| |
| |
| |
Vijfde hoofdstuk
Van Kouber, den kruidenier, kwam een enkele maal bericht omtrent Berrie, de jongen zelf schreef nooit. Wel had hij lezen en schrijven geleerd, maar die moeizaam verworven kundigheden konden hem weinig bekoren. ‘U moet dat begrijpen,’ had de dokter tegen Van As gezegd, ‘alle geestescultuur blijft hem vreemd’ en Dirk begreep te moeten aanvaarden. Maar soms werd hij wakker en wist een brief van Berrie in handen te hebben gehad en op de woorden te hebben gestaard zonder ze te lezen. Misschien waren het ook geen woorden op papier geweest, was het een gedachte die in de lucht zweefde en bij hem binnendrong. ‘Ik heb gedroomd,’ zei hij tegen zijn vrouw.
‘Waarvan?’
‘Tja - dat weet ik haast niet meer,’ waarop ze smalend antwoordde: ‘Dat is dan geen stof tot een gesprek.’
Het was nu al november geworden en hij dorst haar niet voor te stellen samen naar Berrie te gaan: ze zou op de kosten wijzen, en met Kerstmis kregen ze het kind bij zich, zo lang konden ze wachten. Als ze zei ‘het kind’ trok er iets in hem samen, maar hij zweeg. Het kon ook zijn dat Coby met de wagen kwam, en ze naar Ermelo reden, een zondag. Maar hun schoonzoon, een geboren Rotterdammer, kende alleen het waterland, schepen, sluizen, bruggen. ‘Waartoe dienen bomen?’ kon hij vragen, en had Dirk daarop een antwoord?
Hij verlangde niet naar de komst van zijn dochter in die auto, naar de bravour van Koos, waarmee ze de beklemming om Berrie overspeelde. Heel die herfst bleef hij thuis en schreef een enkele maal aan zijn zoon, meldend de ontmoeting met Mia, de heilsoldate. Van zijn val in de | |
| |
schuit maakte hij een kluchtige scène, dat de jongen kon lachen, de man met de bruine snor werd een mislukte komediant, een nar, die iedereen de waarheid zei en valse kaarten had; - maar die laatste woorden schrapte hij en schreef de brief over. Mia kwam nogal eens aan, ze had geen moeder meer en vond gezelligheid bij hen. Ze beloofde dat Berrie een Kerstfeest van het Leger mocht bijwonen en een Kerstpakket zou ontvangen, al hoorden zijn ouders misschien niet tot de armsten.
‘Misschien niet,’ had Koos met een licht handgebaar gezegd, ‘wat weet ik ervan? Dacht je dat ik de baas was in huis? dat denken er meer, maar een belasting biljet mag ik niet openmaken.’
In een volgende brief schreef Dirk over de winkel, want toen Berrie naar Ermelo ging, had hij het doen voorkomen dat de zoon hem zou opvolgen als hij had geleerd met klanten om te gaan. Kopers eisten aandacht, de tragen en weifelenden het meest, soms steun en bijval, soms tegenspraak en voorlichting, maar altijd onverdeelde belangstelling, en de etalage moest die belangstelling doen voorvoelen. Het ijlste laagje stof was als een dove blik, een omgevallen pakje sigaretten een te vroeg afgewend hoofd. Hij wist ook die brief niet te zullen verzenden. Hij had er zijn best op gedaan; nu, de inspanning overdenkend, kwam hem het beeld van een pottenbakker, die met de handen een aarden pot vormt. Een goed werk, zolang de klei zacht en willig was...
Omdat hij de enveloppe al had geschreven - Bernard van As, stond er kort en mannelijk - begon hij een nieuwe brief en vertelde over reclameplaten die hij had ontvangen: ‘Een Zeeuwse boer kijkt met gekrulde onderlip naar een schotel glanzende oesters, en het onderschrift luidt:
| |
| |
“Liever shag.” Een oude man steekt zijn pijp aan; achter hem verrijzen hoge fabrieksschoorstenen. “Da's een pijp,” zegt hij, terwijl het lucifersvlammetje een zachte gloed geeft aan zijn wang.’ - Berrie hield van zulke dingen en kon er uitbundig om lachen. ‘Nog veel meer is er op mijn toonbank gelegd,’ ging de vader voort, ‘ik zou er de kamers mee kunnen behangen, maar de tweede dag gaat zo'n facie je al vervelen, zegt moeder.’ Wat schichtig keek hij naar Koos, die tegenover hem aan de tafel zat. ‘Zal ik Berrie van je groeten, of schrijf je zelf een woordje?’ Op misprijzende toon antwoordde ze: ‘Je bent al zo lang bezig, me dunkt het is nou genoeg,’ en hij voelde dat ze zichzelf vrij gaf van den zoon tot Kerstmis. - Toch bereidde ze zijn komst voor, er moest zoveel mogelijk afleiding zijn, er zou met hem samen een boompje worden gekocht, er zou, als ieder jaar, over de beste plaats worden gekibbeld: de alkoof was te klein, de winkel onaantastbaar. Nu had ze de heilsoldate tot hulp, een geschenk van de hemel, - wat evenwel nog zou moeten blijken, want de zangbrigade eiste haar op, en ze had haar vader te trotseren, het uitdagende hoedje als een bajonet op het geweer.
‘Aanvallend Christendom,’ zei het kind, en Koos glimlachte breed, ze hield van paraatheid en van de eerste klap. Wilde ze het meisje helpen tegen den vader? Ze liep naar de slagerswinkel, ze zei hem: ‘Ik kom een oude rolade uit de sloot halen, misschien neem ik een nieuwe tegen Kerstmis, maar dan zonder rode lintjes.’ Pelsen zou hebben geantwoord: ‘Dit jaar steek ik er een takje hulst op, plastic, natuurlijk, maar mijn vlees is vlees,’ en zo waren ze op de dochter gekomen, alles over de toonbank heen.
- Dat kind moest een vrijer hebben, had hij gezegd, als | |
| |
mevrouw Van As hem daaraan kon helpen, hoefde ze haar takje hulst niet te betalen. - Hadden ze elkaar eens met een blik gewogen. Een knap stuk man, een tikkie vrouwelijk in zijn lange witte jas en zijn rare muts, en zij had altijd grote aantrekkelijkheid gehad voor het uniform, maar tot na Kerstmis zou ze hem te vriend houden, en mogelijk langer: hij had een eigen wagentje. Mia was zijn jongste kind, ze had bij hem achter de kassa en de snijmachine gestaan, maar ze kon de lucht van het rauwe vlees niet verdragen, zei ze. Nu was ze telefoniste in een groot bedrijf, Tienens en Trompen, - moest ze de hele dag zeggen: een ogenblikkie, ik zal u doorverbinden, zag ze geen runderbloed meer, maar kon zich even goed in de vingers snijden, als mevrouw Van As wist wat hij bedoelde. Ba - ze zou dat niet hebben begrepen... Zij, Koos, nam alles op zich: het Kerstfeest met Berrie, vader Pelsen met Mia en De Strijdkreet, - maar Coby en Kees zouden nog een brief van haar krijgen, die hadden ook verplichtingen tegenover hun armen broer, nietwaar?
Het gebeurde niet vaak, dacht Dirk, dat Koos zich slecht uitdrukte - die rechercheur moest haar hebben verward. Hoe onzeker had hij zichzelf niet gevoeld, die dagen zonder haar. Natuurlijk geloofde hij niet aan haar schuld in die moordzaak, maar de onderstroom van het kwaad in de wereld was gezwollen, misschien voor een ogenblik buiten zijn oevers getreden. Waren er nog oevers? - hij wilde daar niet aan denken.
Telkens als Mia Pelsen bij hen kwam, keek ze Koos afwachtend aan en Van As kende die blik: ze had het gewaagd, er viel wat te winnen.
Maar op een avond zag hij in de trekken van zijn vrouw dat het kind haar te veel werd. Ze zei winkels te willen | |
| |
kijken, de Kalverstraat was aan de beurt, voor haar part mocht Mia mee, een Strijdkreet temidden van petticoats en spitse-neuzenschoenen zou niet gek zijn. ‘Vooruit op het pad van de zonde,’ en ze hief het lied aan: ‘Naar huis, o naar huis, arm afgedwaald lam.’ Mia schudde het gebogen hoofd. Ze was ontevreden met zichzelf, zei ze zacht, ze zou de studentenkroeg binnenlopen, wat ze nog nooit had gedurfd, om dan luid de woorden van Christus te zeggen: ‘Zie, ik ben met u al de dagen totaan het einde der wereld.’ - Glimlachend knikte Koos, ‘Dat zou ik maar doen,’ zei ze, ‘en als je dan zo'n lief blosje daarbij krijgt, dan weet ik nog niet wat voor vis je vangt.’
Een ogenblik bleef het stil, toen vroeg Dirk: ‘krijgen we geen koffie vanavond?’
‘Nee,’ zei Koos, ‘ik heb niets in huis.’
Zonder nadenken vroeg hij Mia waar de studentenkroeg was, o, niet om haar weg te jagen, hoor.
Koos viel in: wist hij dat niet meer uit zijn studententijd? Het meisje stond op en hij bracht haar tot de deur, waar hij nog haastig naar iets zocht om te zeggen. Ze scheen dat te voelen en bleef op de drempel staan. ‘Je moet begrijpen,’ zei hij opeens, ‘dat onze zoon niet is te helpen, - of misschien alleen voor het ogenblik. Maar dat geldt min of meer voor alle mensen, ons leven bestaat uit een paar ogenblikken.’ Ze vroeg: ‘Gelooft u niet aan de eeuwigheid?’
‘Kind, dat weet ik niet, geluk en eeuwigheid zijn dunkt me te groot voor ons.’ Hij keek naar de kleine huisjes van de straat, grijs-grauw, met hier en daar wat lampenschijn.
- Er is weinig licht, dacht hij, deze tijd van het jaar, en wij zijn bang in het donker.
Met kleine stem zei Mia: ‘Jezus Christus laat ons over | |
| |
het water wandelen.’ Dirk voelde een ontspanning. ‘Je bent een lief kind,’ zei hij, ‘help mijn vrouw door de Kerstdagen heen, iedere afleiding is welkom.’
Ze vroeg: ‘Heeft Berrie een portefeuille, zo een die een man in zijn binnenzak draagt?’
‘Hoe kom je daarbij? - hij heeft geen geld.’ Zonder het hoofd te wenden zag hij de blos in haar wangen.
‘O - ik heb er nog een liggen, die ik voor een vriend had gekocht, maar het was opeens uit tussen ons.’
‘En wil je die portefeuille afstaan? - je krijgt wel weer een anderen vriend.’
Ze schudde het hoofd. ‘Ik dacht dat Berrie er blij mee zou zijn.’
‘Het is een mooi aanbod,’ zei hij ernstig, ‘denk er nog eens over.’
Daarop nam ze afscheid en hij zag haar de straat uitlopen.
Achter de open keukendeur stond zijn vrouw. ‘Hè,’ zei ze met een zucht, ‘ik moest effies wat door mijn keel gooien, ik krijg zo'n dorst van dat kind - jij ook? Na Kerstmis moesten we maar eens opnieuw beginnen.’
Hoe ze zich dat voorstelde? vroeg hij en liep de kamer binnen.
Ze volgde. Nou ja, voorstellen - niet zo zwaar tillen aan alle zorgen, er was nou ouderdomspensioen, er zat geld onder het volk, de meiden hadden het goed. Driftig schudde ze haar patiencekaartjes, zodat er een paar op de grond vielen.
Het geld devalueerde, zei hij.
Natuurlijk, zij alleen mochten er niet bovenop komen, want ze hadden Berrie. Gedenk het dikke hoofd van Berrie, dat was hun lijfdeun. Vroeger had ze de woorden | |
| |
niet begrepen ‘Gedenk te sterven,’ en nou was er dit. Dat bleef hetzelfde, zei hij en voelde een plotselinge beklemming, een korte ademnood. Tot zijn verwondering sprak hij voort: Ze konden de Kerstboom wel eens in de winkel zetten, misschien vonden de klanten dat leuk, er pakjes sigaretten aan hangen met engelenhaar, en sigaren in kaarsenhouders steken. Witte en zwarte kaarsen aan één boom, symbool van gelijkheid der rassen, waarover tegenwoordig zo veel was te doen. Een reclamestunt, nou? En misschien een stalletje met het bezoek van de drie koningen, één koning was ook zwart, een dikke sigaar met een rood fluwelen mantel om, twee blanken uit een paar sigaretten, king-size, zou hij met Berrie kunnen maken, en zij was handig met de naald.
‘Hm,’ zei Koos en begon haar kaartjes uit te leggen, ‘je hebt een idee, eens in de zoveel jaar heb je een idee.’
En er van te voren op attent maken, een kaartje laten drukken met een rijmpje erop:
Nu keek Koos hem aan, de uitdrukking van haar gezicht herinnerde hem de avond van haar arrestatie. ‘Ben je niet helemaal snik?’ vroeg ze, ‘de ziel rookt zich los!’
‘De geest,’ zei hij, ‘dat klinkt mannelijker. Maar drukwerk is duur, het kan ook anders, en liever zeggen: sigaren worden as, - de mensen worden niet graag aan hun dood herinnerd.’
| |
| |
De vrouw tegenover hem aan tafel luisterde niet meer, hij zag haar lippen bewegen boven de poppen en dode tekens.
Een zondagavond met lichte en zware regenval kwam vader Pelsen op bezoek. Dirk, die sinds de middag aan zijn boekhouding had gewerkt, keek op toen hij een mannenstem hoorde en meende den rechercheur te herkennen, maar begreep zijn vergissing door de zwier waarmee hem de hand werd toegestoken. ‘Zo, hoe gaat het? mijn naam is Pelsen, u bent slachtoffer geworden van mijn jongste dochter.’ Zijn blik zocht verstandhouding, zijn glimlach liep daar al op vooruit. Nog staande keek hij onbevangen rond, zijn grote, dikke hand op de leuning van de stoel, die hem was aangeboden. ‘Zo woont de Jordaner,’ zei hij, ‘klein maar knus, we dromen allemaal van een bankstel en hebben er geen plaats voor.’
‘Wij niet,’ zei Koos, ‘mijn man is trouwens geen Jordaner, hij komt van Sumatra en waar hij van droomt weet ik niet.’
Dirk moest haar aankijken, ze hief het hoofd wat op en haar trekken stonden strak. Aarzelend schoof hij de boeken terzijde, denkend aan een asbak en een sigaar.
Hij zag liever een grootboek op tafel dan De Strijdkreet, zei Pelsen.
‘En nog liever een borrel?’ vroeg Koos. ‘Wij schenken niet, we hebben een zoon die handenvol geld kost en moeten zogezeid op alles bezuinigen, maar een kop koffie kan je krijgen.’
‘Een bakkie troost,’ zei de bezoeker. ‘Nou is Mia zo'n avond op stap door de modder en gebruikt niks - kan je zo'n kind begrijpen?’
| |
| |
‘Jawel, jezelf braaf vinden is ook wat, dan zingen de engelen voor je.’
Meteen stond ze op en liep de kamer uit. Het gemak en de snelheid waarmee ze zich oprichtte trof hem telkens weer, dacht Dirk, zoals ook die morgen in de bijeenkomst van het Leger, toen er was geroepen: Dat de kinderen Gods gaan staan! Onverwachts, en toch was zij de eerste die overeind kwam, zodat hij half achter haar schuil ging. De heilsoldaten verspreidden zich door de zaal, hij had Mia in zijn richting zien kijken en weer haastig het hoofd wenden; een ander kwam naast hem en begon te prevelen over den Verlosser, een oudere vrouw met een schraalbleek gezicht.
‘Uw vrouw is blijkbaar niet afkerig van het Leger,’ zei Pelsen, ‘ik had een ander idee van haar gekregen.’
Dirk bood hem een sigaar aan, maar hij wilde liever een sigaret, paste beter tussen zijn lippen.
Aarzelend begon Van As: ‘Mia is een lieve meid, waarom zouden we haar hard vallen? ze heeft geen moeder meer en geen vriend, ze moet toch ook iedere dag opstaan en werk doen dat - e -’
Ze rookten zwijgend, Koos kwam nog niet met de koffie. ‘Bij mij in de zaak had ze het gezellig,’ zei Mia's vader, ‘dat mag ik gerust zeggen, zo druk als 's zomers op Zandvoort, een babbeltje met de vrouwen, een plakkie worst aan een kind, de tijd vliegt om. En als ze mijn huishouden had willen doen, graag, Van As, graag, - dat lag toch op haar weg sinds de dood van haar moeder, niet? - een meid van twintig jaar, die haar handen heeft leren gebruiken.’
Zandvoort, dacht Dirk, hij was daar in lang niet geweest, je kon je er verloren voelen, 's zomers tussen de mensen,
| |
| |
je zou kunnen sterven aan de onverschilligheid van de zee. Soms voelde Berrie het ook zo; ‘laten we maar weggaan, paatje,’ zei hij dan.
De ander vertelde van zijn wisselende huishoudsters, hun eisen, de ergernis die ze gaven; hij miste zijn vrouw niet als bedgenoot, sinds jaren had hij wat anders gewild, maar overigens was het een best wijf geweest.
Na die woorden kwam Koos binnen met de koffie en Dirk legde zijn boeken naast zich op de grond - er was verder geen plaats - met langzame gebaren.
‘Ik zie wel,’ zei Pelsen, ‘dat je geen werkhanden hebt,’ en hij spreidde de eigen tien vingers uit.
‘Levende worstjes,’ zei Koos, ‘maar niet om in te happen.’ Ze stond nog en was hoog boven hen; hij moest niet naar haar kijken, dacht Dirk, want de kilte van de zee was in haar, hij hoorde het aan haar stem. En Berrie zou thuiskomen, - hoe moesten ze zich door de dagen heenslaan? Het Kerstfeest, hij had er zoveel plannen voor gemaakt. Koos wilde maar in die auto rijden, maar gisteren had de post een briefkaart van Coby gebracht: Je ziet ons nog niet, moe, Jantje heeft de mazelen, en toen wilde Koos als verzetje die zondag naar een meeting van het Leger. De koffie smaakte hem niet, ze moest er cichorei in hebben gedaan, hoewel ze dat zelf niet lekker vond. Het had ook zo lang geduurd, ze had zeker naar het busje moeten zoeken - het dekseltje was vastgeroest. Of in zijn kop alleen - een verdovend middel, om zelf te kunnen lachen met dien slager. Nee, als het de rechercheur was geweest, of die agent in zijn uniform. ‘Ik heb altijd grote aantrekkelijkheid gehad voor het uniform,’ zei ze, en hij had dat nooit geweten. Als hij kapitein ter koopvaardij was geworden, zou hij blinkende knopen op zijn jas hebben ge- | |
| |
dragen, - maar die mislukking berouwde hem niet meer. Vreemd dat hij dit plotseling wist: het berouwde hem niet meer. Hij moest over Berrie waken, wat hij niet kon doen als hij het kommando voerde over schip en lading van een ander. Hij had zich aan één plek gebonden, - daar lagen schuiten met oud roest, er werd eens gemoord, er waren stille kroegjes met verlopen mannen, er was een heilsoldate die hem wilde redden. Maar hij liep geen gevaar, daarvoor was de last van Berrie te groot.
‘Laat je koffie niet koud worden,’ hoorde hij Koos zeggen. Hij dronk en het smaakte hem beter dan eerst. Pelsen sprak over het geloof, zijn dochter had hem de hoofdpunten voorgelegd van wat de aanhangers van het Leger moesten belijden, - bijvoorbeeld dat onze eerste ouders waren geschapen in een staat van onschuld en reinheid, maar die door ongehoorzaamheid hadden verloren. ‘Nou bid ik je, Van As, een man en een vrouw plotseling op de aarde gezet, zonder verleden, zonder jeugd - van wie moeten ze gehoorzaamheid hebben geleerd? Ze hebben geen ouders gehad, geen slaag, er heeft geen sterveling voor hen hoeven zorgen, ze zijn niet eenmaal gevallen en weer opgestaan, ze hebben nooit gehuild, - als je het je goed indenkt is het afgrijselijk. Het doet er niet toe, kan je zeggen, de natuur stoort er zich niet an; tja, ik wind me er niet iedere dag over op, hoor, ik heb wel wat anders te doen, maar dat mijn kind met dat hoedje op loopt...’
Hij ademde krachtig, zodat de punt van zijn sigaar ging gloeien. Een straatkreet drong tot hen door, toen het harde aantrappen van een motor en Van As voelde de beklemming van de alkoof.
‘Ze ziet er anders niet onaardig uit,’ ging de bezoeker voort, ‘ze kleedt zich beter dan je zou verwachten van | |
| |
zo'n meisje, als ik haar 's morgens zie binnenkomen, ben ik trots op haar. - En wat betekent gehoorzaamheid in volwassen mensen? Toen ik zo'n klein schoffie was zei mijn moeder: “Nou zal je nog doen wat ik wil,” en dan voelde ik haar handen, - “als je groot bent mag je het zelf weten.”‘
‘Heb jij de tien geboden niet geleerd?’ vroeg Koos met haar kille stem, ‘je bent nog niet dadelijk Godzelf, al is je lichaam volwassen. Neem nou die moord op Molly - zou een kind dat hebben gedaan?’
Na een ogenblik zei Pelsen: ‘Niet waarschijnlijk.’
‘Na - “Gij zult niet doden.”’
De ander stiet een klein lachje uit. ‘Nou zijn we wel op een dood punt aangeland,’ ze hij. ‘Loop maar met me mee, dan krijg je wat soepvlees van me,’ en hij stond op.
‘Hm - aan huis bezorgen is er niet bij, hè?’
‘Nee,’ zei hij.
Dirk zag hen naar elkaar kijken, twee grote, staande figuren; Koos had glanzende ogen. Hij bukte zich naar de boeken en maakte ruimte voor ze op tafel. ‘Ga maar,’ zei hij, ‘kan ik dit afmaken,’ maar toen hij hun voetstappen niet meer hoorde, steunde hij vooroverliggend het hoofd in de armen.
|
|