| |
| |
| |
Zesde hoofdstuk
‘Het meeste komt op mij neer,’ had Koos gezegd toen ze klaar stond Berrie van de trein te halen, ‘een man heeft altijd een excuus tegenover zijn kinderen: de broodwinning, - wat sta je daar weer houterig tussen je kissies - een moeder blijft om zo te zeggen altijd zogen.’ Ze streek over haar borst, plukte een pluisje van haar mantel, die ze nu voor het derde jaar droeg, zoals ze even tevoren had opgemerkt, - en Dirk begreep dat ze nerveus was. Hij dorst niet wéér te zeggen: ‘Ditmaal hebben we de Kerstviering van het Leger,’ bang dat ze zou smalen: ‘dat éne uurtje,’ en evenmin: ‘zorg jij dan voor de winkel en laat mij gaan,’ want bij al haar bravour was ze schuw tegenover de Amerikaanse sigarettenmerken. Bovendien moest Berrie ‘om dat ene uurtje’ drie dagen vroeger komen dan andere jaren, - in een onbewaakt ogenblik was het hem beloofd. Hoe Dirk het wendde of keerde, ze tilden beiden zwaar aan Berries komst.
De eerste avond speelden ze de oude kinderspelen: ganzebord, nulletje-achter-het-handje, afnemertje. Met veel fantasie liet Berrie de dobbelstenen vallen, reed op zijn stoel bij een gansje, schopte tegen de tafelpoot als hij de put in moest. Het overnemen en wisselen van de touwfiguren tussen de gespreide handen kostte hem inspanning waarbij zijn ogen uitpuilden, maar er gleed een glundere lach over zijn volle gezicht, als hij het varken-op-de-leer of de doodkist tevoorschijn toverde. Heel lang kon het niet duren, het was of zijn vingers stomper en stroever werden, en met een ruk trok hij zijn vader het touw uit handen en sloeg ermee om zich heen.
Koos sprak van een traktatie en schonk anijsmelk, Berrie | |
| |
zei dat het slijm werd in zijn keel en hij erin zou stikken. ‘Een beetje verkouden?’ zei moenie, hij zou dood gaan in dat tochtige zolderkamertje, de laatste nachten had hij als een hond liggen blaffen. Die zijn we voorlopig kwijt, had de vrouw van Kouber gezegd; ze dacht dat hij het niet hoorde, - hij was niet gek, hij hoorde alles. En hij bonkte met de vuist op tafel.
De anijsmelk zou het slijm losmaken, zei Koos, en in de alkoof zou hij heerlijk slapen.
De vader, dankbaar voor haar geduld, viel in: morgen was een mooie, lange dag, de jongen moest maar eens bedenken wat ze dan zouden doen.
Berrie grijnsde alweer, maar Dirk sliep die nacht onrustig, naast zich het grote, afgewende lichaam van Koos als een rif voor zijn lage eiland, hem het uitzicht benemend. Had de wereld nog open gelegen voor zijn blik sinds de jongen was geboren? Och nee. Sinds de komst van de beide meisjes, kort na elkaar? Nee; sinds hij was getrouwd, als twaalfjarig kind van Sumatra was gekomen met een zieke moeder? Verder terug kon hij niet denken, zijn jeugd aan de rand van oerwouden verwarde hem te zeer.
De volgende morgen vroeg Berrie wat geld om door de stad te zwerven. Op een tramkaart, legde Koos hem uit, kon hij tot vijf maal toe drie kwartier rijden, - maar zo lang mocht hij niet wegblijven, ze zouden dan ongerust worden, en in de middag ging ze met hem mee.
Dirk zocht haar blik en fronste de wenkbrauwen; ze deed of ze het niet zag, maar maande de grote lobbes tot voorzichtigheid. ‘Denk maar dat je een Sint Bernardshond bent,’ zei ze, ‘je kijkt scherp uit je doppen en snuift het gevaar, - ik heb mijn werk.’
| |
| |
Berrie antwoordde: ‘Altijd heb je dat gezegd, 't zal waar zijn,’ en hij gaf zijn vader een knipoog.
Dirk beet zich op de lippen. ‘Jongen, ik had liever dat je thuis bleef,’ maar zijn zoon stak een elleboog in de lucht. ‘De rijksweg bij Ermelo is gevaarlijker dan Amsterdam, zegt Kouber, en ik ben onbezolderd verkeersagent, moet je denken!’ Hij lachte met open mond.
In de winkel liep het gestadig aan, die morgen. Koos gaf de kamer een goede beurt en toen ze de koffie klaar had keek ze door de ampel begordijnde tussenruit, waartegen ze tikte als er geen klanten waren, en zag een slanke, goed geklede vrouw, voor wie Dirk een kistje sigaren inpakte. Onderwijl praatten ze, de vrouw met een bewegende mond, maar zonder dat er een klank tot Koos doordrong. Die deed een stap terug en voelde zich onzeker. Jaloers was ze nooit geweest en was dat ook nu niet, iets anders bewoog in haar en bracht beelden voort: ze zag Berrie het politiebureau op het Marnixplein naderen, de gewone grijns op zijn gezicht, hij wist niets van haar avontuur, niets van de moord op Molly. Nu stond hij al voor de kruising van de Rozengracht, waarover de auto's raasden. Welke kant ging hij uit, - zou een vrouw langs hem strijken, hem iets influisteren? - Ach nee, hem niet. Maar hij was nieuwsgierig en zonder waarschuwing - of kende hij toch angst? Wat zou hij doen als hij in een val zat, - misschien een moord begaan? Het kwam door Dirk, dat ze zo dacht, Dirk was ongerust, de laatste tijd meer dan vroeger, - sinds zij door de politie was opgehaald - bah, om haar onschuld te getuigen, anders toch niet. - Ze legde haar hand om de koffiepot op het waxinelichtje en voelde de hitte; ze bereidde een kop, droeg die naar de winkel.
| |
| |
De slanke vrouw was weg. ‘Je had een fijne klant,’ zei ze, ‘geen Jordaanse.’ Hij nam de koffie van haar aan, ze zag zijn witte, smalle handen en voelde weer de onzekerheid. ‘Vanmiddag ga ik met Berrie uit,’ zei ze, ‘je moet niet zo ongerust over hem zijn.’
Hij antwoordde: ‘De jongen zal eerst moeten thuiskomen.’
Ze trok even met de schouders. ‘Nogal wiedes, - maar hij heeft altijd alleen gezworven, hij kent de weg en de spraak.’
Na een ogenblik zei hij: ‘Het is nu anders.’
Ze wilde daartegen in opstand komen, maar vond geen woorden en keek afwachtend naar hem. Hij hield het hoofd gebogen over de dampende kop en zei: ‘Die vrouw was een zuster van Molly en woont met haar man in België. Dat kamertje hier moest eindelijk leeg en er stond huurschuld. “Het verbaast me niks,” heeft de zuster gezegd, “dat Laura is vermoord, als kind kon ze al zo pesten.” Ze heette Laura, Molly.’
Koos knikte. ‘En ze was misschien van goede kom-af? in iedere kous valt wel een gat.’
Na een ogenblik van zwijgen zei Dirk: ‘Van jou wist ze niets.’
Die woorden troffen haar. Weer zag ze Berrie bij de politiepost; als er een agent naar buiten kwam, zou hij groeten, omdat een straatslentertje hem eens had geleerd: een smeris moet je altijd te vriend houden. Grootdoenerij. Er kwam een klant binnen en Koos verdween door de gangdeur. Ze liep de keuken in zonder te weten waarom, zag de verveloze, brokkelige schutting van het plaatsje, daar bovenuit de vuile gevels met scheefgetrokken raamkozijnen. - We wonen toch armzalig, dacht ze, we zijn | |
| |
getekend door deze buurt. Haar handen grepen de gootsteentod, spoelden die uit onder de kraan en wrongen krachtig. - Ik zou een moord kunnen doen, dacht ze, als ik daardoor mijn leven kon veranderen.
De kou en het ruisen van het stromende water deden haar goed, maar ze had niet kunnen zeggen of de drift weldadig was, dan wel het langzame wegtrekken daarvan. Nou moest ze weer voort, het gewone werk, en vanavond de zangbrigade van het Leger, en een Kerstpakket. Al hoorden ze niet tot de armsten, Mia had het zo beschikt terwille van Berrie. Alles draaide om dien jongen, alle schuld was: Berrie. God - nee, ze wist niet wat ze daarmee bedoelde, maar ze zou willen dat niemand zich met haar bemoeide, geen heilsoldaatje haar man thuisbracht omdat hij zijn handen had bezeerd, geen chic geklede vrouw uit België kwam dwarskijken in de Jordaan. ‘Van jou weet ze niets,’ had Dirk gezegd, - wat viel er van haar te weten? Dat ze haar levenlang had geploeterd, dat ze in de oude, donkere bedstee van haar derde kind had willen bevallen, maar de jonge vroedvrouw had gezegd: ‘Dat accepteer ik niet, zelfs niet in de Jordaan, - u zult een ledikant moeten aanschaffen.’ En zo was Berrie aan het licht gekomen. Alles draaide om Berrie. Ze was nerveus omdat ze hem alleen had laten gaan, wat haar vroeger geen zorg had gegeven, maar langzaamaan ging je de omvang voelen van je last. ‘Vooruit,’ zei ze tegen zichzelf, ‘doe je werk, aardappelen schillen, rode kool snijden, straks kan je Berrie uitsturen op een half pondje bloedworst.’ Vader Pelsen hield zich luikes - geef hem ongelijk, de week voor Kerstmis. Ze had die avond niet met hem moeten meelopen voor een handjevol soepvlees. Hij had haar met zijn vette ogen aangekeken en | |
| |
gezegd: Nou krijg je nog niet meer, dat begrijp je wel - later misschien. Wat: later? toch zeker niet als zijn dochter haar hallelujahoedje terug gaf?
Snel draaide ze de aardappelen onder het mesje door. Ze had voor hetere vuren gestaan dan dat van vader Pelsen - maar zo bedoelde ze het niet: de vuren zouden heter moeten zijn om haar te schroeien. Ze strekte zich. ‘U bent een formidabel wijf,’ had die ene politieman gezegd. Wat dat precies betekende wist ze niet, maar ze voelde dat het waar was. Vanmiddag moest Dirk maar met den jongen uitgaan, zij zou wel Chief Whip en Hunter verkopen, en als de zuster van Molly terugkwam, zou ze vragen: ‘Wat rookt koning Boudewijn? Ik zal u een pakkie voor hem meegeven.’ De banden waren toch altijd zo innig geweest tussen Nederland en België? - ze kon met de groten meepraten. Nou de rode kool.
De vroege duisternis beveiligde hen weer, dacht Dirk, Berrie dutte in de leunstoel, of sloeg oude weekbladen om, Donald Duck, Panorama, - Koos bakte een Kerstbrood. In de winkel kwamen en gingen de klanten en lieten hem, als gewoonlijk, snippers van vrije tijd waarmee hij niets kon aanvangen. Dikwijls had hij overwogen een oud schoolboekje voor zich te leggen, Franse woorden te leren, of aardrijkskunde van oost en west. Het was een mogelijkheid gebleven, die nooit naderbij kwam: de klanten zouden hem niet herkennen als hij over een boek gebogen stond te prevelen. Hij moest paraat zijn en wachten. Aan het einde van zijn leven zou hij kunnen zeggen: ‘Ik heb gewacht’; - waarop, dat wist hij niet.
Die morgen had hij het wél geweten, Berrie kwam om twee uur thuis en het laatste uur was zelfs Koos ongerust | |
| |
geweest. Af- en aan lopend zei ze: ‘dat kind, dat kind,’ maar ging niet verder dan de hoeken van de straat of van de volgende. Haar vertrouwen in de tijd was weg, ze wist niet meer of de kool nog hard zou zijn, of al aanbrandde. Maar ineens stond de jongen voor hen, met bolle ogen en vochtige lippen. Hij was zo ver geweest, helemaal in een andere stad en niemand wist hoe het daar heette, de mensen zeiden maar Amsterdam, - Amsterdam. Hoge huizen, ze bouwden maar hele ritsen, ze waren net gek, niemand woonde in die huizen. Bus zesentwintig, voor de grap had hij zijn tramkaart laten zien en de conducteur knikte dat het goed was; aardig van dien man, hij had hem een hand gegeven. Bus zesentwintig, dat moesten ze onthouden, en toen kwam hij toch weer bij het Centraal Station uit, - je deed maar of het heel gewoon was.
Nu drong een geur uit de keuken tot Dirk door; Koos bracht hem thee.
‘De Belse niet meer gezien?’ vroeg ze.
Hij vroeg terug: ‘Wat doet Berrie?’
Ze trok de wenkbrauwen op. ‘Moet ik antwoorden? - hij suft een beetje en schopt tegen de tafelpoot.’
Dirk keek haar oplettend aan. ‘Dat die jongen toch zo gauw moe is. Kouber zegt: de ene keer gaat het goed, de andere keer haalt hij een stommiteit uit; - ik vraag me af of er niet te veel van hem wordt gevergd, daarginds.’
Het gezicht van zijn vrouw droeg een uitdrukking die hij niet begreep. Met afgewende blik zei ze: ‘Jij gelooft alles; die stommiteiten zijn er misschien terwille van het hoge maandgeld, dat hij toch moet kunnen verantwoorden, - maar zo nuchter kan jij niet denken.’
Hij voelde zijn gedachten beklemd tussen alle problemen om Berrie en worstelde om vrij te komen. ‘Het is bijna | |
| |
avond,’ zei hij, ‘we gaan met hem uit, en morgen kopen we een Kerstboom.’
Koos kende het zich vastklampen aan de kleine gebeurtenissen, ze knikte en vulde aan: de eerste zondag Coby met de wagen.
‘Hm, - reken daar niet te vast op.’
De rechercheur kwam binnen en groette. - Kon hij mevrouw Van As een ogenblik spreken?
Nou nee, zei Koos, hij kon een sigaartje krijgen; ze had haar zoon thuis en een Kerstbrood in de oven.
Hij moest het onderzoek dan uitstellen tot na de feestdagen? - dat lag niet in zijn lijn. Er was een dame bij hem geweest, een zuster van mevrouw Blep.
‘Blep?’ zei Koos, weer stilstaand nadat ze een stap in de richting van de keuken had gedaan, - wie heette er nou Blep?
Het hoofd van de een naar de ander wendend ging de rechercheur voort: Die zuster had iemand horen praten in een restaurant aan de Keizerlei, een man die een beetje was aangeschoten. Volgens zijn zeggen zou hij naar Australië emigreren, maar zou eerst nog dat hoertje uit de Jordaan koud maken, die Molly. De vrouw was aan een andere tafel gaan zitten om hem niet langer te horen, maar hier, in het dodenhuis, was haar die naam weer ter ore gekomen: Molly. Had mevrouw Van As ooit een man bij Molly ontmoet, een intieme vriend, zogezegd?
Koos scheen een ogenblik na te denken en een paar seconden lang was ze Dirk vreemd. - Ze vertoonde haar likdoorns niet aan den ‘intiemen vriend’ van een ander, zei ze, de rechercheur kon later terug komen, ze liep niet weg. - Waarop ze door de gangdeur verdween.
Een jonge vrouw kwam binnen om sigaretten, de politie- | |
| |
man koos een goede sigaar uit en zei mevrouw Van As enig respijt te geven. Prettige Kerstdagen.
Om half acht sloot Dirk de zaak; met Berrie tussen hen in begonnen ze hun wandeling door de verlichte straten. De jongen, dicht tegen zijn moeder aangedrukt, was monter, nadat hij onder de afwas had geklaagd over de muizen in Ermelo, dikke bruine dieren, die over de zolder liepen. De val, die moenie hem had gegeven, was door Kouber ingepikt voor het schuurtje. Wat konden hem de ratten in het schuurtje schelen, die hij nooit had gezien? Een grote jongen was toch niet bang voor muizen?
Paatje, ze waren groter dan hij als hij in bed lag.
Maar nu genoot hij van het gaan door de schreeuwend bonte straten. Groene en blauwe neonletters, sterren en gouden slingers, poppen met spitse bustes en geverfde haren in de etalages, alles deed hem trillen van opwinding. De Legerzaal, schaars versierd met een spichtige boom en wat sparregroen langs de wanden, moest daarbij wel afvallen, terwijl ook de vrouwen die er binnenliepen het in lijn en gratie moesten afleggen tegen de modepoppen. Mia kwam hun tegemoet en wilde Berrie de hand drukken, maar dat was een kunst die hij niet had kunnen leren. Als bewijs van goede gezindheid omklemde ze toen even zijn schouder en beijverde zich een plaats voor hen te zoeken. Doordat het al vrij vol was, kwam Dirk achter zijn vrouw en zoon te zitten.
De zangbrigade stelde zich op; het muziekcorps, drie man sterk, zat gereed. Zonder stilte van de nog rumoerende zaal te eisen, begon de dienst met een korte toespraak van den majoor, woorden die als rook aan Dirk voorbij gingen. Er werd gezongen in een nuchter mezzoforte door de soldaten, zwak en wankel door het publiek.
| |
| |
Daarna las een niet meer jonge vrouw met kinderlijk hoge en bedeesde stem het geboorteverhaal uit het evangelie van Lucas. Er werd opnieuw gezongen en Dirk schoot bijna in de lach om de platte melodie onder een hoogdravende tekst. De beide blazers konden alleen wat klanken uitstoten als een hengst zijn paardevijgen, de tonen uit het kleine huisorgel strompelden en stotterden. Maar de nummers van het programma volgden elkaar met bekwame spoed. Nu ging het licht uit voor de Kerstvertelling, alleen de boom bleef branden, en een heilsoldate stapte van het podium. Ze begon met een lange kreet door de trechter van haar handen, haar stem was rauw als van een jongen, ze boog door de knieën en had een slordig armgebaar, - een begin dat bij Berrie onmiddellijk aansprak. Om beurten afwijzend en toegeeflijk bleef Dirk luisteren naar dit verhaal op het klassieke thema van het wrede kind dat een armen ouden man plaagt, met argeloos zelfbehagen en lust tot imiteren verteld. Telkens eens zag hij Berrie tegen de moeder aansteigeren en met verrukte blik om instemming vragen. Het overige publiek reageerde zwak, een oude vrouw lachte soms, een kind reed op zijn stoel.
De bekering van den jongen boosdoener werd tenslotte uit lijfsangst geboren: de getergde bleek sterker te zijn dan hij. Dit motief scheen niemand te mishagen, maar de spanning werkte niet na en Dirk voelde zich bedrukter nog dan eerst door de grauwheid van dit feest.
De uitreiking der Kerstpakketten geschiedde zonder enig ceremonieel en de zaal liep langzaam leeg. Op straat gekomen zei Berrie: ‘Het was machtig, hè paatje? Zou een ouwe man wel eens een jongen hebben vermoord?’
‘Dat denk ik niet,’ zei Dirk, ‘hij dreigt er maar mee.’
| |
| |
‘Kouber zou het kunnen doen.’
‘Maar jij plaagt hem toch niet?’
Even kwam de glinstering terug in de lichte ogen. ‘Wel eens een keertje.’ Afleidend vroeg Koos of ze de tram terug namen.
‘De tram, ja, - misschien werd dan hun Kerstpakket gestolen en hij er achteran jagen.’
Kijk, nou hadden ze Mia vergeten, zei Dirk, ze moesten terug om haar te bedanken.
Dat bedankje kwam ze zelf wel halen, meende Koos met een onverschillige hoofdruk.
Een ogenblik weifelde Dirk, toen keerde hij om en liep de zaal weer binnen. Mia hielp bij de uitgifte der laatste pakken; haar houding was beschroomd en mat.
‘Ik kom je even groeten,’ zei hij, ‘Berrie heeft het verhaal prachtig gevonden, we danken je hartelijk voor deze avond.’
Hij drukte haar hand, zag haar lippen vaneen gaan alsof ze iets wilde zeggen, maar er kwamen geen woorden. ‘We zien je wel gauw,’ vroeg hij, ‘of ben je geschrokken van Berrie?’
Ze bloosde licht en schudde snel het hoofd. ‘O nee.’
‘Dag lieve kind, - mijn jongen verheugt zich al weer op de wandeling naar huis, hij leeft bij het ogenblik.’ Meteen wendde hij zich af, verwonderd over zijn ontroering. Wat was er gebeurd, had hij Mia gehinderd door zijn onuitgesproken kritiek op deze Kerstviering, had ze het in zijn houding gezien zo goed als hij in de hare?
Koos en Berrie waren langzaam opgelopen en spraken over de vermoede inhoud van het pak. ‘Niet anders dan vrats,’ zei Koos, ‘overgebleven snoep van Sinterklaas, - misschien een half pondje koffie en een stukje vet er- | |
| |
bij; - wedden? - geen lefzakdoekie en geen muizeval.’
‘Ik denk,’ zei Berrie, ‘zelfrijzend bakmeel met krenten en rozijnen; jij, paatje?’
‘Sigaren en pruimtabak.’
De jongen grinnikte. ‘Dat's niet eerlijk, als ze het bij jou hebben gekocht weet je het.’
Koos gaf haar man een zijdelingse blik en zei op spitse toon: ‘Ze kopen alleen bij de kinderen Gods.’
Nooit had ze hem aan die zondagmorgen herinnerd, toen hij was blijven zitten en zij zelfverzekerd opstond, - waarom deed ze het nu, naast den niet begrijpenden jongen? Je kon altijd zeggen: het gaat hem wel voorbij en toch was het niet mooi dat te doen. Wilde ze haar spel nog eens spelen, laten zien hoe vlug ze recht kon staan? Hij wist meer van haar dan vroeger, sinds die avond in september - de politie... Stil, Berrie mocht het niet weten, maar het kon ten goede keren voor den jongen, als hij een betere baas voor hem zocht. Die kruidenier had hem nooit bevallen. - ‘Kouber zou het kunnen doen,’ had Berrie gezegd, (een kind vermoorden) maar de dokter had hem gewaarschuwd aan dergelijke uitspraken niet te hechten, De moord op Molly zou wel nooit worden opgehelderd, en dat deed er niet toe, belangrijker was het hart van de mensen die elkaar naar het leven stonden.
Het volgende ogenblik duizelde het hem, want Koos en de jongen, die een stap vóór waren geweest, hielden halt voor een grote bloemwinkel en hij keek naar de pracht van witte bloemen, laag voor het venster en oprijzend tot een achtergrond van lelies en hoge seringen.
‘Een bloemenzaak is niks,’ zei Berrie, ‘je kan alles weggooien als het is verdord.’
Koos knikte. ‘Daarom zijn bloemen zo duur.’
| |
| |
‘Ik geef wel eens bloemen aan Lida, maar ze ziet het als ik ze in een tuin heb geplukt en dan is ze heel boos.’ Hij duwde zijn moeder voort met zijn schouder tegen de hare. ‘Wanneer gaan we naar de schouwburg, moenie?’
‘Och,’ zei Koos, ‘ze geven tegenwoordig geen mooie stukken meer.’
‘Waarom doen ze dat dan? het is nou toch Kerstmis. Twee paviljoens bij ons hebben een prachtig stuk gespeeld, - maar ik ben het vergeten.’
‘Zo gaat het,’ zei Koos, ‘we vergeten alles.’
De jongen trilde heftig met het hoofd. ‘Niet alles, het nare niet.’
Op kinderlijk verwonderde toon vroeg Koos: ‘Het nare? dat stop je in het vuilnisvat, dan halen anderen het voor je weg.’ Snel trok zeden jongen mee voort over een zebrapad, een vluchtheuvel, nog een zebra, om zonder hijgen stil te staan voor een gebouw van de klm.
‘Vliegen zal ik wel nooit doen,’ zei ze, ‘jij wel, later.’
Hoe durft ze, dacht Dirk, - hoe durft ze opstaan, een kind Gods, - hoe durft ze dit te zeggen? Maar het was goed zo.
De dagen, troebel door wind en wolken, sleepten zich voort. Alle afwisseling, van tevoren door Dirk geteld en gekoesterd, bracht geen verlichting van de druk in zijn borst. Met Coby's man reden vader en zoon over de nieuwe bruggen bij Schellingwoude, zagen de wintervogels aan het strand, de rietpluimen langs de Loosdrechtse plassen. Het water was grauw, de meeuwen vlogen traag en zonder te krijsen. De Velser tunnel gaf voor een ogenblik het gevoel van warmte en geborgenheid en deed Berrie fantaseren over een man die er achteruit doorheen reed, even | |
| |
snel als de andere auto's, zodat niemand op hem kon schelden. Om de woorden van Kees: ‘Dat was dan zeker een gek zonder rijbewijs,’ lachte hij uitbundig, maar verviel al gauw weer in een mokkend zwijgen.
Met Mia ging hij een avond naar de bioscoop; het warme gezicht van het meisje werd nog warmer als ze zich voor den jongen inspande, maar lusteloos en zonder veel woorden kwam ze met hem terug, en werd door Koos gemelijk ontvangen. Ze trok de stoel naar zich toe, die Mia al aan de leuning vatte en legde er haar benen op.
‘Als je koffie wilt,’ zei ze, ‘moet je je eerst door de vaat heenslaan; je komt om zo te zeggen op het kookpunt, - het afwaswater staat op.’
De dreiging in haar lichte toon verontrustte Dirk, maar hij dorst geen aanmerking te maken en schuwde het te denken aan wat er kon zijn gebeurd tussen Berrie en het meisje.
Twee dagen later bracht hij zijn zoon naar het echtpaar Kouber terug. Het was al donker toen ze aankwamen. Door het dorp lopend bad Berrie zijn melancholieke bui en herhaalde dat ze arme slobbers waren. Goed, ze hadden in een auto gereden, maar waren niet uitgestapt voor een groot hotel om er fijn te eten en te drinken, bediend door kelners met een witte borst en slipjassen. ‘Hè paatje, we durven daar niet naar binnen, ze zouden ons toch maar in een hoekje stoppen, ergens onder de trap, of zo.’ ‘Welnee,’ zei Dirk, ‘maar moeder kookt toch ook lekker, en aan je eigen tafel zit je het best.’
Berrie trok met de schouders. ‘Héb ik een eigen tafel?’ een woord waarvan hij niet gauw meer loskwam. ‘Hou jij je wafel, een eigen tafel...’
De kruidenier, die hem hoorde hoesten, merkte op dat hij | |
| |
altijd kou vatte in Amsterdam; tochtte het zo in de Jordaan? - konden zij 's nachts wakker liggen door het blaffen van hun knecht. De vrouw trachtte te sussen: ze zouden hem een hoestdrank geven. Het was een vrouw met ingevallen borst en smalle lippen, - een goed wijf, had Kouber eens tegen Van As gezegd, - hoger kon ze blijkbaar niet worden geprezen.
Als gewoonlijk in dat huis verlangde Dirk met iemand te overleggen omtrent zijn zoon, maar met wie? Bij den dokter kwam hij altijd te onpas, en toch moest hij een poging wagen, en was niemand anders. Met zware benen stond hij op. Berrie wilde hem brengen. ‘Maar kerel,’ zei hij, ‘we komen net samen van het station, wil je daar nou weer naar toe?’
‘Natuurlijk, met jou.’ Daar viel niet tegen te praten, geen verbod had vat op Berrie, en de trein moest lang worden nagewuifd.
Maar in Putten stapte Dirk haastig weer uit en nam een busretour naar Ermelo. Hij was er niet zeker van die avond nog in Amsterdam te kunnen komen, maar wilde daar niet aan denken, de drang was sterk in hem iets te doen voor zijn zoon.
De villa's der vele doktoren lagen ieder in hun dorre, verwaaide tuin, licht en warmte zorgvuldig binnensluitend. Dirk had moeite de namen der wegen te vinden, de lampen hingen te hoog, een paar donkere mensfiguren schoven haastig voorbij. Moest hij niet linksaf bij die oude eik - waaraan had hij vroeger het huis herkend? Hij liep op goed geluk, telkens menend een aanwijzing te zien, een met klimop begroeide schoorsteen, een heg van thuja's. De wind leek krachtiger te worden en hem van weerszijden aan te vallen, - de tegenstand van de muren, dacht | |
| |
hij vaag, of een werveling boven de boomkruinen. Hij zou willen doorlopen tot waar geen huizen meer waren en dan verder door de nacht, - als de nacht eindeloos kon zijn en al zijn gedachten zou opslorpen. Een auto reed langzaam voorbij en stopte op korte afstand, een man stapte uit om een tuinhek open te doen. Dirk voegde zich haastig bij hem en vroeg naar de weg, waarop hij een kort en duidelijk antwoord kreeg.
‘Dank u - hoe lang nog lopen?’
Tien minuten, als u niet dwaalt.’
Had hij opzettelijk gedwaald - om een ogenblik alle dwang te vergeten, om het onderhoud met den dokter nog te verschuiven? Eerder dan hij had gewild stond hij voor de deur.
De medicus ontving hem met koele verwondering. ‘U nog zo laat hier - is er iets gebeurd? - ik heb weinig tijd.’
‘Het kosthuis van mijn zoon staat me tegen,’ zei hij en hoorde de klank van zijn stem wegvallen in de warm verlichte kamer met tapijten en zware gordijnen.
‘Maar meneer Van As, de jongen is er nu drie jaar en het gaat goed met hem - wat wilt u, het gaat goed. Kouber is een braaf man, een trouwe kerkganger, voor zover ik weet een goed echtgenoot.’
En dat acht je voldoende, dacht Dirk. (Het was hem of hij dit diep in zijn ingewanden dacht.) De mannen waren op geringe afstand van elkaar blijven staan en hun gesprek, nauwelijks begonnen, leek te zijn doodgelopen. Maar Dirk beet zich op de lippen, hij was verkeerd begonnen, na zijn aarzeling had hij te gauw toegeslagen, en bovendien: de ander was niet meer in functie, hij had zijn witte jas weggeborgen ergens in één van de gestichten, de | |
| |
kale witte wanden waren niet meer om hem heen, hij was afgezakt tot een zelftevreden en dom man.
Plotseling voelde Dirk zich opstandig. ‘Ik loop met de gedachte rond,’ zei hij, ‘dat mijn zoon beter bij een boer zou kunnen werken, desnoods wat verder van huis, bij mensen die misschien niet zo trouw naar de kerk gaan, maar... ja, ik begrijp wel dat het moeilijk is.’ Hij boog het hoofd en tuurde op het bonte patroon in het vloerkleed. Zijn drift was neergeslagen, zo ging het nu eenmaal bij hem, Koos kon het dikwijls niet begrijpen.
De dokter greep zijn horlogeketting. Tja, dat moet u zelf weten, aan adressen elders kan ik u niet helpen. Als u geen vertrouwen hebt in de hulp van Hoger Hand...’
‘Ik heb gedacht hulp te moeten zoeken bij de mannen van de wetenschap.’
Het gezicht van de psychiater bleef onbewogen. ‘Wij weten weinig, mijnheer Van As, heel weinig.’
Ook omtrent je medemensen, dacht Dirk, die kruidenier en zijn vrouw. Inwendig voelde hij zich trillen. De man tegenover hem ging voort: ‘Als uw omstandigheden niet gewijzigd kunnen worden, zodat de jongen thuis kan zijn -’
‘Ik heb thuis geen werk voor hem.’
‘In uw zaak niet, nee; - een sigarenwinkel, niet? U zoudt kunnen overschakelen, op het platte land gaan wonen, een kippenteelt, een klein boerenbedrijf, misschien.’
‘Zoudt u kunnen overschakelen en zeeman worden?’
De dokter fronste het voorhoofd. ‘Kom, Van As, geen grapjes, ik ken je als een verstandig man.’
Ze liepen nu beiden naar de deur. Ik zal mijn hand niet naar hem uitsteken, dacht Dirk en hoorde het dubbelzinnnige van die woorden. In anderen zag hij de | |
| |
mogelijkheid een mens naar het leven te staan, hijzelf verzwakte te zeer door drift en verontwaardiging.
Het afscheid verliep zonder handdruk. Toen hij buiten stond wist hij hoe de bushalte te bereiken en verwonderde zich daarover. Het was koud en de wind deed de hoge lampen schommelen. Zou Berrie al in bed liggen en slapen? Soms gaf hij bloemen aan een meisje en ze werd boos als ze in een tuin waren geplukt. De gedachte schrijnde in hem.
Hij wist wel dat er aan Berrie niets meer viel te doen, - had hij niet dikwijls gezegd: ‘We moeten aanvaarden?’ Op geringe afstand zag hij het tankstation, de bushalte was honderd meter verder. Hij zou nog wel thuis zijn vóór de nacht. Als Koos dan maar sliep en niet vroeg waar hij zo lang was gebleven.
|
|