| |
| |
| |
Zevende hoofdstuk
Op oudejaarsavond zei Koos: ‘Nou, ik moest maar gaan.’ Het was nauwelijks acht uur. Na de afwas had ze de handen in de schoot gelegd, haar patiencekaartjes in de la laten liggen, - en Dirk had aan haar blik voorbij gezien. Ze zouden de avond bij Mia en haar vader vieren; het meisje had beloofd tegen elf uur thuis te zijn, Koos zou oliebollen bakken, Pelsen zorgde voor drank en borrelhapjes en Dirk had in deze geen stem gehad.
Nu vroeg hij: ‘Hoe laat word ik verwacht?’
Ze antwoordde op lichte toon: ‘Je wilt toch nog niet mee? Wim en ik moeten in de keuken werken; - probeer tegelijk met Mia te komen, maar niet als in september, jij met hangoren en zij met de tranen van gevoel in haar ogen.’ Bruusk stond ze op. ‘We maken er een leuke avond van, Mia schijnt een jongen aan de haak te hebben, een monteur, die in dat bedrijf heeft gewerkt waar zij ook zit, - geen heilsoldaat. Wim is een beetje bang geweest dat Berrie zich wat in het hoofd zou halen met Mia, het was hem een opluchting dat de jongen weg is, - we moeten dat begrijpen. Nou, tot straks, - we zullen het lekker hebben.’
Hij bleef roerloos zitten toen ze weg was. We moeten dat begrijpen, had ze gezegd, - angst voor Berrie. Kort geleden had hij angst voor zichzelf gehad, en die kwam nu terug, hoewel Kouber en die dokter buiten bereik waren. Angst voor zichzelf tegen zichzelf gekeerd. Er viel een afgrond in hem, hij zag de zee, hij kon niet verder en niet terug; langzaam zou de grond onder zijn voeten verdwijnen.
Niet vaak had hij de zee bij nacht gezien, nooit misschien | |
| |
in de Hollandse winter. Het vroor nauwelijks meer, er viel wat natte sneeuw. Hij zou naar Zandvoort kunnen gaan en als hij om twaalf uur binnenkwam, zou Koos juist het glas heffen en met Pelsen klinken. ‘Gezegend nieuwjaar - heb maar geen angst voor Berrie.’ Hij voelde zijn onrust en stond op.
De geldwisselaar leunde tegen de winkelpui; ze wensten elkaar goede avond.
Wachten op een trein, er waren zogoed als geen mensen. Zo nu en dan klonk er een dienstbericht, onverstaanbaar schallend door een microfoon. Als alle treinen werden afgelast, zou hij hier maar blijven staan en drentelen, wie weet hoe lang. Het perron was over de halve breedte opgebroken, maar gewerkt werd er niet. Het wachten werd een bezigheid, het leven voortzetten uit onrust die niet gekwalificeerd, niet begrepen wilde zijn...
Toen de trein binnenreed waren er toch enkele reizigers gekomen, hoewel minder dan het aantal wagens. Een moeder met haar kind stapte vóór Dirk in, - hij kon haar zien zitten vanaf de plaats die hij koos. De vrouw nam den kleinen jongen zijn muts af; ze spraken niet, de ogen van het kind waren blank als van een dier dat voor het eerst ziet.
Het zou een verstarde droom kunnen zijn, dacht Dirk, een beeld uit de oorlog: drie mensen, drie generaties, op weg naar hun einde; de laatste stadslichten schoven al voorbij, het kind met ontbloot hoofd was de diepst bevangene.
Nu streek hij zich over de zacht behaarde kruin en vulde zijn longen met adem, want de jonge moeder scheen een voorlopige rust te hebben bereikt; haar trekken waren even gaaf als die van het kind, maar minder gespannen,
| |
| |
zonder nog te zijn ontspannen door ironie. Zo was Koos geweest na de geboorte van haar eerste dochtertje; hij zag haar, een verre oudejaarsavond, de zuigeling aan de borst, verzonken in de arbeid van het kind, die ook haar arbeid was. Opkijkend vroeg ze of er dat jaar goed was verdiend, ze wilde een satijnen wiegedekje. Als ze hem nu ontrouw werd, zou dat even tijdelijk zijn als het verlangen naar een rijke wieg. Hij voelde zich vreemd bewogen, zijn borst verruimde zich bij iedere ademhaal als nooit tevoren.
Het kind verschoof op de bank en keek omhoog naar de moeder, die knikte en hem bij de hand nam. Haarlem - zonder groet verdwenen ze. In Zandvoort stootte de rails, een enkel spoor, tegen de duinen. Een winderig open plein, het ruisen van de zee recht vooruit. Niemand volgde hem, hij was nu de enige mens. De boulevard lag op geringe hoogte boven een dichte duisternis, die diepte kreeg door twee witte brandingslijnen ver uit elkaar. Wat de hemel moest zijn boven de horizon was zwarter dan de zee, ondoordringbaar voor het oog. De eerste aanblik was teleurstellend, het moest eb zijn, het water kromp terug, de witte stroken van opstand, recht als langs een lineaal getrokken, waren maar smal. Langzaam ging hij wat meer zien, het strand lichtte op, er liep een zacht glooiend klinkerpad heen, wolkenflarden recht omhoog hadden de vuile kleur van oud bloed - schijnsel van lampen achter onbedekte ramen - er leek een ijle, grijze vlek te ontstaan dicht boven de horizon, - het ver verwijderde licht van een oceaanstomer, misschien? Maar te snel verdween het weer, het moest gezichtsbedrog zijn geweest. Voorzichtig daalde Dirk het pad af; zijn voeten zakten in het rulle zand. Hij wilde naar de golflijn lopen, maar zag | |
| |
een lang gerekte, ondiepe plas glinsteren boven hard geworden bodemkabbelingen. Wat natte sneeuw sloeg in zijn gezicht en hij voelde de kou tussen zijn schouderbladen. - Ik kan niemand zeggen waar ik ben geweest, dacht hij. Over een smalle dam wist hij toch dicht bij de zee te komen, waar het zand vochtig was en schelpen kraakten onder zijn voet. Hij bukte zich om naar ze te tasten. Berrie hield van schelpen als het nog huisjes waren, geribbelde en gladde met parelmoerkleuren; uren lang hadden ze vroeger wel gezocht, maar de jongen was grillig en kon zijn liefste vondsten plotseling wegsmijten. Dicht onder zijn ogen en met de vingertoppen kon Dirk het opgeraapte onderscheiden; een paar dubbele schelpen borg hij in zijn jaszak. De zee bleef eentonig, maar weer begoochelde hem een lichtvlek in het diepste zwart. Natuurlijk waren er schepen ver weg - zou hij nog willen varen? Och - had hij het ooit gewild, of het maar gezegd om zich aan iets vast te klampen, niet over zichzelf te hoeven nadenken en door zijn onmacht daartoe te worden verslagen? De zee was hem een god geweest, die hij beleed, - nu had hij geen goden meer. Hij liep tegen de wind in over het natte strand; waar de boulevard ophield zou hij een duin beklimmen en de zee vanaf die geringe hoogte voor het laatst zien. De wind was scherp, er vielen sneeuwvlokken en regendruppels. Dicht voor hem doemden twee gestalten op; het bleken een man en een jong meisje te zijn, er hing een haarvlecht over haar schouder. Ze gingen rustig naast elkaar, wat leunend tegen de wind. Waarschijnlijk moest de man het meisje beschermen, deze donkere winteravond, dacht Dirk, en doordat zij dit wist, drukte haar houding onafhankelijkheid uit en kracht. Ze was in een andere levensfaze dan het kind in de trein, hoewel ook | |
| |
die kleine jongen geen hand naar zijn moeder had uitgegestoken. Dirk beet zich op de lippen; geen begaafd kind had zijn levenswil tot volle groei gebracht, zijn beide dochters was hij vergeten, en Berrie... In Berrie stak geen kwaad en daardoor evenmin de mogelijkheid tot overwinning.
Moeizaam beklom hij een duin, de beide voeten scheef plaatsend. Links van hem was nog de gele gloed van lampen en hij wist terug te moeten naar de stad, naar de Jordaan, waar zijn vrouw oliebollen bakte. ‘We zullen het lekker hebben,’ had ze gezegd.
Toen hij boven stond, zag hij een bewegend lichtje, zwak, over de golvende bodem, een honderd meter ver misschien. Hij bleef daar naar kijken, telkens was het onzichtbaar en dan kwam het weer, flauwer en verder weg. Waarschijnlijk stropers, konijnevellen brachten nogal wat op. Laatst had een jonge man in de winkel tegen hem gezegd: ‘Ik zal nog eens de duinen inmoeten voor de afbetaling van mijn scooter, als je begrijpt wat ik bedoel.’ Hij knikte maar wat in zo'n geval, maakte zich niet druk om te begrijpen. Nu verjoegen de stropers hem, - goed, hij moest toch gaan, met de zee had hij al afgerekend. Nog tien minuten had hij de tijd in de kleine stationswachtkamer. Aan het tafeltje naast hem zaten twee mannen, de een droeg een jagershoedje, de ander een alpino, - het waren heertjes. Ze speelden met een lucifersdoosje, waartegen ze langs de tafelrand met duim en wijsvinger knipten, zodat het opsprong. Kwam het etiket boven te liggen, zo gaf dat vijf punten, één der smalle zijkanten twintig punten. Wie niets haalde was af. Het mensdom verveelde zich, dacht Dirk. Hij had gelezen over herders in Griekenland, die een touw met kralen aan hun gordel | |
| |
droegen, stukjes barnsteen, glad geslepen door eeltige vingertoppen. Onwillekeurig tastte hij naar de schelpen in zijn zak. De zee had hem teleurgesteld, de elementen waren te zwak, de duisternis te eentonig, - ook hij keek naar een dansend lucifersdoosje. Het kwam op de grond terecht, de trein uit Amsterdam reed binnen.
Van het Centraal Station liep hij naar huis, hoewel Koos hem zeker al verwachtte. Als alles klaar stond, haar besuikerde baksel, de warme punch, en er kwam niemand - wat zou ze dan doen? Maar ze kon zeker zijn van hem en Mia.
De Rooi was er nog - bij elven - waarop hoopte die vent? begeerde hij niet anders dan te staan wachten? Zijn sleutels grijpend, zei Dirk: ‘Ga mee naar binnen, drink wat.’
De ander schudde het hoofd. ‘Dit's het beste uur van het jaar, de jongens komen al naar buiten met hun vuurwerkies. Blijf jij thuis?’
‘En als ik je een gulden geef?’
‘Een gulden - mij een zorg.’
‘Na,’ zei Dirk en liep de winkel in. Daar stond de kerstboom nog in een hoek, - morgen moest het ding weg, maar Berrie zou het niet over de straat slepen. Er hadden geen donkere kaarsen in gestaan, geen pakjes sigaretten hadden aan rode lintjes gehangen, maar Mia had wat sneeuw op de takken gestrooid, er engelenhaar doorheen geslingerd. ‘Een mooie boom,’ hadden ze om beurten gezegd - de jongen nam het woord niet van hen over. - Nu legde Dirk, staande met zijn jas aan, de schelpen op tafel, die hij nog niet in het licht had gezien; er kwam wat zand mee, dat hij zou moeten wegvegen. Twee gave doosjes vond hij er tussen, één plat en blauwig glanzend, een | |
| |
grotere dof en geribbeld. De kleinste borg hij voorzichtig tussen de vleugels van de ander, - als een parel, dacht hij. De schelp in de vingers houdend keek hij er lang naar. Van opzij gezien leken het kleine vogels, de gespreide vlerkjes aaneen gedrukt, de korte snavels elkaar rakend. Zou hij dit Berrie kunnen doen zien? - een vogelschelp. Nu moest hij gaan, buiten hoorde hij de eerste voetzoekers al knallen. De Rooi stond met een vrouw te praten, zodat hij ongemerkt kon doorlopen. De man had hem eigenlijk nooit gehinderd, maar sinds die moordgeschiedenis scheen hij boter op zijn hoofd te hebben. Of sinds zijn val in die schuit, - zijn persoonlijke zondeval. Even blies hij schamper door de neus, - waar kwam hij terecht met zulke gedachten, in de armen van Mia? Het lieve kind moest het niet horen. Hij wilde schuld erkennen, maar geen zonde, hij had tegen dat woord een sterke aversie, die hij wist niet te kunnen verklaren.
In de Haarlemmerstraat brandden nog alle etalagelichten en kinderen, veelal blootshoofds, scharrelden krijsend tussen de voetgangers door. Na enkele minuten zag Dirk dat Mia voor hem uit ging naast een forsen jongen man, een hoofd groter dan zij. Zijn rechterarm bewoog achter haar rug, blijkbaar wilde hij haar graag omvatten, maar voelde zich weerhouden door haar uniform. Dirk, die hen had ingehaald, vertraagde zijn pas en bleef kijken. De jongen boog het hoofd vol aandacht naar het meisje en sprak tegen haar; er was een grotere ernst in hem dan in de meeste jongens die op straat vrijden. Mia's houding was afwerend, ze draaide wat met het hoofd, drukte haar linkerarm star tegen zich aan. Het is nog niet de vogelschelp, dacht Dirk, maar dat kan worden - als ze haar hoedje afzet. Opeens legde de jongeling een arm om haar | |
| |
schouders en duwde haar in een portiek, een paar huizen voor de slagerij. Dirk liep door.
Pelsen, in zijn morsige witte jas, liet hem binnen. ‘Zo,’ zei hij, ‘net op tijd, nou het Leger nog.’
Had hij erwtensoep voor een hele compagnie?
Desnoods - met gehaktballen. Glimlachend gingen ze de woonkamer in, die ruimer was dan Dirks alkoof en veel zwaarder gemeubeld. Een buffet stond overladen met koude spijzen, flessen en glazen, over de tafel lag een donker wollen kleed.
Koos, de lippen zorgvuldig geverfd, keek triomfantelijk uitdagend. - Of hij een uiltje had geknapt? vroeg ze, waarop hij maar eens knikte.
Goed, dan zou er wel wat in gaan. Als Wim nou eindelijk die jas wou uittrekken...
Eindelijk? effies geleden had er nog bloed gespat, - en hij gaf Dirk een knipoog.
Kort daarop kwam Mia binnen in haar strakke, zwarte uniform. Er was een glans over haar gezicht en het kwam Dirk voor dat ze te vol was om iets te kunnen zeggen. Pelsen schoof zijn arm door de hare, maakte een hoge borst en zette één voet nadrukkelijk vooruit. ‘De slager en de heilsoldaat,’ zei hij, ‘of: De appel valt niet ver van de stam - goed voor een operette.’ Haastig trok hij zijn jas uit en legde die zijn dochter om de schouders. Het meisje bleef stil staan en keek de kamer rond alsof ze die voor het eerst zag, maar Pelsen gaf zijn hoofd een ruk. ‘Vooruit, breng die spullen weg.’
‘We zullen het lekker hebben,’ zei Koos aanmoedigend, ditmaal tot Mia gericht, en ging voort zodra de ander de kamer uit was: ‘dat komt, dunkt me, wel in orde, het jeukt al een beetje in haar, - wat jij, man?’
| |
| |
‘Ik weet het niet,’ zei Dirk, ‘ik weet niet wat we moeten wensen.’
‘Nou ja, jij bent Van As, geen glimpie erin - als ik eens goed zou blazen...’
‘Wat dan?’ vroeg Pelsen, ‘stoof hij weg, of blies je het vuur weer aan? - pas maar op.’ De mannen waren onderwijl gaan zitten, Koos, die niet genoeg scheen te kunnen krijgen van de aanblik der lekkernijen, stond nog naast het buffet. Een ogenblik later kwam Mia binnen en droeg nu een grijze jurk met een wit kanten kraagje. ‘Erg onschuldig,’ zei de oudere vrouw, ‘een jonge weduwe, die wel gauw zal hertrouwen.’ Ze lachte en nam de schaal met oliebollen op, maar bleef staan luisteren: in de straat klonken schelle kreten en knallen. Dirk zag haar neusvleugels wijd worden, haar mond breed, als een dier dat een geur opsnuift. Straks neemt ze haar sprong, dacht hij, en is weg; dan rapen wij de oliebollen van de grond en durven elkaar niet aankijken.
‘Meid,’ zei Pelsen, ‘ik wil van een bordje eten en uit een glasie drinken.’ Hij bewoog de schouders, zich verkneukelend.
‘Goed,’ zei Koos, ‘ik dacht anders al dat ik had vergeten de lol erin te bakken.’
De warme punch dampte boven de tafel. ‘Een jaar geleden kenden we elkaar nog niet, toen was mijn vrouw net gestorven, daar in dat hoekie, zomaar in d'r stoel. Dan weet je toch niet wat je gebeurt, - en een week later had Mia dat hoedje op.’
‘Moe wist best,’ zei het meisje, ‘dat ik met het Leger sympathiseerde.’
De schepen in de nabije havens begonnen te loeien, Koos stond op, het glas in de handen en keek uitdagend rond.
| |
| |
‘Nou mensen, heil en zegen in het nieuwe jaar!’
Mia, ook opgestaan, bracht het glas aan de lippen zonder te drinken - de beide mannen waren blijven zitten, Pelsen maakte een star gebaar van ‘proost’. Dirk keek naar het meisje en ze wendde het hoofd naar hem; door een glans in haar ogen kwam hem weer het beeld van de heilsoldate en den forsen jongen man, die haar zacht dringend een portiek inschoof. Buiten was geraas en vuurgespetter. ‘Ga mee kijken,’ zei Koos. Pelsen volgde haar, in de kamer achter de diepe winkel leek het plotseling stil te zijn geworden. Na korte poos vroeg Mia: ‘Hebt u bericht van Berrie?’ ze draaide een oliebol tussen de vingers en keek daarnaar; ‘hij hoestte nogal, hè?’
‘Ja, hij hoestte, ik zal morgen eens opbellen.’ Een koude luchtstroom deed hem de deur sluiten, die op een kier was blijven staan.
‘Gaat u niet naar hem toe?’
‘Och - dat zou ook kunnen, maar de reis is duur, - je weet nooit wat het beste is.’
Er kwam een frons tussen haar wenkbrauwen. ‘Hoe bedoelt u dat?’
‘Nou - moeten we altijd overleggen en aan de toekomst denken? - dat is ons wel geleerd, vóór de oorlog. Nu leven de mensen anders, ze spugen op het denken, - ze doen - ik kan daar niet in meekomen.’ Hij had langzaam gesproken en de lucht die hij ademde leek hem zwaar. Met de linkerhand veijoeg hij de rook voor zijn gezicht, - kwam er een lichtvlek aan de horizon boven het zwart van de zee?
‘U bent tobberig,’ zei het meisje, ‘uw vrouw is anders, want die heeft geloof. De tobbers willen aan het wereldrad draaien, zegt onze majoor, ze bezwijken eronder en | |
| |
dan zien ze nog niet dat ze op de verkeerde weg zijn. U zoudt honger willen lijden om Berrie, u wilt uzelf wijsmaken dat dat helpt, want u hebt geen vertrouwen.’
‘Och kind,’ zei hij en voelde zijn trekken veranderen door een glimlach ‘ik heb vertrouwen, - zonder te kunnen zeggen waarin.’
Nu keken ze elkaar aan, ze had de handen voor zich op tafel gelegd, haar gezicht werd langzaam warm, de hals boven het witte kraagje was helder rood als een tulp. Zou die jongeman haar zo hebben gezien, dacht hij; - neen, in de donkere portiek moest het weer anders zijn geweest. Ze schoof hem de schaal met oliebollen toe. ‘Als we alles opaten? dat zou uw vrouw wel leuk vinden.’
‘Ze zou het niet geloven, maar in de keuken heeft ze nieuwe voorraad.’
‘Die is voor morgen.’ Ze aten als gretige kinderen en likten hun vette vingertoppen af.
‘Komen ze nog niet terug?’
‘Ze zijn opgelost in de menigte,’ zei Dirk. Achter elkaar dronk hij zijn glas leeg, dat Mia weer volschonk terwijl ze vroeg: ‘Hebben ze iets aangetrokken? - het is koud buiten.’
Hij antwoordde: ‘Ze zullen het niet koud hebben,’ maar het volgend ogenblik dacht hij aan het tochtige zolderkamertje van zijn zoon, en zag het dwaallichtje op en neer gaan in de duinen.
|
|