| |
| |
| |
Achtste hoofdstuk
Twee januari, dacht Dirk die morgen, - het leven begon weer zijn normale loop. Koos had het bed al vrij gemaakt en er brandde licht in de keuken, hij zag het door een spleet in de gordijnen. Het was moeilijk de dekens weg te slaan, even moeilijk om half acht als om zeven uur. En ook de zondagen hadden hun sleur, je bleef lang liggen, je hoefde de winkeldeur niet van het slot te doen, soms zei Koos: ‘blijf jij ook maar op slot.’ Gisteren had hij haar tegen Coby horen zeggen: ‘Ik houd dit jaar een vroege schoonmaak, ik snak naar een opfrissertje,’ en ongeinteresseerd had Coby geantwoord: ‘Mens, begin morgen.’
Ze waren er maar op een uilenvluchtje geweest, de kinderen, - ze vertelden niets nieuws, ze vroegen niet naar Berrie. Koos had de oudejaarsavond met een enkel woord afgedaan: de voorbereiding was reuze leuk geweest, de rest viel tegen. Met een schouderophalen had haar schoonzoon gevraagd: ‘Wat valt er niet tegen moe, op jouw leeftijd?’ - woorden waarover ze zich achteraf geducht had opgewonden. - Aap van een jongen, dorst zoiets tegen haar te zeggen, alleen doordat hij een auto had, - snotjongen, per ongeluk omhoog getild door een hijskraan.
‘Kom eruit!’ hoorde hij Koos roepen; ze sloeg met de vlakke hand op de deur en nog bleef hij stil op de rug liggen. Hij was een tobber, had Mia gezegd, - hij zou willen weten wat het was dat hem deed besluiten op te staan en voort te tobben.
Meteen sloeg hij de dekens weg, - natuurlijk: Berrie. Het koude water aan de gootsteen deed hem goed, hij waste | |
| |
en schoor zich, Koos bracht hem al een kop thee. - Of ze naar de post had gekeken? vroeg hij; ze schudde het hoofd: nog geen tijd gehad, verwachtte hij iets, een erfenis uit Indonesië? - Bedrijvig liep ze heen en weer, ze was een vrouw, ze paste zich na iedere teleurstelling weer aan. Eerst toen hij naar de winkeldeur liep vond hij de briefkaart van Kouber uit Ermelo, die hij las onder de lamp in de alkoof. ‘Deze dient u te zeggen, dat we den dokter maar eens bij Berrie hebben gehaald. Sinds zijn terugkomst uit Amsterdam was hij lastiger dan ooit, geen land mee te bezeilen. Nu ligt hij met koorts in bed, de dokter haalt de schouders op en laat hem maar stilletjes liggen, - met medicijnen, natuurlijk. Geen reden tot ongerustheid. We hebben een kacheltje op de zolderkamer, voor mijn vrouw is de toestand het ergste.’
Hij keek Koos aan, die voor hem stond; ze had wijdopen ogen, maar er vertrok niets in haar gezicht. ‘Ik moet er heen,’ zei hij, Vanavond - of ga jij?’
Ze nam hem de kaart uit handen en las nog eens, hardop: ‘Geen reden tot ongerustheid; - wat schrijft die man smerig.’ Er kwam een rimpel in haar voorhoofd. ‘Ik kan zomaar niet weg, ik moet vandaag wassen, - en schoon is het hier ook niet, - Jantje gisteren...’ Daarop zwegen ze, totdat Dirk aan de datum dacht; de poststempel was duidelijk: dertig december.
‘Zaterdag geschreven,’ zei hij, ‘nu is het al dinsdag.’
‘Nou ja,’ zei Koos, ‘bel dan eens op.’
‘Ik zou er liever heen gaan.’
‘Omdat het kind kou heeft gevat? we zijn geen mensen die dadelijk met geld kunnen smijten.’
Die laatste woorden deden hem de kamer uitlopen en in de open winkeldeur gaan staan, maar de kou noch de | |
| |
aanblik van de straat leidde hem af. Het was of Koos hem in een diepte had neergelaten waar de lucht bedorven was en hij zich moest bukken. Koos gaf Berrie verloren, ze zou de aanklacht niet zien in dat bolle gezicht met de te kleine neus en de bijna starre ogen. Voor haar was de jongen niet anders dan een misgeboorte. Waren de beide meisjes beter, en de wereld rondom, de Jordaan met zijn moord en zijn vuile heimelijkheden?
Hij kon Kouber opbellen, vanavond na zeven uur, bij verlaagd tarief - en niets horen dan de botte zelfzucht van dien man. - Neen, zijn ogen moesten zien, zijn handen voelen...
‘Wat sta je daar?’ vroeg Koos achter hem, ‘krijg ik weer last met je om dat kind? Pas maar op dat Kouber je niet afzet, verwarming van de zolder, - kan je evengoed het heelal verwarmen, niet te betalen!’
Haastig kwam er een jonge vrouw binnenlopen, het was de assistente uit de apotheek aan de Lindengracht; ze hield haar mantel nauw om zich heen geslagen, haar gezicht was mat als de vroege winterlucht, de donker gepenseelde wenkbrauwen gaven er evenwicht en scherpte aan.
‘Mijnheer Van As,’ zei ze, ‘ik houd vanavond nieuwjaarsreceptie voor mijn corps diplomatique, helpt u mij eens aan sigaretten van allerlei slag, en een paar sigaartjes voor de fijne neuzen.’
Ze kwam niet dikwijls, sinds zijn val, dat najaar, had hij haar niet gezien, maar hij herkende haar toon van lichte zelfspot en kameraadschap. Om haar te onderscheiden legde hij merken voor haar neer waarnaar het grote publiek niet vroeg, de strakke, in cellofaan verpakte doosjes een ogenblik strelend. Ze keek en babbelde onderwijl:
| |
| |
‘U bent vanavond ook welkom, - ik woon tegenwoordig boven de apotheek. Mijn vrienden zijn zo verschillend dat er diplomatensluwheid bij nodig is zo'n avond te doen vlotten. Kent u het Japanse spel met de kleurige stokjes, die je door elkaar laat vallen en dan vrij moet maken zonder een ander van zijn plaats te schuiven? Daaraan doet het me denken: ieder tot zijn recht laten komen, niemand in een hoek duwen of op de tenen trappen.’
Hij antwoordde: ‘Mijn zoon is ziek, ik ga misschien naar hem toe.’
‘Ach,’ zei ze, ‘maar hij is robuust, hè? hij kan tegen een stootje.’
Haar stem klonk hem nu als uit de verte, koel en licht en tot zijn verwondering scheen die verte hem kracht te geven. Als de berichten omtrent Berrie gunstig waren, zou hij die avond door de stad zwerven en alles van de dag vergeten, de woorden van Koos, het schrift van Kouber, de poppenogen van zijn zoon.
De jonge vrouw had haar keuze gemaakt, betaalde en liep weg. Er kwamen andere, vluchtige bezoekers, ook een man die zwijgend bleef staan roken en iets scheen te zoeken dat hij niet vond. Eenmaal ving Van As zijn blik op en voelde een vage drang in zich alsof ook hij zocht... zocht om weg te komen uit deze wereld? Dan hoorde hij de bedrijvigheid van Koos, het zoemen van de stofzuiger, die ze op het Waterlooplein had gekocht, het stommelen met de stoelen. Waarover moesten ze praten, straks bij het kopje koffie? De laatste tijd kankerde Koos nogal eens. Zeker, ze hield van de Jordaan, maar vond het daarom nog niet lollig dat de keukenvloer verzakte en de verf afbladderde, - als het zo doorging had ze geen interesse meer in dit leven. Andere mannen gaven zelf eens | |
| |
een kwastje, maar hij maakte er zijn handen niet aan vuil.
Toen ze door de gangdeur kwam, wilde hij juist de lade met kleingoed opentrekken: doosjes lucifers, sigarettenpapier - waarin hij de schelp had geborgen, en keek wat schichtig op. Koos leek zijn houding te keuren.
‘Het loopt druk,’ zei hij, ‘ik heb nog geen tijd gehad om stof af te nemen.’ Haar mond bleef strak en hij ging voort: ‘Vanavond zal ik opbellen, zodat we iets weten.’
‘Denk je dat Kouber wat weet?’ vroeg ze.
Hij aarzelde een ogenblik. ‘Ik denk meer dan wij.’
Zich alweer omdraaiend zei ze: ‘Nou - vooruit.’
De dag duurde hem lang; 's middag kreeg hij alle tijd om naar de vogelschelp te kijken, maar hij deed het niet. Het was vals gevoel, zei hij zichzelf, tederheid te zien in het paren van vogels. Bij de mensen was geen tederheid meer.
Toen de winkel was gesloten, de automaten buiten gebracht, de kas opgemaakt, had Koos het eten klaar. Ze vermeden het over Berrie te praten, daarom vertelde hij over de apothekeres, die hem had uitgenodigd. Zijn vrouw trok de wenkbrauwen op. ‘Je kunt gaan,’ zei ze spits, en na een kleine pauze: ‘Misschien ben je de enige die komt.’
Hij verwerkte die woorden snel. ‘Nee,’ zei hij toen, ‘daarvoor heeft ze te veel sigaretten gekocht.’
‘Nou, dan heeft ze zich vergist, is dat partijtje morgenavond. - Maar je mag blijven, hoor, je krijgt een borrel.’ Hij antwoordde niet meer, maar at werktuiglijk voort. Toen Koos ging afruimen, legde hij de krant over zijn hoofd om het lamplicht af te dekken terwijl hij trachtte te dutten. Hij zou gaan opbellen, natuurlijk, maar een | |
| |
kwartier kon het nog wel wachten. Hij dommelde niet, het wantrouwen van Koos hield hem wakker: of ze iets wist van die vrouw uit de apotheek? Misschien was ze jaloers, niet op de houding van de ander, houding had zijzelf ook, maar op haar jeugd. Koos liep naar de vijftig, het ergerde haar als een man op straat haar met ‘moeder’ aansprak en toch was ze al grootmoeder. Och ja, hij begreep het wel; ‘mijnheer Van As,’ had die vrouw met haar beschaafde stem gezegd, - dat hoorde hij liever dan ‘opa’.
Wat moeizaam kwam hij overeind, keek of hij kleingeld op zak had en liep de deur uit. Eigenlijk wist hij niet waar de naaste telefooncel stond, - hij zou maar naar het Centraal Station gaan. Uitstel? - het mocht een paar minuten zijn.
Er stond een slordige wind, net als die oudejaarsavond langs de zee; de straten waren bijna leeg, alleen het stationsplein had zijn gewone aanzien. De intercommunale cel was leeg; wat nerveus zocht hij zijn bril, de nummers stonden in zijn agenda. Een telefoniste gaf hem aanwijzingen, zijn portemonnaie zat hinderlijk diep in zijn zak, maar een ogenblik later rinkelde toch de bel, driemaal, - vijfmaal. Hij bleef luisteren zonder meer te tellen. Geen antwoord, - de Koubers waren uit en de jongen lag ziek in bed, of misschien was hij beter, - ‘geen reden tot ongerustheid’, - misschien hoorde hij de telefoon, maar had beloofd niet op te staan. - Weer de stem van de telefoniste, - de gestorte gulden sprong terug. Een man keek naar hem door de glazen wand en Dirk haastte zich weg te komen.
Buiten vloog de wind hem aan; wat zou hij doen, dwars ertegen in naar Schellingwou lopen en terug? - dan moes- | |
| |
ten de Koubers thuis zijn om naar hun knecht te kijken, die ziek lag. Maar Koos keek naar de klok en wachtte; duurde het lang, dan zei ze zichzelf: het is ernstig, hij heeft de trein genomen, en zou blozen om het gevaar, dat haar denken toespitste. Hij zag haar volle wangen, de rechte neus daartussen, - hij was op weg naar haar toe, de onpersoonlijke wind lokte niet meer.
De Rooi, die voor de winkel stond, keek onverbloemd naar zijn gebaren als naar de nutteloze bewegingen van een gevangen dier. De kamer was donker, hij riep Koos, maakte licht in de slaapkamer - ze was er niet. Natuurlijk, De Rooi bemoeide zich nergens mee. Was Koos in haar ongeduld hem tegemoet gegaan? Er viel niet anders te doen dan op haar wachten. Hij greep de krant, die nog uitgespreid op tafel lag, en begon advertenties te lezen. Misschien at ze een biefstukje bij haar vriend, den slager, en dacht niet meer aan Berrie, ze kon lichtzinnig zijn op haar onschuldige manier, ze kwam overeind toen er was geroepen: De kinderen Gods moeten gaan staan! Maar ze wist wat ze deed, de kinderen Gods waren niet onnozel. Om elf uur zou hij nog eens opbellen - de tijd kroop voort. Hij las de krant, probeerde te dutten, legde de ene patience na de andere zonder dat er één uitkwam. Hij kreeg trek in koffie, maar verroerde zich niet; eindelijk steunde hij het hoofd in de handen, de ellebogen op tafel, de ogen stijf dicht, zodat hij kleuren zag.
Toen hij een sleutel in de deur hoorde, keek hij op en begreep te hebben geslapen: de klok stond op half elf.
‘Zo,’ zei Koos en sprak door de neus, ‘daar zijn we weer; nooit kan een mens doen waar hij zin in heeft, de politie haalt je uit je huis.’
Hij vroeg niets en ze trok zwijgend haar mantel uit; aan | |
| |
iedere beweging zag hij dat ze uit haar humeur was. ‘Ja,’ ging ze voort, en knikte nadrukkelijk, ‘de politie, uit een hele reeks van voddige foto's mocht ik de moordenaar van Molly kiezen. Ik heb natuurlijk wel eens een man bij haar ontmoet, maar ze konden het allemaal zijn, nou ja, die niet misschien, en die mooie meneer ook niet - ze wees naar de poppen van het kaartspel, - een schoppen of een harten, weet ik veel. En jij zit daar als jantje-verdomme; - zeg eens wat.’
Ze was Berrie vergeten en de gedachte sloop in hem: nu zal ik je klein krijgen. ‘Toen ik je niet thuis vond,’ zei hij, en moest naar adem happen, ‘dacht ik dat je me tegemoet was gelopen.’
‘Tegemoet, - en dan?’
Hij keek haar aan en zag haar blik veranderen. ‘Toen heb ik maar op je gewacht.’
‘O. Wat zei Kouber?’
‘Ik heb geen gehoor gekregen.’
‘En Berrie?’
Hij sloeg de handen uiteen. ‘Ik weet het niet.’ Zonder te kijken zag hij haar hoog boven zich, een frons tussen de wenkbrauwen en hij boog de schouders. Ze veroordeelde hem en was zelf schuldig, dacht hij, niet aan de moord op Molly, maar aan al dat andere, waaraan je niet dorst te denken, dat beklemd hield en gebukt deed gaan. Enkele seconden bleef het stil tussen hen, toen zei hij: ‘Ik kan nog eens bellen, misschien zijn ze nu thuis, dan weten we iets vóór de nacht.’
Ze liet een schamper geluid horen, ging zitten en harkte de speelkaarten naar zich toe. ‘Hoe doen die wijven dat, die je de kaart leggen, is het enkel bedrog, dan zou ik het ook kunnen.’ Ze schudde de kaarten. ‘Wacht jij maar tot | |
| |
morgen, - we gaan slapen, dan weten we toch niets meer.’ Hij keek naar haar ronde, roze vingers. éIk lust wel een kop koffie,’ zei hij.
Na een ogenblik vroeg ze op lichte toon: ‘Heb je niks gehad?’
‘Nee. Ik had heen en weer naar Schellingwou willen lopen en dan weer opbellen, - maar ik dacht dat jij thuis naar de klok zat te kijken.’
Koos trok even met de schouders. ‘Nou ja, - dat dacht ik ook. Dus mijnheer één koffie; het lijkt hier wel een cafeteria.’ Met een ruk schoof ze haar stoel achteruit en liep naar de keuken.
Haar onrust was niet om Berrie, dacht hij, er waren veel, veel andere dingen, en hoe zou hij ze kennen? Soms leek het haar te ergeren dat de politie niet aan haar schuld geloofde, terwijl er zoveel vlijmend vuur in haar was. Net als in zijn moeder, - wat hij nu plotseling wist - maar zijn vader moest het hebben geweten: hij dronk en leefde van haar afgewend. Nu zag hij mensen in de kampong, krioelend, zwijgend, mensen die langs elkaar heen liepen op een scheepsdek, zag een kamer boven de apotheek op de Lindengracht, waar hij was genodigd. Praten, roken, drinken, vuurwerk afsteken in de Haarlemmerstraat, - Koos en Pelsen waren opgelost in de menigte, zei hij tegen het meisje.
Koos kwam binnen met twee koppen koffie en wierp het hoofd in de nek.
‘Hier,’ zei ze, ‘waarover maken we ons druk? Berrie is sterk als een beer - of denk je van niet?’
Hij bewoog de schouders zonder te antwoorden.
| |
| |
Bij het wakker worden, de volgende morgen, had hij de bittere smaak van een droom in zich. De beelden leken te zijn uitgewist, maar kwamen terug, de zee en de hemel waren zwart, hij moest over boord springen en dorst niet. Boven zijn hoofd dreigden de takken van winterbomen. Hangen of verdrinken, dacht hij, - de zee murmelde smalend, zoals ook Koos kon doen. - Zou ze al zijn uitgegaan om te telefoneren, of had ze niet naast hem gelegen, die nacht? Hij wist het niet meer...
Wat later wekte Koos hem met een natte spons op zijn gezicht. ‘Sta eens op,’ zei ze, ‘het is half negen.’
Hij zag de eerste grauwe schemering en haar gestalte, te groot in dat licht. In de droom was geen schip geweest en geen zee, dacht hij, enkel wind en duisternis. Koos liep de kamer uit, hij wilde haar naroepen: ‘branden de etalagelichten al?’ Maar hij moest die zelf aansteken, zij vond dat geld weggooien, er stond een lantaarn voor het huis. Hij moest opstaan, weer met de telefoniste praten, haar aanwijzingen nauwkeurig volgen, - maar het was te laat, hij had zich verslapen. Toen hij een kind was, stond hij uit zichzelf op, gelijk met de zon, om zes uur precies. Hij beet zich op de lippen en sloeg de dekens weg. Achter de winkeldeur lag wat post - zou Kouber hebben geschreven? Neen, zakelijk drukwerk, aanbiedingen, reclame. Koos zat aan de ontbijttafel, keek naar hem en zweeg.
‘Niets uit Ermelo,’ zei hij.
Ze antwoordde: ‘Wat dacht je?’ Hij rook de geur van geroosterd brood.
‘Gauw,’ zei ze, ‘dan zie je de boter er nog op smelten, dat vind je immers zo leuk.’
Zijn bewegingen waren traag en onhandig, hij dwong zichzelf te zeggen:
| |
| |
‘Als jij nou gaat opbellen, - ik kan de winkel niet alleen laten.’
‘Wat een smoes,’ zei ze, ‘loop maar naar je vriendinnetje in de apotheek, dat's dicht bij.’ Haar stem had heel dun geklonken en hij voelde zich machteloos tegenover haar scherpte. ‘Niet dat ik het zo nodig vind,’ ging ze voort, ‘de jongen zal wel eens meer niet lekker zijn geweest.’
Maar als Kouber de moeite nam van te schrijven... Naar de apotheek zou hij niet gaan, er was een telefooncel in de Marnixstraat. Toen Berrie uit huis ging, had hij zelf telefoon willen nemen, maar dat was financieel niet verantwoord. Wie moest je opbellen in de Jordaan?
De eerste klant kwam binnen en hij spoelde haastig de broodkruimels weg. De man was lang van stof, hij kwam dikwijls in de morgen uit behoefte aan een praatje, - een meubelmaker in ruste, die zijn haar beitste, volgens Koos, soms mahonierood, soms bruin als beukenootjes. ‘Weer een vliegtuig neergevallen,’ zei hij, ‘hoe een mens zich aan zo'n kist kan toevertrouwen, een schip was vandaag de dag nog het veiligst als je nou per se moest reizen, en dat per se was nog dikwijls een fictie.’ Dirk luisterde en knikte geduldig.
Er kwamen twee meisjes binnen, die naar sigarettenmerken vroegen, Gummi-gummi, Valdedo, Pritchcock - nooit van gehoord? Ze grinnikten en Dirk begreep dat ze een spelletje speelden; om hen weg te krijgen gaf hij ieder een doosje lucifers. Ze keken daar verrukt naar, noemden het liefjes en kochten een pakje Lexington.
Het was tien uur toen hij de straat opliep. Tot zijn verwondering zonk de kleine ergernis om de mensen weg; op de oude gevels zag hij tinten van paarsrood en blauw, de grijze lucht blonk van een ver licht. Om Berrie vergaf | |
| |
hij alle lastige kinderen, de mist deed hem diep ademhalen en vol zijn van geduld. Anders dan de vorige avond luisterde hij naar het rinkelen van de telefoon, maar schrok toch even van Koubers stem. éVan As? Zo. Tja, we hebben een onrustige nacht gehad met dien jongen, een uurtje geleden is hij naar het ziekenhuis gebracht, de dokter was hier al om acht uur. Wat hij heeft? - dat zullen ze daarginds wel uitvinden, maar die doktoren zeggen nooit wat, hoor. Nou, maak je niet ongerust, je kunt altijd bellen. Ja - de groeten.’
Hij keek naar de hoorn, die weer op zijn plaats lag en had het gevoel te zijn dicht geschroeid - het deed pijn en maakte sprakeloos. Langzaam liep hij terug. - Een onrustige nacht, kon hij alleen zeggen - de eigen beklemmende droom was weggevaagd - een onrustige nacht en toen het ziekenhuis.
Koos stond in de winkel en de glans van haar trekken doofde niet nu hij binnenkwam; ze is groter dan het leven, ging het door hem heen. In haar klant, wijdbeens staande, herkende hij den rechercheur.
‘Goed dat je komt,’ zei ze, ‘wat kosten die sigaren? Ik heb het druk gehad, mijnheer hier zegt dat we de mooiste zaak uit de Jordaan zijn, - jouw apotheek misschien uitgezonderd.’
Hij was verbaasd zonder te weten waarom, hij noemde de prijs en zag zijn vrouw het kistje inpakken. Misschien vond hij het vreemd dat ze niet lachte.
De rechercheur groette en vertrok.
Na een ogenblik stilte vroeg Koos: ‘En?’ - Hij ging zijn jas opbergen, ze liep hem achterna, hij vertelde wat hij wist.
Zo - tegen ziekenhuiskosten waren ze gedekt, nietwaar?
| |
| |
Berrie zou het daar beter hebben dan bij die pook en tang. Gisteravond waren ze uit - had hij dat nog gezegd? O, natuurlijk niet, hij liet alles over zijn kant gaan.
Hij had er zo gauw niet aan gedacht, zei hij, en toen, zonder naar haar te kijken: ‘We moesten er maar samen heen.’
Hij wilde altijd samen, dat was dubbel geld; wist hij iets van bezoekuren?
Hij schudde het hoofd.
Nou, dan ging hij maar alleen, op de bonnefooi.
Haar woorden riepen het beeld in hem op van de winterse wegen waarlangs hij jachtig had gelopen op zoek naar het doktershuis. Hij betekende niets tegenover die doktoren, hij was de vader van een achterlijk kind. ‘Goed,’ zei hij, ‘ik zal vanavond gaan.’
Kouber deed hem de deur open. ‘Man, ben jij daar nog?’ Dirk antwoordde: ‘U bent tenminste thuis.’
Dat wel, ja - een paar mensen, een mooi programma op de televisie; als hij van het station direct naar het ziekenhuis was gelopen, hadden ze hem misschien nog toegelaten, maar nu... hij kon het proberen.
Hij liet zich de weg uitduiden, voelend dat zijn aandacht er niet bij was. Terug naar het station, daar zou hij opnieuw vragen, Koos niet vertellen dat Kouber hem bij de deur had afgescheept - het was goed zo, hij mocht geen minuut verliezen. Maar teveel haast deed soms langs omwegen lopen - hem althans, hij was een dwalend mens. Dicht voor hem uit ging een jonge vrouw, wier verpleegstersschort onder de mantel uitkwam; met moeite haalde hij haar in. Ze bleek naar hetzelfde ziekenhuis te gaan, het was niet ver meer, zei ze, - woorden die een dankbare | |
| |
ontroering in hem wekten. Zwijgend liep hij naast haar en raakte telkens een halve pas achter, wat ze niet scheen te merken. Bij de portiersloge kwamen ze het helverlichte gebouw binnen. ‘De naam van de patient?’ vroeg de man achter het luikje.
‘Bernard van As,’ zei Dirk; de naam zo voluit klonk hem vreemd.
Na een ogenblik mocht hij doorlopen, de hoofdzuster gaf toestemming, derde verdieping links, zaal C. De ruime gang waar een enkele verpleegster resoluut liep, imponeerde hem, de eigen voetstappen waren dof als de klop van zijn hart, voor niemand verstaanbaar. De nachtzuster, van zijn komst verwittigd, wenkte hem met de ogen en schoof één der gordijnen opzij die Berries bed omsloten, meteen pratend als tegen een kind: ‘Kijk eens, wie daar komt?’ Berrie lag hoog in de kussens, het bolle gezicht vlamrood en bezweet. Dirk legde een hand op zijn stugge haar en wachtte of de jongen hem zou herkennen; diens blik, eerst zonder uitdrukking, raakte omfloerst.
‘Paatje, kom je me halen?’ Hij sprak als in ademnood. ‘'s Nachts - is het vreselijk - ik wil niet meer 's nachts. Neem me mee - waar is moenie?’
Langzaam zei Dirk: ‘Hier zijn zusters die voor je zorgen en dokters die je beter maken, je moest hier maar blijven.’ Berrie scheen daarover na te denken. ‘Maar 's nachts moet ik schreeuwen en dan slaat Kouber me.’
Dirk streelde zijn haar. ‘Dan heb je koorts, denk ik, maar dat gaat voorbij.’ Meteen wist hij over iets anders te moeten praten, maar al het andere leek buiten zijn bereik te liggen. Het was hem of hij in een grondeloze ruimte viel, de beelden die hij wilde oproepen om die ruimte af te bakenen bleven ver en angst vervulde hem.
| |
| |
De zuster kwam aan de overkant van het bed staan, een horloge in de hand waarop ze tuurde terwijl ze Berries polsslagen telde. De jongen werd daardoor rustiger. Toen ze weer was weggelopen, zei hij: ‘Dat is leuk, hè, aldoor grijpt ze naar me.’
De vader glimlachte. ‘Ja, het is een lieve zuster.’ Achter zijn rug hoorde hij een man zeggen: ‘Kwijl niet, verdomme’ en langzaam drong het tot Dirk door dat die woorden tot hem waren gericht. Berrie begon kreunend te praten, brabbelend, onsamenhangend. Dirk trachtte te luisteren, maar het verging hem als bij de aanduiding van de weg: de klanken raakten niet aan zijn begrip. Toch wist hij na enkele minuten dat Berrie heel ziek was en ijlde. Moest hij iemand roepen, Koos waarschuwen? Behoedzaam stond hij op en liep naar het tafeltje waar de zuster zat bij een afgedekte lamp. ‘Zuster,’ vroeg hij, ‘wat scheelt mijn zoon? - ik geloof dat hij ijlt.’
Haar jonge gezicht bleef onbewogen. ‘O, dat kan wel zijn, maakt u zich niet ongerust. De patienten moeten slapen,’ voegde ze er fluisterend aan toe.
Uit de hoek tegenover de deur klonk een kreet, meteen gevolgd door Berries rauwe, fladderende woorden. Het meisje keek in een schrift dat voor haar lag, Dirk liep op de tenen terug naar het bed en legde zijn holle hand op de lippen van zijn zoon. De jongen blies in die handpalm, toen begon hij te likken en machteloze zuigbewegingen te maken. De vader wist niet wat te doen, maar ging na korte poos zitten en moest zijn hand terugtrekken. Straks ga ik weg, dacht hij, ben ik daar blij om? Als ik ziekenbroeder was, zou ik geduld hebben, heel veel geduld, maar dan was het niet mijn eigen zoon die hier lag. Hij greep Berries pols, zoals de zuster dat had gedaan en de jongen | |
| |
werd rustiger. Of hij insliep? - Dirk wilde het geloven en bleef roerloos zitten, vijf, misschien wel tien minuten; toen kwam de jonge verpleegster weer en beduidde hem afscheid te nemen.
Buiten de deur wees ze hem de kamer van de hoofdzuster, knikte zeer beslist en zei: ‘Gaat u daarheen.’
De ander scheen hem te hebben verwacht; het was een vrouw van een jaar of vijftig, met heldere ogen en een koel gezicht. Ze spraken staande.
‘Wat uw zoon heeft? waarschijnlijk pleuritis; de doktoren zoeken naar een medicijn, peniciline heeft nog geen uitwerking gehad, ieder organisme reageert op zijn manier. U kunt mij altijd opbellen, u vraagt maar naar zuster Dina van de mannenafdeling derde etage.’
‘Dank u,’ zei Dirk; ‘de jongen is wel sterk, geloof ik.’
Ze tuitte de lippen. ‘Robuust, ja, - mogelijk een beetje verwaarloosd - en deze mensen zijn vaak onvoorzichtig. Kouber vertelt dat de jongen 's nachts wel eens naar buiten loopt, onvoldoende gekleed, omdat hij onraad meent te speuren - en misschien wil hij graag heldhaftig zijn?’
Ze glimlachte verontschuldigend.
Dirk keek haar aan als zocht hij toestemming zijn twijfel te uiten aan Koubers woorden, maar zag in haar vaste trekken niet anders dan een alweer vervluchtigend medelijden met ‘deze mensen’. Hij vroeg nog of zijn vrouw buiten de bezoekuren zou worden toegelaten, wat met een hoofdschudden werd beantwoord: voor een man maakten ze wel een eens uitzondering met het oog op zijn werk, - voor een vrouw niet.
‘En als de toestand ernstig zou worden?’
O, daaraan dachten ze nog niet. Het hoofd wendend deed ze een stap in de richting van de deur.
| |
| |
Even later liep hij de duisternis in, het gebouw met de hoge witte wanden en gangen achter zich latend - een troost, een dreiging en een aanklacht.
In de stad teruggekeerd voelde hij zich verloren tussen de mensen. Koos was niet aan het station. Och, ze zou haar patience leggen en misschien zijn vergeten waarom hij was uitgegaan. Hij zag haar grote gestalte, de glanzende, vaak misprijzende ogen. Willen maar niet kunnen vergeten, al zat ze bij Pelsen en at een broodje met pekelvlees. Op het eerste bericht van Kouber had hij Berrie thuis moeten halen. Van de divan in de alkoof waren een paar veren stuk, en er kon niet anders worden gelucht dan door gang en keuken heen, - het raam van de slaapkamer was sinds jaren dicht gespijkerd. Nu lag de jongen in een hoog wit bed tussen schone gordijnen en een verpleegster telde zijn pols. Hem thuishalen - ze hadden het beiden niet gewild, daarom zwegen ze erover.
De wind was snijdend koud, een kroegje op de Prins Hendrikkade lokte hem, maar hij weerstond de verleiding. Helder en toch als in een roes kwam hem een beeld van zijn thuiskomst: een forse man liep snel door de open deuren, de nauwe alkoof bood geen enkele beschutting meer, - en op luide, vaste toon zei hij: ‘Berrie spreekt wartaal, geen geneesmiddel heeft nog vat op hem. Bent u Jacoba Amalia Beert, huisvrouw van Dirk van As? - ik moet u arresteren wegens moord op uw zoon, moord met voorbedachten rade.’ Maar Koos lachte niet; ze trok de wenkbrauwen op en vroeg: ‘Hoeveel borrels heb je gehad? - denk aan je vader.’ Hij kromp terug in zijn vroegere gestalte en ging allereerst de winkeldeur sluiten, langzaam en zorgvuldig.
| |
| |
Nu ademde hij diep om dit visioen kwijt te raken. Als Koos maar op hem wachtte in de kamer, dan was het niet nodig zoveel te zeggen. Berrie had het daar goed, hij vroeg niet thuis te komen, en ze mochten altijd opbellen, zuster Dina van de mannenafdeling derde etage, een vrouw die hen door alles heen zou helpen, staande, kortaf en koel. Aan het ergste dacht ze nog niet, dat wil zeggen daaraan was ze voorbij. Ze wist misschien dat Berrie zou sterven, ze had zijn dood al verklaard - om anderen te ontlasten, dien kruidenier, Koos, hemzelf? Weer ademde hij diep, maar zijn keel trilde.
Koos had de verstelmand naast zich staan en op de tafel lag naaigerei. Ze keek naar hem op alsof hij haar vreemd was, en hij wist niet in welke wereld ze leefde.
‘Zo,’ zei ze, ‘je bent gauw terug.’
Hij had het gevoel heel lang te zijn weggeweest. ‘Heb je nog wat te drinken?’ vroeg hij. Ze nam een oud corset uit de mand en draaide het tussen haar handen rond; hij zag haar strakke lippen.
‘Mijn borsten zijn droog,’ zei ze.
In de keuken vond hij wat koude koffie, die hij in de gootsteen uitschonk om de sterkte te bepalen, - wat hij al doende weer vergat. - Ik moet Koos helpen, dacht hij en liep naar de kamer terug. Tegenover haar aan de tafel gezeten prikte hij met een speld in het speldenkussen en nu kwamen de woorden als vanzelf. ‘Berrie heeft het daar wel goed, maar de koorts verwarde hem, hij ijlde een beetje. Het is pleuritis, de dokter zoekt het middel dat hem zal helpen; ik heb de hoofdzuster gesproken, die we altijd kunnen opbellen. Zuster Dina. Ik weet nu de weg van het station naar het ziekenhuis, we hoeven Kouber dus niet meer lastig te vallen.’ - Heftiger dan eerst prikte | |
| |
hij in het weke kussentje. Ik heb voorgoed met Kouber afgerekend, dacht hij, Berrie ligt in het ziekenhuis, Kouber heeft zijn geld voor deze maand, ik zal nooit meer iets met hem te maken hebben. Nooit meer - en als Berrie beter wordt? - Hij voelde het tafelblad onder de speld, die krom boog - hij zou spijkers willen slaan, harde, sterke spijkers.
‘Pleuritis,’ vroeg Koos, ‘is dat erg?’
‘Ja,’ zei hij, ‘ik geloof het wel.’
Ze boog het hoofd over haar werk. ‘Er is nog wat soep, daar heb ik niet eerder aan gedacht.’ Meteen stond ze op. ‘Ik zal wel eens kijken, je zult nog niet veel hebben gehad.
Ze wil haar gezicht verbergen, dacht hij, en schoof het speldekussen van zich af, - de blos reikte tot diep in haar hals.
|
|