongen krijste. Jet, nog druk in de weer met haar zakdoek, gaf een snik, waarop Coby uitviel: ‘Zeg zulke dingen nou niet in haar toestand.
Dirk liep de winkel in om sigaretten te halen. Even had hij de schouder van zijn jongste dochter aangeraakt en gezegd: ‘wees jij maar blij met je kind,’ nu stond hij zonder gedachten maar met trillende neusvleugels. Buiten hoorde hij het klikken van de automaat, hoorde voetstappen; ook in huis was gerucht, Koos liep naar de keuken, pratend, van éénhoog kwam radio-orgelmuziek. Hij voelde zich ingesloten door geluiden en vlakken, door oude, verzonken gedachten die weer konden opstaan, - ingesloten, beklemd, - het leven, dacht hij, was een worsteling om ruimte. Hij greep een paar doosjes sigaretten en liep de kamer in. Er werd al gerookt en de houdingen waren losser geworden, de zusters keurden eikaars nylonkousen, de rokken hoog opstropend.
‘Einde van de dienst,’ zei Kees met een blik naar het plafond, ‘maar nog niet het einde van die twee oudjes?’
Koos, die met de koffie kwam, antwoordde: ‘Hij is dood, maar zij leeft nog zo'n beetje.’
| |
| |
‘Als zij ook crepeert,’ zei Coby, ‘moesten pa en moe dat woninkje erbij zien te huren.’
‘Welja, permanent feest op de eerste verdieping.’
Nou, dit kamertje was toch wel erg benauwd, pa kon het bij de winkel trekken. De muur eruit, een klein sommetje ertegenaan gooien.
Hoe laat ze zouden wegrijden? vroeg Dirk. Zijn schoonzoon keek hem onderzoekend aan. - Wegrijden, - ja; gingen de zaken slecht, dat pa niet van uitbreiding wilde horen?
‘Man, laat je koffie er niet koud bij worden,’ zei Koos. Ze spraken nu door elkaar heen over huizen, bevallingen, uitbreiding van de Rotterdamse havens, over pa, die het voor zijn klanten geheim hield dat hij nooit rookte.
Er was roken en ruiken, viel de moeder in op een toon die iedereen verstond, pa had een heel fijne neus, hij rook zonder vuur. En zij dacht aan Ermelo, niemand hoefde bang te zijn dat ze het vergat.
Wat ze daarmee wilde zeggen? vroeg Jaap - hij zou ook mee willen, maar wat kende hij Berrie?
Zeggen niks, ze zou wel doen - om uiterlijk half één ging ze aan die motor draaien.
De eigenaar van de auto, zwaar zittend in zijn stoel, trok de wenkbrauwen op.
Aan de wielen draaien zou haar niet meevallen, en het stuur zat binnen. Had ze wel eens geprobeerd de voeten van een staanden man te verwrikken, zoals Jantje het soms bij hem deed? - en dan een Renault...
‘Toen ik jong was,’ zei Koos, ‘hoefde ik maar een half knipogie te geven en de mannen liepen me achterna.’
De jonge vrouwen lachten, met een grijns zei Kees: ‘Ze | |
| |
is niet voor één gat te vangen, pa, houd haar in de smiezen!’
Dirk keek in de palm van zijn hand alsof hij afweer zocht tegen het oneigene dat hem insloot. ‘Opa,’ vroeg Jantje en trok aan zijn broekspijp, ‘gaan we wannelen?’ Hij bukte zich naar het kind. ‘Wandelen? ja, dat is goed.’ Hij dacht aan Berrie, met wie hij altijd langs het water liep. ‘Om half één eten we een happie,’ zei Koos, ‘dan moet je terug zijn,’ en toen hij de deurknop greep: ‘Val niet in een ouwe schuit.’
Om één uur reden ze weg, de beide mannen voor, Coby en Jet op de achterbank, nagewuifd door de thuisblijvers. ‘Wat kan ik beginnen,’ had Koos nog gemompeld terwijl Dirk zijn handen waste in de keuken, aan mijn ene been het kind, aan het andere die boekenwurm - een vreemd span voor de bokkewagen. Daarop had hij niet geantwoord, maar had weifelend gezegd: ‘Ik zal Berrie van je groeten,’ wel wetend dat de jongen was weg geweest uit haar gedachten. Meteen deinsde hij voor haar terug, maar ze knikte en zei: ‘Doe dat.’
Nu trokken de oude stadsbeelden aan zijn oog voorbij, het grauwe water, schuttingen en scheepswerven, de hoge hefkranen als skeletten van voorwereldlijke dieren, de sombere Oosterkerk, de Funenmolen, groot en donker. Toen ze Diemen voorbij waren, lag het vlakke winterland aan weerszijden open, rietpluimen bogen in de wind, meeuwen zeilden boven het rottende gras. Langzaam voelde Dirk zich ingenomen door het besef van verlorenheid, het snelle voortgaan scheen geen doel te hebben, het IJselmeer, dat een ogenblik had geblonken, zonk weer achter de dijk. Tegenliggers schoten suizend langs, geen | |
| |
tankstation, geen viaduct, geen hond weerhield hen, de motor werkte onweerhoudbaar en smoorde de stemklank van zijn dochters, alleen hun lach klonk een enkele maal daar boven uit. De man naast hem aan het stuur zweeg, Dirk zag zijn werkhanden met de stompe vingertoppen en vermoedde een bijna doods welbehagen in hem. ‘Ik zal rijden,’ had hij gezegd, - waarschijnlijk kon het hem niet schelen waar naar toe en maakte hij zich geen voorstelling van den jongen in het ziekenhuis, zomin als Coby en Jet, die zeker over de moeiten en pijnen van een bevalling zouden praten en dan weer lachen om de weelde van een eigen auto. Waar kon een mens nog meer om lachen? - om de bochel van een ander, de tranen van een kind, neen, de sprongen van een jong dier. Nu zag hij Berrie in het praalbed, met koortsogen en hete wangen. Of de jongen hen zou herkennen? Vrijdag had Koos naast hem gezeten, hem zo nu en dan toegeknikt, een zakdoek met eau de cologne op zijn voorhoofd gelegd. Het uur leek eindeloos, zei ze, en 's avonds weer een half uur. In die tussentijd was ze bij de Koubers geweest, maar daarover sprak ze niet. ‘Geschikte mensen,’ had ze hen vroeger genoemd; of ze nu begreep dat hij die onverschillige waardering niet kon verdragen? Het leven schrijnde aan alle kanten, deze dodenrit, de afgestroopte bomen, het verdronken gras, de vuile wolken. En het onvolmaakte lichaam van Berrie. Niemand had ooit kunnen zeggen wat eraan mankeerde, - bepaalde hersencellen, misschien? Het groeiproces van het embryo was niet normaal verlopen, wat ook betekende dat de jongen altijd een kind bleef en zijn kinderlijke onschuld behield. Berrie lachte niet om de mismaaktheid van een ander, hij kon er alleen voor terugschrikken; hij was bang, niet agressief als de vol- | |
| |
waardige mens. - Of agressie dan het kenmerk was van volwaardigheid? Wat hemzelf betrof: zou hij Kouber telijf gaan als iemanp hem een knots in handen gaf?
Hij had over een ijsbeer gelezen, die met een klomp ijs tussen de voorpoten de schedel van een walrus insloeg, - een Eskimo had het gezien. De viervoeters richtten zich op voor het gevecht, de mens... Ach, de mens moest veel afleren. Door droefheid kon hij wijs worden, door pijn om een kind.
De auto raasde voort, het ging te snel, ze zouden stilstaan en uitstappen voor hij wist wat hij wilde - het onbegrijpelijke leven zien in Berries ogen, of die ogen voorgoed dichtdrukken. En dan? Verder kon hij niet denken, hij was laf, hij onttrok zijn wil aan het leven. Moest de auto vaart minderen, dan drongen de stemmen van zijn dochters tot hem door; ze praatten levendig en wisten niet van plaats of tijd.
Straks zullen ze schrikken, dacht hij.
Toen ze Ermelo binnenreden, sprak Kees voor het eerst. ‘Nou pa, jij weet hier de weg; als we de dames ergens afzetten, rijden wij door naar het ziekenhuis en halen ze later op. Of moet je eerst een borrel?’
Hij schudde het hoofd. ‘Nee - eerst naar Berrie.’
Coby zag al gauw een restaurant dat haar goed leek. ‘Hoe lang blijven jullie weg?’ vroeg ze uitstappend, ‘een half uur? Een beetje langer mag ook wel, ik wil een poos tegen mijn slagroomwafel aankijken voor ik hem opeet. Kom, Jet.’ Ze trok haar zuster mee alsof er haast bij was. Een ogenblik later voelde Dirk de stramheid van zijn bewegingen, hij was het niet gewend lang in één houding te zitten. Naast zich hoorde hij de zware stap van zijn schoonzoon door de gangen van het ziekenhuis; we zijn | |
| |
allebei bang, dacht hij, waarom heb ik dan afkeer van de mensen, terwijl ik medelijden moest hebben? Die beide vrouwen heb ik met gespannen blikken naar hun prooi zien gaan. - Ze namen de lift, ze stonden voor de zaaldeur en gingen binnen. Berrie draaide het hoofd, maar scheen hem niet te herkennen.
‘Dag jongen,’ zei hij, en legde een hand op het dek, ‘kijk eens, Kees is er ook.’ - Kees stond als een ducdalf aan de andere kant van het bed. Wel een minuut lang bleven ze in dezelfde houding, toen zei Dirk: ‘we zullen gaan zitten.’ Ze stommelden met hun stoel. Berries gezicht was vaalbleek en ingevallen. ‘Moenie is pas bij je geweest, hè? - nu ben ik er weer, gisteren was er geen bezoekuur. Kan je me eens aankijken? je bent zeker moe van de koorts.’
De jongen reageerde niet, maar na enige tijd zag Dirk hem onderkaak en tong bewegen, boog zich voorover om een klank op te vangen en hoorde: ‘Lida - onder mijn kussen.’ Vragend herhaalde hij die woorden.
‘Portefulje,’ zei Berrie, ditmaal duidelijk verstaanbaar. Voorzichtig schoof Dirk zijn hand onder het kussen en bracht de portefeuille tevoorschijn, die Mia den jongen had gegeven. Het ding zag eruit alsof het lang door klamme handen was betast en scheefgetrokken.
Of zijn geld erin zat, vroeg Kees op luchtig-luide toon. Berrie trok met de oogleden, maar slaagde er niet in ze te openen, hij zei een woord dat even later door den vader werd verstaan: portretje.
‘Zit er een portretje in, mag ik kijken? - van Mia met haar hoedje?’
De portefeuille was leeg. Berrie bewoog zichtbaar de tong en stootte een klank uit die kelderachtig resoneerde.
| |
| |
‘O, Lida, zeg je, zou je een portret van Lida willen hebben?’
Nu gingen de lichtblauwe ogen wijd open en er kwam een glimlach op het ontstelde gezicht. ‘Paatje vragen,’ brabbelde de jongen en ging voort: ‘aan Lida vragen - onder het kussen - Lida, altijd vriendelijk en boos.’
‘Boos als je haar boekentas verstopt,’ zei Dirk, over het bed gebogen, ‘maar dat meent ze niet, ze is gauw weer goed op je.’
‘Paatje vragen’ - de stem werd luider en jankender, ‘Lida vragen, portretje.’ Opeens rukte hij de portefeuille uit zijn vaders handen en drukte die tegen zijn wang, terwijl de tranen in zijn ogen stonden. Een zuster kwam kijken. ‘U moet de patient heel rustig houden,’ zei ze, ‘één bezoeker is beter, - bent u de vader?’
‘Ja,’ zei Dirk.
Ze schoof langs Kees, die al was opgestaan en nam Berrie de portefeuille af. ‘Zo,’ zei ze, ‘je weet wel, hij mag onder je kussen liggen.’
Haar toon was zeer beslist maar niet onvriendelijk en de zieke werd kalm. Dirk, die een zakdoek had gegrepen, veegde Berries tranen weg.
‘Ik ga dan maar,’ fluisterde Kees aan zijn oor, ‘Coby kan even kijken, Jet wil eigenlijk niet.’
Dirk knikte en verbaasde zich over een gevoel van rampspoed omdat Jet niet wilde. Misschien had het met haar zwangerschap van doen. Zo ging de wereld voort in angst en bijgeloof. Stil bleef hij zitten opkijken naar de witte wal van het bed, de kussens, het ongelukkige hoofd. De jongen zou sterven, dacht hij, en andere ongelukkigen zouden worden geboren. Hij moest dat meisje om een portret vragen - maar had hij het beloofd? Hij wist dat | |
| |
het telkens in zijn gedachten zou zijn en dat hij het niet zou doen. Omdat Berrie nu toch gerust was, of om dat meisje niet aan te randen? Hij trachtte daarover te denken, maar voelde zich leeg en machteloos.
Berrie kreunde een beetje - het kon ook neuriën zijn - iets waarnaar hijzelf leek te luisteren.
Na lange tijd kwam Coby binnen; Dirk keek haar aan en legde een vinger tegen de lippen. Haar wintermantel stond als een stugge muur om haar heen, beschermend, maar ook hinderlijk, dacht hij. Nu, de plaats van Kees innemend, rekte ze de hals in toegespitste nieuwsgierigheid. Wist ze waarnaar ze keek, of was de jongen voor haar niet anders dan een stervend dier langs de weg?
‘Niet zo best,’ zei ze, ‘hè?’ en trok vragend de wenkbrauwen op.
Hij beduidde haar te gaan zitten, wat ze deed, hoewel haar blik alweer afdwaalde naar andere, vreemde bedden, waar andere bezoekers op af waren gekomen. Na enkele aarzelingen zei ze: ‘Kees wacht op je in de wagen, maar jullie kunt op mij ook wel even wachten, - dit is hopeloos, Kees heeft het al gezegd.’
Dirk legde zijn hand op het bed; zonder den jongen te willen aanraken, zocht hij hem te doen gelden: een levende tussen hen in, een zoon en broer.
Berrie sloeg de ogen op. ‘Paatje,’ zei hij met kelige klank, ‘de zee is modder.’ De m van dat laatste woord had hij lang aangehouden, alsof hij erin bleef steken. -
‘Ja?’ vroeg Dirk, ‘dan blijf je maar op het strand en gaat niet baden.’
Dat antwoord beviel den jongen blijkbaar niet; hij liet de mond openvallen en zei, bijna alleen de klinkers vormend: ‘Haal me eruit!’
| |
| |
Dirk ging staan en schoof zijn handen onder de schouders van de zieke.
‘Zo, nu lig je weer in bed, voel je wel?’
De jongen zuchtte diep, maar het volgend ogenblik kwamen dezelfde benauwde klanken. Daarna stilte. Heel langzaam verschoof de grote wijzer van de klok boven de deur. Hij zou blijven zitten tot het bezoekuur om was, en langer misschien, eindeloos lang, tot de tijd stilstond. Neen, hij was geen kind meer, hij moest zelf beslissen. Hij wees Coby te gaan. Ze stond meteen op, rekte weer de hals en fluisterde: ‘Kom jij dan ook gauw.’ De te zware mantel torsend, de blik recht vooruit liep ze de zaal door.
Een wolkendek dempte het toch al zwakke licht toen ze de terugtocht begonnen. Weer zaten de vrouwen achterin, maar waren minder tot praten geneigd dan vóór het bezoek. Nog onder het borrelen had Jet zich ontroerd getoond door Berries toestand, wat haar zwager deed zeggen: ‘Dronkemanstranen, jij bent de enige die hem niet heeft gezien,’ en Coby, bedoelend het voor haar zuster op te nemen: ‘Ze wil haar zwangerschap interessant maken, dat doen we toch allemaal, de eerste keer.’ Misschien schaamden ze zich, dacht Dirk, zoals hijzelf zich schaamde omdat hij teveel had gedronken. Hij had niet meer willen uitstappen voor het café; ‘waarschuw de vrouwen,’ zei hij, maar Kees antwoordde: ‘Gut, vader, je hebt nog niks gehad.’ Toen lokte hem het zachte licht achter de ramen en het groen van kamerplanten. Na drie borrels kon het zijn dat hij even had gedut, hij hoorde het stemgeroes niet meer, er was hem een beeld verschenen dat gauw werd uitgewist en geen herinnering liet - hij wist alleen nog dat het mooi was geweest. Maar ook dat zou hij ver- | |
| |
geten en de zwaarte van de wereld zou in hem zinken. De man naast hem zei: ‘Doe de ogen maar dicht, vader, - je komt wel thuis.’
Hij antwoordde: ‘Ik heb teveel gedronken.’
Kees stiet een lachje uit. ‘Je bent geschrokken van magere Hein, maar je moet dat verstandig bekijken. Hoe oud is Berrie - achttien? dan hebben jullie achttien jaar de lasten van dat kind gedragen; als je daar dan nu van wordt verlost, moet je dankbaar zijn. Heb ik gelijk of niet?’ Hij wachtte een ogenblik, maar er kwam geen antwoord, hij lichtte de handen even op van het stuur en greep het opnieuw. ‘Jullie bent braaf geweest, op een enkele borrel na die misschien teveel was, en een moord partijtje van moeder, - maar nou maak ik gekheid; ja, opoe zou me daar een moord begaan! Ze was er anders wel door opgekuifd, zoiets beleef je niet iedere dag, - en je voelt je dan zo lekker schoon.’
‘Schoon?’ dacht Dirk.
‘Ja,’ zei Kees, ‘bij mijn vorige baas ben ik eens van diefstal verdacht, en niet zo'n klein beetje - maar ik had geen cent gezien. Lekker - mijn ogen werden er anders van, als je begrijpt wat ik bedoel. Maar om nou op moeder terug te komen, die wil er graag bovenuit, - altijd zijn jullie omlaag gehouden door dien ongelukkigen jongen, waar of niet? Het is nou een goeie tijd, vraag eens wat er in de schatkist vloeit aan accijns op tabak, - maar jullie zitten nog in datzelfde krotje. En het leek uitzichtloos, zo van “Zuster Anna, ziet ge nog niets komen?” En nou is er die ziekte. Ze zullen wel alles doen, ze zijn zo knap tegenwoordig, maar het schijnt niet te helpen, - daar moet je je dan bij neerleggen en er het goede van zien. Je bent een zachtaardig soort mens, je gunt moeder een | |
| |
beter leven, en wat is er voor Berrie-zelf aan verloren, een jongen die nooit volwassen wordt, die je altijd met een kluitje in het riet moet sturen. Ga jij dat meisje soms om een portretje vragen? Nou dan.’ Hij haalde de neus op en zweeg.
Ze stonden stil voor een verkeerslicht en Dirk hoorde dat de vrouwen weer waren gaan praten. ‘Ik wil liever een meisje,’ zei Jet, ‘die zijn, geloof ik, nooit achterlijk; je ziet dikwijls Berries lopen, maar geen meisjes.’
‘Nou,’ zei Coby, ‘wij hebben het dan maar gewaagd met een jongen, en Jantje is zo bijdehand, die wordt nog professor.’
Een beetje spits zei Jet: ‘Je moet het natuurlijk maar afwachten, Kees is nou niet een man van een groot verstand, hè?’
Ze reden weer voort, Dirk hoorde Coby lachen. Om zich van hun woorden los te maken, vroeg hij zijn schoonzoon: ‘Voel je je even safe in het donker als overdag?’ ‘Achter het stuur, bedoel je? - ja, ik let nou beter op. Dit is me wel zo lief; als ik rijk word, ga ik aan die grote parcours meedoen, bliksemsnel in de bochten en zo.’
‘Dus je zoekt het gevaar.’
‘Tot op zekere hoogte: ja, en alleen voor mezelf, Jantje zal niet naast me zitten op een race.’
‘En als je sneuvelt in een bocht, wat moet er dan van Jantje worden?’
Na een ogenblik kwam het antwoord: ‘Nou, ik heb toch gezegd: als ik rijk word.’
De ander werd zich zijn diepe neerslachtigheid bewust. Geld was het alleen-zaligmakende, dacht hij, geld hief de verantwoordelijkheid op, als Berrie stierf moest hij dankbaar zijn, ze woonden immers nog in dat krotje. Hij meen- | |
| |
de dat Koos gehecht was aan de buurt, maar misschien geneerde ze zich al voor de Jordaan. Wat was zijn leven? - een enkele maal ontroerd worden door de natuur en, zeldzamer nog, door de goedheid van een mens. Op het ogenblik wist hij geen voorbeeld, hij zag zichzelf op de drempel staan tegenover Kouber, die hem niet binnen liet, - hij had vanaf het station regelrecht naar het ziekenhuis moeten lopen. Met Berrie zou hij Kouber kwijt raken, dat was een goed ding, en de naam van dat dorp moest hij vergeten, hij hechtte immers niet aan een graf? Jet kwam naar voren met het bovenlichaam. ‘Gaan we niet vreselijk hard?’ Kees antwoordde: ‘We moeten nog naar Rotterdam,’ maar zijn vrouw lachte en zei: ‘Hij doet het voor zijn lol, we hebben toch geen haast.’
Weer voelde Dirk zich gevangen in hun woorden die schuim waren, of bezinksel, waardeloos en onvermijdelijk. Straks zou hij thuis zijn - wat moest hij Koos zeggen?
|
|